Publicaties

Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Dunia Caillette – La Gro
Dunia Caillette
Advocaat
Temper-arrest: platformwerkers zijn uitzendkrachten
Het gerechtshof heeft in de zaak tussen vakbonden FNV en CNV enerzijds en het platform Temper anderzijds geoordeeld dat werkers die via het Temper-platform werkzaamheden verrichten kwalificeren als uitzendkrachten. Temper kwalificeert daarmee op haar beurt als uitzendwerkgever. Een volgende mijlpaal in de reeks platformrechtspraak en een duidelijk signaal aan (uitzend)werkgevers die gebruikmaken van platformwerkers. Temper is een online platform waarop werkers en opdrachtgevers met elkaar in contact kunnen komen en overeenkomsten kunnen sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Temper presenteert zichzelf als een neutrale tussenpersoon: een digitale marktplaats waarop zelfstandige ondernemers (zzp’ers) opdrachten verwerven bij bedrijven die tijdelijk extra handen nodig hebben. FNV en CNV zagen dat anders. Volgens hen is sprake van schijnzelfstandigheid en bestaat er tussen Temper en de Temper-werkers in werkelijkheid een uitzendovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:690 BW. De werkers zouden geen ‘echte ondernemers’ zijn, maar uitzendkrachten met alle rechtsgevolgen van dien. Hoe oordeelt het hof? Anders dan de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg oordeelde, komt het hof tot het oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en een werker, waardoor Temper als uitzendwerkgever kwalificeert. Het hof komt tot dat oordeel door de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad af te lopen. Daarbij overweegt het hof dat Temper nauw betrokken is bij de totstandkoming van de contractuele driehoeksverhouding tussen Temper, werker en de opdrachtgever. Ook is Temper nauw betrokken bij de wijze waarop de beloning wordt bepaald, hoe deze wordt uitgekeerd en de hoogte van de beloningen. Gezien deze mate van betrokkenheid kan Temper – aldus het hof – niet worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite. Ook ten aanzien van het commercieel risico en de vraag of de werkers zich in het economisch verkeer als ondernemer gedragen oordeelt het hof ontkennend. Het hof overweegt dat niet valt in te zien dat een relevant aantal werkers “grote investeringen” hebben gedaan, nu uit het overzicht van de top 25 opdrachtgevers van Temper blijkt dat deze functies neerkomen op werk waarvoor geen investeringen nodig zijn. Het aantal werkers dat geen KvK-inschrijving heeft en het feit dat het ondernemerschap, dat gericht is op het maken van winst, zich niet verhoudt tot een gemiddeld uurtarief van € 20,78 maken dat ook ten aanzien van deze Deliveroo-gezichtspunten het verweer van Temper niet slaagt.   Al met al wordt de werkrelatie gekenmerkt door overwegend arbeidsrechtelijke factoren en niet, althans in veel mindere mate, door factoren die wijzen op écht ondernemerschap. Wat betekent dit voor de praktijk? Het Temper-arrest is de volgende in de reeks platformuitspraken na Deliveroo en Uber en laat opnieuw zien dat de feitelijke werksituatie van doorslaggevende betekenis is. Dat is dus niet alleen in de klassieke werksituatie tussen werkgever en werknemer, maar ook in driehoeksituaties zoals deze. Voor Temper en vergelijkbare platforms heeft de kwalificatie als uitzendbureau verstrekkende arbeidsrechtelijke gevolgen. Temper moet als uitzendwerkgever voldoen aan de Waadi en de cao voor uitzendkrachten, maar denk ook aan pensioenopbouw via StiPP. Contact Heeft u vragen over de kwalificatie van uw arbeidsrelaties met platformwerkers of over de gevolgen van het Temper-arrest voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Tahir Bodha 2
Tahir Bodha
Advocaat
Uw merkproduct verhuurd, uw merkrecht behouden
Ondernemers die merkproducten verhuren of via een poolsysteem beschikbaar stellen, behouden ook nadat die producten bij een klant in gebruik zijn genomen de volledige eigendom over hun merkproducten. Het Gerechtshof Den Haag bevestigt dit in een recent tussenarrest[1] waarin La Gro optreedt namens Container Centralen A/S (CC).  In dit artikel bespreken we de praktische relevantie van het arrest voor merkhouders die een circulair (verdien)model exploiteren, dat steunt op terugkerende inkomsten, zoals huur en servicefees. De feiten CC exploiteert een Europees poolsysteem voor transportcontainers in de sierteeltsector. In de pool rouleren circa 3,5 miljoen containers. Deelnemers van deze pool kunnen containers huren of eigen containers inbrengen, in ruil voor een jaarlijkse vergoeding. Om zichtbaar te maken dat containers bij de pool horen, zijn zij voorzien van een zogenoemde CC-tag, een model en merkenrechtelijk beschermd identificatielabel. Overdracht of doorverkoop van containers met tags en losse tags aan derden is contractueel uitdrukkelijk verboden. In deze zaak hield eén van de deelnemers zich daar niet aan; hij verkocht honderden containers én losse tags aan derden buiten het systeem om. Zijn verweer luidde dat CC haar merkrechten al had ‘uitgeput’ door de containers en tags aan hem beschikbaar te stellen. De uitputtingsleer: wanneer verliest een merkhouder zijn grip? De uitputtingsleer houdt in dat een merkhouder zich niet langer kan verzetten tegen verdere verhandeling van zijn product, zodra hij dat product zelf of met zijn toestemming in de Europese Economische Ruimte in de handel heeft gebracht. De achterliggende gedachte is dat de merkhouder zijn economische beloning heeft ontvangen en de vrije handel daarna niet mag blokkeren. Het hof hanteert daarbij twee cumulatieve vereisten, ontleend aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU: er is pas sprake van in de handel brengen indien de handeling (a) derden het recht verleent over de waren te beschikken, én (b) de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren. Het oordeel: geen uitputting bij een duurovereenkomst Het hof oordeelt dat aan beide vereisten niet is voldaan. Pooldeelnemers verkrijgen uitsluitend het recht de containers met tags en de losse tags binnen de contractuele voorwaarden te gebruiken en mogen deze nooit aan derden overdragen. Dat betekent dat de deelnemers niet vrijelijk over de containers met tags en/of losse tags kunnen beschikken. Bovendien kwalificeert het hof het verdienmodel van CC als een duurovereenkomst: het draait niet om een eenmalige verkoopopbrengst, maar om het over een langere periode innen van huur en fees. Juist omdat die tarieven bewust laag zijn gehouden als tegenprestatie voor een duurzame relatie, heeft CC bij de initiële terbeschikkingstelling van de containers de economische waarde van haar merk nog niet verzilverd. In die omstandigheden is er volgens het hof geen sprake van in de handel brengen en dus ook niet van uitputting. Waarom is dit arrest van belang? De uitspraak biedt merkhouders met verhuur- en poolmodellen een stevige juridische basis. Het hof benadrukt dat de uitputtingsleer niet automatisch van toepassing is zodra een merkhouder zijn producten beschikbaar stelt in een poolsysteem. Zolang het verdienmodel is gebaseerd op langdurige inkomsten en deelnemers geen vrij beschikkingsrecht over de producten verkrijgen, houdt de merkhouder grip op de merkproducten, ook wanneer die producten feitelijk bij klanten in gebruik zijn. De voorwaarde is wel dat dit contractueel deugdelijk is verankerd: duidelijke bepalingen die overdracht en doorverkoop uitsluiten zijn essentieel. Voor merkhouders met circulair of op terugkerende inkomsten gebaseerd (verdien)model is dit een welkome bevestiging van hun rechtspositie. Wilt u weten of uw contracten en verdienmodel voldoende bescherming bieden aan uw merkrechten? Onze specialisten op het gebied van intellectueel eigendomsrecht adviseren u graag. Neem contact met ons op voor een vrijblijvend gesprek. [1] Hof Den haag, 31 maart 2026, C/09/621316 / HA ZA 21-1039
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Wetsvoorstel loontransparantie: de stand van zaken
In oktober 2025 schreven wij al een blog over het Wetsvoorstel Implementatie richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen (hierna: het Wetsvoorstel). De wetgevingsprocedure is sindsdien verder gevorderd. Op 21 mei 2026 heeft de minister een aangepast wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Reden voor een update: wat staat er te gebeuren, wat is er veranderd en wanneer moeten werkgevers actie ondernemen? Wanneer treedt de wet naar verwachting in werking? Na de internetconsultatie in het voorjaar van 2025 heeft de minister het Wetsvoorstel op 21 mei jl. formeel bij de Tweede Kamer ingediend. Het voorstel strekt tot implementatie van de Europese Richtlijn loontransparantie en beoogt de loonkloof en de loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen, zoveel mogelijk weg te nemen. Het Wetsvoorstel moet nog langs de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Het is de verwachting dat het per 1 januari 2027 in werking treedt. Werkgevers doen er goed aan zich tijdig voor te bereiden. Welke verplichtingen gelden er voor werkgevers? Zoals toegelicht in onze vorige blog, brengt het Wetsvoorstel de volgende verplichtingen met zich mee: Transparantieverplichtingen Alle werkgevers zijn verplicht transparant te zijn over het loon, de loonontwikkeling en de loonverhoudingen binnen de organisatie. Dat betekent dat werkgevers intern een beloning op basis van objectieve en genderneutrale criteria moeten hanteren en zij werknemers daarover moeten informeren. Extern leidt dit ertoe dat werkgevers bij het sollicitatieproces moeten communiceren over het salaris of de bandbreedte daarvan en zij geen vragen mogen stellen over de salarisgeschiedenis. Rapportage & evaluatieverplichtingen Grote werkgevers (> 99 werknemers) moeten periodiek rapporteren over de loonkloof binnen de organisatie. Als uit de rapportage een loonkloof van 5% of meer blijkt zonder dat deze te rechtvaardigen is, moet de werkgever onderzoek doen naar herstelmaatregelen. De eerste groep werkgevers met minimaal 150 werknemers moet uiterlijk op 7 juni 2028 aan haar rapportageverplichtingen voldoen over het kalenderjaar 2027. De tweede groep werkgevers met 100 tot 150 werknemers volgt later: zij rapporteren in 2031 over het jaar 2030. De middelgrote werkgevers krijgen dus wat meer aanlooptijd. Kleinere werkgevers (< 100 werknemers) hebben géén rapportageverplichting. Dat betekent echter niet dat zij niets hoeven te doen. Alle werknemers hebben het recht om schriftelijke informatie op te vragen over hun individuele loonniveau en de naar geslacht uitgesplitste loonniveaus voor categorieën van werknemers die dezelfde of gelijkwaardige arbeid verrichten. Iedere werkgever – klein en groot – moet op een dergelijk verzoek ingaan en de gevraagde informatie geven. Werkgevers moeten hun personeel jaarlijks informeren over dit recht en over de wijze waarop zij ervan gebruik kunnen maken. Welke aanpassingen zijn in het Wetsvoorstel doorgevoerd?   Het ingediende Wetsvoorstel is op een aantal punten aangepast ten opzichte van de versie die eerder in consultatie was. De belangrijkste aanpassingen zijn: 1. Gewijzigde definitie van ‘werkgever’ Waar in het eerdere Wetsvoorstel nog werd aangesloten bij het ondernemingsbegrip uit de WOR, wordt in de gewijzigde versie uitgegaan van de contractuele werkgever. Als werkgever geldt derhalve de partij waarmee de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Voor de toepassing van de transparantie- en rapportageverplichtingen dient daarom per rechtspersoon te worden vastgesteld of aan de wettelijke drempelwaarden wordt voldaan. 2. Nadere uitwerking van begrippen bij AMvB Om duidelijkheid te geven over de transparantieverplichtingen en consistente naleving daarvan te waarborgen, is in het herziene voorstel geregeld dat de begrippen, waaronder in ieder geval basisloon, brutoloon en loonkloof, bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) nader kunnen worden bepaald. 3. Geen “loonstructuren” maar “systeem voor functiewaardering en -indeling” In het Wetsvoorstel is de term ‘loonstructuren’ niet langer opgenomen. Daarvoor in de plaats wordt gesproken van ‘een systeem voor functiewaardering en functie-indeling’. Hierdoor lijkt het eerdere onderscheid tussen een loonstructuur en een functiewaarderingssysteem te zijn komen te vervallen. Zodra het Wetsvoorstel in werking treedt, moeten zowel bestaande als nieuw ingevoerde functiewaarderingssystemen in ieder geval gebaseerd zijn op objectieve factoren zoals vaardigheden, inspanning, verantwoordelijkheid en arbeidsomstandigheden. 4. Betrokkenheid van de ondernemingsraad De ondernemingsraad heeft aanspraak op schriftelijke informatie over de inhoud en toepassing van arbeidsvoorwaardenregelingen en -afspraken. Dit informatierecht ziet onder meer op de loonrapportage. In tegenstelling tot het eerdere voorstel is niet langer vereist dat de ondernemingsraad deze rapportage bevestigt. 5. Positie non-binaire personen Non-binaire personen worden niet meegenomen in de loonrapportage, tenzij zij uitdrukkelijk aangeven als man of vrouw te willen worden geregistreerd. Voor de vaststelling van de organisatiegrootte tellen non-binaire personen wel mee. Deze omvang is relevant voor de beoordeling welke wettelijke rapportage- en transparantieverplichtingen op de werkgever van toepassing zijn. 6. Privacy Er is een extra bepaling opgenomen die het gebruik van persoonsgegevens afkomstig uit de transparantieverplichtingen beperkt tot de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat gegevens die herleidbaar zijn naar individuele werknemers voor andere doeleinden worden gebruikt. Praktische tips Met een beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2027 is de aanlooptijd beperkt. Wij adviseren werkgevers om vooruitlopend op de Wet implementatie loontransparantie mannen en vrouwen zich alvast voor te bereiden op de mogelijke nieuwe verplichtingen en te inventariseren of zij met het nieuwe werkgevers begrip onder de rapportage- en/of evaluatieverplichtingen komen te vallen. Contact Heeft u vragen over de gevolgen van het Wetsvoorstel loontransparantie voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten arbeidsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Let op bij quasi-inbesteding: groepsomzet telt mee voor de 80%-norm
Mag een aanbestedende dienst een opdracht zonder aanbestedingsprocedure gunnen aan een door haar (mede) gecontroleerde entiteit op grond van de inhouse-uitzondering? En wat als die entiteit aan het hoofd staat van een concern waarvan dochterondernemingen commerciële activiteiten op de markt verrichten? Uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) blijkt dat in een dergelijk geval de activiteiten van het concern moeten worden meegewogen, waardoor een beroep op de inhouse-uitzondering kan stranden. De feiten AF is een gemeentelijke afvalverwerker. Zij is de moedermaatschappij van een groep dochtervennootschappen. Een deel daarvan verricht ook commerciële activiteiten op de markt. In 2017 werd Irado, een publieke uitvoeringsorganisatie voor afvalbeheer, aandeelhouder van AF. Sinds 1 januari 2017 liet Irado het huishoudelijk afval uit haar gemeenten door AF verwerken. De BAR-gemeenten (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk) hadden hun afvalbeheer georganiseerd via BAR en werkten tot eind 2019 met verschillende verwerkers, waaronder de commerciële partij AVR. In 2019 besloten de BAR-gemeenten BAR te laten deelnemen in Irado. Daarbij kreeg Irado de taak om hun huishoudelijk restafval in te zamelen. Ter uitvoering van deze opdracht sloot Irado een overeenkomst met AF. Beide opdrachten zijn met een beroep op de inhouse-uitzondering rechtstreeks gegund, zonder aanbestedingsprocedure. AVR verloor daardoor opdrachten. AVR startte daarop een procedure bij de rechtbank Den Haag. Zij stelde dat de overeenkomsten tussen BAR en Irado en tussen Irado en AF niet zonder aanbesteding tot stand hadden mogen komen. Zij vorderde dat de overeenkomsten buiten werking zouden worden gesteld. Ook vorderde zij dat alsnog een aanbestedingsprocedure zou worden gestart. Volgens AVR was namelijk niet voldaan aan het activiteitencriterium voor de inhouse-uitzondering. Het activiteitencriterium Op grond van artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) hoeft een overheidsopdracht niet te worden aanbesteed wanneer de inhouse-uitzondering van toepassing is. Een aanbestedende dienst kan zich daarop echter alleen beroepen als zij over de rechtspersoon aan wie zij de opdracht gunt: Toezicht uitoefent zoals op haar eigen diensten; en Meer dan 80% van de werkzaamheden van de gecontroleerde rechtspersoon bestaat uit taken die worden verricht voor de controlerende aanbestedende diensten; en Er geen directe participatie is van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon. Het vereiste onder ii staat bekend als ‘het activiteitencriterium’. AVR stelde dat aan deze eis niet werd voldaan. AF fungeert namelijk als moedermaatschappij binnen een concern waarin dochtervennootschappen ook commerciële activiteiten op de markt uitvoeren. Als uitsluitend naar de activiteiten van AF zelf wordt gekeken, lijkt zij aan de 80%-drempel te voldoen. Als echter ook de (commerciële) activiteiten van dochtervennootschappen worden meegewogen, wordt die drempel volgens AVR niet gehaald. Dan was het beroep op de inhouse-uitzondering onrechtmatig en had Irado de opdracht moeten aanbesteden. De kernvraag was daarom of bij de toets aan het activiteitencriterium ook rekening moet worden gehouden met de activiteiten van dochterondernemingen binnen de groep.   Het oordeel van het HvJEU en relevantie voor de praktijk De rechtbank Den Haag wees de vorderingen van AVR in eerste instantie af. Zij oordeelde dat de tekst van de Aanbestedingswet geen ruimte bood om bij de toets aan het activiteitencriterium ook de omzet van dochterondernemingen mee te wegen. Dat is volgens de rechtbank alleen anders wanneer een aanbestedende dienst activiteiten bewust bij een dochteronderneming onderbrengt om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. AVR heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, die in dat kader prejudiciële vragen aan het HvJEU stelde. Bij Arrest van 15 januari 2026 heeft het HvJEU de vragen van het Hof Den Haag beantwoord. Volgens het HvJEU moeten bij de toepassing van het activiteitencriterium, naast de activiteiten van de moedermaatschappij, ook de activiteiten van de dochterondernemingen worden betrokken. Die toets mag plaatsvinden op basis van de geconsolideerde groepsomzet van het gehele concern. Anders zou een moedermaatschappij bepaalde werkzaamheden bij dochtermaatschappijen kunnen onderbrengen om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. Een uitleg van het activiteitencriterium waarbij de activiteiten van dochtermaatschappijen buiten beschouwing worden gelaten, staat haaks op een van de doelen van de Aw 2012: het voorkomen van vervalsing van de mededinging. Deze uitspraak betekent dat diensten die gebruik willen maken van de inhouse-uitzondering voortaan eerst moeten nagaan of de gecontroleerde rechtspersoon een moedermaatschappij is binnen een concernstructuur. Is dat het geval, dan moet worden beoordeeld of de 80%-norm ook wordt gehaald wanneer de activiteiten van de dochterondernemingen worden meegenomen. In de praktijk ligt het voor de hand om de naleving van het activiteitencriterium te onderbouwen aan de hand van de geconsolideerde omzet van het concern. Als een aanbestedende dienst deze stappen doorloopt, verkleint hij het risico dat een beroep op de inhouse-uitzondering achteraf onrechtmatig wordt bevonden. Voor een uitgebreidere bespreking van dit arrest en de gevolgen voor de inhouse-uitzondering verwijzen wij graag naar de annotatie van onze collega’s Dewi Britsemmer en Pieter van den Oord in JAAN (JAAN 2026/55 – Meerderheidscriterium bij quasi-inbesteding). Heeft u verder vragen over de inhouse-uitzondering of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Noa van den Brink, Niek Hoogwout, of een van onze andere aanbestedingsspecialisten.
Jan Borman
Jan Borman
Advocaat
Huurders kunnen verduurzaming door woningcorporatie niet zomaar blokkeren
Woningcorporaties met concrete plannen om te verduurzamen, kunnen daarbij niet altijd maar  door huurders worden tegengehouden. Toestemming van huurders voor die verduurzaming is namelijk niet altijd nodig. Een recent vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2026 onderstreept dit.[1] De kantonrechter oordeelde dat huurders niet kunnen tegenhouden dat de betreffende woningcorporatie, zonder eerst 70%-instemming af te wachten, hun complex aansluit op een warmtenet en daarvoor werkzaamheden in de huurwoningen uitvoert. Als woningcorporaties hun woningen moéten verduurzamen, moet de huurder daartoe gelegenheid geven en bij verzet kan de woningcorporatie medewerking afdwingen. Het uitvoeren van verduurzamingswerkzaamheden kan op basis van dit vonnis dus eenvoudiger zijn dan woningcorporaties soms denken. In dit blog schetsen wij hoe woningcorporaties dit vonnis kunnen benutten om de verduurzamingsopgave te versnellen, een en ander met de kanttekening dat de gekozen route juridisch zorgvuldig moet worden voorbereid. Wettelijk stelsel Huurders moeten op basis van de wet meewerken aan: renovatie op basis van een redelijk voorstel (artikel 7:220 lid 2 BW); dringende werkzaamheden van de verhuurder (artikel 7:220 lid 1 BW). Onder ‘renovatie’ wordt kortweg verstaan: vernieuwing van de huurwoning door (fysieke) veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot toeneemt.[2] Voor de ‘dringende werkzaamheden’ is relevant dat het niet slechts gaat om een bouwkundige noodzaak, maar meer om werk dat niet zonder extra kosten, schade of ander nadeel kan worden uitgesteld, bijvoorbeeld doordat het leidt tot mislopen van subsidie of ander financieel of fiscaal voordeel. Anders dan bij renovatie zijn dringende werkzaamheden niet primiair gericht op een toename van het woongenot. Bij een renovatie moet de verhuurder eerst een redelijk voorstel doen aan de huurders. Bij renovatie van tien of meer woningen kan gebruik worden gemaakt van een wettelijk vermoeden van redelijkheid als 70% of meer van de huurders met het voorstel instemt.[3] Indien verhuizing door de renovatiewerkzaamheden noodzakelijk is, dienen verhuurders een tegemoetkoming in de verhuiskosten (en inrichtingskosten) te doen of een tijdelijke volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking te stellen aan de huurder.[4] Het label ‘renovatiewerkzaamheden’ kan dus in bepaalde gevallen nadelig zijn, omdat het tot de nodige vertraging kan leiden en met de nodige kosten gemoeid gaat. De categorie ‘dringende werkzaamheden’ is in dat opzicht gunstiger. Dan hoeft geen redelijk voorstel te worden gedaan, bepaalt de wet dat de huurder moét meewerken aan uitvoering daarvan en hoeft de huurder niet tegemoet te worden gekomen.[5] Maar, wanneer kan de verhuurder gebruikmaken van die mogelijkheid en wat zijn de gevolgen van het volgen van de route van ‘dringende werkzaamheden’? Die vraag lag onder andere voor in het recente vonnis van 10 april 2026. Het vonnis van 10 april 2026 De woningcorporatie Woonwaard wilde haar appartementencomplex van het gas af hebben en aansluiten op een warmtenet (van HVC), door gasaansluitingen in woningen af te sluiten, cv-ketels te vervangen door afleversets voor warmte, radiatoren te vervangen en een extra groep aan te leggen in de meterkast voor koken op inductie. Woonwaard meende dat deze werkzaamheden waren te beschouwen als dringende werkzaamheden. De kantonrechter volgt Woonwaard hierin en overweegt daartoe – kort samengevat – als volgt. De energiebesparende maatregelen van Woonwaard verhogen weliswaar het wooncomfort van huurders, maar zijn (toch) niet te beschouwen als een renovatie, omdat niet iedere werkzaamheid die leidt tot toename van wooncomfort, een renovatie is. Als de aansluitingswerkzaamheden moeten worden gezien als een voor Woonwaard noodzakelijke maatregel, die niet zonder nadeel voor Woonwaard kan worden uitgesteld, zijn het dringende werkzaamheden. En precies dat is hier het geval, zo oordeelt de kantonrechter, omdat Woonwaard zich aan duurzaamheidsdoelstellingen heeft gecommitteerd en afspraken heeft gemaakt over het aardgasvrij-maken van woningen. De werkzaamheden zijn noodzakelijk om die doelstellingen en verplichtingen na te komen. De reden om ze uit te voeren is niet het vermeerderen van wooncomfort voor haar huurders, zodat geen sprake is van een renovatie. De verduurzamingswerkzaamheden zijn, in de woorden van de kantonrechter, geen keuze voor Woonwaard. Woonwaard is daartoe daadwerkelijk gehouden, op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, het eigen duurzaamheidsbeleid, de Warmtevisie en bindende prestatieafspraken die zij als woningcorporatie heeft gemaakt (in een overeenkomst) met de gemeente. Om haar doelen en afspraken te halen en na te komen is het noodzakelijk dat alle bewoners in het complex meedoen aan de werkzaamheden, zodat het gehele pand kan worden aangesloten op het warmtenet. Naast dit nadeel lijdt Woonwaard ook een aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel door de blokkerende huurders, omdat daardoor subsidie wordt misgelopen en Woonwaard extra kosten moet maken doordat zij het werk niet als één project en in één aaneengesloten stroom voor alle bewoners kan uitvoeren. Kortom, de werkzaamheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter dringend en betreffen geen renovatie. Woonwaard hoeft daarom geen redelijk voorstel te doen en huurders worden door de kantonrechter bevolen om mee te werken. De betekenis voor de praktijk Het vonnis biedt voor woningcorporaties (en andere verhuurders) belangrijke inzichten. Ten eerste: niet iedere werkzaamheid, met toename van het woongenot tot gevolg, betreft een renovatie (hetgeen vaak wordt gedacht). Ten tweede: als werkzaamheden aantoonbaar noodzakelijk zijn om concrete verplichtingen, termijnen of (financiële) randvoorwaarden te halen – denk aan prestatieafspraken, uitvoeringsafspraken met gemeente/ketenpartners, subsidievoorwaarden en projectmatige uitvoerbaarheid – kan dat de route van dringende werkzaamheden dragen. Dringendheid kan immers ook voortvloeien uit het vermijden van (toekomstige) hoge kosten of het mislopen van subsidie of fiscaal voordeel. De ‘dringendheid’ van verduurzaming zal in de praktijk vaker op tafel komen naarmate verplichtingen en prikkels om te verduurzamen concreter worden. In de Nationale prestatieafspraken (gesloten tussen Aedes, VNG, Woonbond en de minister voor VRO) is afgesproken dat woningcorporaties de komende jaren ruim 675.000 bestaande woningen moeten verduurzamen. Tegelijkertijd heeft de energieprestatie steeds meer directe financiële betekenis, doordat slechte energielabels (E, F en G) in het woningwaarderingsstelsel tot minder punten leiden en gemeenten daarop kunnen handhaven. Voor woningcorporaties betekent dit dat het concrete nadeel van de verduurzamingsmaatregelen (financieel, organisatorisch, contractueel, subsidie-technisch) steeds beter concreet te maken is. Betekent dit dat aansluitwerkzaamheden bij warmtenetten door woningcorporaties altijd kunnen worden afgedwongen? Nee. Als naast noodzakelijke aansluitwerkzaamheden ook maatregelen worden meegenomen die (primair) zijn gericht op verbetering van het woongenot of kwaliteitsverbetering, zoals isolatie of HR++-glas, dan zullen die maatregelen als renovatiewerkzaamheden blijven gelden. Kernvraag blijft: kan uitstel van de werkzaamheden voor de verhuurder een concreet nadeel opleveren (dan zijn ze dringend), of gaat het vooral om verbetering (dan zijn het renovatiewerkzaamheden)? Overigens is het toepassen van de route van dringende werkzaamheden niet zaligmakend. Een belangrijk nadeel van toepassing van de dringende werkzaamheden-route is dat achteraf altijd het risico bestaat dat wordt geoordeeld dat (een deel van) voorgenomen werkzaamheden door de verhuurder toch op renovatie neerkomen. Dan moet de verhuurder alsnog een redelijk voorstel doen en gaat kostbare tijd verloren. Een bezwaar kan ook zijn dat bij het onverkort toepassen van deze route de verhuurder een dwingende houding kan worden verweten en dat het draagvlak voor verhuurdersbeslissingen in het complex afneemt. Om dit bezwaar (in ieder geval deels) te ondervangen is het belangrijk om helder en transparant te blijven communiceren naar huurders. Dat houdt in dat het belangrijk is om huurders te informeren over de aard, doel en gevolgen van de werkzaamheden.  Conclusie Kortom, het vonnis biedt zeker perspectief voor woningcorporaties, maar het blijft wel opletten voor woningcorporaties. Zodra de voorgenomen werkzaamheden in feite alleen nog maar zien op wooncomfort-verbetering en niet meer op het moeten veranderen van het ene verwarmingssysteem (gasgestookte verwarming en warm water) door het andere (alles via het warmtenet), omdat verhuurder anders nadeel ondervindt, gaat de route van dringende werkzaamheden niet op. Bovendien moeten woningcorporaties nadenken over de risico’s die bij het volgen van de route van dringende werkzaamheden blijven bestaan. Vragen over dit onderwerp of weten hoe de werkzaamheden het beste kunnen worden ingericht om verdere vertraging te voorkomen? Neem gerust contact op met ons team van Energierecht en Huurrecht. [1] Rechtbank Noord-Holland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3806. [2] Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726 (Portaal I), r.o. 3.4.2 [3] Zie artikel 7:220 lid 3 BW. Belangrijk hierbij is dat de 70%-norm een positieve instemmingseis is: de verhuurder moet aantonen dat 70% daadwerkelijk (actief) heeft ingestemd; het is niet voldoende dat minder dan 30% bezwaar maakt. [4] Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:493. [5] Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Afschaffing compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid uitgesteld
Werkgevers die een arbeidsovereenkomst beëindigen na 104 weken arbeidsongeschiktheid kunnen de betaalde transitievergoeding momenteel (onder voorwaarden) gecompenseerd krijgen van het UWV. Waar eerder de beperking nog werd uitgesteld tot 1 januari 2027 is nu duidelijk dat vanaf die datum de compensatie geheel wordt afgeschaft. Wat is de compensatieregeling? Sinds 1 april 2020 kunnen werkgevers compensatie aanvragen voor de transitievergoeding die zij betalen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst na afloop van de wachttijd (de 104 weken loondoorbetaling bij ziekte). De regeling is in het leven geroepen om de praktijk van zogeheten ‘slapende dienstverbanden’ tegen te gaan: dienstverbanden die formeel in stand bleven na 104 weken ziekte, enkel om betaling van de transitievergoeding te vermijden. De Hoge Raad heeft in de Xella-beschikking geoordeeld dat een werkgever in beginsel moet meewerken aan een redelijk beëindigingsverzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer onder toekenning van de transitievergoeding berekend tegen de dag na datum einde wachttijd, juist omdat de transitievergoeding via de compensatieregeling kan worden teruggevraagd. Wat zou er per 1 juli 2026 veranderen? In juni 2025 is het wetsvoorstel “Beperken compensatieregeling transitievergoeding LAO tot kleine werkgevers” ingediend. Vanaf 1 juli 2026 zouden alleen kleine werkgevers nog recht hebben op compensatie. Of sprake is van een kleine werkgever wordt bepaald aan de hand van de loonsom (norm 2026: < € 1.082.500,-)   Wat gaat er veranderen per 1 januari 2027? In een brief van 24 april 2026 heeft minister Vijlbrief aangekondigd dat de inwerkingtreding zou worden uitgesteld tot 1 januari 2027. Redenen daarvoor waren de demissionaire status van het vorige kabinet, het voornemen van het huidige kabinet om de regeling volledig af te schaffen mede in het licht van de wens om de regels over de transitievergoeding te herzien, het feit dat het wetsvoorstel nog door beide kamers moet worden behandeld en de uitvoerbaarheid: het UWV zou anders in de komende maanden onomkeerbare stappen moeten zetten. Op 29 mei 2026 heeft het kabinet het wetsvoorstel aangepast en besloten dat de gehele compensatieregeling per 1 januari 2027 wordt afgeschaft. Dat betekent dat vanaf die datum geen enkele werkgever meer aanspraak kan maken op de compensatieregeling. Wat betekent dit voor werkgevers? Het uitstel creëert een extra periode waarin werkgevers onder de huidige regels nog compensatie kunnen aanvragen. Ligt de datum waarop de wachttijd (in beginsel 104 weken) eindigt vóór 1 januari 2027 en neemt u daarna afscheid van de werknemer onder toekenning van de transitievergoeding, dan geldt dat u – mits tijdig aangevraagd (binnen 6 maanden na volledige betaling) – in beginsel nog compensatie bij het UWV kunt krijgen. Vanaf 1 januari 2027 kunnen werkgevers de transitievergoeding bij beëindiging na de wachttijd niet langer verhalen op het UWV. Dat heeft directe budgettaire consequenties en roept ook vragen op, zoals of de werkgever nog steeds als goed werkgever moet meewerken aan een redelijk beëindigingsverzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. In de Xella-beschikking kwam de Hoge Raad immers tot die conclusie vanuit de gedachte dat de transitievergoeding werd gecompenseerd, maar die compensatiemogelijkheid bestaat dan mogelijk niet meer. Op 2 juni 2026 heeft de minister in een nota deze problematiek onderschreven. Hij verwacht dat het besluit zal leiden tot meer slapende dienstverbanden. Het is te hopen dat de wetgever hierover richting 1 januari 2027 duidelijkheid geeft. Heeft u vragen over (de afschaffing van) de compensatieregeling en/of over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer?  Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie: van blokkade naar businesscase
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Staatssecretaris De Bat schrijft op 21 april aan de Tweede Kamer dat het stroomnet in de stad Utrecht en de omliggende regio zo vol is dat aanvragen voor nieuwe of verzwaarde aansluitingen tijdelijk moeten worden uitgesteld. Van een ‘vol’ net is sprake wanneer op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is om aan de vraag naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. Het probleem van netcongestie speelt in vrijwel heel Nederland en raakt niet alleen grootverbruikers. Per 1 juli 2026 geldt het landelijke prioriteringskader voor aansluitingen ook voor woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen komen daardoor op een wachtlijst terecht. Netcongestie vormt daarmee een brede belemmering voor elektrificatie, bouw en verduurzaming. Tegelijkertijd bestaan er nog juridische en praktische mogelijkheden om hiermee om te gaan. Dit blog biedt eerst een aantal praktische handvatten voor bedrijven die nu of binnenkort tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Daarna worden de mogelijkheden besproken voor onderlinge samenwerking tussen bedrijven.    Stap 1: Weet wat u heeft gecontracteerd De eerste stap is contractueel. Iedere aansluiting op het stroomnet is vastgelegd in een aansluit- en transportovereenkomst (ATO). In dit contract is vastgelegd hoeveel elektriciteit mag worden afgenomen en/of teruggeleverd. In de praktijk blijkt hier soms meer ruimte in te zitten dan gedacht. Een goed startpunt is daarom om het huidige en toekomstige verbruik te vergelijken met de contractuele capaciteit. Stap 2: Bespaar, verschuif en produceer zelf Wanneer de behoefte groter is dan de contractuele ruimte, kan worden gekeken naar het aanpassen van deze behoefte en het slimmer benutten van de contractuele ruimte. Bijvoorbeeld door investering in door de overheid erkende energiebesparende maatregelen met een korte terugverdientijd, het verschuiven van verbruik naar dalmomenten (eventueel via een geautomatiseerd energiemanagementsysteem (EMS)) en de inzet van eigen opwek en opslag achter de meter, bijvoorbeeld via zonnepanelen en een batterij.     Stap 3: Flexibele contracten en andere congestiemaatregelen Naast het reguliere transportecht (gegarandeerd 24/7 beschikbaarheid), bestaan flexibele contractvormen. Deze flexibele ATO’s voorzien in alternatieve transportrechten voor grootverbruikers (aansluiting > 3x80A) en zijn ondersteunend aan slimmere benutting van het elektriciteitsnet. Alternatieve transportrechten zijn beschikbaar voor zowel bestaande als nieuwe klanten van systeembeheerders (voorheen: netbeheerder). Daarom kan bij de derde stap worden gekeken of een project inpasbaar is binnen de voorwaarden van een alternatief transportrecht. Voorbeelden hiervan zijn:   TDTR: Tijdsduurgebonden Transportrecht (TDTR) is beschikbaar voor grootverbruikers die rechtstreeks zijn aangesloten op het hoogspanningsnet. Met een TDTR-contract heeft de aangeslotene recht op zijn gecontracteerde transportcapaciteit gedurende minimaal 85% van de uren per jaar. In de overige 15% van de uren kan TenneT, bijvoorbeeld bij verwachte piekbelasting, (gedeeltelijke) beperkingen opleggen. Blokstroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens bepaalde tijdsblokken over transportrechten; Reststroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens beschikbare capaciteit over transportrechten. Naast alternatieve transportrechten kunnen ook congestiemaatregelen als instrument dienen ter bestrijding van netcongestie. Voorbeelden van congestiemaatregelen zijn: CBC: een capaciteitsbeperkingscontract (CBC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin wordt geregeld dat een aangeslotene voor een bepaald tijdstip en een bepaalde periode afziet van het volledige gebruik van zijn overeengekomen aansluit- en transportcapaciteit. Het is ook mogelijk om met een aantal bedrijven gezamenlijk een CBC te sluiten (Groeps-CBC); CSC: een capaciteitssturingscontract (CSC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin afspraken worden gemaakt over extra invoeding of extra afname tijdens piekmomenten om het net tijdens deze momenten te ontlasten.   Congestiemaatregelen worden aanvullend op de ATO overeengekomen en kennen specifieke voorwaarden. Het gebruik van alternatieve transportrechten en/of congestiemaatregelen kan een (aanvullende) korting of financiële vergoeding opleveren.              Onderlinge samenwerking Als individuele maatregelen onvoldoende opleveren, kan worden onderzocht of samenwerking met andere bedrijven uitkomst biedt. Er zijn verschillende vormen van samenwerking waarvoor niet noodzakelijk is dat alle bedrijven over een eigen aansluiting op het net beschikken. Gedacht kan worden aan een gesloten systeem, een directe lijn en cable pooling. Deze specifieke mogelijkheden bespreken wij in een opvolgend blog. Wanneer partijen al over een eigen aansluiting beschikken maar willen uitbreiden, kunnen zij overwegen om gezamenlijk oplossingen te organiseren voor netcongestie. Hierbij kan worden gedacht aan het afsluiten van een Groeps-CBC, het vormen van een Energiehub of het aangaan van een groepstransportovereenkomst (GTO). De laatste twee worden hieronder kort toegelicht. De Energiehub Een Energiehub is een lokale samenwerking waarin opwek, opslag en verbruik worden afgestemd om netcapaciteit optimaal te benutten. Juridisch bestaat een Energiehub uit meerdere afspraken tussen partijen, waaronder over capaciteitsverdeling en energiemanagement. Op grond van de Energiewet kan een Energiehub worden vormgegeven via energiedelen of peer-to-peer handel. Energiedelen is een administratieve toedeling van gelijktijdig opgewekte (en geleverde) en verbruikte (of opgeslagen) energie. Voor energiedelen is geen fysieke verbindingskabel nodig tussen de samenwerkende bedrijven. De systeembeheerder registreert per kwartier het volume dat door de energiegever wordt gedeeld, en geeft dit door aan de energieleverancier. De leverancier zorgt er vervolgens voor dat dit volume in gelijke mate wordt toegekend aan de energieontvanger. Voor nu geldt de verplichting dat de samenwerkende partijen dezelfde energieleverancier hebben. Peer-to-peer-handel (P2P) is fysieke levering via het net zonder het vereiste van gelijktijdigheid van opwek en verbruik. De leverende partij draagt in dit geval zelf de leveringsverantwoordelijkheid ten opzichte van de afnemende partij. Dat betekent concreet dat de leverende partij óf zelf moet leveren (en daartoe met de afnemer een leveringsovereenkomst moet sluiten) of tegen betaling een marktpartij bereid moet vinden daarin voor de deelnemer te voorzien. Groepstransportovereenkomst Binnen een Energiehub kunnen bedrijven met een eigen grootverbruikaansluiting ook een groepstransportovereenkomst (GTO) sluiten om gezamenlijk transportcapaciteit te delen. Vanaf 1 januari 2027 zijn systeembeheerders verplicht deze nieuwe contractvorm aan te bieden.   Conclusie Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging voor ondernemers in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er zowel op individueel niveau als in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Voor meer informatie of vragen hierover kunt u contact opnemen met het Energieteam van La Gro.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken (deel 2)
In een eerdere blog schreef ik over het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. In datzelfde straatje speelt ook de vraag of dergelijke bedingen jegens consument-opdrachtgevers oneerlijk en/of onredelijk bezwarend zijn. Artikel 16.3 van de AVA 2013 (Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk) regelt de termijn voor aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. In dat artikel wordt bepaald dat rechtsvorderingen vanwege gebreken aan het opgeleverde werk in beginsel binnen 5 jaar (en in geval van ernstige gebreken binnen 10 jaar) na afloop van de onderhoudstermijn (van 30 dagen na de oplevering, zie artikel 9 lid 8 AVA) moeten worden ingesteld, anders vervalt het recht om een procedure te beginnen om herstel of schadevergoeding te vorderen. In de literatuur en rechtspraak speelt al langer de vraag of dergelijke vervalbedingen onredelijk bezwarend of oneerlijk zijn jegens consument-opdrachtgevers. Hierover is recent de conclusie van A-G Valk gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2026:308). Aanleiding voor die conclusie is een cassatie tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof Amsterdam, waarin het hof oordeelde dat het vervalbeding uit artikel 16.3 van de AVA 2013 oneerlijk en onredelijk bezwarend is. Of in algemene zin gezegd kan worden dat dergelijke vervalbedingen jegens consumenten oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn, is geen uitgemaakte zaak. Er bestaat in de literatuur discussie over en ook in de rechtspraak zijn de oordelen hierover niet eenduidig. Voor de bouwpraktijk (in het bijzonder in de relatie aannemer-consument) is dus relevant wat de Hoge Raad hierover zal oordelen. A-G Valk van mening dat diverse klachten uit het cassatiemiddel van de aannemer slagen, dat het vervalbeding in deze toelaatbaar is en dat het arrest van het hof Amsterdam daarom vernietigt moet worden. Opvallend is dat A-G Valk in het advies expliciet benadrukt dat hij daarmee niet wil zeggen dat het onmogelijk is dat vervalbedingen (zoals bijv. ook opgenomen in par. 12 UAV) jegens consumenten als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG – en dus als onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233 onder a BW – moeten worden beschouwd. A-G Valk benadrukt verder dat een rechter die een dergelijk vervalbeding meent terzijde te moeten schuiven zich in elk geval moet realiseren dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak groot zijn zodat de motivering van dergelijke oordelen luistert nauw luistert. Als je het mij vraagt een terecht standpunt nu het terzijde schuiven van vervalbedingen door de rechter in de praktijk zal leiden tot claims tegen aannemers die zij wellicht al niet meer hoefden te verwachten. Veelvuldig gehanteerde algemene voorwaarden in de bouw zouden moeten leiden tot eenduidigheid en niet tot wisselende oordelen en daarmee onzekerheid. Noemenswaardig is nog dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in een andere zaak (nr. 38.068) voorbijging aan een beroep dat werd gedaan op het oordeel van het hof Amsterdam. Reden daarvoor was voor arbiters onder meer dat consumentenorganisaties het vervalbeding bij de totstandkoming daarvan dit niet als onredelijk bezwarend hebben bestempeld. Of de Hoge Raad daar ook zo over denkt is vooralsnog een kwestie van afwachten. In de tussentijd vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact op met een van onze vastgoedspecialisten.
Rosalie Geurtsen 2 – La Gro
Rosalie Geurtsen
Advocaat
Leveringsbeslag geen effectief middel in Didam-procedure
Kan een partij die niet is aangemerkt als “enige serieuze gegadigde” in een Didam-procedure levering van de gronden aan een andere partij tegenhouden door beslag te leggen? Nee. De rechtbank Gelderland oordeelt in haar vonnis van 23 maart 2026 dat het beslag moet worden opgeheven. Achtergrond In het tweede Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een koopovereenkomst die is gesloten in strijd met de Didam-regels niet nietig of vernietigbaar is. Dit betekent dat de koopovereenkomst geldig is en tot levering van de grond kan worden overgegaan. Als na levering blijkt dat de koopovereenkomst toch in strijd was met de Didam-regels, kan de benadeelde partij schadevergoeding vorderen. De benadeelde partij kan dan geen aanspraak meer maken op de grond, omdat die al aan de “enige serieuze gegadigde” is geleverd. Is het voor de benadeelde partij zinvol om levering van de grond aan de “enige serieuze gegadigde” tegen te houden door conservatoir (leverings)beslag te leggen?   Vonnis rechtbank Gelderland De rechtbank Gelderland beantwoordde deze vraag in het vonnis van 23 maart 2026. Een derde partij kwam op tegen het standpunt van de gemeente dat een partij als enige serieuze gegadigde kwalificeerde. De derde partij werd door de voorzieningenrechter in het ongelijk gesteld. De derde partij stelde hoger beroep in. Het staat de gemeente op basis van de huidige jurisprudentie vrij om hangende het hoger beroep de koopovereenkomst te sluiten met de naar haar mening enige serieuze gegadigde en zelfs over te gaan tot levering van de grond. Dat resulteert er dus in dat de derde partij na levering enkel aanspraak kan maken op schadevergoeding.  De derde partij probeerde te voorkomen dat de grond aan de “enige serieuze gegadigde” zou worden geleverd door (conservatoir) (leverings)beslag te leggen op de grond. Met succes? Nee, zo oordeelde de rechtbank Gelderland. Voor conservatoir leveringsbeslag is een recht op levering vereist. De rechtbank oordeelde dat de derde partij dit recht op levering niet heeft. Het is ook niet aannemelijk dat zij een toekomstig recht op levering zal krijgen. Zelfs als in hoger beroep wordt geoordeeld dat de aangewezen partij inderdaad niet de enige serieuze gegadigde is, dan volgt daaruit nog geen recht op levering. De gemeente zal alsdan een nieuwe selectieprocedure moeten organiseren onder door haar te bepalen selectiecriteria. Het staat niet vast dat uit de selectieprocedure zal volgen dat de gronden aan deze derde partij moeten worden gegund. De rechtbank oordeelt dat het beslag moet worden opgeheven. Als later blijkt dat de koopovereenkomst tóch in strijd met de regels volgend uit het Didam-arrest is gesloten, dan kan de derde partij aanspraak maken op schadevergoeding. Heeft u te maken met een Didam-situatie, of heeft u anderszins vragen over het Didam I en/of II arrest? Voel je vrij om contact op te nemen met Rosalie Geurtsen of één van onze andere specialisten Vastgoedrecht.