Over Pieter

Pieter is sinds 2007 als advocaat verbonden aan La Gro. In de periode 2019-2021 heeft hij als managing partner (mede) leidinggegeven aan de onderneming. Vanuit zijn ervaring als advocaat en bestuurder, staat hij ondernemers bij in fusies en overnames, aandeelhoudersgeschillen, governance trajecten en overige strategische trajecten. Pieter geeft leiding aan het team Corporate en M&A. Daarnaast geeft hij leiding aan het team Europees recht (Aanbestedingsrecht, Mededingingsrecht en Staatssteun). Pieter zegt waar het op staat, bepaalt de strategie en regelt zaken voor u.

Specialisaties

  • Ondernemingsrecht
  • Europees recht

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2007, Universiteit Tilburg, ondernemingsrecht
  • 2012, Grotiusopleiding, Europees en Nationaal Aanbestedingsrecht (cum laude)
  • 2015, Grotiusopleiding, Aanbestedingsrecht (vervolgopleiding)
  • 2018, Grotiusopleiding, Fusies & Overnames
  • 2022, Grotiusopleiding, Mededingingsrecht (cum laude)
  • Diverse advies- en/of bestuursfuncties en commissariaten in familie-vennootschappen, (semi)publieke sector én bedrijfsleven

Recente dossiers

  • Ondernemingsrecht: opstellen van en advisering met betrekking tot verschillende typen contracten (joint ventures, overnames, aandeelhoudersovereenkomsten), procederen en adviseren in ondernemingsrechtelijke geschillen (aandeelhoudersgeschillen, vernietiging besluitvorming), advisering ten aanzien van distributie-, agentuur-, franchise- en inkoopovereenkomsten;
  • Aanbestedingsrecht: bijstaan van overheden en aanbestedende diensten en ondernemingen (inschrijvers) in aanbestedingsrechtelijke geschillen, alsmede advisering in het kader van aanbestedingen, gebiedsontwikkeling, gronduitgifte, waarbij indien van toepassing mede staatssteunrechtelijk wordt geadviseerd;
  • Mededingingsrecht: bijstaan en begeleiden van cliënten in geval van handhaving en toezicht door de Autoriteit Consument & Markt (ACM), advisering ten aanzien van concentraties en andere (samenwerkings)overeenkomsten (distributie-, agentuur-, franchise- en inkoopovereenkomsten), advisering ten aanzien van de Wet Markt & Overheid;
  • Staatssteunrecht: bijstaan en adviseren van (semi-)overheden en ondernemingen op het gebied van staatssteun, onder andere bij de aan- en verkoop van gronden, financieringsconstructies, publiek-private samenwerking en gebiedsontwikkeling, het aanmelden van steunmaatregelen of klachten bij de Europese Commissie, bijstaan van partijen bij onderzoeken door de Europese Commissie;
Contactgegevens
Mr. P.B.J. (Pieter) van den Oord

Advocaat | Partner 

Mededinging en EU | Aanbestedingsrecht | Corporate Advisory & Litigation

Bel Pieter van den Oord

Artikelen van Pieter van den Oord

Pieter van den Oord 1
Pieter van den Oord
Advocaat
De nieuwe Europese drempelbedragen 2024/2025
Op 15 november 2023 heeft de Europese Commissie de nieuwe Europese drempelbedragen voor aanbesteden 2024 – 2025 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dit is voor aanbestedende diensten van belang, aangezien de aanbestedingsrechtelijke drempels bepalen of een aanbestedende dienst de verplichting heeft om een Europese aanbestedingsprocedure te starten. Als de totaal geraamde waarde van een opdracht gelijk of hoger is dan het respectievelijke drempelbedrag, dan is de aanbestedende dienst gehouden tot een Europese aanbestedingsprocedure. Een aanbestedende dienst en de behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver zullen direct zien dat er sprake is van een verhoging van de Europese drempelbedragen voor de jaren 2024 en 2025. De nieuwe Europese drempelbedragen Concessies (artikel 8 Richtlijn 2014/23/EU) Het drempelbedrag voor werken betreft € 5.538.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit € 5.382.000. Klassieke overheidsopdrachten (artikel 4 Richtlijn 2014/24/EU) Het drempelbedrag voor werken betreft € 5.538.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit €5.382.000,-. Het drempelbedrag voor leveringen en diensten door de centrale overheid betreft € 143.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit €140.000,-. Het drempelbedrag voor leveringen en diensten door de decentrale overheid betreft € 221.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit €215.000,-. Gesubsidieerde opdrachten (artikel 13 Richtlijn 2014/24/EU) Het drempelbedrag voor werken waarbij de aanbestedende dienst rechtstreeks meer dan 50% subsidieert betreft € 5.538.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit €5.382.000,-. Het drempelbedrag voor diensten waarbij een aanbestedende dienst rechtstreeks meer dan 50% subsidieert betreft € 221.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit €215.000,-. Sociale en andere specifieke diensten (artikel 4 sub d Richtlijn 2014/14/EU) Het drempelbedrag voor overheidsopdrachten voor sociale en andere specifieke diensten blijft ongewijzigd. Voor 2024 en 2025 geldt daarom wederom het drempelbedrag van € 750.000. Water-, energie-, vervoer- en postsector (artikel 15 Richtlijn 2014/25/EU) Het drempelbedrag voor werken betreft € 5.538.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit € 5.382.000. Het drempelbedrag voor leveringen, diensten en prijsvragen betreft € 443.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit € 431.000. Defensie en veiligheid (artikel 8 Richtlijn 2009/81/EU) Het drempelbedrag voor werken betreft € 5.538.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit € 5.382.000. Het drempelbedrag voor opdrachten voor leveringen en diensten betreft € 443.000. Voor de jaren 2022 en 2023 was dit € 431.000. Vragen? Heeft u vragen over de (nieuwe) Europese aanbestedingsdrempels of andere aanbesteding-gerelateerde vragen, neem dan vrijblijvend contact met Marnix van Hemert, [email protected], of een van onze andere aanbestedingsrecht specialisten.
Pieter van den Oord 1
Pieter van den Oord
Advocaat
Pieter van den Oord in de Business over bedrijfsoverdracht
In de juli 2023 editie van tijdschrift Business gaf partner Pieter van den Oord een interessant interview over het proces achter de bedrijfsoverdracht. Hieronder kunt u het interview lezen. Contact Mocht u vragen hebben kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord of een van onze andere specialisten ondernemingsrecht of fusies & overnames.
Pieter van den Oord 1
Pieter van den Oord
Advocaat
The Act on Security Screening of Investments, Mergers and Acquisitions (Wet Vifo)
As a matter of Dutch national security, the Act Vifo, which aims at controlling the risks involved with M&A transactions in delicate sectors, became law on June 1, 2023, with retrospective effect as of September 9, 2020. In this article the most important aspects of this new legislation and the consequences for future and existing investments and M&A transactions will be covered. The newly implemented Act on Security Screening of Investments, Mergers and Acquisitions (in Dutch: ‘Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames’ or ‘Wet Vifo’) provides the Dutch Authorities with the legal framework with which to review the potential risks transactions regarding certain vital providers may pose to national security. Under this act, all acquisition activities which acquire control in Dutch undertakings that are active in vital processes, sensitive technologies and/or high-tech campuses are to be reported to the Investment Review Agency, (In Dutch: ‘Bureau Toetsing Investeringen’ or ‘BTI’). For the definition of control, the act simply refers to the competition law of the Netherlands, which is also used by the Dutch Authority for Consumer and Markets. With regard to the sensitive technologies, a significant influence is deemed sufficient to trigger the notifying obligation. When acquiring at least 10% of the voting rights of the target, the influence may already be considered significant. Such vital providers may be Schiphol Airport, the Port of Rotterdam, providers of (nuclear) energy, but also banks and other major players in the financial sector. Sensitive technologies are military products as well as products which may also be used for military purposes, so called dual-use products. The Minister may by order in council (in Dutch: Algemene Maatregel van Bestuur) also declare other technologies to be sensitive. This allows the Act to stay up to date and relevant by keeping up with the technological advancements such as Artificial Intelligence. At the moment of writing, so far only quantum technology, photonics and semiconductor technology have been added by the Minister to the list. When a buyer acquires control of one of the aforementioned targets or an essential part of one of these targets, the BTI should be notified as soon as possible. After receiving the notification, the BTI shall make an assessment as to whether the transaction should be deemed a risk for national security due to a possible discontinuation of the vital service, leakage of critical or strategic information from the Netherlands, and/or whether an unwanted strategic dependence on other nations may evolve from the transaction. Relevant factors for this assessment are the overall transparency of the investor’s ownership structure, the country where the investor is based, possible criminal records of the investor, and finally the degree of cooperation in the overall review procedure as well as the truthfulness of the submitted information. If the risk to national security is substantial, the Minister of Economic Affairs and Climate Policy may prohibit the transaction or demand that certain conditions be met prior to the completion of the transaction. This standstill obligation shall be in force until a decision, has been taken by either the BTI or the Minister. Depending on this decision the investment may be partially or even fully reversed. When parties neglect to notify the BTI, they are at risk of receiving a fine of up to € 900,000 or 10% of their annual profits. Due to these far reaching consequences, it is of major importance for all parties involved to assess whether an obligation to notify the BTI exists prior to actually completing the transaction. The main takeaway of this act is that from June 1st onwards, investors should, when investing in the Netherlands, consider their obligation to notify the authorities or risk having to reverse the transaction and receive additional fines. Even if the transaction has already occurred, investors should be aware of the retroactive effect which applies the Act to all deals made from 9 September 2020 onwards. The Minister has until February 2024 to review those acquisitions prior to the implementation of the Act. Most recently, the Minister has decided to apply this tool to retroactively review the acquisition of chipmaker Nowi by Nexperia which now has the obligation to notify the BTI. In order to notify the BTI, a notification form introduced through ministerial decree must be filed and submitted to the BTI. This BTI-form includes questions about the acquisition and its following control as well as the motivations for the transaction and any possible risks this may pose to national security. Failure to inform the BTI of all requested and/or correct information may result in a fine of 10% of the annual turnover imposed on the provider of said information.   If you have any questions regarding this article or otherwise, you can always contact one of our specialists. Wilt u deze bijdrage in het Nederlands lezen? Klik hier. 
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Staatssteun en het Didam-arrest: een ondergeschoven kindje
Op 26 november 2021 heeft de Hoge Raad het spraakmakende Didam-arrest gewezen waarin één op één privaatrechtelijke (grond)transacties door overheden, zonder dat mededinging heeft plaatsgevonden, aan banden worden gelegd. Het beknopte arrest heeft veel vragen opgeroepen, met name met betrekking tot het bieden van de vereiste mededingingsruimte en de gevolgen voor overeenkomsten die tot stand zijn gekomen in strijd met het Didam-arrest. Deze vragen worden langzaamaan in de rechtspraak beantwoord. Eén heel belangrijk aspect blijft echter vooralsnog onderbelicht: het staatssteunaspect. Staatssteun speelt een belangrijke rol bij transacties met de overheid, en schending van de staatssteunregels kan vergaande gevolgen hebben. Het is daarom cruciaal om vooraf te verzekeren dat de transactie marktconform geschiedt, zonder strijd met het staatssteunverbod. In dit artikel zetten wij voor u uiteen wanneer rekening gehouden moet worden met de staatssteunregels, op welke wijze staatssteun een rol speelt in het Didam-arrest en hoe onrechtmatige staatssteun bij (grond)transacties kan worden voorkomen. Het Didam-arrest: een korte recap In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overheidslichamen op grond van het gelijkheidsbeginsel mededingingsruimte moeten bieden aan potentiële gegadigden bij privaatrechtelijke transacties zoals gronduitgifte. Dit geschiedt in beginsel door middel van een selectieprocedure, waarin aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria een contractspartner wordt verkozen. Hierbij dient een passende mate van openbaarheid gewaarborgd te worden door het tijdig verstrekken van informatie over de beschikbare onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdsschema en de toe te passen selectiecriteria. De Hoge Raad heeft in het arrest ook een uitzondering geformuleerd op de selectieprocedure, de zogenaamde tenzij-clausule. De selectieprocedure is verplicht tenzij aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria kan worden vastgesteld dat sprake is van slechts één serieuze gegadigde. Deze vaststelling dient tijdig gemotiveerd te worden in een openbare aankondiging. Staatssteun Omdat het Didam-arrest speelt in een verhouding tussen overheid en onderneming, is in dat verband ook het staatssteunrecht relevant. Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Voor het schenden van het staatssteunverbod is niet relevant in welke vorm de steun plaatsvindt; er kan sprake zijn van een positieve prestatie, zoals een subsidie, maar ook het ontnemen van kosten die een onderneming doorgaans in de normale bedrijfsvoering maakt, kan kwalificeren als staatssteun. Uitzonderingen In art. 107 lid 2 en 3 VWEU wordt een aantal uitzonderingen op het staatssteunverbod gegeven. Onder andere steun voor herstel van schade na natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen en steun ter opheffing van een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat is onder de bepalingen toegestaan. Steunmaatregelen op grond van art. 107 lid 2 en 3 VWEU moeten echter voorafgaand aan de steunverlening goedgekeurd worden door de Europese Commissie. Laagdrempeligere uitzonderingen, die geen goedkeuring vereisen, zijn er voor beperkte steunbedragen en voor specifieke steuncategorieën. In de de minimis-verordeningen van de Europese Commissie worden beperkte bedragen aan steun toegestaan omdat deze dusdanig laag zijn dat een interstatelijk effect ontbreekt. Op grond van de reguliere de minimis geldt dat €200.000,– aan steun kan worden verleend aan één onderneming over een periode van drie belastingjaren zonder dat sprake is van staatssteun. Voor bepaalde sectoren, zoals landbouw en visserij, geldt een lagere, sectorspecifieke de minimis. Daarnaast worden in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) specifieke categorieën steun uitgezonderd, bijvoorbeeld steun aan het MKB of steun ten behoeve van cultuur, indien aan de voorwaarden van de verordening wordt voldaan. Voor steun op grond van de AGVV geldt dat hiervan kennis moet worden gegeven aan de Europese Commissie. Gevolgen van onrechtmatige staatssteun Het verstrekken van onrechtmatige staatssteun kan vergaande gevolgen hebben. In beginsel dient onrechtmatig verkregen steun teruggevorderd te worden, inclusief het daarover genoten rentevoordeel, zodat de situatie vóór de onrechtmatige steunverlening wordt hersteld. Handelen in strijd met het staatssteunverbod kwalificeert tevens als schending van een dwingende Europeesrechtelijke wetsbepaling. Op grond van art. 3:40 lid 2 Burgerlijk Wetboek kan dit resulteren in nietigheid van de rechtshandeling, indien dit de meest passende manier is om de mededingingssituatie te herstellen. Zie bijvoorbeeld de zaak Spaansen/Harlingen, waarin de Hoge Raad besloot tot algehele nietigheid van de koopovereenkomst bij een grondtransactie die resulteerde in onrechtmatige staatssteun.[1]   Waarom is staatssteun relevant in de Didam-casus? De Didam-casus heeft betrekking op gronduitgiften. Bij deze uitgiften dienen overheden op grond van het gelijkheidsbeginsel mededingingsruimte te bieden aan potentiële gegadigden, als voorgeschreven in het Didam-arrest. Onderhandse verkopen zijn daarbij in beginsel – uitzonderingen daargelaten – niet meer toegestaan, omdat daarmee onvoldoende mededingingsruimte wordt geboden. Onderhandse verkopen zijn echter niet de enige manier waarop gronduitgiften de mededinging kunnen beperken. Wanneer overheden grond verkopen, ontstaat een risico op staatssteun indien de verkoop niet tegen een marktconforme prijs geschiedt. Het is daarom van belang om de grondtransactie staatssteunproof in te richten, iets waarover in de Didam-casus twijfels (kunnen) bestaan. Marktconformiteit bij grondtransacties Voor het marktconform inrichten van grondtransacties geeft de Europese Commissie een aantal aanwijzingen in de Mededeling betreffende het begrip staatssteun uit 2016.[2] In deze Mededeling worden vier methoden geformuleerd aan de hand waarvan marktconformiteit kan worden vastgesteld: ‘Pari passu’-transacties, oftewel een transactie op gelijke voet waarbij de transactie op dezelfde voorwaarden plaatsvindt voor overheidsinstanties en particuliere marktdeelnemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden; Een concurrerende, transparante niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure (aanbestedings- of biedprocedure); Benchmarking, of; Andere waarderingsmethoden. Didam: volstaat waardering door middel van taxatie? In het Didam-arrest is gebruik gemaakt van de ‘andere waarderingsmethoden’: de verkoopprijs van het gemeentehuis in Didam is door middel van een taxatie onderbouwd. De vraag is of deze waarderingsmethode volstaat. Ons inziens heeft het Hof dit aspect onvoldoende onderzocht; een taxatie resulteert immers niet altijd in een marktconforme prijs. Het gaat bij marktconformiteit om de marktwaarde, oftewel de prijs die een (particuliere) derde bereid is te betalen voor het object. Deze prijs komt niet per definitie overeen met de prijs die een taxateur vaststelt. Een voorbeeld is een zaak uit 2021 waarin volgens het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch sprake was van een ondeugdelijke taxatie en niet-marktconforme prijs bij de aankoop van een kantoorpand door de gemeente Heerlen, wat resulteerde in onrechtmatige staatssteun en volledige nietigheid van de koopovereenkomst.[3] Volgens het Hof moet bij het taxeren van de waarde van een door een overheidslichaam aan te kopen object rekening gehouden worden met alle relevante omstandigheden van het geval. Er dient een vergelijking gemaakt te worden met wat een particuliere partij in het kader van een vergelijkbare transactie onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest te betalen. In dit geval resulteerde dat in het oordeel dat de gemeente een aankoopprijs heeft betaald die hoger was dan de marktwaarde, aangezien bij de taxatie rekening is gehouden met btw-compensatie. Btw-compensatie is een omstandigheid die betrekking heeft op de positie van gemeente ‘als gemeente’ en zou in het kader van een transactie tussen particuliere partijen niet hebben gespeeld. Doorsnee particuliere kopers/gebruikers zijn immers btw-plichtig, en kunnen de te betalen btw over de investering en exploitatie verrekenen. Dit is voor de gemeente niet (altijd) het geval.   Koopovereenkomsten kunnen dus stuklopen op een ondeugdelijke taxatie die leidt tot onrechtmatige staatssteun. Of dit het geval was in het Didam-arrest is niet onderzocht. Sterker nog: het Hof stelt dat, zelfs als zou komen vast te staan dat de Gemeente onrechtmatige staatssteun heeft verleend, er geen plicht zou bestaan om alle geïnteresseerden een kans te geven de gemeentehuislocatie te verwerven, en (slechts) terugbetaling van de steun inclusief het tot de terugbetaling genoten rentevoordeel aan de gemeente zou moeten volgen. Deze overweging is in strijd met de stand van de rechtspraak, waarin strijd met het staatssteunrecht in beginsel resulteert in het terugdraaien van de gehele steun op grond van (partiële of algehele) nietigheid van de rechtshandeling. Deze sanctie is bedoeld om onrechtmatige staatssteun te ontmoedigen door geen van beide partijen met een voordeel achter te laten. De stelling die het Hof bij wijze van overweging poneert in het Didam-arrest zorgt voor een bevoordeling van de onderneming: immers, het risico is beperkt. In het uiterste geval wordt een marktconforme prijs betaald, maar blijft de grondtransactie in stand. Lessen voor de toekomst Naast het gelijkheidsbeginsel (zoals uitgelegd in het Didam-arrest) speelt ook staatssteun een belangrijke rol bij (grond)transacties met de overheid. Indien aan de voorwaarden van art. 107 lid 1 VWEU is voldaan, en geen uitzonderingsgrond van toepassing is, is sprake van onrechtmatige staatssteun. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat een dergelijke overeenkomst niet tot stand mag komen, er geen uitvoering aan mag worden gegeven en in voorkomend geval de steun moet worden teruggevorderd, inclusief het over de steun genoten rentevoordeel. In het geval van grondtransacties kan onrechtmatige steun zelfs leiden tot nietigheid van gehele (koop)overeenkomsten. Het doorlopen van een mededingingsprocedure conform het Didam-arrest, kan ertoe leiden dat geen sprake is van staatssteun. Immers, een concurrerende, transparante niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure (aanbestedings- of biedprocedure) is één van de methoden om staatssteun te voorkomen. Dan is het wel van belang dat de procedure in lijn met zowel het Didam-arrest, als de Mededeling betreffende het begrip staatssteun van de Europese Commissie wordt ingericht. Als er sprake is van één serieuze gegadigde, en de overheid kiest voor een één op één gunning, is het cruciaal om voorafgaand aan  de transactie een juiste marktwaarde vast te stellen van het voorwerp van de transactie, zodat onrechtmatige steun kan worden voorkomen. Wilt u meer weten over staatssteun of de toepassing van het Didam-arrest? Neem vrijblijvend contact op met Monika Beck. [1] Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1587 (Spaansen/Harlingen). [2] Mededeling van de Commissie betreffende het begrip ‘’staatssteun’’ in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2016/C 262/01). [3] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1607 (Metroprop/Gemeente Heerlen); Zie ook Rechtbank Den Haag 11 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11041 (Prima Porta/Alphen aan den Rijn), r.o. 4.8.  
Pieter van den Oord 1
Pieter van den Oord
Advocaat
INTEL VS. Europese Commissie: Aangescherpte regels voor aantonen machtsmisbruik
Op 26 januari 2022 heeft het Gerecht, één van de rechterlijke instanties van de Europese Unie, een arrest gewezen waarin een beschikking van de Europese Commissie (deels) wordt vernietigd. Deze beschikking is afkomstig uit 2009 en is al jaren een onderwerp van discussie. De Europese Commissie heeft destijds in de beschikking een recordboete van €1.06 miljard opgelegd aan chipfabrikant Intel voor het misbruiken van een machtspositie door middel van, onder andere, exclusiviteitskortingen aan afnemers. Misbruik van Intels machtspositie Naar aanleiding van een klacht van Intels concurrent Advanced Micro Devices (AMD), is de Europese Commissie in 2007 gestart met een onderzoek naar het potentiële misbruik van Intels machtspositie. Gedurende een periode van 10 jaar voorafgaand aan de klacht, beschikte Intel over een marktaandeel van ongeveer 70% op de markt van x86 CPU chips. Uit onderzoek van de Commissie is gebleken dat Intel gedurende deze periode verschillende kortingen heeft aangeboden aan afnemers van de betreffende chips. Deze kortingen kwalificeren volgens de Commissie als exclusiviteitskortingen, oftewel kortingen die worden verkregen indien een afnemer exclusief of voor een groot deel zijn behoeften bij Intel voldoet. Daarnaast heeft Intel aan een grote Europese retailer vergoeding betaald voor het enkel verkopen van computers die de chips van Intel bevatten. Tevens blijkt uit de beschikking van de Commissie dat Intel afnemers heeft betaald voor het annuleren of vertragen van de lancering van op AMD-chips gebaseerde producten. Op basis van deze bevindingen is de Commissie tot de conclusie gekomen dat sprake is van misbruik van een economische machtspositie, derhalve heeft de Commissie Intel verplicht de gedragingen te staken en een boete van €1.06 miljard te betalen. Procedure bij het Gerecht en het Hof van Justitie Intel is in beroep gegaan tegen de beschikking van de Europese Commissie bij het Gerecht. Het Gerecht heeft in eerste instantie in 2014 geoordeeld dat de Commissie juist heeft beslist. Op grond van eerdere rechtspraak, zouden exclusiviteitskortingen naar hun aard mededinging verstorend zijn, zonder dat onderzoek naar concrete omstandigheden van het geval nodig is en tenzij een objectieve rechtvaardiging kan worden aangevoerd. Om die reden was het volgens het Gerecht overbodig dat de Commissie het ‘as efficient competitor’ (AEC) criterium heeft toegepast. Het machtsmisbruik was al bewezen door het feit dat Intel exclusiviteitskortingen heeft gehanteerd. Het Gerecht heeft de beschikking van de Commissie dan ook in stand gehouden. Uiteindelijk is de zaak in 2017 bij het Hof van Justitie beland. Daar is het arrest van het Gerecht vernietigd en is de zaak terugverwezen juist om de reden dat het Gerecht het AEC criterium als irrelevant heeft aangemerkt en de klachten van Intel omtrent dit criterium niet heeft onderzocht. Het AEC criterium is volgens het Hof een van de leidende criteria bij de vaststelling van machtsmisbruik op grond van uitsluitingseffecten door kortingssystemen. Aan de hand van dit criterium wordt onderzocht of een even efficiënte concurrent van de onderneming in een machtspositie onder de spelende omstandigheden toegang kan verkrijgen tot de desbetreffende markt. Is dit niet het geval, dan hebben de gedragingen van de dominante onderneming uitsluitingseffecten en is er sprake van beperking van de mededinging. Terug bij het Gerecht: beoordeling aan de hand van aangescherpte regels Na het arrest van het Hof, heeft het Gerecht de beschikking opnieuw beoordeeld aan de hand van strengere normen die zijn afgeleid uit het arrest van het Hof. Het Gerecht heeft deze strengere normen uiteengezet en heeft gesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen in het eerste arrest van het Gerecht is bepaald, exclusiviteitskortingen (of andere getrouwheidskortingen) niet per definitie misbruik van een machtspositie inhouden. In gevallen waar de betreffende onderneming tijdens de administratieve procedure onder overlegging van bewijs betoogt dat haar gedrag de mededinging niet beperkt en geen uitsluitingseffecten heeft, dient gekeken te worden naar de concrete omstandigheden van het geval. De Europese Commissie moet in deze gevallen aan de hand van vijf criteria beoordelen of gesproken kan worden van uitsluitingseffecten. Deze criteria zijn (1) de omvang van de machtspositie, (2) de marktdekking van de betwiste praktijk, (3) de voorwaarden en modaliteiten voor verlenen van kortingen, (4) de duur en hoogte van kortingen en (5) het al dan niet hanteren van een strategie die erop is gericht minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten. Het AEC criterium wordt hierbij dus als een van de criteria voor beoordeling van kortingssystemen gepresenteerd. Tevens worden in het arrest regels omtrent de bewijslast en het vereiste bewijsniveau aangescherpt, in lijn met de onschuldpresumptie. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen twee situaties. De eerste situatie ziet op gevallen waarin de Europese Commissie een inbreuk van de mededingingsregels vaststelt op basis van de veronderstelling dat het bestaan van tegen de mededinging gerichte gedragingen de enig mogelijke verklaring is voor de aangetoonde feiten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de Commissie stelt dat het hanteren van kortingssystemen de enig mogelijke verklaring is voor vertrek van concurrenten van de betreffende markt. Indien in deze gevallen de dominante onderneming een andere plausibele verklaring voor de aangetoonde feiten kan geven, mag de Unierechter de inbreuk niet als bewezen achten. De tweede situatie betreft gevallen waarin de Commissie zich baseert op bewijs dat in beginsel toereikend is voor het aantonen van een inbreuk. In deze gevallen mag de Unierechter de inbreuk als bewezen achten tenzij de betreffende onderneming aan kan tonen dat er sprake is van een omstandigheid die de bewijskracht van het bewijs van de Commissie ter discussie stelt. Het Gerecht heeft de aangescherpte regels toegepast op de Intel beschikking van de Europese Commissie en is tot de conclusie gekomen dat de economische analyse van de Commissie ontoereikend is. De Commissie heeft allereerst niet voldaan aan de vijf criteria die van toepassing waren gezien Intel tijdens de administratieve procedure gemotiveerd heeft betoogd dat geen sprake is van uitsluitingseffecten. Het criterium van marktdekking en de duur en hoogte van de kortingen zijn niet naar behoren door de Commissie onderzocht. Bovendien heeft de Commissie onjuiste toepassing gegeven aan het AEC criterium. Gezien het AEC criterium een belangrijke rol heeft gespeeld in de beoordeling van het misbruik door de Commissie, was het Gerecht in de eerste procedure al verplicht de argumenten van Intel hieromtrent te onderzoeken. Intel heeft terecht aangevoerd dat fouten zijn begaan bij onder andere de berekening van het betwistbare aandeel en de hoogte van de kortingen. Op deze gronden zijn delen van de beschikking, waaronder de boete, nietig verklaard. Lessen voor de toekomst Het arrest van het Gerecht zal vermoedelijk niet met open armen worden ontvangen door de Europese Commissie. De strengere normen die in het arrest worden uiteengezet maken het voor de Commissie een stuk zwaarder om misbruik van een machtspositie te bewijzen, en vereisen daarmee meer uitvoerig onderzoek, uitvoeriger dan het onderzoek dat door de Commissie in de 518 pagina lange Intel beschikking is verricht. Indien de Commissie haar beschikking baseert op veronderstellingen is het voor dominante ondernemingen makkelijk om deze te weerleggen door enkel plausibele verklaringen voor veranderingen in de mededinging aan te tonen. Het arrest van het Gerecht lijkt een overwinning te zijn voor Intel, maar laatste woord in de vete tussen de Commissie en Intel is nog niet gezegd. De Commissie kan er nu voor kiezen om een nieuwe beschikking vast te stellen of om beroep in te stellen tegen het arrest van het Gerecht bij het Hof van Justitie. Ervaart u ook dat concurrenten misbruik maken van een economische machtspositie? Of heeft u anderszins vragen van mededingingsrechtelijke aard? Wij denken graag met u mee. Contact Voor vragen kunt u contact opnemen met Monika Beck, Pieter van den Oord, of een van onze andere specialisten. Zij staan u graag te woord.
Pieter van den Oord 1
Pieter van den Oord
Advocaat
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten geeft eerste oordeel aan de hand van Didam-arrest
Op 26 november 2021 heeft de Hoge Raad het befaamde Didam-arrest gewezen. In het arrest bevestigt de Hoge Raad dat op grond van het gelijkheidsbeginsel, overheidslichamen zijn gehouden potentiële gegadigden mededingingsruimte te bieden bij gronduitgifte in de vorm van een selectieprocedure, tenzij aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria kan worden gemotiveerd dat sprake is van slechts één serieuze gegadigden. Het arrest heeft een enorme impact op zowel overheden als ontwikkelaars en gaat gepaard met veel onduidelijkheid omtrent de exacte gevolgen. Deze aspecten zullen in toekomstige jurisprudentie nader moeten worden uitgewerkt. Het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft daarin een eerste stap gezet in een uitspraak van 28 januari 2022 die betrekking heeft op de vestiging van een erfpacht op schaarse domaniale gronden. De feiten De zaak betreft erfpachtrechten die in 2016 op grond van bindende besluiten aan eisers zijn toegezegd door de bevoegde minister, maar waarbij nog niet is overgegaan tot vestiging vanwege een beslag dat op het moederperceel was gelegd. Nu er geen beslag meer in de weg staat aan vestiging van de erfpachtrechten, en de huidige minister voornemens is de gronden aan andere partijen in erfpacht uit te geven, willen de eisers dat de verplichtingen uit de uit 2016 daterende besluiten, worden nagekomen. Derhalve vorderen de eisers een bevel aan het Land om de betreffende erfpachtrechten uit te geven en medewerking te verlenen bij het verlijden van de erfpachtaktes. Beoordeling door het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten Het Gerecht in eerste aanleg van Sint-Maarten toetst de uitgifte van de betreffende erfpachtrechten in deze casus langs de lat van het Didam-arrest. Volgens het Gerecht moeten ook bij het nemen van beslissingen omtrent de uitgifte van schaarse overheidsgronden in erfpacht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. Burgers moeten gelijke kansen worden geboden in het verkrijgen van deze rechten en verkrijging mag niet afhankelijk zijn van de toevallige omstandigheid welke minister op het betreffende moment bevoegd is tot uitgifte. Ook bij uitgifte van grond in erfpacht dient dus een selectieprocedure georganiseerd te worden, waarin aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria gegadigden worden geselecteerd en welke tijdig wordt gepubliceerd. Hiervan kan enkel worden afgeweken indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor vestiging van het erfpachtrecht. Ook in dit geval dient het voornemen tot vestiging gepubliceerd te worden, daarbij motiverend waarom sprake is van slechts één serieuze gegadigde. Aangezien de besluiten tot uitgifte van grond in erfpacht in dit geval zijn genomen zonder voorafgaande selectieprocedure of publicatie met betrekking tot één serieuze gegadigde, oordeelt het Gerecht in eerste aanleg dat de vorderingen met betrekking tot vestiging van de erfpacht niet kunnen worden toegewezen. Er is in 2016 wel degelijk een verplichting aangegaan om percelen aan de eisers in erfpacht uit te geven, naleven van deze verplichtingen zou volgens het Gerecht in eerste aanleg echter leiden tot een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en is daarom niet mogelijk. Het Gerecht in eerste aanleg legt enkel een standstill op, inhoudende dat de betreffende gronden, op straffe van een te verbeuren dwangsom, niet aan anderen mogen worden uitgegeven of verhuurd of ten behoeve van anderen mogen worden bezwaard zolang de bodemzaak aanhangig is. Tussenstand en analyse De uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten bevat een aantal belangrijke overwegingen met betrekking tot gronduitgifte door overheden na het Didam-arrest, welke vergaande gevolgen kunnen hebben voor deze overheden. Allereerst wordt bevestigd dat niet enkel verkoop van overheidsgronden maar ook vestiging van beperkte rechten op deze gronden, zoals erfpacht, door de leer van het Didam-arrest wordt omvat. Dit is geen schokkende bevinding gezien aanwijzingen hiertoe reeds zijn gegeven in de factsheet van het ministerie van BZK. Verrassender is het feit dat het Gerecht in eerste aanleg de besluiten uit 2016, waarin de minister zich verplicht tot uitgifte van bepaalde gronden in erfpacht, volledig aan de kant schuift. Er wordt een dusdanige waarde toegekend aan het gelijkheidsbeginsel, dat andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, niet in overweging worden genomen. Indien deze lijn ook door Nederlandse rechtbanken en gerechtshoven en uiteindelijk de Hoge Raad gevolgd wordt, heeft dat desastreuze gevolgen voor alle overeenkomsten die vóór het Didam-arrest tot stand zijn gekomen maar waarbij de verkoop van grond of vestiging van een recht nog niet is gefinaliseerd. Al deze overeenkomsten zouden in dat geval niet mogen worden nagekomen wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vraag is nu in hoeverre de Nederlandse rechtbanken en gerechtshoven en uiteindelijk de Hoge Raad de lijn van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten gaan volgen. Onze voorlopige inschatting is dat gelet op de uiterst bijzondere omstandigheden van de casus – te weten een zweem van willekeur, vriendjespolitiek, etc. – er gerede aanleiding was voor de voorzieningenrechter om een voorlopige maatregel te treffen. Gelet op de mate van willekeur die in de voorliggende zaak kennelijk heeft gespeeld, vinden wij dit oordeel niet verrassend. In ‘gewone zaken’, waarin derden te goeder trouw rechten zijn toegekend, menen wij dat die afspraken rechtsgeldig en afdwingbaar behoren te zijn. Contact Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem vrijblijvend contact op met Monika Beck of Pieter van den Oord.