Nieuws & Publicaties

Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie en onderlinge samenwerking: geen aansluiting, wel een oplossing
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Het probleem van netcongestie[1] raakt zowel grootverbruikers van elektriciteit als woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen in gebieden waar het stroomnet vol is komen op een wachtlijst terecht, die conform het landelijke prioriteringskader wordt afgewerkt. Het verkrijgen van een aansluiting kan daardoor soms jaren duren. Deze belemmering voor elektrificatie, uitbreiding en verduurzaming leidt geregeld tot juridische procedures met systeembeheerders (voorheen: netbeheerders). In eerdere blogs schreven wij over de gevolgen van netcongestie op woningbouw en over praktische handvatten voor bedrijven die tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Naast individuele maatregelen, biedt de Energiewet ook mogelijkheden om netcongestie in samenwerkingsverband op te lossen. In plaats van wachten op een eigen aansluiting, kan er bijvoorbeeld één met de buren worden gedeeld. Dit blog behandelt drie vormen van samenwerking die een oplossing kunnen bieden in de situatie waarin niet iedere betrokken partij over een eigen (toereikende) aansluiting beschikt. Aan bod komen (1) de directe lijn, (2) cable pooling en (3) het gesloten systeem. In het geval bedrijven wel beschikken over een eigen grootverbruikaansluiting, kunnen zij door middel van een groepstransportovereenkomst (GTO) transportcapaciteit delen. Over deze samenwerkingsvorm schreven wij in een eerder blog. De directe lijn Bij een directe lijn levert één (grote) opwekker van elektriciteit direct aan één of meerdere eindafnemers. De Energiewet kent twee verschijningsvormen: Een volledig geïsoleerde elektriciteitsverbinding, waarbij zowel de productie-installatie als de aangesloten eindafnemer(s) géén aansluiting hebben op het openbare net. Een verbinding tussen de productie-installatie en de eindafnemer(s), waarbij ten hoogste één van de betrokken partijen (producent of eindafnemer) een netaansluiting op het openbare net heeft. Kortom: bij de situatie van een directe lijn is er altijd een directe verbinding tussen twee of meer partijen, maar er is slechts één producent en ten hoogste één installatie die verbonden is met het openbare net. De directe lijn leent zich goed voor situaties waarin een producent zijn overtollige opwek rechtstreeks wil leveren aan één of meer afnemers in zijn directe nabijheid, zonder daarbij gebruik te maken van het openbare net. Daarmee wordt het stroomnet grotendeels omzeild. De keerzijde is dat het gebruik van een directe lijn structureel is: als de opwek onvoldoende is, heeft de afnemer zonder een eigen netaansluiting geen back-up via het openbare net. In de praktijk komen directe lijnen vooral voor op industrieterreinen en bij grote producenten. Op grond van artikel 3.9 Energiewet is een producent verplicht energielevering via een directe lijn te melden bij de ACM. Deze meldplicht geldt voor beide verschijningsvormen. De melding wordt ingediend via het meldformulier van de ACM, waarna de directe lijn wordt opgenomen in het openbare ACM-register. Registratie betekent niet dat de ACM de kwalificatie als directe lijn inhoudelijk heeft beoordeeld of goedgekeurd. Cable pooling Meerdere partijen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, gebruik maken van één aansluiting om hun opwek-, opslag- en/of verbruiksinstallaties op het openbare net aan te sluiten. Het gebruik van een gezamenlijke aansluiting wordt ook wel cable pooling genoemd. Voor cable pooling is vereist dat: De verschillende installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden[2]; De eigenaren gezamenlijk één aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met de systeembeheerder sluiten; De aansluitcapaciteit van de gedeelde aansluiting minimaal 100 kVA bedraagt; en De verschillende installaties verdeeld zijn over maximaal 4 percelen (WOZ-objecten). Het idee van cable pooling is dat de betrokken partijen ‘gecombineerd exploiteren’ door het gezamenlijk contracteren met leveranciers en onderlinge transparantie over het gebruik van de gedeelde aansluiting, vastgelegd in een cable pooling-overeenkomst. De samenwerking mag niet zo worden ingericht dat er feitelijk sprake is van levering van de ene deelnemer aan de andere. In dat geval functioneert de gedeelde aansluiting als een gesloten systeem, waarvoor strengere erkenningsvereisten gelden. Om cable pooling te realiseren, moeten de betrokken partijen zich eerst wenden tot de systeembeheerder. Hier dienen zij gezamenlijk een aanvraag in voor een gedeelde aansluiting en sluiten zij samen één ATO af. Vervolgens dient de cable pooling-constructie te worden gemeld bij de ACM, onder overlegging van de gezamenlijke ATO, een overzicht van de kadastrale percelen en de onderlinge contractuele afspraken tussen de deelnemende partijen. Het gesloten systeem Een gesloten systeem is een eigen elektriciteitsnetwerk binnen een afgebakend geografisch gebied. Op dit gesloten systeem wordt door de beheerder stroom getransporteerd naar individuele afnemers die zijn aangesloten op dit gesloten elektriciteitsnet. Het gesloten systeem is via één aansluiting ook verbonden met het openbare net. In tegenstelling tot cable pooling biedt het gesloten systeem de mogelijkheid om daadwerkelijk elektriciteit te leveren tussen de aangesloten afnemers, zonder dat dit als verboden leveringsactiviteit kwalificeert. De Energiewet kent twee verschijningsvormen van een gesloten systeem: Het bedrijfs- of productieproces van de aangeslotenen op het systeem is om specifieke redenen geïntegreerd met het systeem; of Het systeem is primair bedoeld om energie te transporteren ten behoeve van de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen. Een gesloten systeem is geschikt voor locaties waar sprake is van technische, organisatorische of functionele verbinding, bijvoorbeeld op industriële en/of commerciële locaties of locaties met gedeelde diensten. Voorbeelden zijn (lucht)havens, bedrijvenparken, productiecomplexen of universiteitscampussen. Voor het exploiteren van een gesloten systeem is op grond van artikel 3.6 en 3.7 Energiewet een erkenning van de ACM vereist. Bij verlening van de erkenning wordt het gesloten systeem opgenomen in het openbare register van de ACM. Conclusie: de juiste structuur vraagt maatwerk Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de specifieke situatie: de locatie, het type bedrijven, de aanwezige aansluitcapaciteit en de gewenste mate van onderlinge energie-uitwisseling. Behoefte aan juridisch advies over oplossingen voor netcongestie? Neem gerust contact op met de specialisten van Team Energie bij La Gro. [1] Het kan voorkomen dat er op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het stroomnet om aan de vraag/het aanbod naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. [2] Onmiddellijke nabijheid wordt vooral bepaald doordat het voor de partijen economisch voordelig is om een aansluiting te delen. Zie ook de zienswijze van de ACM
La Gro verwelkomt Laura Smit als partner Arbeidsrecht
Met trots kondigen wij aan dat Laura Smit per 1 augustus 2026 La Gro komt versterken als partner binnen de praktijkgroep Arbeidsrecht. Laura is gespecialiseerd in het adviseren en begeleiden van werkgevers, ondernemers en HR-professionals bij uiteenlopende arbeidsrechtelijke vraagstukken, waaronder reorganisaties, ontslag, arbeidsongeschiktheid en medezeggenschap. Daarnaast beschikt zij over een aanvullende specialisatie in pensioenrecht, waardoor zij cliënten ook op het snijvlak van arbeids- en pensioenrecht kan adviseren. “Laura brengt ruime ervaring mee in het adviseren en begeleiden van werkgevers bij uiteenlopende arbeidsrechtelijke vraagstukken. Haar pro-actieve, ondernemende instelling, persoonlijke aanpak en plezier in samenwerken passen uitstekend bij de cultuur van La Gro. We kijken ernaar uit om samen met Laura onze arbeidsrechtpraktijk verder uit te bouwen.” | Gerard Zuidgeest | Partner La Gro Laura is sinds 2018 advocaat en staat bekend om haar pragmatische aanpak en haar vermogen om complexe juridische vraagstukken te vertalen naar heldere en werkbare oplossingen. Met de komst van Laura versterkt La Gro haar arbeidsrechtpraktijk en breidt het kantoor haar expertise op het gebied van pensioenrecht verder uit. Wij heten Laura van harte welkom bij La Gro en kijken uit naar een succesvolle samenwerking. “Ik heb enorm veel zin om onderdeel uit te maken van La Gro. Het kantoor combineert hoogwaardige juridische expertise met een ondernemende en toegankelijke cultuur. Ik kijk ernaar uit om samen met mijn nieuwe collega’s verder te bouwen aan de arbeidsrechtpraktijk en cliënten praktisch en strategisch te ondersteunen.” | Laura Smit | Partner La Gro  
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA-uitspraak Hoge Raad: representativiteit vereist echte steun van de achterban
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de collectieve actie van Stichting The Privacy Collective (“TPC”) tegen Oracle en Salesforce . De uitspraak is van belang voor iedere partij die te maken krijgt met een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”), en in het bijzonder voor de vraag wanneer een belangenorganisatie voldoende representatief is om schadevergoeding te kunnen vorderen namens een grote groep gedupeerden. De achtergrond De procedure gaat over het misbruik van persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht en hoofdelijke schadevergoeding van Oracle en Salesforce van 5 miljard euro, ofwel 500 euro per persoon, wegens gestelde privacyschendingen bij het plaatsen van cookies en het opbouwen van gebruikersprofielen voor gerichte reclame. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis, verklaarde TPC alsnog ontvankelijk en wees de zaak terug naar de rechtbank. De Partijen bij de procedure gingen hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad De ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in de WAMCA wordt ex nunc getoetst De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in hoger beroep de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een WAMCA-procedure beoordeelt naar de toestand op het moment van zijn beslissing, en niet naar het moment van dagvaarding. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat het hoger beroep strekt tot een nieuwe behandeling van de zaak naar de actuele stand van zaken. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de WAMCA biedt aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Een “niet te verwaarlozen” achterban is niet genoeg Het kernpunt van het arrest betreft de invulling van het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het hof had geoordeeld dat voldoende is dat “een niet te verwaarlozen aantal personen” de actie steunt. De Hoge Raad verwerpt die maatstaf: de rechter dient te beoordelen of de collectieve vordering de steun heeft van “een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt”. Een getalsmatig criterium kent de WAMCA niet, maar indicaties zijn onder meer het aantal aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld, en of de aangesloten personen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep. Steun van andere maatschappelijke organisaties mag wél worden meegewogen bij de beoordeling of aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan. Het hof had bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom anonieme “likes” op de website van TPC aantoonden dat de steun daadwerkelijk van gedupeerden afkomstig was, terwijl Oracle en Salesforce dit gemotiveerd hadden betwist. De toetsing van artikel 80 en artikel 82 AVG mag worden uitgesteld tot de inhoudelijke beoordeling De Hoge Raad oordeelt dat de AVG niet vereist dat het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG in samenhang met artikel 82 AVG steeds al in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure wordt beoordeeld. Het hof mocht deze vraag, evenals de andere onderdelen van artikel 80 AVG, uitstellen tot de inhoudelijke fase van de procedure. Er bestaat geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU op dit punt. Uitzondering op het verbod van terugverwijzing naar de vorige instantie Ten slotte aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste instantie. In het bijzondere, uit twee fasen bestaande systeem van de WAMCA geldt dat wanneer het hof een ten onrechte gegeven niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, het de zaak wél mag terugwijzen naar de rechtbank, omdat de eerste rechter op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Conclusie Omdat de klachten over de representativiteitstoets slagen, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024 in beide zaken en verwijst hij het geding naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Belang voor de praktijk Dit arrest scherpt de drempel voor collectieve schadevergoedingsacties aan. Belangenorganisaties kunnen niet langer volstaan met het aantonen van “enige” steun binnen hun achterban; zij zullen concreet en cijfermatig moeten onderbouwen dat een substantieel deel van de groep waarvoor zij opkomen, de actie daadwerkelijk steunt — zeker wanneer schadevergoeding wordt gevorderd voor een zeer omvangrijke en diffuse groep. Anonieme steunbetuigingen (zoals ‘likes’) volstaan niet zonder nadere onderbouwing dat deze van de beweerde gedupeerden zelf afkomstig zijn. Daarbij bevestigt de Hoge Raad wel dat het toegestaan is om de steun van andere belangorganisaties te betrekken bij de beoordeling of aan de representativiteitseis is voldaan. Voor gedaagden in WAMCA-procedures biedt de uitspraak een concreet aangrijpingspunt om de representativiteit van eisende belangenorganisaties (verder) te betwisten, met name in zaken met een grote en generieke achterban en aanzienlijke gevorderde bedragen. Tegelijk bevestigt de Hoge Raad dat AVG-specifieke ontvankelijkheidsvragen niet dwingend al in de ontvankelijkheidsfase hoeven te worden beslecht, wat de proceseconomie in complexe privacygerelateerde massaclaims ten goede kan komen. Ten slotte biedt de Hoge Raad nu expliciet de mogelijkheid voor eisers om gebreken op het gebied van representativiteit te repareren tijdens de hoger beroepsprocedure: de toetsing van dit vereiste dient namelijk ex nunc plaats te vinden. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere WAMCA-specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Handreiking DAEB Vrijstellingsbesluit: hulp bij toepassing in de praktijk
Eerder schreef ik over de herziening van het DAEB Vrijstellingsbesluit door de Europese Commissie op 16 december 2025. De herziene versie van deze staatssteunuitzondering is op 8 januari 2026 in werking getreden. Inmiddels heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een handreiking gepubliceerd waarin wordt uitgelegd wat de nieuwe staatssteunregels concreet betekenen voor sociale en betaalbare huisvesting (hierna: “de DAEB-Handreiking”). De DAEB-Handreiking is vooral bedoeld voor gemeenten en provincies, maar ook nuttig voor bijvoorbeeld woningcorporaties en ontwikkelaars. Staatssteun en de DAEB vrijstelling in het kort Van staatssteun is sprake wanneer een overheid met staatsmiddelen een selectief, niet-marktconform voordeel verschaft aan een onderneming dat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Dergelijke steun moet in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is zo’n uitzondering: overheden mogen ondernemingen belast met de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) compenseren zonder voorafgaande melding, mits aan voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het uitwerken van de het staatssteuninstrument in een DAEB aanwijzingsbesluit. Met het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit (EU 2025/2630) is de vrijstelling verruimd. Deze verruiming betreft onder andere een verhoging van het compensatieplafond naar € 20 miljoen per jaar, ruimere controle op overcompensatie en een aanvullende bijlage met betrekking tot woningbouw op grond waarvan naast sociale woningbouw ook betaalbare huisvesting als DAEB kan kwalificeren. Meer informatie over de wijzigingen die met de herziening zijn ingevoerd lees je in mijn eerdere blog: link. Wat legt de DAEB-Handreiking uit? De DAEB-Handreiking van BZK vertaalt de Europese wijzigingen van het DAEB Vrijstellingsbesluit naar de Nederlandse praktijk en biedt concrete aanknopingspunten voor gemeenten, provincies en corporaties. De DAEB-Handreiking gaat onder andere in op de volgende onderwerpen: Twee DAEB-categorieën: Naast de sociale huisvesting-DAEB is er nu een betaalbare huisvesting-DAEB voor middenhuur en betaalbare koop. In de DAEB-Handreiking wordt uitgelegd hoe deze categorieën conform de Nederlandse wetgeving (c.q. in de Wet versterking regio op de volkshuisvesting op basis van inkomensgrenzen) worden gedefinieerd en welke voorwaarden gelden bij steunverlening voor sociale en/of betaalbare huisvesting. Ook wordt toegelicht dat voor steun voor betaalbare huisvesting een gelijk speelveld in acht genomen moet worden, en ondernemingen onder gelijke voorwaarden voor de staatssteun in aanmerking moeten komen. Dit kan bijvoorbeeld via een selectieprocedure. Verruimd toepassingsgebied: de DAEB Vrijstelling voor huisvesting is niet enkel beperkt tot woningbouw maar omvat ook onder meer nieuwbouw, grondaankoop, renovatie, verduurzaming en beheerskosten. Ruimere controle op overcompensatie: de controletermijn gaat van drie naar vijf jaar, en organisaties met vrijwel uitsluitend DAEB-activiteiten zijn vrijgesteld van periodieke controle achteraf. Nieuwe transparantieregels: vanaf 1 januari 2028 moet steun boven € 1 miljoen binnen 20 werkdagen in een centraal register worden opgenomen. Instandhoudingstermijn: het DAEB Vrijstellingsbesluit vereist in beginsel dat de DAEB voor 20 jaar na subsidiëring in stand wordt gehouden, tenzij hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Wet versterking regie op de volkshuisvesting stelt voor sociale huurwoningen een verdergaande termijn van 25 jaar, hier dient tevens rekening mee gehouden te worden bij realisatie van sociale huisvesting op grond van het DAEB Vrijstellingsbesluit. Voorbeelden van staatssteuninstrumenten: het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit schrijft geen specifieke staatssteuninstrumenten voor. Overheden zijn vrij is het type instrument dat zij toepassen voor steunverlening. De DAEB-Handreiking geeft vier voorbeelden van steuninstrumenten op grond waarvan DAEB-steun verleend kan worden, te weten de objectsubsidie, een garantie op een lening, een leenfaciliteit al dan niet uit een revolverend fonds en korting op de grondprijs. Tot slot bevat de DAEB-Handreiking een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit van de fictieve gemeente Nergenshuizen. Dat voorbeeld laat zien hoe een DAEB-aanwijzing voor sociale huur, middenhuur en gecombineerde woonvormen voor senioren en studenten kan worden vormgegeven, inclusief bepalingen over compensatie, controle en instandhoudingstermijn Contact Heeft u vragen over de toepassing van het DAEB Vrijstellingsbesluit of andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Update Wetsvoorstel “Meer zekerheid voor flexwerkers”
Op 12 mei 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers. Daarmee komt de invoering van nieuwe regels voor oproepkrachten, tijdelijke werknemers en uitzendkrachten een stap dichterbij. Bovendien is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer op belangrijke punten aangepast.  Het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers beoogt werknemers met een flexibel contract meer zekerheid te geven over hun inkomen en werktijd. Flexibele contracten zijn bijvoorbeeld oproepcontracten, uitzendcontracten, maar ook contracten voor bepaalde tijd. Bijna 3 op de 10 werknemers weren in Nederland op basis van een flexibel contract. Binnen de Europese Unie is Nederland daarmee koploper flexibel werken. Nulurencontract wordt afgeschaft voor de meeste werknemers Een van de meest besproken onderdelen van het wetsvoorstel is de vervanging van nulurencontracten door bandbreedtecontracten. Een bandbreedtecontract lijkt veel op het huidige min/max-contract, maar het minimale aantal uren mag niet meer nul zijn en het maximale aantal uren niet meer groter dan 130% van het minimale. Voor jongeren onder de 18, scholieren, studenten en AOW-gerechtigden die hooguit 16 uur per week werken wordt een uitzondering gemaakt. Voor deze groep blijft het mogelijk om met een nulurencontract te werken. De gedachte hierachter is dat in deze categorieën werknemers juist nog een gerechtvaardigde behoefte bestaat aan flexibiliteit.   Doorbreking ketenregeling pas na 36 maanden Een contract voor bepaalde tijd kan op grond van de wet (‘van rechtswege’) veranderen in een contract voor onbepaalde tijd. Dit staat bekend als de ‘ketenregeling’. De ketenregeling treedt in werking als een aaneenschakeling (een ‘keten’) van contracten een periode van 36 maanden heeft overschreden of als er een vierde contract wordt gesloten, tenzij de keten van contracten op enig moment lang genoeg was doorbroken. Op dit moment doorbreekt een termijn van zes maanden tussen twee contracten nog de keten, maar met het wetsvoorstel verandert de termijn naar 36 maanden. Alleen voor studenten en scholieren die hooguit 16 uur per week werken blijft de onderbrekingstermijn zes maanden. Met deze aanpassing wordt misbruik tegengegaan: even te wachten voordat een werknemer weer een contract krijgt ligt na de wijziging immers niet meer voor de hand. Deze regels gaan in voor contracten die gesloten worden ná 1 januari 2028. Contracten die voor die tijd zijn gesloten blijven vallen onder de huidige regels. Betere rechtspositie van uitzendkrachten De positie van uitzendkrachten wordt met het wetsvoorstel ook verbeterd. Fase A van uitzending gaat terug van 78 weken naar 52 weken. Fase B gaat van maximaal zes contracten in vier jaar naar zes contracten in twee jaar. Na fase B moet een uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd krijgen. De Tweede Kamer heeft aan het wetsvoorstel toegevoegd dat een uitzendbeding niet kan worden ingeroepen gedurende de periode waarin een uitzendkracht arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Hierdoor verliest een uitzendkracht niet langer automatisch zijn werk en inkomen wanneer hij ziek wordt.  Verder heeft de Tweede Kamer de regels over arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten aangescherpt. Het wetsvoorstel bevat al het uitgangspunt dat uitzendkrachten recht hebben op ten minste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de inlener. Daar komt nu bij dat een algemene maatregel van bestuur gaat bepalen voor welke arbeidsvoorwaarden afwijking niet langer is toegestaan. Daarbij kan worden gedacht aan loon, toeslagen, vakantiebijslag, bonussen, eindejaarsuitkeringen en verlofregelingen. Wat betekent dit voor de praktijk? Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Naar verwachting zal het wetsvoorstel worden aangenomen, maar niet is uitgesloten dat het wetsvoorstel nog iets wijzigt.   Heeft u vragen over de gevolgen die de Wet Meer zekerheid flexwerkers voor uw organisatie kan hebben? Neem dan vooral contact op met Rose Horstman of een van onze andere specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
La Gro-0726

Uitdagingen omzetten in kansen

Wij zijn La Gro. Advocaten sinds 1902 en voorheen bekend als La Gro Geelkerken Advocaten. Als onafhankelijk full service advocatenkantoor leveren wij een duurzame bijdrage aan het succes van onze cliënten.

Onze dienstverlening gaat verder dan zaken winnen en geschillen oplossen. Wij zijn een strategisch partner voor onze cliënten en nemen graag de verantwoordelijkheid voor het integreren van alle juridische aspecten en processen.

Onze mensen
La Gro-0478
07 juli 2026

Kopiëren voor de zekerheid: hoe een (goed bedoelde) back-up een werknemer ontslagvergoeding kost