Publicaties

Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanneming van werk/bouwrecht: algemene voorwaarden, lekker makkelijk (of toch niet?)
Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam een eerste uitspraak gedaan in een geschil over een door een opdrachtgever niet betaalde aanneemsom (hierna: de opdrachtgever). Aan de orde was de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen partijen en zo ja, of de rechtbank Amsterdam dan de juiste rechtbank is. Die vraag hangt samen met verschillende voorwaarden die volgens partijen van toepassing zijn op de overeenkomst. Afhankelijk van welke voorwaarde van toepassing is, is de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in Utrecht bevoegd om het geschil te beoordelen.  Waarom algemene voorwaarden? In de bouw worden vaak algemene voorwaarden gebruikt. Algemene voorwaarden worden gebruikt om, onder andere, tijd te besparen. De gedachte is dat de aannemer dan niet iedere keer allerlei standaard bepalingen opnieuw in de overeenkomst hoeft op te nemen. Bijvoorbeeld waar een geschil aangebracht moet worden als partijen een discussie hebben over uitvoering van de overeenkomst. Voor de opdrachtgever heeft het gebruik van algemene voorwaarden in principe ook voordelen, omdat de afspraken tussen partijen dan – als het meezit – duidelijk worden vastgelegd. Alleen: er zijn in de bouw héél veel algemene voorwaarden gangbaar. En daar ging het in deze zaak mis. Waar ging de zaak over? Een particuliere opdrachtgever wilde haar woning laten verbouwen. Met het oog daarop heeft de opdrachtgeefster een architect ingeschakeld (Now A Design). De architect heeft ten behoeve van de verbouwing een Technische Omschrijving opgesteld met wat er gedaan moest worden. In de Technische Omschrijving heeft de architect verwezen naar de STABU-Standaard 2012. Dat zijn standaard voorwaarden waarin gebruik wordt gemaakt van een vaste standaard indeling voor bepaalde bouwwerkzaamheden. Daarnaast wordt in de STABU verwezen naar de UAV-2012, een andere set algemene voorwaarden met algemene bepalingen over, bijvoorbeeld, wanneer de bouw moet beginnen, de oplevering, eventueel meerwerk en de instantie die geschillen moet beslechten: de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. De opdrachtgeefster heeft daarna een aannemer benaderd. Met de aannemer heeft de opdrachtgeefster een (eerste) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ gesloten. In die overeenkomst werd verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Aangegeven werd verder dat, bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken, de overeenkomst prevaleerde. Op verzoek van de opdrachtgeefster heeft de aannemer daarna een calculatie opgesteld met de prijs voor de verschillende onderdelen van het werk zoals beschreven in de Technische Omschrijving van de architect. In de calculatie werd opnieuw verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Ook werd verwezen naar de Technische Omschrijving van de architect. Daarnaast werd aangegeven dat de ‘UAV 2012 van toepassing’ is. Partijen zijn vervolgens een (volgende) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ aangegaan, waarin werd verwezen naar de calculatie van de aannemer en naar de Technische Omschrijving van de architect. In de overeenkomst werd verder bepaald dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing waren en dat bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken de overeenkomst prevaleerde. De aannemer gaat daarna voortvarend aan de slag. Omdat (volgens de aannemer) op enig moment 3 termijnen ad per saldo € 760.985,24 onbetaald waren is de aannemer een procedure begonnen bij de rechtbank Amsterdam. De opdrachtgeefster voerde daar (‘voor alle weren’) verweer tegen en stelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, omdat partijen de UAV 2012 zouden zijn overeengekomen en dat het geschil daarom moest worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Volgens de aannemer is het arbitraal beding/de geschillenclausule in de UAV 2012 onredelijk bezwarend, omdat de opdrachtgever een particulier is. Bovendien zijn volgende de aannemer haar algemene voorwaarden van toepassing, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd zou zijn (en dus niet de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen). Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep op UAV 2012 onterecht De rechtbank oordeelt met betrekking tot de bevoegdheid dat de opdrachtgeefster niet heeft aangetoond dat de UAV 2012 van toepassing zijn verklaard op de aannemingsovereenkomsten. In beide aannemingsovereenkomsten worden de UAV 2012 niet van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden van de aannemer worden daar wel in genoemd. Dat de UAV 20012 ook zijn overeengekomen is niet gebleken. Dat in andere stukken wel naar de UAV 2012 wordt verwezen, maakt dat niet anders. Als het de bedoeling van partijen was geweest om (ook) de UAV 2012 van toepassing te verklaren op de aannemingsovereenkomsten, dan had het voor de hand gelegen om dat op te nemen in het artikel in de aannemingsovereenkomst(en) dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden regelt. Daar worden nu alleen de algemene voorwaarden van de aannemer genoemd. De opdrachtgeefster wordt daarom in het ongelijk gesteld in het bevoegdheidsincident. Rechtbank Amsterdam (ook) onbevoegd? Daarmee is niet gezegd dat de aannemer het geschil bij de juiste rechtbank heeft aangebracht. De aannemer heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank constateert dat in de door partijen van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de aannemer wordt bepaald dat geschillen tussen partijen, naar keuze van de aannemer, moeten worden voorgelegd aan hetzij de rechtbank Den Haag, dan wel de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Naar verwachting is de rechtbank Amsterdam daardoor (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Partijen moeten zich daarover in het vervolg van de procedure nog uitlaten. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Belang voor de praktijk Uit deze uitspraak blijkt maar weer het belang van heldere en duidelijke afspraken tussen partijen. Met duidelijke afspraken kan een zogenaamde ‘battle of forms’ worden voorkomen en was het bevoegdheidsincident bij de rechtbank niet nodig geweest. De architect van de opdrachtgeefster en de aannemer hadden dat kunnen voorzien/voorkomen. De tijd en kosten van het bevoegdheidsincident waren dan niet nodig geweest. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van Aanneming van werk of Bouwrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Bouwrecht.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen. Waar ging de zaak over? De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving. Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver. De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren. Wat is het oordeel van de rechtbank? Uitsluiting terecht Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver. De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure. Belang voor de praktijk Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk. Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.
Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie en onderlinge samenwerking: geen aansluiting, wel een oplossing
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Het probleem van netcongestie[1] raakt zowel grootverbruikers van elektriciteit als woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen in gebieden waar het stroomnet vol is komen op een wachtlijst terecht, die conform het landelijke prioriteringskader wordt afgewerkt. Het verkrijgen van een aansluiting kan daardoor soms jaren duren. Deze belemmering voor elektrificatie, uitbreiding en verduurzaming leidt geregeld tot juridische procedures met systeembeheerders (voorheen: netbeheerders). In eerdere blogs schreven wij over de gevolgen van netcongestie op woningbouw en over praktische handvatten voor bedrijven die tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Naast individuele maatregelen, biedt de Energiewet ook mogelijkheden om netcongestie in samenwerkingsverband op te lossen. In plaats van wachten op een eigen aansluiting, kan er bijvoorbeeld één met de buren worden gedeeld. Dit blog behandelt drie vormen van samenwerking die een oplossing kunnen bieden in de situatie waarin niet iedere betrokken partij over een eigen (toereikende) aansluiting beschikt. Aan bod komen (1) de directe lijn, (2) cable pooling en (3) het gesloten systeem. In het geval bedrijven wel beschikken over een eigen grootverbruikaansluiting, kunnen zij door middel van een groepstransportovereenkomst (GTO) transportcapaciteit delen. Over deze samenwerkingsvorm schreven wij in een eerder blog. De directe lijn Bij een directe lijn levert één (grote) opwekker van elektriciteit direct aan één of meerdere eindafnemers. De Energiewet kent twee verschijningsvormen: Een volledig geïsoleerde elektriciteitsverbinding, waarbij zowel de productie-installatie als de aangesloten eindafnemer(s) géén aansluiting hebben op het openbare net. Een verbinding tussen de productie-installatie en de eindafnemer(s), waarbij ten hoogste één van de betrokken partijen (producent of eindafnemer) een netaansluiting op het openbare net heeft. Kortom: bij de situatie van een directe lijn is er altijd een directe verbinding tussen twee of meer partijen, maar er is slechts één producent en ten hoogste één installatie die verbonden is met het openbare net. De directe lijn leent zich goed voor situaties waarin een producent zijn overtollige opwek rechtstreeks wil leveren aan één of meer afnemers in zijn directe nabijheid, zonder daarbij gebruik te maken van het openbare net. Daarmee wordt het stroomnet grotendeels omzeild. De keerzijde is dat het gebruik van een directe lijn structureel is: als de opwek onvoldoende is, heeft de afnemer zonder een eigen netaansluiting geen back-up via het openbare net. In de praktijk komen directe lijnen vooral voor op industrieterreinen en bij grote producenten. Op grond van artikel 3.9 Energiewet is een producent verplicht energielevering via een directe lijn te melden bij de ACM. Deze meldplicht geldt voor beide verschijningsvormen. De melding wordt ingediend via het meldformulier van de ACM, waarna de directe lijn wordt opgenomen in het openbare ACM-register. Registratie betekent niet dat de ACM de kwalificatie als directe lijn inhoudelijk heeft beoordeeld of goedgekeurd. Cable pooling Meerdere partijen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, gebruik maken van één aansluiting om hun opwek-, opslag- en/of verbruiksinstallaties op het openbare net aan te sluiten. Het gebruik van een gezamenlijke aansluiting wordt ook wel cable pooling genoemd. Voor cable pooling is vereist dat: De verschillende installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden[2]; De eigenaren gezamenlijk één aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met de systeembeheerder sluiten; De aansluitcapaciteit van de gedeelde aansluiting minimaal 100 kVA bedraagt; en De verschillende installaties verdeeld zijn over maximaal 4 percelen (WOZ-objecten). Het idee van cable pooling is dat de betrokken partijen ‘gecombineerd exploiteren’ door het gezamenlijk contracteren met leveranciers en onderlinge transparantie over het gebruik van de gedeelde aansluiting, vastgelegd in een cable pooling-overeenkomst. De samenwerking mag niet zo worden ingericht dat er feitelijk sprake is van levering van de ene deelnemer aan de andere. In dat geval functioneert de gedeelde aansluiting als een gesloten systeem, waarvoor strengere erkenningsvereisten gelden. Om cable pooling te realiseren, moeten de betrokken partijen zich eerst wenden tot de systeembeheerder. Hier dienen zij gezamenlijk een aanvraag in voor een gedeelde aansluiting en sluiten zij samen één ATO af. Vervolgens dient de cable pooling-constructie te worden gemeld bij de ACM, onder overlegging van de gezamenlijke ATO, een overzicht van de kadastrale percelen en de onderlinge contractuele afspraken tussen de deelnemende partijen. Het gesloten systeem Een gesloten systeem is een eigen elektriciteitsnetwerk binnen een afgebakend geografisch gebied. Op dit gesloten systeem wordt door de beheerder stroom getransporteerd naar individuele afnemers die zijn aangesloten op dit gesloten elektriciteitsnet. Het gesloten systeem is via één aansluiting ook verbonden met het openbare net. In tegenstelling tot cable pooling biedt het gesloten systeem de mogelijkheid om daadwerkelijk elektriciteit te leveren tussen de aangesloten afnemers, zonder dat dit als verboden leveringsactiviteit kwalificeert. De Energiewet kent twee verschijningsvormen van een gesloten systeem: Het bedrijfs- of productieproces van de aangeslotenen op het systeem is om specifieke redenen geïntegreerd met het systeem; of Het systeem is primair bedoeld om energie te transporteren ten behoeve van de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen. Een gesloten systeem is geschikt voor locaties waar sprake is van technische, organisatorische of functionele verbinding, bijvoorbeeld op industriële en/of commerciële locaties of locaties met gedeelde diensten. Voorbeelden zijn (lucht)havens, bedrijvenparken, productiecomplexen of universiteitscampussen. Voor het exploiteren van een gesloten systeem is op grond van artikel 3.6 en 3.7 Energiewet een erkenning van de ACM vereist. Bij verlening van de erkenning wordt het gesloten systeem opgenomen in het openbare register van de ACM. Conclusie: de juiste structuur vraagt maatwerk Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de specifieke situatie: de locatie, het type bedrijven, de aanwezige aansluitcapaciteit en de gewenste mate van onderlinge energie-uitwisseling. Behoefte aan juridisch advies over oplossingen voor netcongestie? Neem gerust contact op met de specialisten van Team Energie bij La Gro. [1] Het kan voorkomen dat er op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het stroomnet om aan de vraag/het aanbod naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. [2] Onmiddellijke nabijheid wordt vooral bepaald doordat het voor de partijen economisch voordelig is om een aansluiting te delen. Zie ook de zienswijze van de ACM
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA-uitspraak Hoge Raad: representativiteit vereist echte steun van de achterban
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de collectieve actie van Stichting The Privacy Collective (“TPC”) tegen Oracle en Salesforce . De uitspraak is van belang voor iedere partij die te maken krijgt met een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”), en in het bijzonder voor de vraag wanneer een belangenorganisatie voldoende representatief is om schadevergoeding te kunnen vorderen namens een grote groep gedupeerden. De achtergrond De procedure gaat over het misbruik van persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht en hoofdelijke schadevergoeding van Oracle en Salesforce van 5 miljard euro, ofwel 500 euro per persoon, wegens gestelde privacyschendingen bij het plaatsen van cookies en het opbouwen van gebruikersprofielen voor gerichte reclame. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis, verklaarde TPC alsnog ontvankelijk en wees de zaak terug naar de rechtbank. De Partijen bij de procedure gingen hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad De ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in de WAMCA wordt ex nunc getoetst De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in hoger beroep de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een WAMCA-procedure beoordeelt naar de toestand op het moment van zijn beslissing, en niet naar het moment van dagvaarding. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat het hoger beroep strekt tot een nieuwe behandeling van de zaak naar de actuele stand van zaken. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de WAMCA biedt aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Een “niet te verwaarlozen” achterban is niet genoeg Het kernpunt van het arrest betreft de invulling van het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het hof had geoordeeld dat voldoende is dat “een niet te verwaarlozen aantal personen” de actie steunt. De Hoge Raad verwerpt die maatstaf: de rechter dient te beoordelen of de collectieve vordering de steun heeft van “een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt”. Een getalsmatig criterium kent de WAMCA niet, maar indicaties zijn onder meer het aantal aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld, en of de aangesloten personen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep. Steun van andere maatschappelijke organisaties mag wél worden meegewogen bij de beoordeling of aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan. Het hof had bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom anonieme “likes” op de website van TPC aantoonden dat de steun daadwerkelijk van gedupeerden afkomstig was, terwijl Oracle en Salesforce dit gemotiveerd hadden betwist. De toetsing van artikel 80 en artikel 82 AVG mag worden uitgesteld tot de inhoudelijke beoordeling De Hoge Raad oordeelt dat de AVG niet vereist dat het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG in samenhang met artikel 82 AVG steeds al in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure wordt beoordeeld. Het hof mocht deze vraag, evenals de andere onderdelen van artikel 80 AVG, uitstellen tot de inhoudelijke fase van de procedure. Er bestaat geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU op dit punt. Uitzondering op het verbod van terugverwijzing naar de vorige instantie Ten slotte aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste instantie. In het bijzondere, uit twee fasen bestaande systeem van de WAMCA geldt dat wanneer het hof een ten onrechte gegeven niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, het de zaak wél mag terugwijzen naar de rechtbank, omdat de eerste rechter op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Conclusie Omdat de klachten over de representativiteitstoets slagen, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024 in beide zaken en verwijst hij het geding naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Belang voor de praktijk Dit arrest scherpt de drempel voor collectieve schadevergoedingsacties aan. Belangenorganisaties kunnen niet langer volstaan met het aantonen van “enige” steun binnen hun achterban; zij zullen concreet en cijfermatig moeten onderbouwen dat een substantieel deel van de groep waarvoor zij opkomen, de actie daadwerkelijk steunt — zeker wanneer schadevergoeding wordt gevorderd voor een zeer omvangrijke en diffuse groep. Anonieme steunbetuigingen (zoals ‘likes’) volstaan niet zonder nadere onderbouwing dat deze van de beweerde gedupeerden zelf afkomstig zijn. Daarbij bevestigt de Hoge Raad wel dat het toegestaan is om de steun van andere belangorganisaties te betrekken bij de beoordeling of aan de representativiteitseis is voldaan. Voor gedaagden in WAMCA-procedures biedt de uitspraak een concreet aangrijpingspunt om de representativiteit van eisende belangenorganisaties (verder) te betwisten, met name in zaken met een grote en generieke achterban en aanzienlijke gevorderde bedragen. Tegelijk bevestigt de Hoge Raad dat AVG-specifieke ontvankelijkheidsvragen niet dwingend al in de ontvankelijkheidsfase hoeven te worden beslecht, wat de proceseconomie in complexe privacygerelateerde massaclaims ten goede kan komen. Ten slotte biedt de Hoge Raad nu expliciet de mogelijkheid voor eisers om gebreken op het gebied van representativiteit te repareren tijdens de hoger beroepsprocedure: de toetsing van dit vereiste dient namelijk ex nunc plaats te vinden. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere WAMCA-specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Handreiking DAEB Vrijstellingsbesluit: hulp bij toepassing in de praktijk
Eerder schreef ik over de herziening van het DAEB Vrijstellingsbesluit door de Europese Commissie op 16 december 2025. De herziene versie van deze staatssteunuitzondering is op 8 januari 2026 in werking getreden. Inmiddels heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een handreiking gepubliceerd waarin wordt uitgelegd wat de nieuwe staatssteunregels concreet betekenen voor sociale en betaalbare huisvesting (hierna: “de DAEB-Handreiking”). De DAEB-Handreiking is vooral bedoeld voor gemeenten en provincies, maar ook nuttig voor bijvoorbeeld woningcorporaties en ontwikkelaars. Staatssteun en de DAEB vrijstelling in het kort Van staatssteun is sprake wanneer een overheid met staatsmiddelen een selectief, niet-marktconform voordeel verschaft aan een onderneming dat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Dergelijke steun moet in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is zo’n uitzondering: overheden mogen ondernemingen belast met de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) compenseren zonder voorafgaande melding, mits aan voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het uitwerken van de het staatssteuninstrument in een DAEB aanwijzingsbesluit. Met het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit (EU 2025/2630) is de vrijstelling verruimd. Deze verruiming betreft onder andere een verhoging van het compensatieplafond naar € 20 miljoen per jaar, ruimere controle op overcompensatie en een aanvullende bijlage met betrekking tot woningbouw op grond waarvan naast sociale woningbouw ook betaalbare huisvesting als DAEB kan kwalificeren. Meer informatie over de wijzigingen die met de herziening zijn ingevoerd lees je in mijn eerdere blog: link. Wat legt de DAEB-Handreiking uit? De DAEB-Handreiking van BZK vertaalt de Europese wijzigingen van het DAEB Vrijstellingsbesluit naar de Nederlandse praktijk en biedt concrete aanknopingspunten voor gemeenten, provincies en corporaties. De DAEB-Handreiking gaat onder andere in op de volgende onderwerpen: Twee DAEB-categorieën: Naast de sociale huisvesting-DAEB is er nu een betaalbare huisvesting-DAEB voor middenhuur en betaalbare koop. In de DAEB-Handreiking wordt uitgelegd hoe deze categorieën conform de Nederlandse wetgeving (c.q. in de Wet versterking regio op de volkshuisvesting op basis van inkomensgrenzen) worden gedefinieerd en welke voorwaarden gelden bij steunverlening voor sociale en/of betaalbare huisvesting. Ook wordt toegelicht dat voor steun voor betaalbare huisvesting een gelijk speelveld in acht genomen moet worden, en ondernemingen onder gelijke voorwaarden voor de staatssteun in aanmerking moeten komen. Dit kan bijvoorbeeld via een selectieprocedure. Verruimd toepassingsgebied: de DAEB Vrijstelling voor huisvesting is niet enkel beperkt tot woningbouw maar omvat ook onder meer nieuwbouw, grondaankoop, renovatie, verduurzaming en beheerskosten. Ruimere controle op overcompensatie: de controletermijn gaat van drie naar vijf jaar, en organisaties met vrijwel uitsluitend DAEB-activiteiten zijn vrijgesteld van periodieke controle achteraf. Nieuwe transparantieregels: vanaf 1 januari 2028 moet steun boven € 1 miljoen binnen 20 werkdagen in een centraal register worden opgenomen. Instandhoudingstermijn: het DAEB Vrijstellingsbesluit vereist in beginsel dat de DAEB voor 20 jaar na subsidiëring in stand wordt gehouden, tenzij hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Wet versterking regie op de volkshuisvesting stelt voor sociale huurwoningen een verdergaande termijn van 25 jaar, hier dient tevens rekening mee gehouden te worden bij realisatie van sociale huisvesting op grond van het DAEB Vrijstellingsbesluit. Voorbeelden van staatssteuninstrumenten: het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit schrijft geen specifieke staatssteuninstrumenten voor. Overheden zijn vrij is het type instrument dat zij toepassen voor steunverlening. De DAEB-Handreiking geeft vier voorbeelden van steuninstrumenten op grond waarvan DAEB-steun verleend kan worden, te weten de objectsubsidie, een garantie op een lening, een leenfaciliteit al dan niet uit een revolverend fonds en korting op de grondprijs. Tot slot bevat de DAEB-Handreiking een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit van de fictieve gemeente Nergenshuizen. Dat voorbeeld laat zien hoe een DAEB-aanwijzing voor sociale huur, middenhuur en gecombineerde woonvormen voor senioren en studenten kan worden vormgegeven, inclusief bepalingen over compensatie, controle en instandhoudingstermijn Contact Heeft u vragen over de toepassing van het DAEB Vrijstellingsbesluit of andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Update Wetsvoorstel “Meer zekerheid voor flexwerkers”
Op 12 mei 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers. Daarmee komt de invoering van nieuwe regels voor oproepkrachten, tijdelijke werknemers en uitzendkrachten een stap dichterbij. Bovendien is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer op belangrijke punten aangepast.  Het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers beoogt werknemers met een flexibel contract meer zekerheid te geven over hun inkomen en werktijd. Flexibele contracten zijn bijvoorbeeld oproepcontracten, uitzendcontracten, maar ook contracten voor bepaalde tijd. Bijna 3 op de 10 werknemers weren in Nederland op basis van een flexibel contract. Binnen de Europese Unie is Nederland daarmee koploper flexibel werken. Nulurencontract wordt afgeschaft voor de meeste werknemers Een van de meest besproken onderdelen van het wetsvoorstel is de vervanging van nulurencontracten door bandbreedtecontracten. Een bandbreedtecontract lijkt veel op het huidige min/max-contract, maar het minimale aantal uren mag niet meer nul zijn en het maximale aantal uren niet meer groter dan 130% van het minimale. Voor jongeren onder de 18, scholieren, studenten en AOW-gerechtigden die hooguit 16 uur per week werken wordt een uitzondering gemaakt. Voor deze groep blijft het mogelijk om met een nulurencontract te werken. De gedachte hierachter is dat in deze categorieën werknemers juist nog een gerechtvaardigde behoefte bestaat aan flexibiliteit.   Doorbreking ketenregeling pas na 36 maanden Een contract voor bepaalde tijd kan op grond van de wet (‘van rechtswege’) veranderen in een contract voor onbepaalde tijd. Dit staat bekend als de ‘ketenregeling’. De ketenregeling treedt in werking als een aaneenschakeling (een ‘keten’) van contracten een periode van 36 maanden heeft overschreden of als er een vierde contract wordt gesloten, tenzij de keten van contracten op enig moment lang genoeg was doorbroken. Op dit moment doorbreekt een termijn van zes maanden tussen twee contracten nog de keten, maar met het wetsvoorstel verandert de termijn naar 36 maanden. Alleen voor studenten en scholieren die hooguit 16 uur per week werken blijft de onderbrekingstermijn zes maanden. Met deze aanpassing wordt misbruik tegengegaan: even te wachten voordat een werknemer weer een contract krijgt ligt na de wijziging immers niet meer voor de hand. Deze regels gaan in voor contracten die gesloten worden ná 1 januari 2028. Contracten die voor die tijd zijn gesloten blijven vallen onder de huidige regels. Betere rechtspositie van uitzendkrachten De positie van uitzendkrachten wordt met het wetsvoorstel ook verbeterd. Fase A van uitzending gaat terug van 78 weken naar 52 weken. Fase B gaat van maximaal zes contracten in vier jaar naar zes contracten in twee jaar. Na fase B moet een uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd krijgen. De Tweede Kamer heeft aan het wetsvoorstel toegevoegd dat een uitzendbeding niet kan worden ingeroepen gedurende de periode waarin een uitzendkracht arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Hierdoor verliest een uitzendkracht niet langer automatisch zijn werk en inkomen wanneer hij ziek wordt.  Verder heeft de Tweede Kamer de regels over arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten aangescherpt. Het wetsvoorstel bevat al het uitgangspunt dat uitzendkrachten recht hebben op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de inlener. Daar komt nu bij dat een algemene maatregel van bestuur gaat bepalen voor welke arbeidsvoorwaarden afwijking niet langer is toegestaan. Daarbij kan worden gedacht aan loon, toeslagen, vakantiebijslag, bonussen, eindejaarsuitkeringen en verlofregelingen. Wat betekent dit voor de praktijk? Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Naar verwachting zal het wetsvoorstel worden aangenomen, maar niet is uitgesloten dat het wetsvoorstel nog iets wijzigt.   Heeft u vragen over de gevolgen die de Wet Meer zekerheid flexwerkers voor uw organisatie kan hebben? Neem dan vooral contact op met Rose Horstman of een van onze andere specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Dunia Caillette – La Gro
Dunia Caillette
Advocaat
Temper-arrest: platformwerkers zijn uitzendkrachten
Het gerechtshof heeft in de zaak tussen vakbonden FNV en CNV enerzijds en het platform Temper anderzijds geoordeeld dat werkers die via het Temper-platform werkzaamheden verrichten kwalificeren als uitzendkrachten. Temper kwalificeert daarmee op haar beurt als uitzendwerkgever. Een volgende mijlpaal in de reeks platformrechtspraak en een duidelijk signaal aan (uitzend)werkgevers die gebruikmaken van platformwerkers. Temper is een online platform waarop werkers en opdrachtgevers met elkaar in contact kunnen komen en overeenkomsten kunnen sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Temper presenteert zichzelf als een neutrale tussenpersoon: een digitale marktplaats waarop zelfstandige ondernemers (zzp’ers) opdrachten verwerven bij bedrijven die tijdelijk extra handen nodig hebben. FNV en CNV zagen dat anders. Volgens hen is sprake van schijnzelfstandigheid en bestaat er tussen Temper en de Temper-werkers in werkelijkheid een uitzendovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:690 BW. De werkers zouden geen ‘echte ondernemers’ zijn, maar uitzendkrachten met alle rechtsgevolgen van dien. Hoe oordeelt het hof? Anders dan de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg oordeelde, komt het hof tot het oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en een werker, waardoor Temper als uitzendwerkgever kwalificeert. Het hof komt tot dat oordeel door de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad af te lopen. Daarbij overweegt het hof dat Temper nauw betrokken is bij de totstandkoming van de contractuele driehoeksverhouding tussen Temper, werker en de opdrachtgever. Ook is Temper nauw betrokken bij de wijze waarop de beloning wordt bepaald, hoe deze wordt uitgekeerd en de hoogte van de beloningen. Gezien deze mate van betrokkenheid kan Temper – aldus het hof – niet worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite. Ook ten aanzien van het commercieel risico en de vraag of de werkers zich in het economisch verkeer als ondernemer gedragen oordeelt het hof ontkennend. Het hof overweegt dat niet valt in te zien dat een relevant aantal werkers “grote investeringen” hebben gedaan, nu uit het overzicht van de top 25 opdrachtgevers van Temper blijkt dat deze functies neerkomen op werk waarvoor geen investeringen nodig zijn. Het aantal werkers dat geen KvK-inschrijving heeft en het feit dat het ondernemerschap, dat gericht is op het maken van winst, zich niet verhoudt tot een gemiddeld uurtarief van € 20,78 maken dat ook ten aanzien van deze Deliveroo-gezichtspunten het verweer van Temper niet slaagt.   Al met al wordt de werkrelatie gekenmerkt door overwegend arbeidsrechtelijke factoren en niet, althans in veel mindere mate, door factoren die wijzen op écht ondernemerschap. Wat betekent dit voor de praktijk? Het Temper-arrest is de volgende in de reeks platformuitspraken na Deliveroo en Uber en laat opnieuw zien dat de feitelijke werksituatie van doorslaggevende betekenis is. Dat is dus niet alleen in de klassieke werksituatie tussen werkgever en werknemer, maar ook in driehoeksituaties zoals deze. Voor Temper en vergelijkbare platforms heeft de kwalificatie als uitzendbureau verstrekkende arbeidsrechtelijke gevolgen. Temper moet als uitzendwerkgever voldoen aan de Waadi en de cao voor uitzendkrachten, maar denk ook aan pensioenopbouw via StiPP. Contact Heeft u vragen over de kwalificatie van uw arbeidsrelaties met platformwerkers of over de gevolgen van het Temper-arrest voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Tahir Bodha 2
Tahir Bodha
Advocaat
Uw merkproduct verhuurd, uw merkrecht behouden
Ondernemers die merkproducten verhuren of via een poolsysteem beschikbaar stellen, behouden ook nadat die producten bij een klant in gebruik zijn genomen de volledige eigendom over hun merkproducten. Het Gerechtshof Den Haag bevestigt dit in een recent tussenarrest[1] waarin La Gro optreedt namens Container Centralen A/S (CC).  In dit artikel bespreken we de praktische relevantie van het arrest voor merkhouders die een circulair (verdien)model exploiteren, dat steunt op terugkerende inkomsten, zoals huur en servicefees. De feiten CC exploiteert een Europees poolsysteem voor transportcontainers in de sierteeltsector. In de pool rouleren circa 3,5 miljoen containers. Deelnemers van deze pool kunnen containers huren of eigen containers inbrengen, in ruil voor een jaarlijkse vergoeding. Om zichtbaar te maken dat containers bij de pool horen, zijn zij voorzien van een zogenoemde CC-tag, een model en merkenrechtelijk beschermd identificatielabel. Overdracht of doorverkoop van containers met tags en losse tags aan derden is contractueel uitdrukkelijk verboden. In deze zaak hield één van de deelnemers zich daar niet aan. Hij verkocht honderden containers en losse tags aan derden buiten het systeem om. Zijn verweer luidde dat CC haar merkrechten al had ‘uitgeput’ door de containers en tags aan hem beschikbaar te stellen. De uitputtingsleer: wanneer verliest een merkhouder zijn grip? De uitputtingsleer houdt in dat een merkhouder zich niet langer kan verzetten tegen verdere verhandeling van zijn product, zodra hij dat product zelf of met zijn toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel heeft gebracht. De achterliggende gedachte is dat de merkhouder zijn economische beloning heeft ontvangen en de vrije handel daarna niet mag blokkeren. Het hof hanteert daarbij twee cumulatieve vereisten, ontleend aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU: er is pas sprake van in de handel brengen indien de handeling (a) derden het recht verleent over de waren te beschikken, en (b) de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren. Het oordeel: geen uitputting bij een duurovereenkomst Het hof oordeelt dat aan beide vereisten niet is voldaan. Pooldeelnemers verkrijgen uitsluitend het recht de containers met tags en de losse tags binnen de contractuele voorwaarden te gebruiken en mogen deze nooit aan derden overdragen. Dat betekent dat de deelnemers niet vrijelijk over de containers met tags en/of losse tags kunnen beschikken. Bovendien kwalificeert het hof het verdienmodel van CC als een duurovereenkomst: het draait niet om een eenmalige verkoopopbrengst, maar om het over een langere periode innen van huur en fees. Juist omdat die tarieven bewust laag zijn gehouden als tegenprestatie voor een duurzame relatie, heeft CC bij de initiële terbeschikkingstelling van de containers de economische waarde van haar merk nog niet verzilverd. In die omstandigheden is er volgens het hof geen sprake van in de handel brengen en dus ook niet van uitputting. Waarom is dit arrest van belang? De uitspraak biedt merkhouders met verhuur- en poolmodellen een stevige juridische basis. Het hof benadrukt dat de uitputtingsleer niet automatisch van toepassing is zodra een merkhouder zijn producten beschikbaar stelt in een poolsysteem. Zolang het verdienmodel is gebaseerd op langdurige inkomsten en deelnemers geen vrij beschikkingsrecht over de producten verkrijgen, houdt de merkhouder grip op de merkproducten, ook wanneer die producten feitelijk bij klanten in gebruik zijn. De voorwaarde is wel dat dit contractueel deugdelijk is verankerd: duidelijke bepalingen die overdracht en doorverkoop uitsluiten zijn essentieel. Voor merkhouders met een circulair of op terugkerende inkomsten gebaseerd (verdien)model is dit een welkome bevestiging van hun rechtspositie. Wilt u weten of uw contracten en verdienmodel voldoende bescherming bieden aan uw merkrechten? Onze specialisten op het gebied van intellectueel eigendomsrecht adviseren u graag. Neem contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek. [1] Hof Den haag, 31 maart 2026, C/09/621316 / HA ZA 21-1039
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Wetsvoorstel loontransparantie: de stand van zaken
In oktober 2025 schreven wij al een blog over het Wetsvoorstel Implementatie richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen (hierna: het Wetsvoorstel). De wetgevingsprocedure is sindsdien verder gevorderd. Op 21 mei 2026 heeft de minister een aangepast wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Reden voor een update: wat staat er te gebeuren, wat is er veranderd en wanneer moeten werkgevers actie ondernemen? Wanneer treedt de wet naar verwachting in werking? Na de internetconsultatie in het voorjaar van 2025 heeft de minister het Wetsvoorstel op 21 mei jl. formeel bij de Tweede Kamer ingediend. Het voorstel strekt tot implementatie van de Europese Richtlijn loontransparantie en beoogt de loonkloof en de loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen, zoveel mogelijk weg te nemen. Het Wetsvoorstel moet nog langs de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Het is de verwachting dat het per 1 januari 2027 in werking treedt. Werkgevers doen er goed aan zich tijdig voor te bereiden. Welke verplichtingen gelden er voor werkgevers? Zoals toegelicht in onze vorige blog, brengt het Wetsvoorstel de volgende verplichtingen met zich mee: Transparantieverplichtingen Alle werkgevers zijn verplicht transparant te zijn over het loon, de loonontwikkeling en de loonverhoudingen binnen de organisatie. Dat betekent dat werkgevers intern een beloning op basis van objectieve en genderneutrale criteria moeten hanteren en zij werknemers daarover moeten informeren. Extern leidt dit ertoe dat werkgevers bij het sollicitatieproces moeten communiceren over het salaris of de bandbreedte daarvan en zij geen vragen mogen stellen over de salarisgeschiedenis. Rapportage & evaluatieverplichtingen Grote werkgevers (> 99 werknemers) moeten periodiek rapporteren over de loonkloof binnen de organisatie. Als uit de rapportage een loonkloof van 5% of meer blijkt zonder dat deze te rechtvaardigen is, moet de werkgever onderzoek doen naar herstelmaatregelen. De eerste groep werkgevers met minimaal 150 werknemers moet uiterlijk op 7 juni 2028 aan haar rapportageverplichtingen voldoen over het kalenderjaar 2027. De tweede groep werkgevers met 100 tot 150 werknemers volgt later: zij rapporteren in 2031 over het jaar 2030. De middelgrote werkgevers krijgen dus wat meer aanlooptijd. Kleinere werkgevers (< 100 werknemers) hebben géén rapportageverplichting. Dat betekent echter niet dat zij niets hoeven te doen. Alle werknemers hebben het recht om schriftelijke informatie op te vragen over hun individuele loonniveau en de naar geslacht uitgesplitste loonniveaus voor categorieën van werknemers die dezelfde of gelijkwaardige arbeid verrichten. Iedere werkgever – klein en groot – moet op een dergelijk verzoek ingaan en de gevraagde informatie geven. Werkgevers moeten hun personeel jaarlijks informeren over dit recht en over de wijze waarop zij ervan gebruik kunnen maken. Welke aanpassingen zijn in het Wetsvoorstel doorgevoerd?   Het ingediende Wetsvoorstel is op een aantal punten aangepast ten opzichte van de versie die eerder in consultatie was. De belangrijkste aanpassingen zijn: 1. Gewijzigde definitie van ‘werkgever’ Waar in het eerdere Wetsvoorstel nog werd aangesloten bij het ondernemingsbegrip uit de WOR, wordt in de gewijzigde versie uitgegaan van de contractuele werkgever. Als werkgever geldt derhalve de partij waarmee de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Voor de toepassing van de transparantie- en rapportageverplichtingen dient daarom per rechtspersoon te worden vastgesteld of aan de wettelijke drempelwaarden wordt voldaan. 2. Nadere uitwerking van begrippen bij AMvB Om duidelijkheid te geven over de transparantieverplichtingen en consistente naleving daarvan te waarborgen, is in het herziene voorstel geregeld dat de begrippen, waaronder in ieder geval basisloon, brutoloon en loonkloof, bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) nader kunnen worden bepaald. 3. Geen “loonstructuren” maar “systeem voor functiewaardering en -indeling” In het Wetsvoorstel is de term ‘loonstructuren’ niet langer opgenomen. Daarvoor in de plaats wordt gesproken van ‘een systeem voor functiewaardering en functie-indeling’. Hierdoor lijkt het eerdere onderscheid tussen een loonstructuur en een functiewaarderingssysteem te zijn komen te vervallen. Zodra het Wetsvoorstel in werking treedt, moeten zowel bestaande als nieuw ingevoerde functiewaarderingssystemen in ieder geval gebaseerd zijn op objectieve factoren zoals vaardigheden, inspanning, verantwoordelijkheid en arbeidsomstandigheden. 4. Betrokkenheid van de ondernemingsraad De ondernemingsraad heeft aanspraak op schriftelijke informatie over de inhoud en toepassing van arbeidsvoorwaardenregelingen en -afspraken. Dit informatierecht ziet onder meer op de loonrapportage. In tegenstelling tot het eerdere voorstel is niet langer vereist dat de ondernemingsraad deze rapportage bevestigt. 5. Positie non-binaire personen Non-binaire personen worden niet meegenomen in de loonrapportage, tenzij zij uitdrukkelijk aangeven als man of vrouw te willen worden geregistreerd. Voor de vaststelling van de organisatiegrootte tellen non-binaire personen wel mee. Deze omvang is relevant voor de beoordeling welke wettelijke rapportage- en transparantieverplichtingen op de werkgever van toepassing zijn. 6. Privacy Er is een extra bepaling opgenomen die het gebruik van persoonsgegevens afkomstig uit de transparantieverplichtingen beperkt tot de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat gegevens die herleidbaar zijn naar individuele werknemers voor andere doeleinden worden gebruikt. Praktische tips Met een beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2027 is de aanlooptijd beperkt. Wij adviseren werkgevers om vooruitlopend op de Wet implementatie loontransparantie mannen en vrouwen zich alvast voor te bereiden op de mogelijke nieuwe verplichtingen en te inventariseren of zij met het nieuwe werkgevers begrip onder de rapportage- en/of evaluatieverplichtingen komen te vallen. Contact Heeft u vragen over de gevolgen van het Wetsvoorstel loontransparantie voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten arbeidsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.