Over Groucho

Groucho Marcus is sinds 2023 werkzaam bij La Gro als advocaat. Hij is werkzaam binnen team Overheid en legt zich toe op verschillende terreinen van het bestuursrecht. Zijn werk bestaat onder andere uit het adviseren van gemeenten over het aanwenden van hun bestuurlijke bevoegdheden. Groucho is in staat om complexe juridische concepten helder te communiceren.

Specialisaties 

  • Omgevingsrecht 
  • Handhavingsrecht 
  • Wet Open Overheid (Woo) 

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2023, Universiteit Leiden, Master Staats- en bestuursrecht 
  • 2022, Universiteit Leiden, Master Encyclopedie en filosofie van het recht
Contactgegevens
Mr. G. (Groucho) Marcus

Advocaat 

Bestuursrecht

Bel: 0172-503 250

Artikelen van Groucho Marcus

Cato Blankenstein 1
Cato Blankenstein
Advocaat
Bouwen in het achtererfgebied
Op 7 februari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een interessante uitspraak gedaan over vergunningvrij bouwen in het achtererfgebied. De uitspraak illustreert eens te meer dat het vóór de Omgevingswet knap lastig was om vergunningvrij bouwen op lokaal niveau aan banden te leggen. Hoe werkt het nu onder de Omgevingswet? Dat en meer bespreken we in dit blog! De uitspraak De zaak (klik hier voor de uitspraak) ging over het bestemmingsplan voor de Amsterdamse wijk Oud West. Om deze wijk beter bestand te maken tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, had de gemeenteraad in het plan een vergunningplicht opgenomen voor de verstening van tuinen. Zowel het bouwen van gebouwen als het aanbrengen van verhardingen werd vergunningplichtig. Daarmee werd beoogd vergroening van de wijk te bevorderen om deze zo minder kwetsbaar te maken voor de gevolgen van extreme neerslag, droogte en hoge temperaturen.   Het oprichten van bouwwerken in het achtererfgebied was vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet vergunningvrij gelet op artikel 2.1, derde lid van de Wabo in samenhang met artikel 2, onder 3 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De raad verklaarde deze regel echter niet van toepassing op de locaties waarop de bestemming “Tuin” zou komen te rusten. Omdat het Bor afkomstig is van de landelijke regelgever, mag daar op lokaal niveau volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet zomaar van worden afgeweken. Alleen wanneer het gelet op locatie-specifieke omstandigheden noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening, kan een planregeling worden opgenomen die vergunningvrij bouwen “aan banden legt” – in de woorden van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2018:571). Om te motiveren dat deze locatie-specifieke omstandigheden inderdaad aanwezig waren, had de raad het plangebied verdeeld in 151 bouwblokken. Deze bouwblokken werden beoordeeld aan de hand van 7 factoren (afstand tot koelte, stedelijk hitte eiland-effect, gevoelstemperatuur, regenwateraccumulatie, aanwezigheid van een polderriool, cultuurhistorische waarden en percentage groen/grijs op openbaar terrein). Als op zijn minst twee van deze factoren aanwezig waren ter plaatse van het bouwblok, was het bebouwen van de tuin vergunningplichtig. Bij alle bouwblokken werd hieraan voldaan. Volgens de Afdeling waren deze beoordelingscriteria niet voldoende locatie-specifiek. Zo oordeelde zij dat hitte-accumulatie een algemeen probleem is voor stedelijk gebied in Nederland. Ook was een volgens de Afdeling een laag percentage openbaar groen, te weten lager dan 30%, niet ongebruikelijk voor stedelijk gebied in Nederland. Verder verschilden de factoren ‘stedelijk hitte-eilandeffect’ en ‘kans op hittestress’ zich te weinig van elkaar. Tot slot overwoog de Afdeling dat op niet alle door de raad aangewezen plaatsen daadwerkelijk sprake was van cultuurhistorische waarden. Kortom, het lukt de raad niet om overtuigend te motiveren waarom vergunningvrij bouwen in het achtererf voor een gehele stadswijk, in het licht van de landelijke regelgeving in het Bor, kon worden uitgesloten. Klimaatadaptatie onder het nieuwe stelsel Het bestemmingsplan Oud West illustreert de steeds grotere behoefte van gemeenten om op lokaal niveau regels te stellen met het oog op klimaatadaptatie en inwoners te beschermen tegen toenemende hitte en neerslag. De Omgevingswet komt gemeenteraden hierin tegemoet. De Omgevingswet gaat uit van een flexibel ruimtelijk stelsel waarin gemeenten als eerst aan zet zijn bij het stellen van regels, zie artikel 2.3, eerste lid van de Omgevingswet. Het “tegengaan van klimaatverandering” is een van de kerndoelen van deze regels, gelet op artikel 2.1, derde lid onder i van de Omgevingswet. Het nieuwe stelsel geeft gemeenten dus een specifieke rechtsbasis voor maatregelen die (de gevolgen van) klimaatverandering willen beperken. Onder het oude stelsel was er geen specifieke rechtsbasis voor klimaatoptreden en moest steeds worden teruggevallen op de eis van een goede ruimtelijke ordening, vergelijk artikel 3.1 van de Wro. In het kader van deze flexibiliteit en decentralisatie, zijn de rijksregels over vergunningvrij bouwen in het achtererf (de tuin) sinds 1 januari 2024 via de zogenoemde Bruidsschat overgeheveld naar de gemeente. De regels over het bebouwen van het achtererfgebied staan in het tijdelijk Omgevingsplan. Daarom zijn deze regels nu nog in alle gemeenten hetzelfde. Maar, op het moment dat steeds meer gemeenten dit tijdelijk Omgevingsplan omzetten naar een definitief Omgevingsplan, zal per gemeente ander beleid kunnen worden gevoerd over bouwen in het achtererfgebied. De gemeenteraad mag dit vergunningplichtig maken. Onze inschatting is dan ook dat de planregeling die gemeenteraad van Amsterdam voorstond, in een Omgevingsplan wel goed mogelijk zou zijn. Gebodsbepalingen Denkbaar is dat een gemeenteraad nog verder zou gaan dan de vergunningplicht door een zogeheten ‘gebodsbepaling’ op te nemen. Dat is een reguleringsmogelijkheid van de raad die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is geïntroduceerd. Een gemeenteraad zou kunnen overwegen om bijvoorbeeld voor te schrijven dat de tuinen in een woonwijk voor ten minste 50% moet worden vergroend (door verhardingen te verwijderen). Ook is het bijvoorbeeld denkbaar dat een gemeenteraad woningeigenaren verplicht om te zorgen voor voldoende schaduw in en om de woning. Tot slot is voorstelbaar dat de raad woningeigenaren gebiedt om daken te witten, om zonlicht te weerkaatsten, of van sedum dakbedekking te voorzien (groene daken). Het Omgevingsplan kan dus op creatieve manieren worden ingezet om hittestress en hitte-eilanden te voorkomen. Een gebodsbepaling was onder het oude stelsel niet mogelijk. Onder het nieuwe stelsel verandert dat, hoewel het inzetten daarvan zeker niet zonder risico is. De gemeente zal steeds moeten borgen dat het gebod voor alle belanghebbenden evenredig is aan het te dienen doel, bijvoorbeeld door een (ruime) overgangstermijn te bieden of een compensatiemaatregel te treffen. Anders kan in beroep een streep worden getrokken door de gebodsbepaling. Heeft u vragen over dit artikel of vergunningvrij bouwen? Neem dan contact op met Cato Blankenstein of Groucho Marcus. Zij staan u graag te woord.   
Anke van de Laar 2
Anke van de Laar
Advocaat
Verplicht de AVG tot het anonimiseren van persoonsgegevens in processtukken?
In onze praktijk wordt geregeld de vraag gesteld of bestuursorganen op grond van de AVG persoonsgegevens in processtukken mogen of zelfs moeten anonimiseren. In dit blog leest u het antwoord. Hoofdregel De hoofdregel is dat in een procedure de op de zaak betrekking hebbende stukken integraal moeten worden overgelegd. Dit is ingegeven door artikel 6, eerste lid, van het EVRM (equality of arms). Partijen dienen te beschikken over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Nu artikel 8:42 van de Awb verplicht tot het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is de verwerking van de in die stukken opgenomen persoonsgegevens noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting (artikel 6, eerste lid, onder c, van de AVG). Deze hoofdregel geldt niet alleen in (hoger) beroep maar ook in bezwaar en voor het doorzenden van stukken door de rechtbank op grond van artikel 8:39 van de Awb (Zie ECLI:NL:CBB:2022:794 en ECLI:NL:CBB:2022:795).  Afwijken van de hoofdregel Alleen als de rechter naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek daartoe oordeelt dat gewichtige redenen bestaan, kunnen passages in de op de zaak betrekking hebbende stukken worden gelakt op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Gewichtige redenen kunnen (ook) betrekking hebben op persoonsgegevens, bijvoorbeeld als de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geding komt. Er worden echter hoge eisen gesteld aan de motivering van een verzoek tot beperkte kennisname. Ter illustratie wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1507) waarin een verzoek om toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, ten aanzien van de namen en functies van politiemedewerkers die waren opgenomen in een bestuurlijke rapportage werd afgewezen omdat het risico dat de politiemedewerkers beweerdelijk liepen onvoldoende was onderbouwd. Overigens achtte het CBB wel aannemelijk dat kennisneming van de naam van de opsteller van het proces-verbaal zou leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze ambtsdrager (ECLI:NL:CBB:2022:795, r.o. 11.1). Onduidelijk is of daarbij een nadere onderbouwing was gegeven. Verder verwijzen wij naar dit eerdere blog naar aanleiding van de uitspraken ECLI:NL:RBOVE:2020:2919 en ECLI:NLRBROT:2018:7943. Andere dan op de zaak betrekking hebbende stukken In dit kader is het relevant om te wijzen op een uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:582). In de zaak die leidde tot voornoemde uitspraak had het college hangende beroep stukken ingediend bij de rechtbank om zo het beroep van appellant, dat sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel, te weerleggen. Het betrof andere, geanonimiseerde handhavingsbesluiten. Appellant stelde dat het college daartoe een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb had moeten doen. De Afdeling oordeelde echter dat dat niet nodig was omdat de rechtbank evenmin kennis had kunnen nemen van de geanonimiseerde persoonsgegevens van de derden die zijn aangeschreven en dat uit de geanonimiseerde stukken voldoende duidelijk bleek dat het college ook in vergelijkbare gevallen handhavend optrad. Daaruit lijkt (voorzichtig) te kunnen worden afgeleid dat als het niet gaat om op de zaak betrekking hebbende stukken het bestuursorgaan wel zou kunnen overgaan tot anonimiseren van persoonsgegevens. Er is geen verplichting om andere dan op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen en nu door het overleggen van geanonimiseerde stukken de beroepsgrond ook weerlegd kan worden, is het niet noodzakelijk om de persoonsgegevens te verwerken. Antwoord op de vraag Het antwoord is dan ook dat de AVG niet verlangt dat bij het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken persoonsgegevens van de indieners van stukken worden geanonimiseerd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan de geheimhouding van persoonsgegevens van betrokkenen op grond van artikel 8:29 van de Awb gerechtvaardigd worden geacht. Voor niet op de zaak betrekking hebbende stukken kan het anders liggen. Voor vragen kunt u contact opnemen met Anke van de Laar, Groucho Marcus of een van onze andere specialisten van het Team Overheid. Zij staan u graag te woord.