Over Jos

Jos is sinds 2018 werkzaam als advocaat bestuursrecht bij La Gro. Hij adviseert en procedeert onder meer op het gebied van de Wet open overheid (Woo), handhaving en ondermijning. Jos staat hoofdzakelijk gemeenten bij en heeft bij zijn werkzaamheden oog voor de politiek-bestuurlijke verhoudingen. Complexe zaken pakt hij met grote zorgvuldigheid aan en weet hij terug te brengen tot begrijpelijke materie.

Specialisaties

  • Bestuurs(proces)recht
  • Wet open overheid (Woo)
  • Handhaving
  • Ondermijning

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2017, Universiteit Leiden, Rechtsgeleerdheid, staats-en bestuursrecht

Recente dossiers

  • Wet open overheid: adviseren over de behandeling van Woo-verzoeken en procederen over besluiten tot openbaarmaking van overheidsinformatie
  • Handhaving: adviseren en procederen over het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang en invorderingsbesluiten
  • Adviseren en procederen op het gebied van ondermijning, bijvoorbeeld ten aanzien van de sluiting van woningen of de oplegging van gebiedsverboden aan ordeverstoorders
Contactgegevens
Mr. J. (Jos) Pfeifer

Advocaat 

Bestuursrecht

Artikelen van Jos Pfeifer

Jos Pfeifer 1
Jos Pfeifer
Advocaat
De bescherming van melders onder de Wob/Woo
Melders van bijvoorbeeld integriteitsschendingen, strafbare feiten of radicalisering moeten dat kunnen doen in alle anonimiteit. Het algemeen belang is namelijk gediend met het ontvangen van meldingen. Het zwaarwegende belang van openbaarheid van publieke informatie doet daar niet aan af. Voorgaande volgt uit een uitspraak van 17 januari 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Achtergrond  Een medewerker van Team Jeugd van de gemeente Maastricht doet een telefonische melding bij het Veiligheidshuis over een vermeende radicalisering van een inwoner. De melding, opgetekend in een e-mail, wordt vervolgens gedeeld met de politie en de AIVD. De inwoner raakt op de hoogte van de betreffende melding en wil concreet weten wie de melder is en wat de aantijgingen aan zijn adres zijn. Hij verzoekt daarom op grond van de voorganger van de Wet open overheid (Woo), de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), om openbaarmaking van deze melding.  Weigering openbaarmaking  Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college) weigert de openbaarmaking van deze melding integraal. Naar de mening van het college weegt het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van Team Jeugd en het Veiligheidshuis zwaarder dan het belang van openbaarheid. In deze afweging betrekt het college dat de betrokkenen hebben verzocht om geheimhouding van hun identiteit. Het enkel anonimiseren van de melding is volgens het college geen optie nu de inhoud van de melding blijft te herleiden tot individuele personen. Ook het algemeen belang bij het ontvangen van meldingen, waarvoor anonimiteit noodzakelijk is, laat het college zwaar wegen.  Oordeel Afdeling  De Afdeling oordeelt, net als de rechtbank, dat het college de openbaarmaking van de melding heeft mogen weigeren. Het algemeen belang dat melders vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking naar een bestuursorgaan moeten kunnen stappen met informatie, heeft het college terecht zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid. Melders moeten volgens de Afdeling erop kunnen vertrouwen dat hun anonimiteit bij het doen van meldingen gewaarborgd blijft. Daarbij heeft het college ook veel waarde mogen hechten aan het feit dat de melder zelf heeft verzocht om geheimhouding van zijn/ haar identiteit.  Wilt u meer informatie of heeft u vragen over dit artikel? Neem dan contact op met Jos Pfeifer of een van onze advocaten van team overheid.
Jos Pfeifer 1
Jos Pfeifer
Advocaat
Niet-belanghebbenden krijgen toegang tot de bestuursrechter
Tot voor kort waren de poorten naar de bestuursrechter gesloten voor niet-belanghebbenden. De Algemene wet bestuursrecht laat er namelijk geen twijfel over bestaan: alleen belanghebbenden kunnen tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt in haar uitspraak van 4 mei 2021 echter dat ook niet-belanghebbenden de mogelijkheid hebben om in bepaalde gevallen beroep in te stellen. Meer weten? Lees snel verder! Vervolg op ‘Varkens in Nood’-arrest De uitspraak van 4 mei 2021 staat niet op zichzelf maar is een vervolg op het ‘Varkens in Nood’-arrest dat op 14 januari 2021 is gewezen door het Hof van Justitie EU (Hof). Het Hof oordeelt kort gezegd dat artikel 6:13 van de Awb, dat het beroepsrecht afhankelijk maakt van de vraag of tegen het ontwerpbesluit zienswijzen zijn ingediend, in strijd is met het Verdrag van Aarhus.  In de uitspraak van 14 april 2021 geeft de Afdeling gevolg aan voornoemd arrest. De Afdeling oordeelt dat het indienen van een zienswijze geen voorwaarde meer mag zijn voor het indienen van beroep tegen omgevingsrechtelijke besluiten die met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zijn voorbereid. Dit geldt naar het oordeel van de Afdeling voor alle besluitonderdelen.  Belanghebbenden en beroep Het arrest van het Hof heeft ook gevolgen voor artikel 8:1 van de Awb, zo oordeelt de Afdeling in de uitspraak van 4 mei 2021. Artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat alleen belanghebbenden beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter. Deze eis geldt in de regel niet voor het indienen van zienswijzen. Ten aanzien van specifieke omgevingsrechtelijke besluiten is immers bepaald dat een ieder het recht heeft om zienswijzen in te dienen. Voorgaande levert de situatie op dat niet-belanghebbenden wel zienswijzen kunnen indienen tegen het ontwerpbesluit maar tegen het uiteindelijke besluit geen beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter. Gelet op het arrest van het Hof van 4 mei 2021 komt de Afdeling ten aanzien van niet-belanghebbenden tot de conclusie dat artikel 8:1 van de Awb in strijd is met artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus. Anders gezegd: niet-belanghebbenden die eerder een zienswijze hebben ingediend, hebben het recht om beroep in te stellen bij de bestuursrechter. De Afdeling overweegt daarbij dat dit ook geldt voor niet-belanghebbenden die verschoonbaar geen of te laat zienswijzen hebben ingediend. De Afdeling heeft in een schema overzichtelijk weergegeven wat de oude situatie is ten opzichte van de nieuwe situatie. Beroepsgronden en relativiteitsvereiste Voorgaande roept de vraag op of niet-belanghebbenden naast procedurele beroepsgronden ook materiële beroepsgronden mogen aanvoeren. Naar het oordeel van de Afdeling mogen zowel procedurele als materiële beroepsgronden worden aangevoerd. In de eerste plaats omdat deze uitleg de nuttige werking van de inspraakrechten bevordert. In de tweede plaats omdat de rechtspraktijk niet is gediend bij een onderscheid dat niet altijd eenvoudig is te maken. Door de voorliggende uitspraak krijgen veel niet-belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Daarmee is echter nog niet gezegd dat een dergelijk beroep ook kans van slagen heeft. Op grond van het relativiteitsvereiste kan iemand namelijk geen succesvol beroep doen op een rechtsregel als die niet is geschreven om zijn belangen te beschermen. De Afdeling spreekt dan ook de verwachting uit dat het relativiteitsvereiste in de praktijk niet vaak tot vernietiging van het bestreden besluit zal leiden. Vragen? Voor vragen kunt u contact opnemen met Jos Pfeifer of een van onze andere specialisten van het Team Overheid. Zij staan u graag te woord.
Jos Pfeifer 1
Jos Pfeifer
Advocaat
Van de Wob naar de Woo
Het belang van een goede informatiehuishouding en een adequate informatievoorziening door de overheid is sinds de toeslagenaffaire actueler dan ooit. De openbaarheid van overheidsinformatie wordt op dit moment nog geregeld door de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De verwachting is dat de Wob begin 2022 wordt vervangen door een geheel nieuwe wet: de Wet open overheid (Woo). De eerste stap daartoe is gezet nu de Tweede Kamer op 26 januari 2021 het wetsvoorstel heeft aangenomen. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Lees verder om meer te weten te komen over belangrijke veranderingen die op stapel staan. Actieve openbaarmakingsplicht Bij de Wob ligt momenteel de nadruk op passieve openbaarmaking. Dat wil zeggen dat bestuursorganen pas tot openbaarmaking overgaan indien een Wob-verzoek is ingediend. De initiatiefnemers van het voorstel tot de Woo willen een cultuurverandering teweegbrengen waarbij bestuursorganen veel vaker uit eigen beweging overgaan tot openbaarmaking van informatie. Het idee hierachter is dat een transparantere overheid de controle op de democratische bestuursvoering ten goede komt. De meest belangrijke koerswijziging is dan ook de invoering van een actieve openbaarmakingsplicht. In artikel 3.3 van de Woo is een uitputtende lijst opgenomen met documenten die bestuursorganen uit eigen beweging openbaar moeten maken. Overigens bestaat die verplichting niet gelijk voor alle opgesomde documenten. Voornoemd artikel treedt namelijk gefaseerd in werking. Door het ontbreken van terugwerkende kracht bestaat daarnaast geen openbaarmakingsplicht ten aanzien van documenten die zijn opgesteld of ontvangen voor de inwerkingtreding van die openbaarmakingsplicht. Verstrekking in elektronische vorm In het kader van de Wob vindt openbaarmaking vaak nog plaats door het verstrekken van uitgeprinte documenten. Onder de Woo wordt dit verleden tijd nu de verstrekking van documenten in elektronische vorm moet gaan plaatsvinden. In artikel 2.4 van de Woo is bepaald dat verstrekte documenten met algemeen gebruikelijke en (zo mogelijk) gratis beschikbare software moeten kunnen worden geopend. Alleen als elektronische verstrekking echt niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld een papieren kopie van de documenten te verstrekken. Bij wijziging van het wetsvoorstel op 11 januari 2021 is toegevoegd dat voor de uitvoering van de actieve openbaarmakingsplicht alle bestuursorganen gebruik moeten maken van één digitaal platform. Dit is geregeld in artikel 3.3b van de Woo. Dit zogenoemde Platform Open Overheidsinformatie (PLOOI) wordt door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontwikkeld en moet ervoor zorgen dat overheidsinformatie makkelijk vindbaar en doorzoekbaar is. Dit heeft als bijkomend voordeel dat bestuursorganen geen kosten kwijt zijn aan het ontwikkelen van een eigen platform. Zorgplicht Op bestuursorganen gaat een zorgplicht rusten om maatregelen te treffen om digitale documenten duurzaam toegankelijk te maken. Dit is geregeld in artikel 2.4 en 6.1 van de Woo. Kort gezegd heeft dit tot gevolg dat bestuursorganen ervoor moeten zorgen dat documenten zich in een goede, geordende en toegankelijke staat bevinden. Bovendien moet het bestuursorgaan bij openbaarmaking van informatie ervoor zorgen dat die informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is. De initiatiefnemers erkennen dat bestuursorganen niet van de ene op de andere dag aan de zorgplicht kunnen voldoen. De implementatie en uitvoering van de zorgplicht vraagt tijd en tevens wordt een centrale aansturing wenselijk geacht. Gelet hierop stelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een meerjarenplan vast waarin stap voor stap wordt aangegeven welke maatregelen moeten worden genomen om digitale documenten te vervaardigen, ordenen, bewaren, vernietigen en ontsluiten. Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding Voorts stelt de Woo een adviescollege in, het zogenoemde Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding, dat de uitvoering van voornoemd meerjarenplan moet gaan monitoren. Dit adviescollege zal bestaan uit verschillende deskundigen op het gebied van bijvoorbeeld het openbaar bestuur, bestuursrecht, ICT en archivering. Het adviescollege heeft als taak om de minister te adviseren over aanvullingen en uitwerkingen van het meerjarenplan. Bij wijziging van het wetsvoorstel op 11 januari 2021 heeft het adviescollege een aanvullende taak gekregen. De initiatiefnemers zijn van mening dat de positie van wetenschappers, journalisten of anderen die een beroepsmatig belang hebben bij het gebruik van publieke informatie moet worden versterkt. Zij krijgen dan ook de mogelijkheid om bij het adviescollege een klacht in te dienen over de afhandeling van een informatieverzoek. In eerste instantie heeft het adviescollege tussen klager en bestuursorgaan een bemiddelende rol. Heeft bemiddeling geen effect dan zal het adviescollege over de klacht adviseren. Dit advies moet het bestuursorgaan vervolgens in zijn beslissing op bezwaar meenemen. Contactpersoon Tot slot verplicht artikel 4.7 van de Woo bestuursorganen om een contactpersoon aan te stellen. Deze contactpersoon heeft als taak om burgers op een laagdrempelige wijze te informeren over de beschikbaarheid van overheidsinformatie. Het idee is dat men daardoor snel kan overzien welke informatie reeds openbaar is gemaakt en waarvoor eventueel nog een informatieverzoek moet worden ingediend. De contactpersoon fungeert daarnaast als vraagbaak en verstrekt in gevallen die zich daartoe lenen ook documenten. Meer weten? Heeft u naar aanleiding van het voorgaande nog vragen? Wilt u weten wat er nog meer gaat veranderen onder de Woo? Of heeft u andere vragen over de openbaarheid van overheidsinformatie? Neem dan contact op met Jos Pfeifer of een van onze andere specialisten van de sectie Overheid. Zij staan u graag te woord.
Jos Pfeifer 1
Jos Pfeifer
Advocaat
Informatieverzoek kwalificeert niet altijd als Wob-verzoek
Informatieverzoeken roepen in de praktijk geregeld vragen op. In hoeverre mag het persoonlijke belang van de verzoeker een rol spelen? En wanneer moet een informatieverzoek worden opgevat als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en wanneer niet? De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 20 mei 2020 een uitspraak gewezen waarin hierover meer duidelijkheid wordt gegeven. Persoonlijke belang van verzoeker De Afdeling wijdt in voornoemde uitspraak een aantal overwegingen aan het persoonlijke belang van een verzoeker om informatie. In dat kader wordt allereerst gewezen op artikel 3, derde lid, van de Wob. Op grond van dit artikellid behoeft een verzoeker bij zijn Wob-verzoek geen belang te stellen. Of anders gezegd: voor een geldig Wob-verzoek hoeft de verzoeker niet aan te geven met welk doel of welke reden hij een bepaald Wob-verzoek heeft ingediend. Het staat het bestuursorgaan natuurlijk wel vrij om aan de verzoeker te vragen met welk doel of welke reden een informatieverzoek is ingediend. Het antwoord op deze vraag is om twee redenen juridisch relevant. Ten eerste kan het belang van verzoeker relevant zijn om te bepalen of misbruik van recht wordt gemaakt. Ten tweede kan het belang van verzoeker relevant zijn voor de vraag of een informatieverzoek kwalificeert als een Wob-verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob. Misbruik van recht De Wob is geschreven met het doel om eenieder kennis te laten nemen van overheidsinformatie, waarmee het belang van controle op de democratische besluitvorming kan worden gediend. De bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen wordt echter niet altijd met dat doel aangewend. In die gevallen kan sprake zijn van misbruik van recht. Soms wordt een Wob-verzoek ingediend om informatie te verkrijgen die de verzoeker vervolgens kan gebruiken in een procedure over een opgelegde verkeersboete of een naheffingsaanslag parkeerbelasting. In de jurisprudentie wordt aangenomen dat in die specifieke gevallen misbruik van recht wordt gemaakt. Het is vervolgens aan de verzoeker om omstandigheden aan te voeren die leiden tot een andere conclusie. Wanneer een verzoeker een Wob-verzoek indient om informatie te verkrijgen met het oog op een andere procedure dan die hiervoor zijn genoemd, dan is naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer sprake van misbruik van recht. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een dergelijk Wob-verzoek misbruik van recht opleveren. De Afdeling kadert hiermee de misbruikjurisprudentie over opgelegde verkeersboetes en naheffingsaanslagen parkeerbelasting duidelijk af. Wel of geen Wob-verzoek? Wordt een informatieverzoek ingediend en beroept de verzoeker zich daarin expliciet op de Wob? Dan geldt als hoofdregel dat het verzoek moet worden opgevat als een Wob-verzoek. Dit wordt niet anders als de verzoeker een persoonlijk belang heeft bij kennisneming van de informatie of als de verzoeker beoogt de informatie te gebruiken in een juridische procedure. Ook als de verzoeker in een juridische procedure via een andere weg informatie kan verkrijgen, bijvoorbeeld op grond van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht, blijft de hoofdregel gelden. De Afdeling heeft op de hoofdregel echter drie uitzonderingen geformuleerd. Zo is een informatieverzoek geen Wob-verzoek als dit uit de aard van het verzoek blijkt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als iemand inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens vraagt. Een dergelijk verzoek kan in dat geval worden opgevat als een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Een informatieverzoek is ook geen Wob-verzoek als dit uit de inhoud van het verzoek blijkt. De Afdeling geeft hierbij als voorbeeld de situatie waarin iemand alleen aan het bestuursorgaan vraagt om informatie, vragen stelt of vraagt om toezending van de stukken in een procedure waarin de betreffende verzoeker belanghebbende is. Tot slot is een informatieverzoek geen Wob-verzoek als dit uit de uitlatingen van de verzoeker blijkt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de verzoeker aangeeft dat niet is beoogd om informatie voor eenieder openbaar te maken. Aangezien de Wob alleen ziet op openbaarmaking voor eenieder bestaat niet de mogelijkheid om informatie aan één persoon te verstrekken. Navraag bij verzoeker Het is aan het bestuursorgaan om deugdelijk te motiveren dat een van de hiervoor genoemde uitzonderingen aan de orde is. Hierbij kan het verstandig zijn om navraag te doen bij de verzoeker, zodat voldoende duidelijk wordt wat de verzoeker met zijn informatieverzoek heeft beoogd. Contact Twijfelt u of met een Wob-verzoek misbruik van recht wordt gemaakt? Vraagt u zich af of een beroep kan worden gedaan op één van bovenstaande uitzonderingen? Of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Jos Pfeifer of Coline Norde, of een van onze andere specialisten van Team Overheden. Zij staan u graag te woord.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Heroverweging herstelsancties: balans tussen heden en verleden
Wie bezwaar maakt tegen een herstelsanctie, zoals een last onder dwangsom, dwingt het bestuursorgaan om dat besluit te heroverwegen. Deze heroverweging moet doeltreffend en evenredig zijn, aldus staatsraad advocaat-generaal Wattel in zijn conclusie van 11 maart 2020. Maar wat betekent dit nu concreet? Moet het bestuursorgaan bijvoorbeeld alleen kijken naar de feiten en omstandigheden van het heden of ook van het verleden? Handhavingsverzoek Aanleiding voor de conclusie van Wattel is een door Greenpeace ingediend handhavingsverzoek bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Hierin werd de NVWA verzocht omhandhavend op te treden tegen een aantal Nederlandse houtbedrijven. Greenpeace meende dat deze bedrijven in strijd handelden met de EU-Houtverordening door illegaal gekapt hout te importeren uit onder meer de Amazone. Ook zouden de houtbedrijven niet voldoen aan de op hen rustende zorgvuldigheidseisen uit de EU-Houtverordening. Afwijzing handhavingsverzoek De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) wees het verzoek af en handhaafde dit in de beslissing op bezwaar. Tegen dit besluit ging Greenpeace in beroep. Tweemaal vernietigde de rechtbank de beslissing op bezwaar en werd de minister opgedragen opnieuw te beslissen. De rechtbank oordeelde dat tegen een aantal bedrijven alsnog handhavend moest worden opgetreden. Dit oordeel kon echter op weinig begrip rekening van de minister. De minister besloot dan ook tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep in te stellen. Toetsingskader van de heroverweging In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) staat vervolgens het toetsingskader van de heroverweging van herstelsancties ter discussie. Moet in de heroverweging alleen worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit (ex tunc)? Of moeten relevante feiten en omstandigheden die zich na het primaire besluit hebben voorgedaan ook worden meegewogen (ex nunc)? Staatsraad advocaat-generaal Wattel is door de Afdeling in deze kwestie gevraagd om advies uit te brengen. Te handhaven norm als uitgangspunt Wattel betoogt dat de norm die door middel van een herstelsanctie moet worden gehandhaafd, zoals een verbod of een gebod, het uitgangspunt vormt bij de heroverweging. Het doel van een herstelsanctie is immers om zo’n norm in de praktijk af te dwingen. De heroverweging van een herstelsanctie moet daarom leiden tot een effectieve en evenredige sanctionering. Dit betekent dat het doel en de strekking van de betreffende norm bepalen welke feiten en omstandigheden in de heroverweging moeten worden betrokken. Combinatie ex tunc en ex nunc Door Wattel wordt het voorbeeld aangehaald waarbij een overtreding wordt beëindigd na het verbeuren van een aantal dwangsommen. Bij de heroverweging doet een toetsing ex tunc in dat geval geen recht aan de beëindiging van de overtreding. Daarentegen gaat een toetsing ex nunc eraan voorbij dat ten tijde van het primaire besluit sprake was van een overtreding waarvoor later ook dwangsommen zijn verbeurd. Wattel pleit dan ook voor een combinatie van toetsing ex tunc en nunc. In bovengenoemd voorbeeld houdt dit concreet in dat het primaire besluit gedeeltelijk moet worden herroepen, namelijk per datum na beëindiging van de overtreding. Uitzonderingen Voorgaande betekent niet dat aan alle ontwikkelingen die zich voordoen na het primaire besluitgevolgen moeten worden verbonden. Wattel geeft hierbij als voorbeeld dat aan de beëindiging van een overtreding niet het gevolg wordt verbonden dat verbeurde dwangsommen met terugwerkende kracht niet meer verbeurd zijn. Een dergelijke situatie zou namelijk onaanvaardbaar zijn in verband met het doel en strekking van de te handhaven norm en met fundamentele rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel. Heroverweging handhavingsweigering In de onderhavige zaak is geweigerd om handhavend op te treden. De heroverweging ziet er dan als volgt uit. Allereerst moet worden beoordeeld of de weigering destijds rechtmatig was. Is dat het geval? Dan kan de weigering in beginsel in stand blijven. Dit wordt anders als inmiddels wel een plicht dan wel bevoegdheid bestaat om handhavend op te treden. Denk hierbij aan de situatie dat inmiddels wel sprake is van een overtreding. In dat geval zal de weigering niet in stand kunnen blijven. Tot slot moet worden beoordeeld of op grond van algemene rechtsbeginselen of gelet op het tijdsverloop nog een bevoegdheid dan wel plicht is ontstaan om handhavend op te treden. En nu? De partijen in de procedure bij de Afdeling mogen nu reageren op de conclusie van Wattel. Vervolgens zal de Afdeling een uitspraak wijzen in hoger beroep. In de regel zal de Afdeling de conclusie van een staatsraad advocaat-generaal volgen. De conclusie is echter niet bindend. Het is dan ook afwachten hoe de Afdeling uiteindelijk gaat beslissen. Uiteraard houden wij u hiervan op de hoogte. Contact Heeft u vragen over de conclusie van Wattel? Of heeft u andere vragen over de heroverweging van herstelsancties? Neem dan contact op met Jos Pfeifer of Coline Norde, of een van onze andere specialisten. Zij staan u graag te woord.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Wel of geen stedelijk ontwikkelingsproject?
Wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan, moet het college beoordelen of daarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend. De zogenoemde ‘kruimelgevallenregeling’, neergelegd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), biedt hiervoor in bepaalde gevallen een wettelijke grondslag. Hierop is een uitzondering gemaakt voor stedelijke ontwikkelingsprojecten. Maar wat zijn eigenlijk stedelijke ontwikkelingsprojecten? En wat zijn de gevolgen van een verkeerde beoordeling? Wettelijke grondslag Relevant in dit verband is artikel 5, zesde lid, van bijlage II bij het Bor. Dit artikellid verklaart de onderdelen 9 en 11 van artikel 4 van bijlage II bij het Bor, over kort gezegd het gebruik van gronden en/of bouwwerken, niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER). Eén van deze activiteiten betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals opgenomen in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit MER. Definitie stedelijk ontwikkelingsproject Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit MER zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Al deze voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat het een verstening of urbanisering van een gebied betreft. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. Als een ontwikkeling aanzienlijke negatieve milieugevolgen heeft – bij een uitbreiding is daar in de regel eerder sprake van dan bij sloop en herbouw – dan wijst dit op een stedelijk ontwikkelingsproject. De milieugevolgen zijn volgens de Afdeling echter niet allesbepalend. Rechtspraak Hieronder halen wij drie interessante uitspraken aan waarin de Afdeling de algemene criteria, zoals de aard, de omvang en de milieugevolgen van een ontwikkeling, op concrete projecten heeft toegepast. Neem bijvoorbeeld een gebruikswijziging van bestaande bebouwing. Volgens de Afdeling is dat geen stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij is specifiek van belang dat het ruimtebeslag van de bestaande bebouwing beperkt is en dat de bebouwing niet wordt uitgebreid. Dat wel wordt voorzien in een beperkt aantal parkeerplaatsen leidde niet tot een andere afweging, nu de verkeersaantrekkende werking en de milieugevolgen daarvan gering zijn. Zie in dit verband de uitspraak van 17 april 2019. Een project waarbij een tijdelijk zonnepark van 4,3 hectare met trafostation voor de duur van 10 jaar wordt gerealiseerd, valt volgens de Afdeling evenmin aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. De Afdeling achtte daarbij van belang dat de gevolgen voor het milieu van het zonnepark beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019. De Afdeling oordeelt anders ten aanzien van de realisatie van 160 tijdelijke wooneenheden voor de duur van 10 jaar. Gelet op de aard en omvang van het project is volgens de Afdeling sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij is van belang dat het project leidt tot een gehele functiewijziging van het perceel waarbij een onbebouwd groengebied zal verdwijnen en 1.940 m2 aan bebouwing zal worden gebouwd. Zie in dit verband een uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtspraak op dit vlak vrij casuïstisch is waardoor een algemene hoofdregel niet valt te ontdekken. Wel biedt de rechtspraak handvatten en denkrichtingen voor de beoordeling van een stedelijke ontwikkeling. Gevolgen van verkeerde beoordeling Het is belangrijk om op voorhand goed te beoordelen of al dan niet sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze kwalificatie is bepalend voor de toepasselijke voorbereidingsprocedure. De wet schrijft namelijk dwingend voor in welke gevallen welke voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd. Het bestuursorgaan heeft hierin geen keuze. Een verkeerde beoordeling kan in een uiterst geval leiden tot een van rechtswege verleende vergunning. Contact Twijfelt u of in een concreet geval sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject? Heeft u andere vragen over de realisatie van stedelijke ontwikkelingen? Neem dan contact met op met Coline Norde en Jos Pfeifer of een van de andere specialisten van team Overheid.
Bel Jos Pfeifer