Over Pieter

Pieter geeft leiding aan de sectie Commerciële Contracten en Commercial Litigation. Hij is gespecialiseerd in (internationaal) Commercieel Contractenrecht en is daarnaast een zeer ervaren procesadvocaat.

Pieter is ‘hands on’ in zijn aanpak en denkt graag met de klant mee. Doel is om de klant zoveel mogelijk te ontzorgen. Pieter is ondernemend en resultaatgericht. Pieter hecht aan een vertrouwensrelatie met de klant. Pieter denkt strategisch met de klant mee en verliest het doel niet uit het oog. Vaak kan een geschil worden voorkomen door te onderhandelen of te adviseren. Indien er moet worden geprocedeerd, kan Pieter bogen op ruime ervaring bij de civiele rechter en in arbitrage. Zijn klanten zijn onder andere actief in de telecom, food & agri, tech, bouw- en installatiesector alsmede de energiesector.

Sinds 2022 geeft Pieter als managing partner tevens leiding aan het kantoor.

Specialisaties

  • Commerciële contracten
  • Commercial Litigation & Dispute Resolution & Arbitrage
  • Europees recht
  • Internationaal recht

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2013, postdoctorale Grotiusopleiding, nationaal en internationaal contracteren
  • 2009, Instituut voor Bouwrecht, Privaatrechtelijke leergang bouwrecht
  • 2003, Radboud Universiteit Nijmegen, Ondernemingsrecht 
  • Lid van de Vereniging voor Distributie-, Franchise- en Agentuurrecht (DFA); 
  • Lid van de juridische commissie Nederlandse Franchise Vereniging (NFV); 
  • Bestuurslid Stichting Mondriaan Business Club, Kunstmuseum Den Haag;
  • Bestuurslid International Business Club WTC Den Haag.

Recente dossiers

  • Commerciële contracten: opstellen en advisering met betrekking tot franchise-, agentuur en distributieovereenkomsten, IT- en telecomcontracten, algemene voorwaarden, (commerciële) prijsmodellen, advisering over beëindiging duurovereenkomsten, advisering over duurzaamheids- en veiligheidsclaims,
  • Commercial litigation: procedures met betrekking tot beëindiging van duurovereenkomsten (zowel nationaal als internationaal), geschillen over non-conformiteit en garantieclaims, uitleg van contracten, procedures over rechtsmacht in internationale geschillen, procedures over nakoming inzake leveringsgeschillen in de industrie, procedures over afgebroken onderhandelingen
  • Arbitrage: internationale arbitrages over beëindiging agentuurovereenkomsten

Talen: Nederlands en Engels

Publicaties 

  • Noot bij Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:311, JIN 2017 nr. 58 (dwaling bij franchiseovereenkomst, Street One) 
  • Noot bij Hoge Raad 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1356, JIN 2017 nr. 161 (onbevoegde vertegenwoordiging); 
  • Noot bij Hof Amsterdam 29 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3107, JIN 2018 nr. 166 (uitleg franchiseovereenkomst); 
  • Noot bij Hoge Raad 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:345, JIN 2021-4 nr. 66 (devolutieve werking van het appel); 
  • Noot bij Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:527, JIN 2021-5 nr. 85 (kwalificatie reisovereenkomst, Booking.com); 
  • Noot bij Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17, JIN 2024-2 nr. 29 (aannemer aansprakelijk voor schade ondanks zorgvuldige voorbereidingen). 
  • Noot bij Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763, JIN 2025-6 nr. 89 (onderscheid aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid).
Contactgegevens
mr. P.J.B. (Pieter) van Deurzen

Advocaat | Partner

Commerciële Contracten en Commercial Litigation

Bel Pieter van Deurzen

Artikelen van Pieter van Deurzen

Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst
Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.   De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel. Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).   Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen. Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Nieuwe franchiseovereenkomst, zwaardere bedingen? Franchisegevers zijn in dat geval verplicht franchisenemers tijdig en duidelijk daarover te informeren.
Franchisegevers die hun franchiseovereenkomsten vernieuwen of “updaten”, doen er goed aan scherp te zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) laat zien waarom: wie een franchiseovereenkomst verzwaart zonder franchisenemers daar expliciet en duidelijk over te informeren, loopt het risico dat die bedingen geen stand houden. Wat ging hier mis? In deze zaak had de franchisegever na invoering van de Wet franchise een nieuwe (herziene) franchiseovereenkomst ingevoerd. Daarbij werd het non-concurrentiebeding aanzienlijk verzwaard: het gold niet langer alleen tijdens de looptijd van de overeenkomst, maar ook nog één jaar na beëindiging. Ook het relatiebeding werd aangescherpt. Volgens de franchisegever veranderde er “feitelijk weinig” en waren bestaande regels slechts verplaatst vanuit het franchisehandboek. De rechter ging daar niet in mee. De Voorzieningenrechter was helder: als een nieuwe of hernieuwde franchiseovereenkomst leidt tot een verslechtering van de positie van de franchisenemer, rust op de franchisegever een duidelijke informatieverplichting. Die informatie moet tijdig worden verstrekt, rechtstreeks aan de franchisenemer worden gegeven en zo duidelijk zijn dat de franchisenemer kan overzien wat de gevolgen zijn voor zijn onderneming en zijn exit-vrijheid. Dat overleg in een franchiseraad of een algemene mededeling  dat “er weinig verandert” volstaat, is volgens de rechtbank onvoldoende. Omdat de franchisegever haar informatieplicht niet was nagekomen, oordeelde de rechter in dit kort geding dat de franchisenemers voorshands niet aan het verzwaarde non-concurrentiebeding zijn gebonden. Hetzelfde gold voor het relatiebeding: een dergelijk beding valt volgens de rechtbank ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW. De franchisegever kon bovendien niet uitleggen welke concrete knowhow bescherming vereiste, terwijl dat onder de Wet franchise wel een harde voorwaarde is voor de geldigheid van concurrentie- en nu ook relatiebedingen. In dit kort geding leidde dat ertoe dat het non-concurrentiebeding werd geschorst en ook het relatiebeding voorlopig buiten werking werd gesteld, in afwachting van een bodemprocedure. Waarom is dit relevant voor u? Deze uitspraak maakt duidelijk dat het vernieuwen van franchisecontracten juridisch risicovol kan zijn als dat niet zorgvuldig gebeurt. Voor franchisegevers: ✔ check of een nieuwe overeenkomst de positie van franchisenemers verzwaart; ✔ informeer franchisenemers daar expliciet en aantoonbaar over; ✔ en onderbouw postcontractuele bedingen concreet met beschermenswaardige knowhow. Voor franchisenemers: ✔ laat een “geüpdatete” franchiseovereenkomst altijd toetsen; ✔ verzwaarde non-concurrentie- en relatiebedingen zijn niet vanzelfsprekend geldig; ✔ ontbreekt goede informatie? Dan staat u sterker dan u denkt.  
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Kort geding: Albert Heijn moet instemming franchisenemers vragen voor “Maaltijd Thuis”
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 juli 2025 een belangrijk vonnis gewezen in een kort geding tussen de Vereniging van Albert Heijn-franchisenemers en Albert Heijn Franchising B.V. (AHF). Centraal stonden de rechten van franchisenemers onder de Wet franchise en de toepassing van het instemmingsrecht bij het exploiteren van een afgeleide formule. Maaltijd Thuis is afgeleide formule – instemming verplicht AHF heeft in 2022 het concept Maaltijd Thuis geïntroduceerd: een bezorgservice voor kant-en-klaarmaaltijden onder het merk Albert Heijn. In een eerder vonnis van 8 januari 2025 is al voor recht verklaard dat Maaltijd Thuis moet worden aangemerkt als een afgeleide formule in de zin van artikel 7:911 BW. Daarom moet AHF voorafgaand aan exploitatie de instemming van franchisenemers verkrijgen. Ondanks dat oordeel ging AHF door met exploitatie zonder toestemming, waarop de franchisenemers een kort geding aanspanden. Afstemmingsleer: naleving tussenvonnis verplicht De voorzieningenrechter benadrukt dat een verklaring voor recht bindend is, ook in afwachting van hoger beroep. De zogenoemde afstemmingsleer verplicht de kortgedingrechter om het oordeel van de bodemrechter te volgen, tenzij sprake is van een duidelijke feitelijke of juridische misslag — en daarvan was geen sprake. Verbod en dwangsom Het verbod werd toegewezen. AHF moet de exploitatie van Maaltijd Thuis onder het AH-merk staken totdat instemming is verkregen. Hiervoor krijgt AHF een termijn van vier weken om passende maatregelen te treffen. Bij overtreding geldt een dwangsom van € 25.000 per dag, met een maximum van € 1.000.000. Belang voor de franchisepraktijk Dit vonnis bevestigt opnieuw dat het instemmingsrecht uit de Wet franchise: een preventieve werking heeft niet afhankelijk is van een drempel voor omzetderving (als daarover geen afspraken zijn gemaakt) onverkort geldt, zelfs wanneer een franchisegever van mening is dat de impact gering is Franchisegevers die nieuwe verkoopkanalen of aanvullende formules willen lanceren onder hetzelfde merk, doen er dus goed aan het instemmingsproces tijdig en zorgvuldig te doorlopen. Conclusie Deze uitspraak versterkt de positie van franchisenemers en onderstreept dat franchisegevers — ook tijdens lopende procedures — niet mogen handelen in strijd met eerder vastgestelde franchisebescherming.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Duurovereenkomsten en opzegtermijnen: tijdig contracten herzien is cruciaal!
Werk je al jaren samen met een vaste partij en heb je bij aanvang van de samenwerking een duurovereenkomst opgesteld? Dan is het verstandig om deze overeenkomst eens kritisch tegen het licht te houden. Past de overeenkomst nog bij de huidige situatie, of is de overeenkomst inmiddels achterhaald? Een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:763) onderstreept het belang van het tijdig herzien van overeenkomsten. Sophie ten Broecke en Pieter van Deurzen schreven een annotatie bij het genoemde arrest (JIN 2025/89), waarin zij de rol van de redelijkheid en billijkheid bij duurovereenkomsten toelichten. Waar ging de zaak over? Twee transportbedrijven werkten jarenlang samen met pakketvervoerder DPD. De samenwerking werd steeds intensiever, maar de contracten bleven ongewijzigd. Aan het begin van de samenwerking zijn partijen een opzegtermijn van slechts één maand overeengekomen. Na verloop van tijd breidden de samenwerkingen steeds meer uit en werden de transportbedrijven steeds afhankelijker van hun werkzaamheden voor DPD. Na samenwerkingen van respectievelijk acht en 11 jaar zegt DPD de overeenkomsten op, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand. De transportbedrijven stellen zich op het standpunt dat deze opzegtermijn niet meer redelijk is, gezien de lange en geïntensiveerde samenwerking. Partijen leggen het geschil voor aan de rechter. Het gerechtshof past de contractuele opzegtermijn van één maand aan en acht een langere opzegtermijn van drie maanden redelijk, gelet op de toegenomen omvang van de samenwerking sinds het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad fluit het hof terug. Het hof past namelijk een verkeerde wettelijke maatstaf toe. De Hoge Raad overweegt dat een contractuele opzegtermijn niet zomaar kan worden aangepast via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan een contractuele regeling niet terzijde stellen volgens de Hoge Raad. Om een contractuele bepaling terzijde te stellen moet je immers een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). In dat geval geldt het onaanvaardbaarheidscriterium. Het hof had dus moeten toetsen of de contractuele opzegtermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit is een zwaar criterium waar het hof niet aan voorbij had mogen gaan. Rechters moeten terughoudend omgaan met het terzijde stellen van een contractuele regeling, dus dat maakt het des te belangrijker om overeenkomsten tussentijds te beoordelen. Waarom is deze uitspraak zo belangrijk? Bedrijven werken vaak langdurig samen, waarbij de samenwerking kan veranderen of intensiveren. Het is dan essentieel om te controleren of de contractuele afspraken nog aansluiten bij de huidige situatie. Anders loop je het risico dat je bij de beëindiging van de samenwerking vastzit aan een opzegtermijn die geen recht doet aan de huidige situatie en die de rechter niet zomaar kan aanpassen. Dit arrest illustreert dat het niet herzien van overeenkomsten kan leiden tot nadelige gevolgen; de oorspronkelijke contractuele regeling blijft van kracht. Goed contractmanagement is daarom essentieel. Praktische lessen voor ondernemers Contracten zijn leidend: de contractuele opzegtermijn blijft in beginsel van kracht, ook bij een veranderende of geïntensiveerde samenwerking; Herzie contracten tijdig: evalueer periodiek of de afspraken nog passen bij de huidige situatie; Voorkom verrassingen: laat je adviseren, want een rechter kan de contractuele afspraken niet altijd corrigeren. Contact Wil je een duurovereenkomst laten beoordelen of aanpassen, of heb je advies nodig over de opzegging van een duurovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke, Pieter van Deurzen of een van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Franchise: Schending standstill-periode? Vernietiging franchiseovereenkomst!
Per 1 januari 2023 is de overgangsperiode voor de nieuwe Franchisewet verstreken. Per die datum zijn dus ook de laatste artikelen van de nieuwe Franchisewet van kracht en dienen alle franchiseovereenkomsten in overeenstemming te zijn met de Franchisewet. In deze bijdrage wordt ingegaan op de “standstill-periode”. Om het geheugen op te frissen: de franchisegever moet ten minste vier weken voor het sluiten van de franchiseovereenkomst bepaalde informatie verstrekken aan de beoogde franchisenemer. Die termijn van vier weken is bedoeld als een termijn voor beraad voor de beoogd franchisenemer waarbij de beoogd franchisenemer over alle informatie beschikt om tot een weloverwogen besluit te kunnen komen over het al dan niet ondertekenen van de aangeboden franchiseovereenkomst. Informatie omvat bijvoorbeeld een concept van de franchiseovereenkomst en een franchise handboek. Deze termijn van vier weken wordt de “standstill-periode” genoemd. Tijdens deze standstill-periode mag de franchisegever geen wijzigingen aanbrengen in het ontwerp van de aan de beoogd franchisenemer voorgelegde franchiseovereenkomst (tenzij de wijziging tot voordeel van de franchisenemer strekt), geen overeenkomst sluiten met de franchisenemer en mogen geen betalingen of andere betalingen met het oog op de aanstaande franchiserelatie van de franchisenemer worden gevraagd. Wat als de franchisegever zich niet houdt aan de standstill-periode? Op 15 maart 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland een uitspraak gedaan in een kwestie waarbij een franchiseovereenkomst is ondertekend binnen de standstill-periode van (tenminste) vier weken. In deze procedure vorderde de franchisegever betaling van een aantal facturen van de franchisenemer. De franchisenemer verweert zich met de stelling dat de franchisegever zich niet heeft gehouden aan de standstill-periode van vier weken. De franchisenemer vordert vernietiging van de franchiseovereenkomst. De infomatie was door de franchisegever op 25 mei 2021 aan franchisenemer verschaft. Op 11 juni 2021 is de franchiseovereenkomst door beide partijen ondertekend voor akkoord. De franchiseovereenkomst zou op 1 oktober 2021 in werking treden. Kort nadat de franchiseovereenkomst in werking was getreden, bleek de franchisenemer diverse facturen niet te willen betalen. De franchisegever maakte een incassoprocedure aanhangig bij de rechtbank Noord-Holland om de facturen te innen. De franchisenemer verweerde zich met een beroep op schending van de standstill-periode door de franchisegever. Er was immers geen termijn van vier weken in acht genomen tussen het verstrekken van de informatie en de ondertekening van de franchiseovereenkomst. De franchisenemer vorderde vernietiging van de franchiseovereenkomst. De franchisegever betwistte dat zij de verplichte standstill-periode niet in acht had genomen, omdat de franchiseovereenkomst weken na de ondertekening pas in werking trad. De overeenkomst trad namelijk in werking op 1 oktober 2021, 16 weken na het verstrekken van de informatie. De termijn van vier weken was volgens de franchisegever dus ruim in acht genomen. De rechtbank ging daar niet in mee. De kantonrechter oordeelde dat uit artikel 7:914 lid 1 BW duidelijk blijkt dat de informatie vier weken voor het sluiten van de overeenkomst moet worden verstrekt. Aangezien partijen de franchiseovereenkomst op 11 juni 2021 hadden ondertekend, was de overeenkomst op die datum gesloten. De verplichte standstill-periode van vier weken was dus volgens de kantonrechter niet nageleefd.  De rechter oordeelde dat de franchisenemer de facturen van de franchisegever niet verschuldigd was en dat de franchiseovereenkomst werd vernietigd. Gevolg van deze vernietiging is dat de franchiseovereenkomst wordt geacht nooit te hebben bestaan. De facturen die voortvloeien uit die franchiseovereenkomst waren daarom niet verschuldigd. Er was namelijk geen grondslag meer voor de betaling van die facturen. De franchisegever werd ook veroordeeld in de proceskosten. Conclusie: Vergeet de standstill-periode niet! Contact Heeft u vragen over de nieuwe Franchisewet of de ‘standstill-periode’? Neem dan contact op met Pieter van Deurzen of een andere specialist. 
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update wetsvoorstel franchise: overleg tussen franchisegevers en franchisenemers (4)
In december 2018 is een wetsvoorstel franchise gepresenteerd. Inmiddels kreeg het wetsvoorstel een positief advies gekregen van de Raad van State. Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Sander Dekker (voor Rechtsbescherming) stuurden het wetsvoorstel op dinsdag 11 februari 2020 naar de Tweede Kamer. In vier delen bespreken Pieter van Deurzen en Thomas Timmers de inhoud van het wetsvoorstel. In deel vier: overleg tussen franchisegevers en franchisenemers. De vier onderdelen De precontractuele uitwisseling van informatie De tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst De beëindiging van de franchisesamenwerking Het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers Overleg tussen franchisegevers en franchisenemers Het wetsvoorstel bepaalt dat franchisenemer en franchisegever ten minste eenmaal per jaar overleg zullen hebben (art. 7:916 lid 3 BW). Primair ziet het overleg op onderlinge afstemming van activiteiten tussen franchisegever en franchisenemer, omdat zij in samenwerking de markt bewerken. Verder vormt dit overleg de opmaat voor instemming door de franchisenemers wanneer de franchisegever wijzigingen in de franchiseformule of invoering van een afgeleide formule beoogt die bepaalde financiële gevolgen (kunnen) hebben voor een franchisenemer. Bijstand en ondersteuning Het verlenen van bijstand en commerciële en technische ondersteuning door de franchisegever aan de franchisenemer is een van de kernelementen van een franchiserelatie. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de franchisegever de franchisenemer bijstand dient te verlenen en commerciële en technische ondersteuning dient te bieden die redelijkerwijs en tot de aard en de strekking van de franchiseformule verwacht mag worden (art. 7:919 BW).   Tot slot Doel van het wetsvoorstel is om de machtsverhouding tussen de franchisegever en franchisenemer in balans te brengen. Het wetsvoorstel versterkt de positie van de franchisenemer en het stimuleert de franchisegever en franchisenemer om duidelijke afspraken te maken. Op dinsdag 16 juni jl. heeft de Tweede Kamer ingestemd met de zogenaamde Franchisewet. De wet wordt nu voorgelegd aan de Eerste Kamer. Het is dus nu wachten op goedkeuring van de Eerste Kamer. De verwachting is dat de wet per 1 januari 2021 inwerking zal treden. Denk vooruit Heeft u vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel? Neem vrijblijvend contact op met Pieter van Deurzen.