06 augustus 2026

Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie

06 augustus 2026

Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen.

Waar ging de zaak over?

De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving.

Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver.

De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Uitsluiting terecht

Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver.

De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure.

Belang voor de praktijk

Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk.

Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.

Auteur
mr. H.N.T. (Niek) Hoogwout

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Marleen van den Horst
Marleen van den Horst
Advocaat
NL Provisions Judge: pharmacy exemption for semaglutide not applicable
On 5 August 2026, the Provisions Judge of the District Court of The Hague (“Provisions Judge”) rendered his decision in the PI proceedings initiated by Novo Nordisk A/S (“Novo Nordisk”) against Ceban Ziekenhuisfarmacie B.V. (“Ceban”). Novo Nordisk was granted a preliminary injunction against Ceban for infringing its SPC 300936 (“SPC 936”) for semaglutide. Ceban had compounded and supplied a semaglutide-containing nasal spray under the name Semanova. According to the Provisions Judge, the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act (ROW 1995) must be construed narrowly. It applies only where medical necessity for an individual patient is demonstrated. It does not cover structural or large-scale compounding of patented medicines. What preceded Novo Nordisk is the holder of SPC 936 for the product semaglutide, based on EP 1 863 839 (“EP 839”). EP 839 covers the active ingredient semaglutide and expired on 20 March 2026. SPC 936 is valid until 19 March 2031. Novo Nordisk markets several products containing semaglutide in the Netherlands: Ozempic® for type 2 diabetes and Wegovy® for obesity, both as once-weekly subcutaneous injections, and Rybelsus® for type 2 diabetes in tablet form. Ceban, a pharmacy, compounded a semaglutide-containing nasal spray under the name Semanova in 2025, without a marketing authorisation and without Novo Nordisk’s permission. Ceban supplied 44 nasal sprays, partly on prescription to its own patients and partly to other pharmacies. It also listed Semanova in the G-standaard, the Dutch pricelist. In total, Ceban imported 600 grams of semaglutide from a Chinese supplier, sufficient for 15,000 vials. After Novo Nordisk’s cease-and-desist letter and the writ of summons, Ceban stopped supplying the nasal spray. Shortly thereafter, a Ceban employee gave a presentation at a pharmacists’ conference in Porto entitled “Semaglutide nasal spray: a Novel Compounded Formulation”, including a slide headed “Where did we get the idea from?” Pharmacy exemption – assessment Since the validity of EP 839 and SPC 936 was not contested, the key question was whether Ceban could rely on the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act, which was introduced into the Dutch Patent Act in February 2019. The Provisions Judge first clarified that the regulatory pharmacy exemption is not the same as the (patent-law) pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act. The regulatory exemption concerns an exception to the requirement of obtaining a marketing authorisation, which serves to protect public health and the quality, safety and efficacy of medicines, in order to safeguard the availability of necessary medicines for individual patients. The pharmacy exemption based on article 54c(e) of the Dutch Patent Act, by contrast, concerns an exception to the exclusive rights of the patentee. Therefore, even if a pharmacy preparation were to fall within the regulatory pharmacy exemption, this does not automatically entail that the requirements of the pharmacy exemption based on patent law are met. The Provisions Judge held that article 54c(e) of the Dutch Patent Act is an exception to the exclusive rights of the patentee, which must be construed narrowly. Its rationale lies in public health: it applies only where there is a medical necessity, e.g. where an individual patient requires a dosage or method of administration that is not available in the patentee’s authorised medicinal product. The exception does not allow a pharmacy to compound a patented medicine on a structural scale without the patentee’s consent. The Provisions Judge considered that supplying the nasal sprays to other pharmacies, keeping them in stock for that purpose and listing Semanova in the G-standaard fell outside the scope of the pharmacy exemption. The listing in the G-standaard was specifically considered an act of offering, reserved to the patent holder. As regards Ceban’s own patients, the Provisions Judge found that Ceban had not made sufficiently plausible that there was an unmet medical necessity. Ceban stated that the nasal spray had been developed for patients with a fear of needles, but did not explain why the individual patients concerned had such a fear or why off-label prescribing of Rybelsus®, Novo Nordisk’s semaglutide tablet, would not have been sufficient. The Provisions Judge considered that Ceban’s conduct pointed towards structural and potentially large-scale use. In particular, the Court referred to Ceban’s presentation in Portugal, the import of 600 grams of semaglutide, sufficient for 15,000 vials, the listing in the G-standaard and the use of the brand name Semanova. These circumstances were difficult to reconcile with Ceban’s position that the nasal spray was prepared only for individual patients on the basis of medical necessity. The Provisions Judge therefore held that Ceban could not rely on the pharmacy exemption and ordered Ceban to cease its infringement of SPC 936 in the Netherlands. Conclusion The decision confirms that the pharmacy exemption under article 54c(e) of the Dutch Patent Act is distinct from the regulatory pharmacy exemption. It also points out that the exemption based on the Dutch Patent Act is construed narrowly and does not cover structural or large-scale compounding without demonstrated medical necessity for individual patients.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanneming van werk/bouwrecht: algemene voorwaarden, lekker makkelijk (of toch niet?)
Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam een eerste uitspraak gedaan in een geschil over een door een opdrachtgever niet betaalde aanneemsom (hierna: de opdrachtgever). Aan de orde was de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen partijen en zo ja, of de rechtbank Amsterdam dan de juiste rechtbank is. Die vraag hangt samen met verschillende voorwaarden die volgens partijen van toepassing zijn op de overeenkomst. Afhankelijk van welke voorwaarde van toepassing is, is de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in Utrecht bevoegd om het geschil te beoordelen.  Waarom algemene voorwaarden? In de bouw worden vaak algemene voorwaarden gebruikt. Algemene voorwaarden worden gebruikt om, onder andere, tijd te besparen. De gedachte is dat de aannemer dan niet iedere keer allerlei standaard bepalingen opnieuw in de overeenkomst hoeft op te nemen. Bijvoorbeeld waar een geschil aangebracht moet worden als partijen een discussie hebben over uitvoering van de overeenkomst. Voor de opdrachtgever heeft het gebruik van algemene voorwaarden in principe ook voordelen, omdat de afspraken tussen partijen dan – als het meezit – duidelijk worden vastgelegd. Alleen: er zijn in de bouw héél veel algemene voorwaarden gangbaar. En daar ging het in deze zaak mis. Waar ging de zaak over? Een particuliere opdrachtgever wilde haar woning laten verbouwen. Met het oog daarop heeft de opdrachtgeefster een architect ingeschakeld (Now A Design). De architect heeft ten behoeve van de verbouwing een Technische Omschrijving opgesteld met wat er gedaan moest worden. In de Technische Omschrijving heeft de architect verwezen naar de STABU-Standaard 2012. Dat zijn standaard voorwaarden waarin gebruik wordt gemaakt van een vaste standaard indeling voor bepaalde bouwwerkzaamheden. Daarnaast wordt in de STABU verwezen naar de UAV-2012, een andere set algemene voorwaarden met algemene bepalingen over, bijvoorbeeld, wanneer de bouw moet beginnen, de oplevering, eventueel meerwerk en de instantie die geschillen moet beslechten: de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. De opdrachtgeefster heeft daarna een aannemer benaderd. Met de aannemer heeft de opdrachtgeefster een (eerste) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ gesloten. In die overeenkomst werd verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Aangegeven werd verder dat, bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken, de overeenkomst prevaleerde. Op verzoek van de opdrachtgeefster heeft de aannemer daarna een calculatie opgesteld met de prijs voor de verschillende onderdelen van het werk zoals beschreven in de Technische Omschrijving van de architect. In de calculatie werd opnieuw verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Ook werd verwezen naar de Technische Omschrijving van de architect. Daarnaast werd aangegeven dat de ‘UAV 2012 van toepassing’ is. Partijen zijn vervolgens een (volgende) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ aangegaan, waarin werd verwezen naar de calculatie van de aannemer en naar de Technische Omschrijving van de architect. In de overeenkomst werd verder bepaald dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing waren en dat bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken de overeenkomst prevaleerde. De aannemer gaat daarna voortvarend aan de slag. Omdat (volgens de aannemer) op enig moment 3 termijnen ad per saldo € 760.985,24 onbetaald waren is de aannemer een procedure begonnen bij de rechtbank Amsterdam. De opdrachtgeefster voerde daar (‘voor alle weren’) verweer tegen en stelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, omdat partijen de UAV 2012 zouden zijn overeengekomen en dat het geschil daarom moest worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Volgens de aannemer is het arbitraal beding/de geschillenclausule in de UAV 2012 onredelijk bezwarend, omdat de opdrachtgever een particulier is. Bovendien zijn volgende de aannemer haar algemene voorwaarden van toepassing, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd zou zijn (en dus niet de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen). Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep op UAV 2012 onterecht De rechtbank oordeelt met betrekking tot de bevoegdheid dat de opdrachtgeefster niet heeft aangetoond dat de UAV 2012 van toepassing zijn verklaard op de aannemingsovereenkomsten. In beide aannemingsovereenkomsten worden de UAV 2012 niet van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden van de aannemer worden daar wel in genoemd. Dat de UAV 20012 ook zijn overeengekomen is niet gebleken. Dat in andere stukken wel naar de UAV 2012 wordt verwezen, maakt dat niet anders. Als het de bedoeling van partijen was geweest om (ook) de UAV 2012 van toepassing te verklaren op de aannemingsovereenkomsten, dan had het voor de hand gelegen om dat op te nemen in het artikel in de aannemingsovereenkomst(en) dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden regelt. Daar worden nu alleen de algemene voorwaarden van de aannemer genoemd. De opdrachtgeefster wordt daarom in het ongelijk gesteld in het bevoegdheidsincident. Rechtbank Amsterdam (ook) onbevoegd? Daarmee is niet gezegd dat de aannemer het geschil bij de juiste rechtbank heeft aangebracht. De aannemer heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank constateert dat in de door partijen van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de aannemer wordt bepaald dat geschillen tussen partijen, naar keuze van de aannemer, moeten worden voorgelegd aan hetzij de rechtbank Den Haag, dan wel de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Naar verwachting is de rechtbank Amsterdam daardoor (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Partijen moeten zich daarover in het vervolg van de procedure nog uitlaten. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Belang voor de praktijk Uit deze uitspraak blijkt maar weer het belang van heldere en duidelijke afspraken tussen partijen. Met duidelijke afspraken kan een zogenaamde ‘battle of forms’ worden voorkomen en was het bevoegdheidsincident bij de rechtbank niet nodig geweest. De architect van de opdrachtgeefster en de aannemer hadden dat kunnen voorzien/voorkomen. De tijd en kosten van het bevoegdheidsincident waren dan niet nodig geweest. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van Aanneming van werk of Bouwrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Bouwrecht.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Let op bij quasi-inbesteding: groepsomzet telt mee voor de 80%-norm
Mag een aanbestedende dienst een opdracht zonder aanbestedingsprocedure gunnen aan een door haar (mede) gecontroleerde entiteit op grond van de inhouse-uitzondering? En wat als die entiteit aan het hoofd staat van een concern waarvan dochterondernemingen commerciële activiteiten op de markt verrichten? Uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) blijkt dat in een dergelijk geval de activiteiten van het concern moeten worden meegewogen, waardoor een beroep op de inhouse-uitzondering kan stranden. De feiten AF is een gemeentelijke afvalverwerker. Zij is de moedermaatschappij van een groep dochtervennootschappen. Een deel daarvan verricht ook commerciële activiteiten op de markt. In 2017 werd Irado, een publieke uitvoeringsorganisatie voor afvalbeheer, aandeelhouder van AF. Sinds 1 januari 2017 liet Irado het huishoudelijk afval uit haar gemeenten door AF verwerken. De BAR-gemeenten (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk) hadden hun afvalbeheer georganiseerd via BAR en werkten tot eind 2019 met verschillende verwerkers, waaronder de commerciële partij AVR. In 2019 besloten de BAR-gemeenten BAR te laten deelnemen in Irado. Daarbij kreeg Irado de taak om hun huishoudelijk restafval in te zamelen. Ter uitvoering van deze opdracht sloot Irado een overeenkomst met AF. Beide opdrachten zijn met een beroep op de inhouse-uitzondering rechtstreeks gegund, zonder aanbestedingsprocedure. AVR verloor daardoor opdrachten. AVR startte daarop een procedure bij de rechtbank Den Haag. Zij stelde dat de overeenkomsten tussen BAR en Irado en tussen Irado en AF niet zonder aanbesteding tot stand hadden mogen komen. Zij vorderde dat de overeenkomsten buiten werking zouden worden gesteld. Ook vorderde zij dat alsnog een aanbestedingsprocedure zou worden gestart. Volgens AVR was namelijk niet voldaan aan het activiteitencriterium voor de inhouse-uitzondering. Het activiteitencriterium Op grond van artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) hoeft een overheidsopdracht niet te worden aanbesteed wanneer de inhouse-uitzondering van toepassing is. Een aanbestedende dienst kan zich daarop echter alleen beroepen als zij over de rechtspersoon aan wie zij de opdracht gunt: Toezicht uitoefent zoals op haar eigen diensten; en Meer dan 80% van de werkzaamheden van de gecontroleerde rechtspersoon bestaat uit taken die worden verricht voor de controlerende aanbestedende diensten; en Er geen directe participatie is van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon. Het vereiste onder ii staat bekend als ‘het activiteitencriterium’. AVR stelde dat aan deze eis niet werd voldaan. AF fungeert namelijk als moedermaatschappij binnen een concern waarin dochtervennootschappen ook commerciële activiteiten op de markt uitvoeren. Als uitsluitend naar de activiteiten van AF zelf wordt gekeken, lijkt zij aan de 80%-drempel te voldoen. Als echter ook de (commerciële) activiteiten van dochtervennootschappen worden meegewogen, wordt die drempel volgens AVR niet gehaald. Dan was het beroep op de inhouse-uitzondering onrechtmatig en had Irado de opdracht moeten aanbesteden. De kernvraag was daarom of bij de toets aan het activiteitencriterium ook rekening moet worden gehouden met de activiteiten van dochterondernemingen binnen de groep.   Het oordeel van het HvJEU en relevantie voor de praktijk De rechtbank Den Haag wees de vorderingen van AVR in eerste instantie af. Zij oordeelde dat de tekst van de Aanbestedingswet geen ruimte bood om bij de toets aan het activiteitencriterium ook de omzet van dochterondernemingen mee te wegen. Dat is volgens de rechtbank alleen anders wanneer een aanbestedende dienst activiteiten bewust bij een dochteronderneming onderbrengt om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. AVR heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, die in dat kader prejudiciële vragen aan het HvJEU stelde. Bij Arrest van 15 januari 2026 heeft het HvJEU de vragen van het Hof Den Haag beantwoord. Volgens het HvJEU moeten bij de toepassing van het activiteitencriterium, naast de activiteiten van de moedermaatschappij, ook de activiteiten van de dochterondernemingen worden betrokken. Die toets mag plaatsvinden op basis van de geconsolideerde groepsomzet van het gehele concern. Anders zou een moedermaatschappij bepaalde werkzaamheden bij dochtermaatschappijen kunnen onderbrengen om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. Een uitleg van het activiteitencriterium waarbij de activiteiten van dochtermaatschappijen buiten beschouwing worden gelaten, staat haaks op een van de doelen van de Aw 2012: het voorkomen van vervalsing van de mededinging. Deze uitspraak betekent dat diensten die gebruik willen maken van de inhouse-uitzondering voortaan eerst moeten nagaan of de gecontroleerde rechtspersoon een moedermaatschappij is binnen een concernstructuur. Is dat het geval, dan moet worden beoordeeld of de 80%-norm ook wordt gehaald wanneer de activiteiten van de dochterondernemingen worden meegenomen. In de praktijk ligt het voor de hand om de naleving van het activiteitencriterium te onderbouwen aan de hand van de geconsolideerde omzet van het concern. Als een aanbestedende dienst deze stappen doorloopt, verkleint hij het risico dat een beroep op de inhouse-uitzondering achteraf onrechtmatig wordt bevonden. Voor een uitgebreidere bespreking van dit arrest en de gevolgen voor de inhouse-uitzondering verwijzen wij graag naar de annotatie van onze collega’s Dewi Britsemmer en Pieter van den Oord in JAAN (JAAN 2026/55 – Meerderheidscriterium bij quasi-inbesteding). Heeft u verder vragen over de inhouse-uitzondering of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Noa van den Brink, Niek Hoogwout, of een van onze andere aanbestedingsspecialisten.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.