Huurders kunnen verduurzaming door woningcorporatie niet zomaar blokkeren
Woningcorporaties met concrete plannen om te verduurzamen, kunnen daarbij niet altijd maar door huurders worden tegengehouden. Toestemming van huurders voor die verduurzaming is namelijk niet altijd nodig. Een recent vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2026 onderstreept dit.[1]
De kantonrechter oordeelde dat huurders niet kunnen tegenhouden dat de betreffende woningcorporatie, zonder eerst 70%-instemming af te wachten, hun complex aansluit op een warmtenet en daarvoor werkzaamheden in de huurwoningen uitvoert. Als woningcorporaties hun woningen moéten verduurzamen, moet de huurder daartoe gelegenheid geven en bij verzet kan de woningcorporatie medewerking afdwingen. Het uitvoeren van verduurzamingswerkzaamheden kan op basis van dit vonnis dus eenvoudiger zijn dan woningcorporaties soms denken. In dit blog schetsen wij hoe woningcorporaties dit vonnis kunnen benutten om de verduurzamingsopgave te versnellen, een en ander met de kanttekening dat de gekozen route juridisch zorgvuldig moet worden voorbereid.
Wettelijk stelsel
Huurders moeten op basis van de wet meewerken aan:
renovatie op basis van een redelijk voorstel (artikel 7:220 lid 2 BW);
dringende werkzaamheden van de verhuurder (artikel 7:220 lid 1 BW).
Onder ‘renovatie’ wordt kortweg verstaan: vernieuwing van de huurwoning door (fysieke) veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot toeneemt.[2] Voor de ‘dringende werkzaamheden’ is relevant dat het niet slechts gaat om een bouwkundige noodzaak, maar meer om werk dat niet zonder extra kosten, schade of ander nadeel kan worden uitgesteld, bijvoorbeeld doordat het leidt tot mislopen van subsidie of ander financieel of fiscaal voordeel. Anders dan bij renovatie zijn dringende werkzaamheden niet primiair gericht op een toename van het woongenot.
Bij een renovatie moet de verhuurder eerst een redelijk voorstel doen aan de huurders. Bij renovatie van tien of meer woningen kan gebruik worden gemaakt van een wettelijk vermoeden van redelijkheid als 70% of meer van de huurders met het voorstel instemt.[3] Indien verhuizing door de renovatiewerkzaamheden noodzakelijk is, dienen verhuurders een tegemoetkoming in de verhuiskosten (en inrichtingskosten) te doen of een tijdelijke volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking te stellen aan de huurder.[4]
Het label ‘renovatiewerkzaamheden’ kan dus in bepaalde gevallen nadelig zijn, omdat het tot de nodige vertraging kan leiden en met de nodige kosten gemoeid gaat. De categorie ‘dringende werkzaamheden’ is in dat opzicht gunstiger. Dan hoeft geen redelijk voorstel te worden gedaan, bepaalt de wet dat de huurder moét meewerken aan uitvoering daarvan en hoeft de huurder niet tegemoet te worden gekomen.[5] Maar, wanneer kan de verhuurder gebruikmaken van die mogelijkheid en wat zijn de gevolgen van het volgen van de route van ‘dringende werkzaamheden’? Die vraag lag onder andere voor in het recente vonnis van 10 april 2026.
Het vonnis van 10 april 2026
De woningcorporatie Woonwaard wilde haar appartementencomplex van het gas af hebben en aansluiten op een warmtenet (van HVC), door gasaansluitingen in woningen af te sluiten, cv-ketels te vervangen door afleversets voor warmte, radiatoren te vervangen en een extra groep aan te leggen in de meterkast voor koken op inductie. Woonwaard meende dat deze werkzaamheden waren te beschouwen als dringende werkzaamheden. De kantonrechter volgt Woonwaard hierin en overweegt daartoe – kort samengevat – als volgt.
De energiebesparende maatregelen van Woonwaard verhogen weliswaar het wooncomfort van huurders, maar zijn (toch) niet te beschouwen als een renovatie, omdat niet iedere werkzaamheid die leidt tot toename van wooncomfort, een renovatie is. Als de aansluitingswerkzaamheden moeten worden gezien als een voor Woonwaard noodzakelijke maatregel, die niet zonder nadeel voor Woonwaard kan worden uitgesteld, zijn het dringende werkzaamheden. En precies dat is hier het geval, zo oordeelt de kantonrechter, omdat Woonwaard zich aan duurzaamheidsdoelstellingen heeft gecommitteerd en afspraken heeft gemaakt over het aardgasvrij-maken van woningen. De werkzaamheden zijn noodzakelijk om die doelstellingen en verplichtingen na te komen. De reden om ze uit te voeren is niet het vermeerderen van wooncomfort voor haar huurders, zodat geen sprake is van een renovatie.
De verduurzamingswerkzaamheden zijn, in de woorden van de kantonrechter, geen keuze voor Woonwaard. Woonwaard is daartoe daadwerkelijk gehouden, op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, het eigen duurzaamheidsbeleid, de Warmtevisie en bindende prestatieafspraken die zij als woningcorporatie heeft gemaakt (in een overeenkomst) met de gemeente. Om haar doelen en afspraken te halen en na te komen is het noodzakelijk dat alle bewoners in het complex meedoen aan de werkzaamheden, zodat het gehele pand kan worden aangesloten op het warmtenet. Naast dit nadeel lijdt Woonwaard ook een aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel door de blokkerende huurders, omdat daardoor subsidie wordt misgelopen en Woonwaard extra kosten moet maken doordat zij het werk niet als één project en in één aaneengesloten stroom voor alle bewoners kan uitvoeren. Kortom, de werkzaamheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter dringend en betreffen geen renovatie. Woonwaard hoeft daarom geen redelijk voorstel te doen en huurders worden door de kantonrechter bevolen om mee te werken.
De betekenis voor de praktijk
Het vonnis biedt voor woningcorporaties (en andere verhuurders) belangrijke inzichten.
Ten eerste: niet iedere werkzaamheid, met toename van het woongenot tot gevolg, betreft een renovatie (hetgeen vaak wordt gedacht).
Ten tweede: als werkzaamheden aantoonbaar noodzakelijk zijn om concrete verplichtingen, termijnen of (financiële) randvoorwaarden te halen – denk aan prestatieafspraken, uitvoeringsafspraken met gemeente/ketenpartners, subsidievoorwaarden en projectmatige uitvoerbaarheid – kan dat de route van dringende werkzaamheden dragen. Dringendheid kan immers ook voortvloeien uit het vermijden van (toekomstige) hoge kosten of het mislopen van subsidie of fiscaal voordeel.
De ‘dringendheid’ van verduurzaming zal in de praktijk vaker op tafel komen naarmate verplichtingen en prikkels om te verduurzamen concreter worden. In de Nationale prestatieafspraken (gesloten tussen Aedes, VNG, Woonbond en de minister voor VRO) is afgesproken dat woningcorporaties de komende jaren ruim 675.000 bestaande woningen moeten verduurzamen. Tegelijkertijd heeft de energieprestatie steeds meer directe financiële betekenis, doordat slechte energielabels (E, F en G) in het woningwaarderingsstelsel tot minder punten leiden en gemeenten daarop kunnen handhaven. Voor woningcorporaties betekent dit dat het concrete nadeel van de verduurzamingsmaatregelen (financieel, organisatorisch, contractueel, subsidie-technisch) steeds beter concreet te maken is. Betekent dit dat aansluitwerkzaamheden bij warmtenetten door woningcorporaties altijd kunnen worden afgedwongen? Nee. Als naast noodzakelijke aansluitwerkzaamheden ook maatregelen worden meegenomen die (primair) zijn gericht op verbetering van het woongenot of kwaliteitsverbetering, zoals isolatie of HR++-glas, dan zullen die maatregelen als renovatiewerkzaamheden blijven gelden. Kernvraag blijft: kan uitstel van de werkzaamheden voor de verhuurder een concreet nadeel opleveren (dan zijn ze dringend), of gaat het vooral om verbetering (dan zijn het renovatiewerkzaamheden)?
Overigens is het toepassen van de route van dringende werkzaamheden niet zaligmakend. Een belangrijk nadeel van toepassing van de dringende werkzaamheden-route is dat achteraf altijd het risico bestaat dat wordt geoordeeld dat (een deel van) voorgenomen werkzaamheden door de verhuurder toch op renovatie neerkomen. Dan moet de verhuurder alsnog een redelijk voorstel doen en gaat kostbare tijd verloren. Een bezwaar kan ook zijn dat bij het onverkort toepassen van deze route de verhuurder een dwingende houding kan worden verweten en dat het draagvlak voor verhuurdersbeslissingen in het complex afneemt. Om dit bezwaar (in ieder geval deels) te ondervangen is het belangrijk om helder en transparant te blijven communiceren naar huurders. Dat houdt in dat het belangrijk is om huurders te informeren over de aard, doel en gevolgen van de werkzaamheden.
Conclusie
Kortom, het vonnis biedt zeker perspectief voor woningcorporaties, maar het blijft wel opletten voor woningcorporaties. Zodra de voorgenomen werkzaamheden in feite alleen nog maar zien op wooncomfort-verbetering en niet meer op het moeten veranderen van het ene verwarmingssysteem (gasgestookte verwarming en warm water) door het andere (alles via het warmtenet), omdat verhuurder anders nadeel ondervindt, gaat de route van dringende werkzaamheden niet op. Bovendien moeten woningcorporaties nadenken over de risico’s die bij het volgen van de route van dringende werkzaamheden blijven bestaan.
Vragen over dit onderwerp of weten hoe de werkzaamheden het beste kunnen worden ingericht om verdere vertraging te voorkomen? Neem gerust contact op met ons team van Energierecht en Huurrecht.
[1] Rechtbank Noord-Holland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3806.
[2] Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726 (Portaal I), r.o. 3.4.2
[3] Zie artikel 7:220 lid 3 BW. Belangrijk hierbij is dat de 70%-norm een positieve instemmingseis is: de verhuurder moet aantonen dat 70% daadwerkelijk (actief) heeft ingestemd; het is niet voldoende dat minder dan 30% bezwaar maakt.
[4] Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:493.
[5] Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek.