23 maart 2026

Franchise Update #7 – Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst

23 maart 2026

Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178)

Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.  

De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel.

Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).  

Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen.

Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Update Franchise #6 Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Nieuwe franchiseovereenkomst, zwaardere bedingen? Franchisegevers zijn in dat geval verplicht franchisenemers tijdig en duidelijk daarover te informeren.
Franchisegevers die hun franchiseovereenkomsten vernieuwen of “updaten”, doen er goed aan scherp te zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) laat zien waarom: wie een franchiseovereenkomst verzwaart zonder franchisenemers daar expliciet en duidelijk over te informeren, loopt het risico dat die bedingen geen stand houden. Wat ging hier mis? In deze zaak had de franchisegever na invoering van de Wet franchise een nieuwe (herziene) franchiseovereenkomst ingevoerd. Daarbij werd het non-concurrentiebeding aanzienlijk verzwaard: het gold niet langer alleen tijdens de looptijd van de overeenkomst, maar ook nog één jaar na beëindiging. Ook het relatiebeding werd aangescherpt. Volgens de franchisegever veranderde er “feitelijk weinig” en waren bestaande regels slechts verplaatst vanuit het franchisehandboek. De rechter ging daar niet in mee. De Voorzieningenrechter was helder: als een nieuwe of hernieuwde franchiseovereenkomst leidt tot een verslechtering van de positie van de franchisenemer, rust op de franchisegever een duidelijke informatieverplichting. Die informatie moet tijdig worden verstrekt, rechtstreeks aan de franchisenemer worden gegeven en zo duidelijk zijn dat de franchisenemer kan overzien wat de gevolgen zijn voor zijn onderneming en zijn exit-vrijheid. Dat overleg in een franchiseraad of een algemene mededeling  dat “er weinig verandert” volstaat, is volgens de rechtbank onvoldoende. Omdat de franchisegever haar informatieplicht niet was nagekomen, oordeelde de rechter in dit kort geding dat de franchisenemers voorshands niet aan het verzwaarde non-concurrentiebeding zijn gebonden. Hetzelfde gold voor het relatiebeding: een dergelijk beding valt volgens de rechtbank ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW. De franchisegever kon bovendien niet uitleggen welke concrete knowhow bescherming vereiste, terwijl dat onder de Wet franchise wel een harde voorwaarde is voor de geldigheid van concurrentie- en nu ook relatiebedingen. In dit kort geding leidde dat ertoe dat het non-concurrentiebeding werd geschorst en ook het relatiebeding voorlopig buiten werking werd gesteld, in afwachting van een bodemprocedure. Waarom is dit relevant voor u? Deze uitspraak maakt duidelijk dat het vernieuwen van franchisecontracten juridisch risicovol kan zijn als dat niet zorgvuldig gebeurt. Voor franchisegevers: ✔ check of een nieuwe overeenkomst de positie van franchisenemers verzwaart; ✔ informeer franchisenemers daar expliciet en aantoonbaar over; ✔ en onderbouw postcontractuele bedingen concreet met beschermenswaardige knowhow. Voor franchisenemers: ✔ laat een “geüpdatete” franchiseovereenkomst altijd toetsen; ✔ verzwaarde non-concurrentie- en relatiebedingen zijn niet vanzelfsprekend geldig; ✔ ontbreekt goede informatie? Dan staat u sterker dan u denkt.  
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update wetsvoorstel franchise: overleg tussen franchisegevers en franchisenemers (4)
In december 2018 is een wetsvoorstel franchise gepresenteerd. Inmiddels kreeg het wetsvoorstel een positief advies gekregen van de Raad van State. Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Sander Dekker (voor Rechtsbescherming) stuurden het wetsvoorstel op dinsdag 11 februari 2020 naar de Tweede Kamer. In vier delen bespreken Pieter van Deurzen en Thomas Timmers de inhoud van het wetsvoorstel. In deel vier: overleg tussen franchisegevers en franchisenemers. De vier onderdelen De precontractuele uitwisseling van informatie De tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst De beëindiging van de franchisesamenwerking Het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers Overleg tussen franchisegevers en franchisenemers Het wetsvoorstel bepaalt dat franchisenemer en franchisegever ten minste eenmaal per jaar overleg zullen hebben (art. 7:916 lid 3 BW). Primair ziet het overleg op onderlinge afstemming van activiteiten tussen franchisegever en franchisenemer, omdat zij in samenwerking de markt bewerken. Verder vormt dit overleg de opmaat voor instemming door de franchisenemers wanneer de franchisegever wijzigingen in de franchiseformule of invoering van een afgeleide formule beoogt die bepaalde financiële gevolgen (kunnen) hebben voor een franchisenemer. Bijstand en ondersteuning Het verlenen van bijstand en commerciële en technische ondersteuning door de franchisegever aan de franchisenemer is een van de kernelementen van een franchiserelatie. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de franchisegever de franchisenemer bijstand dient te verlenen en commerciële en technische ondersteuning dient te bieden die redelijkerwijs en tot de aard en de strekking van de franchiseformule verwacht mag worden (art. 7:919 BW).   Tot slot Doel van het wetsvoorstel is om de machtsverhouding tussen de franchisegever en franchisenemer in balans te brengen. Het wetsvoorstel versterkt de positie van de franchisenemer en het stimuleert de franchisegever en franchisenemer om duidelijke afspraken te maken. Op dinsdag 16 juni jl. heeft de Tweede Kamer ingestemd met de zogenaamde Franchisewet. De wet wordt nu voorgelegd aan de Eerste Kamer. Het is dus nu wachten op goedkeuring van de Eerste Kamer. De verwachting is dat de wet per 1 januari 2021 inwerking zal treden. Denk vooruit Heeft u vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel? Neem vrijblijvend contact op met Pieter van Deurzen.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update wetsvoorstel franchise: de beëindiging van de franchisesamenwerking (3)
In december 2018 is een wetsvoorstel franchise gepresenteerd. Inmiddels kreeg het wetsvoorstel een positief advies gekregen van de Raad van State. Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Sander Dekker (voor Rechtsbescherming) stuurden het wetsvoorstel op dinsdag 11 februari 2020 naar de Tweede Kamer. In vier delen bespreken Pieter van Deurzen en Thomas Timmers de inhoud van het wetsvoorstel. In deel drie: de beëindiging van de franchisesamenwerking. De vier onderdelen De precontractuele uitwisseling van informatie De tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst De beëindiging van de franchisesamenwerking Het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers Onderdeel drie: de beëindiging van de franchisesamenwerking In het voorstel is de (algemene) verplichting opgenomen om een regeling te treffen voor goodwill in het geval van overname van een franchiseonderneming en een kader voor de toelaatbare afspraken omtrent non-concurrentiebedingen. In beide gevallen geldt contractvrijheid voor de concrete uitwerking van deze afspraken. Non-concurrentiebeding Post-contractuele non-concurrentiebedingen, waarbij de franchisenemer wordt beperkt om na afloop van de franchiserelatie bepaalde activiteiten uit te oefenen, zijn soms veel ruimer geformuleerd dan noodzakelijk zou zijn voor de bescherming van de knowhow binnen de franchiseformule. Volgens het wetsvoorstel zijn dergelijke bedingen slechts geldig indien het op schrift is gesteld, de beperking tot uitoefening van werkzaamheden enkel betrekking heeft op goederen of diensten die concurreren met de goederen of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking heeft. Ook dient de beperking onmisbaar te zijn om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen. De duur van een non-concurrentiebeding mag niet langer zijn dan één jaar na afloop van de franchiseovereenkomst. Daarnaast mag de geografische reikwijdte niet ruimer zijn dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de betreffende franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd (artikel 7:920 lid 2 BW). Goodwill In het wetsvoorstel is opgenomen dat de franchisenemer recht heeft op opgebouwde goodwill, voor zover die in redelijkheid aan de franchisenemer toe te rekenen is. Dit is dus geen goodwill die voortvloeit uit de formule zelf. De franchiseovereenkomst dient in ieder geval te bepalen of er een goodwill aanwezig is, wat de omvang daarvan is en hoe deze wordt vastgesteld (artikel 7:921 lid 1 BW). Het recht op goodwill betreft de situatie dat de franchisegever, voor zichzelf of met het oog op overdracht aan een nieuwe franchisenemer, de franchiseonderneming overneemt. Neemt een nieuwe franchisenemer de zaak van de vertrekkende franchisenemer over, dan maakt goodwill impliciet of expliciet deel uit van de overnameprijs die tussen deze partijen bedongen wordt. Denk vooruit Volgende keer: het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers Heeft u vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel? Neem vrijblijvend contact op met Pieter van Deurzen.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update wetsvoorstel franchise: tussentijds wijzigen van een franchiseovereenkomst (2)
Het wetsvoorstel franchise werd in december 2018 gepresenteerd. Inmiddels kreeg het wetsvoorstel een positief advies gekregen van de Raad van State. Staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Sander Dekker (voor Rechtsbescherming) stuurden het wetsvoorstel op dinsdag 11 februari 2020 naar de Tweede Kamer. In vier delen bespreken Pieter van Deurzen en Thomas Timmers de inhoud van het wetsvoorstel. Deel twee: tussentijds wijzigen van een lopende franchiseovereenkomst. De vier onderdelen De precontractuele uitwisseling van informatie De tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst De beëindiging van de franchisesamenwerking Het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers Onderdeel twee: de tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst Informatieverstrekking bij wijziging Beide partijen dienen elkaar tijdens de franchiserelatie tijdig informatie te verstrekken over alles dat redelijkerwijs voor de andere partij van belang is (artikel 7:916 BW). Beoogd is de franchisenemer tijdig de nodige transparantie te bieden omtrent bepaalde (voorgenomen) handelingen van en ontwikkelingen bij de franchisegever, waaronder aanstaande contractwijzigingen. De wettelijke agentuurregeling kent een vergelijkbare bepaling. Door deze transparantie kan de franchisenemer zich tijdig op handelingen, ontwikkelingen en veranderingen voorbereiden, bijvoorbeeld door het opvragen van nadere informatie of door aanpassingen in de eigen bedrijfsvoering door te voren. Voorkomen dient te worden dat de franchisenemer vanuit de franchisegever wordt overvallen door handelingen en/of ontwikkelingen die hem betreffen of redelijkerwijs kunnen betreffen. Informatie dient op een zodanige manier verstrekt te worden, dat die informatie toegankelijk is en blijft voor de andere partij gedurende de periode met het oog waarop de informatie verstrekt is (artikel 7:917 BW). Bij tussentijdse wijzigingen van de franchiseovereenkomst dient het duidelijk te zijn welke tekst op welk moment gold. Instemming De franchisegever kan zelf grenswaarden bepalen waarbinnen hij zonder overleg wijzigingen kan doorvoeren. Voor wijzigingen die de overeengekomen drempel te boven gaan, is instemming van de meerderheid van de franchisenemers vereist (art. 7:921 BW). Er komt dus meer zeggenschap voor franchisenemers, omdat instemming van de meerderheid nodig is in bepaalde situaties, zoals in geval van voorgenomen aanpassingen in de formule of bij exploitatie van een afgeleide formule. Blijkens het wetsvoorstel geldt dat, indien de franchisegever ervoor kiest om geen drempelwaarden op te nemen, er een meerderheid van de franchisenemers nodig is of instemming van de franchisenemers die worden geraakt door financiële implicaties opgenomen in artikel 7:921 lid 1 BW. Het is irrelevant hoe groot de financiële implicaties van de uitvoering van het voornemen zijn voor de franchisenemers. De nieuwe regeling beoogt de franchisegever aan te sporen om de drempelwaardes contractueel vast te leggen. Denk vooruit Volgende keer: de beëindiging van de franchisesamenwerking. Heeft u vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel? Neem contact op met Pieter van Deurzen.
Coen Verhaegh
Coen Verhaegh
Advocaat
Einde huur is einde rayonbescherming ingevolge franchiseovereenkomst
Soms wijst de Hoge Raad een arrest wat op het eerste gezicht niet doet vermoeden dat het signalering waard is omdat de klachten niet inhoudelijk worden behandeld op de voet van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie. Dit was ook het geval in het arrest tussen A. en Misty B.V. – Bram Ladage Exploitatie van 12 maart 2021. Als de huurovereenkomst voor de uitoefening van de franchiseformule wegvalt is het einde oefening rayonbescherming, omdat die is gekoppeld aan de uitoefening van de franchiseformule in het gehuurde. Lotsverbondenheid niet snel aangenomen Toch is het arrest van belang omdat uit het arrest blijkt dat lotsverbondenheid tussen een franchise- en een huurovereenkomst niet zo snel wordt aangenomen als partij Misty in dit geval had gewild. Want ondanks dat de rechtbank (in een andere procedure) oordeelde dat een franchiseovereenkomst betreffende dezelfde bedrijfsruimte tot 1 januari 2023 voortduurt; ziet de kantonrechter en daarna het hof en de Hoge Raad dat niet als een beletsel voor de eerdere beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik en – daarmee – het wegvallen van de rayonbescherming zoals die voortvloeit uit de franchiseovereenkomst. Dit is van belang omdat A. en Misty lotsverbondenheid betoogden in die zin dat de rayonbescherming die hen toekomt op grond van de voortdurende franchiseovereenkomst eraan in de weg staat dat Ladage Exploitatie (de verhuurder) in de bedrijfsruimte zelf een snackbar volgens de Bram Ladage franchiseformule gaat exploiteren en daarmee de aannemelijkheid van een dringend eigen gebruik belet. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de huurder naar rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997: ZC2255) Tokkie-Michael. De huurder beroept zich ter onderbouwing van de aangevoerde “lotsverbondenheid” op het volgende: de huurovereenkomst en de franchiseovereenkomst zijn gesloten tussen dezelfde partijen; dit is gebeurd op dezelfde dag (1 december 1997); de overeenkomsten zien op dezelfde bedrijfsruimte; “slechts” één maand daarna is de huurkoopovereenkomst gesloten met als inhoud dat huurder van Ladage Exploitatie voor een bedrag van ƒ2.600.000 ex btw, de inventaris en goodwill van de in de bedrijfsruimte gevestigde snackbar heeft gekocht; de verhuurder/franchisegever/huurverkoper profiteert op drie verschillende wijzen financieel van het aan de huurder/franchisenemer/huurkoper met betrekking tot de bedrijfsruimte verleende ‘gebruiksrecht’, namelijk door: de maandelijkse huurprijs (voor het gebruik van de bedrijfsruimte); de franchisefee (voor het gebruik van de franchiseformule in de bedrijfsruimte); en de huurkoopprijs (voor het ‘gebruik’ van de inventaris in de bedrijfsruimte en de goodwill die verbonden is aan de bedrijfsruimte). Verhuurder Ladage Exploitatie heeft daar evenwel in feitelijke instanties het volgende tegen ingebracht: de huurovereenkomst staat los van de franchiseovereenkomst; in 1997 zijn door (op dat moment: dezelfde) partijen separate overeenkomsten gesloten; in de ene overeenkomst is de huur van het gehuurde geregeld en in de andere de franchiserelatie; in de overeenkomsten is op geen enkele wijze een koppeling aangebracht; de overeenkomsten hebben ieder een eigen – afwijkende – regeling voor beëindiging; de beëindiging van de ene overeenkomst is op geen enkele wijze afhankelijk gemaakt van de beëindiging van de andere overeenkomst; partijen hebben beoogd dat de overeenkomsten naast en los van elkaar zouden bestaan en afzonderlijk zouden kunnen worden opgezegd; de rayonbescherming in de franchiseovereenkomst houdt alleen in dat de franchisegever zijn franchisenemer binnen een straal rondom zijn vestiging geen concurrentie mag aandoen en zegt niets over de huurrechten van Misty c.s. met betrekking tot die vestiging; van de gestelde lotsverbondenheid is dus geen sprake; uit de tekst van de huurkoopovereenkomst, die ook pas is gesloten op 1 januari 1998, dus nadat de huurovereenkomst en de franchiseovereenkomst al in 1997 tot stand waren gekomen, volgt niet dat deze op enige wijze gekoppeld is aan de huurovereenkomst of de franchiseovereenkomst. Het Hof achtte onder overneming van de argumenten van Ladage de lotsverbondenheid niet aanwezig en bekrachtigt de huurbeëindiging door de kantonrechter. Misty kan geen beroep doen op de franchiseovereenkomst ter bescherming van haar huurrechten. De A-G vat in zijn conclusie voorafgaande aan het arrest als volgt samen: “Huur- en franchiseovereenkomst zijn op dezelfde dag tussen toen nog dezelfde partijen gesloten en kennelijk bewust niet gekoppeld, omdat de beëindigingswijzen verschillen en ook anderszins elke vorm van onderlinge koppeling of afstemming in de regelingen ontbreekt. Daarom oordeelt het hof (toegegeven, in enigszins geserreerde bewoordingen) op het hier in cassatie aangevallen punt dat het in de sleutel van de huuropzegging wegens dringend eigen gebruik gedane beroep op Tokkie/Michael met het argument van rayonbescherming uit de franchiseovereenkomst niet opgaat. Als de huurovereenkomst voor de uitoefening van die franchiseformule wegvalt, is het einde oefening rayonbescherming omdat die is gekoppeld aan de uitoefening van die franchiseformule in het gehuurde, aldus het hof in rov. 15. Vanwege deze kennelijk bewust door partijen gescheiden gehouden wegen kan dan in het huurbeëindigingstraject niet via Tokkie/Michael de rayonbescherming uit het franchiseovereenkomsttraject daar een stokje voor steken. De kennelijke gedachte die dan voorzit lijkt mij hier deze: je hebt het zelf als partijen niet gekoppeld geregeld en niet onderling op elkaar afgestemd en dan staat het ook echt los van elkaar. En wat de gevolgen dan zijn voor Misty van beëindiging van de huurovereenkomst in het kader van de franchiseovereenkomst, zo vervolgt het hof nog steeds in rov. 15, dat gaat het bestek van deze procedure te buiten; lees (tussen de regels door): dat lost zich mogelijk op in schadevergoeding in een procedure gebaseerd op de franchiseovereenkomst (in gelijke zin Verdurmen en Boosma in hun annotatie onder het bestreden arrest in TvHB 2019/23, p. 482, rk).” Welke les kan hieraan worden ontleend? De les die deze casus leert is de volgende; als partijen belang hebben bij een lotsverbondenheid tussen de huur- en de franchiseovereenkomst van de bedrijfsruimte dan moet je dat contractueel zodanig regelen dat je de beide overeenkomsten koppelt, door bijvoorbeeld de beëindigingswijzen niet te laten verschillen en de verschillende regelingen in de contracten te koppelen en af te stemmen. Benoem de koppeling in de considerans en neem in de huurovereenkomst op dat deze niet kan worden opgezegd als de franchiseovereenkomst nog doorloopt, of andersom dat de franchiseovereenkomst niet kan eindigen als de huurovereenkomst doorloopt. Als je niets regelt dan zal lotsverbondenheid veel minder aannemelijk zijn. Als verhuurder tevens franchisegever kan dat te verkiezen zijn. Contact Bij vragen over huurrecht, neem contact op met Coen Verhaegh of een van de andere advocaten van het Team Huur. Bij vragen over franchiseovereenkomsten kunt u contact opnemen met Pieter van Deurzen.