11 juni 2025

Annotatie Tijdschrift voor Bouwrecht: eerste uitspraak na het Didam II-arrest

11 juni 2025

Voor het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR 2025/73), heeft oud-collega Marnix van Hemert een annotatie geschreven bij de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 december 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:256). De uitspraak betreft de eerste uitspraak na het Didam II-arrest in het Caribisch gebied, die ingaat op het spanningsveld tussen maatschappelijk gegroeide rechten en de Didam-regels op Curaçao. In de annotatie toetst Marnix de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten aan de juridische grondslag voor het bieden van mededingingsruimte conform de Didam-regels. Ook gaat Marnix tevens in op de wenselijkheid van Didam-beleid voor overheidslichamen.

In de annotatie wordt door Marnix betoogd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de onderhavige kwestie niet naar behoren zijn nageleefd en derhalve niet stroken met de Didam-regels, omdat er in de voorliggende kwestie sprake is van de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van een schaars recht tussen private partijen, zonder tussenkomst van een overheidslichaam, noch van toepassing van de Didam-regels, bij gebreke van specifiek Didam-beleid. De privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten lijkt niet te stroken met de verplichtingen voor overheidslichamen voortvloeiende uit de Didam-arresten. Om die reden, doet Marnix de aanbeveling dat de Caribische landen van het Koninkrijk duidelijke procedurele regels voor gronduitgifte dienen opstellen in lijn met het Didam-arrest. Afsluitend betoogt Marnix de wenselijkheid van zorgvuldig opgesteld Didam-beleid, ter voorkoming van het ad hoc moeten conformeren aan de Didam-regels, alsmede om het gronduitgiftebeleid van overheidslichamen toekomstbestendig te maken.

Bij interesse in de annotatie of naar uw mogelijkheden op grond van het Didam-arrest, neem dan vooral vrijblijvend contact op met Niek Hoogwout. 

Auteur
mr. H.N.T. (Niek) Hoogwout

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Last onder dwangsom ter handhaving van de Wet openbare manifestaties niet mogelijk
In twee uitspraken van 30 september 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de burgemeester van Haarlem niet bevoegd was om ter handhaving van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan demonstranten op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen. Volgens de Afdeling kent de Wom – kort gezegd – een uitputtend stelsel van regels en bevoegdheden rondom manifestaties en maakt de bestuursdwangbevoegdheid hiervan geen onderdeel uit. Achtergrond Op 1 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in een Albert Heijn in Haarlem. Op 17 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in het provinciehuis, eveneens in Haarlem. Omdat de demonstranten geen gehoor hebben gegeven aan het verzoek van de manager van de Albert Heijn en de locatiemanager van het provinciehuis, heeft de burgemeester van Haarlem aan de demonstranten een last onder dwangsom opgelegd op grond van de algemene herstelsanctiebevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De last hield kort gezegd in dat de betogers een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. Bij niet-naleving verbeuren de betogers een dwangsom van € 1.000,00. De burgemeester is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. In hoger beroep voert de burgemeester aan dat hij bevoegd was om de lasten onder dwangsom op te leggen op grond van de artikelen 5:4 en 5:32 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Als burgemeester is hij belast met de bescherming van de openbare orde en mag hij daarom op grond van artikel 125 herstelsancties opleggen om naleving van de Wom te verzekeren. Het is volgens de burgemeester niet vereist dat zijn herstelsanctiebevoegdheid ook in een andere, specifieke wet is vermeld.   Oordeel Afdeling De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval een beperking van het betogingsrecht is. Volgens de burgemeester is dit niet het geval, omdat de last onder dwangsom slechts zou dienen ter handhaving van de opdracht die hij in de toekomst aan betogers op niet-openbare plaatsen kan geven om uiteen te gaan. De Afdeling gaat daar niet in mee en oordeelt dat betogers door de preventieve last onder dwangsom minder snel geneigd zullen zijn om van hun betogingsrecht gebruik te maken. Zij voegt hieraan toe dat het aannemelijk is dat deze last daarom een zogeheten ‘chilling effect’ heeft. In zoverre is hun betogingsrecht dan ook beperkt. De Afdeling oordeelt vervolgens dat de burgemeester niet bevoegd is om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van de Wom. Hiertoe overweegt de Afdeling dat beperking van het betogingsrecht enkel mogelijk is als dit gebeurt ter bescherming van de in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet genoemde doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. Daarnaast kent de Wom een uitputtend systeem van verschillende bepalingen waarin de burgemeester een bevoegdheid is toebedeeld om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht, als hij motiveert dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de hiervoor genoemde doelcriteria. Nu artikel 125 van de Gemeentewet de doelcriteria uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet niet noemt en de Wom daarnaast geen artikel bevat waarin een bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd, is de burgemeester volgens de Afdeling niet bevoegd om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet beperkingen te stellen aan het betogingsrecht. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat een last onder dwangsom niet kan worden opgelegd voor een toekomstige overtreding die op dat moment nog geen overtreding is. Lessen voor de praktijk Demonstreren is een grondrecht. De Wom kent een uitputtend stelsel voor het stellen van beperkingen aan een demonstratie. Als een burgemeester beperkingen wil stellen aan een demonstratie, dan dient dat te worden gedaan binnen het instrumentarium dat de Wom biedt. Meer weten over de Wom of over (on)mogelijkheden om demonstraties te beperken? Neem dan contact op met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.    
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe EU-spelregels voor grote bedrijven: wat betekenen de richtsnoeren machtsmisbruik voor u?
Op 3 september 2026 heeft de Europese Commissie nieuwe richtsnoeren gepubliceerd over hoe zij omgaat met grote bedrijven die hun marktmacht misbruiken om concurrenten buiten spel te zetten. Na een proces van drie jaar, met uitgebreide consultaties van bedrijven, academici en overheden, liggen er nu heldere spelregels op tafel. Voor iedereen die zaken doet in de EU zijn deze richtsnoeren van belang. De achtergrond Stel u eens voor: één bedrijf is zo groot en machtig in een bepaalde markt dat concurrenten nauwelijks een eerlijke kans hebben om te groeien of zelfs toe te treden. Dat is wat mededingingsrecht probeert te voorkomen. De Europese regels verbieden dit al een lange tijd: artikel 102 van het EU-Verdrag bepaalt dat een bedrijf met een dominante positie die machtspositie niet mag misbruiken om anderen uit de markt te dringen. Maar wat precies onder “misbruik” valt, was jarenlang omstreden. De Commissie hanteerde tot nu toe een document uit 2008 als leidraad, dat inmiddels niet meer goed aansloot bij de hedendaagse praktijk met grote technologiebedrijven en digitale platforms. Dat document wordt nu ingetrokken en vervangen door de nieuwe richtsnoeren. Wat verandert er? De nieuwe richtsnoeren leggen voor het eerst op een samenhangende manier uit hoe de Commissie beoordeelt of een bedrijf dominant is en of het zijn positie misbruikt om concurrenten te verdringen. Een aantal zaken springt in het oog. Wanneer is een bedrijf “dominant”? Een bedrijf dat meer dan de helft van een markt in handen heeft, wordt al snel als dominant beschouwd. Maar ook bij kleinere marktaandelen, soms zelfs onder de veertig procent, kan sprake zijn van een dominante positie. Dit is bijvoorbeeld het geval als klanten sterk afhankelijk zijn van dat bedrijf of als het voor concurrenten praktisch onmogelijk is om toe te treden tot die markt. Wat is verboden gedrag? De richtsnoeren beschrijven concrete vormen van misbruik: roofprijzen (zo laag prijzen dat concurrenten failliet gaan), exclusieve dealingafspraken (klanten verplichten om uitsluitend bij het dominante bedrijf te kopen), het weigeren leveringen te doen aan concurrenten en koppelverkoop. Nieuw is ook expliciete aandacht voor gedrag dat van nature schadelijk is voor concurrentie, zoals het actief ontmantelen van infrastructuur waarop een concurrent vertrouwt, waarbij de Commissie vrijwel geen rechtvaardiging meer hoeft te bewijzen. Wanneer is gedrag toch toegestaan? Een dominant bedrijf kan zich verweren door aan te tonen dat zijn gedrag objectief noodzakelijk is of dat de voordelen voor consumenten opwegen tegen de nadelen. Die lat ligt hoog: hoe groter de marktmacht, des te overtuigender het bewijs moet zijn. Belang voor de praktijk De nieuwe richtsnoeren zijn in de eerste plaats bedoeld om duidelijkheid te scheppen. Wie als grote marktspeler actief is in Europa, doet er goed aan zijn commerciële strategie hieraan te toetsen. Zaken als kortingstructuren voor grote afnemers, exclusiviteitsafspraken met distributeurs of het weigeren van toegang tot eigen infrastructuur kunnen nu aan een duidelijker kader worden getoetst. Voor kleinere bedrijven en nieuwe toetreders biedt de publicatie juist een kapstok: als u vermoedt dat een grote speler u de markt uitdringt, geven de richtsnoeren handvatten om een klacht bij de Commissie of de nationale mededingingsautoriteit te onderbouwen. Ook nationale rechters kunnen de richtsnoeren als referentiepunt gebruiken. De Commissie benadrukt overigens dat de richtsnoeren uitsluitend zien op gedrag dat concurrenten buitensluit. Misbruik dat consumenten rechtstreeks schaadt — zoals buitensporig hoge prijzen — valt buiten de huidige richtsnoeren; de Commissie houdt zich het recht voor om daar op een later moment aparte richtsnoeren over te publiceren. Ook heeft het Hof van Justitie van de EU het laatste woord over de uitleg/invulling van de begrippen genoemd in de nieuwe richtsnoeren. Heeft u vragen over de nieuwe richtsnoeren of wilt u weten wat deze voor uw onderneming of sector betekenen? Neem contact op met Arnout Koeman, Monika Beck of één van onze andere Mededinging en EU specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanneming van werk/bouwrecht: algemene voorwaarden, lekker makkelijk (of toch niet?)
Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam een eerste uitspraak gedaan in een geschil over een door een opdrachtgever niet betaalde aanneemsom (hierna: de opdrachtgever). Aan de orde was de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen partijen en zo ja, of de rechtbank Amsterdam dan de juiste rechtbank is. Die vraag hangt samen met verschillende voorwaarden die volgens partijen van toepassing zijn op de overeenkomst. Afhankelijk van welke voorwaarde van toepassing is, is de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in Utrecht bevoegd om het geschil te beoordelen.  Waarom algemene voorwaarden? In de bouw worden vaak algemene voorwaarden gebruikt. Algemene voorwaarden worden gebruikt om, onder andere, tijd te besparen. De gedachte is dat de aannemer dan niet iedere keer allerlei standaard bepalingen opnieuw in de overeenkomst hoeft op te nemen. Bijvoorbeeld waar een geschil aangebracht moet worden als partijen een discussie hebben over uitvoering van de overeenkomst. Voor de opdrachtgever heeft het gebruik van algemene voorwaarden in principe ook voordelen, omdat de afspraken tussen partijen dan – als het meezit – duidelijk worden vastgelegd. Alleen: er zijn in de bouw héél veel algemene voorwaarden gangbaar. En daar ging het in deze zaak mis. Waar ging de zaak over? Een particuliere opdrachtgever wilde haar woning laten verbouwen. Met het oog daarop heeft de opdrachtgeefster een architect ingeschakeld (Now A Design). De architect heeft ten behoeve van de verbouwing een Technische Omschrijving opgesteld met wat er gedaan moest worden. In de Technische Omschrijving heeft de architect verwezen naar de STABU-Standaard 2012. Dat zijn standaard voorwaarden waarin gebruik wordt gemaakt van een vaste standaard indeling voor bepaalde bouwwerkzaamheden. Daarnaast wordt in de STABU verwezen naar de UAV-2012, een andere set algemene voorwaarden met algemene bepalingen over, bijvoorbeeld, wanneer de bouw moet beginnen, de oplevering, eventueel meerwerk en de instantie die geschillen moet beslechten: de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. De opdrachtgeefster heeft daarna een aannemer benaderd. Met de aannemer heeft de opdrachtgeefster een (eerste) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ gesloten. In die overeenkomst werd verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Aangegeven werd verder dat, bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken, de overeenkomst prevaleerde. Op verzoek van de opdrachtgeefster heeft de aannemer daarna een calculatie opgesteld met de prijs voor de verschillende onderdelen van het werk zoals beschreven in de Technische Omschrijving van de architect. In de calculatie werd opnieuw verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Ook werd verwezen naar de Technische Omschrijving van de architect. Daarnaast werd aangegeven dat de ‘UAV 2012 van toepassing’ is. Partijen zijn vervolgens een (volgende) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ aangegaan, waarin werd verwezen naar de calculatie van de aannemer en naar de Technische Omschrijving van de architect. In de overeenkomst werd verder bepaald dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing waren en dat bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken de overeenkomst prevaleerde. De aannemer gaat daarna voortvarend aan de slag. Omdat (volgens de aannemer) op enig moment 3 termijnen ad per saldo € 760.985,24 onbetaald waren is de aannemer een procedure begonnen bij de rechtbank Amsterdam. De opdrachtgeefster voerde daar (‘voor alle weren’) verweer tegen en stelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, omdat partijen de UAV 2012 zouden zijn overeengekomen en dat het geschil daarom moest worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Volgens de aannemer is het arbitraal beding/de geschillenclausule in de UAV 2012 onredelijk bezwarend, omdat de opdrachtgever een particulier is. Bovendien zijn volgende de aannemer haar algemene voorwaarden van toepassing, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd zou zijn (en dus niet de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen). Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep op UAV 2012 onterecht De rechtbank oordeelt met betrekking tot de bevoegdheid dat de opdrachtgeefster niet heeft aangetoond dat de UAV 2012 van toepassing zijn verklaard op de aannemingsovereenkomsten. In beide aannemingsovereenkomsten worden de UAV 2012 niet van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden van de aannemer worden daar wel in genoemd. Dat de UAV 20012 ook zijn overeengekomen is niet gebleken. Dat in andere stukken wel naar de UAV 2012 wordt verwezen, maakt dat niet anders. Als het de bedoeling van partijen was geweest om (ook) de UAV 2012 van toepassing te verklaren op de aannemingsovereenkomsten, dan had het voor de hand gelegen om dat op te nemen in het artikel in de aannemingsovereenkomst(en) dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden regelt. Daar worden nu alleen de algemene voorwaarden van de aannemer genoemd. De opdrachtgeefster wordt daarom in het ongelijk gesteld in het bevoegdheidsincident. Rechtbank Amsterdam (ook) onbevoegd? Daarmee is niet gezegd dat de aannemer het geschil bij de juiste rechtbank heeft aangebracht. De aannemer heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank constateert dat in de door partijen van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de aannemer wordt bepaald dat geschillen tussen partijen, naar keuze van de aannemer, moeten worden voorgelegd aan hetzij de rechtbank Den Haag, dan wel de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Naar verwachting is de rechtbank Amsterdam daardoor (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Partijen moeten zich daarover in het vervolg van de procedure nog uitlaten. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Belang voor de praktijk Uit deze uitspraak blijkt maar weer het belang van heldere en duidelijke afspraken tussen partijen. Met duidelijke afspraken kan een zogenaamde ‘battle of forms’ worden voorkomen en was het bevoegdheidsincident bij de rechtbank niet nodig geweest. De architect van de opdrachtgeefster en de aannemer hadden dat kunnen voorzien/voorkomen. De tijd en kosten van het bevoegdheidsincident waren dan niet nodig geweest. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van Aanneming van werk of Bouwrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Bouwrecht.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen. Waar ging de zaak over? De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving. Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver. De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren. Wat is het oordeel van de rechtbank? Uitsluiting terecht Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver. De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure. Belang voor de praktijk Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk. Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Handreiking DAEB Vrijstellingsbesluit: hulp bij toepassing in de praktijk
Eerder schreef ik over de herziening van het DAEB Vrijstellingsbesluit door de Europese Commissie op 16 december 2025. De herziene versie van deze staatssteunuitzondering is op 8 januari 2026 in werking getreden. Inmiddels heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een handreiking gepubliceerd waarin wordt uitgelegd wat de nieuwe staatssteunregels concreet betekenen voor sociale en betaalbare huisvesting (hierna: “de DAEB-Handreiking”). De DAEB-Handreiking is vooral bedoeld voor gemeenten en provincies, maar ook nuttig voor bijvoorbeeld woningcorporaties en ontwikkelaars. Staatssteun en de DAEB vrijstelling in het kort Van staatssteun is sprake wanneer een overheid met staatsmiddelen een selectief, niet-marktconform voordeel verschaft aan een onderneming dat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Dergelijke steun moet in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is zo’n uitzondering: overheden mogen ondernemingen belast met de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) compenseren zonder voorafgaande melding, mits aan voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het uitwerken van de het staatssteuninstrument in een DAEB aanwijzingsbesluit. Met het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit (EU 2025/2630) is de vrijstelling verruimd. Deze verruiming betreft onder andere een verhoging van het compensatieplafond naar € 20 miljoen per jaar, ruimere controle op overcompensatie en een aanvullende bijlage met betrekking tot woningbouw op grond waarvan naast sociale woningbouw ook betaalbare huisvesting als DAEB kan kwalificeren. Meer informatie over de wijzigingen die met de herziening zijn ingevoerd lees je in mijn eerdere blog: link. Wat legt de DAEB-Handreiking uit? De DAEB-Handreiking van BZK vertaalt de Europese wijzigingen van het DAEB Vrijstellingsbesluit naar de Nederlandse praktijk en biedt concrete aanknopingspunten voor gemeenten, provincies en corporaties. De DAEB-Handreiking gaat onder andere in op de volgende onderwerpen: Twee DAEB-categorieën: Naast de sociale huisvesting-DAEB is er nu een betaalbare huisvesting-DAEB voor middenhuur en betaalbare koop. In de DAEB-Handreiking wordt uitgelegd hoe deze categorieën conform de Nederlandse wetgeving (c.q. in de Wet versterking regio op de volkshuisvesting op basis van inkomensgrenzen) worden gedefinieerd en welke voorwaarden gelden bij steunverlening voor sociale en/of betaalbare huisvesting. Ook wordt toegelicht dat voor steun voor betaalbare huisvesting een gelijk speelveld in acht genomen moet worden, en ondernemingen onder gelijke voorwaarden voor de staatssteun in aanmerking moeten komen. Dit kan bijvoorbeeld via een selectieprocedure. Verruimd toepassingsgebied: de DAEB Vrijstelling voor huisvesting is niet enkel beperkt tot woningbouw maar omvat ook onder meer nieuwbouw, grondaankoop, renovatie, verduurzaming en beheerskosten. Ruimere controle op overcompensatie: de controletermijn gaat van drie naar vijf jaar, en organisaties met vrijwel uitsluitend DAEB-activiteiten zijn vrijgesteld van periodieke controle achteraf. Nieuwe transparantieregels: vanaf 1 januari 2028 moet steun boven € 1 miljoen binnen 20 werkdagen in een centraal register worden opgenomen. Instandhoudingstermijn: het DAEB Vrijstellingsbesluit vereist in beginsel dat de DAEB voor 20 jaar na subsidiëring in stand wordt gehouden, tenzij hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Wet versterking regie op de volkshuisvesting stelt voor sociale huurwoningen een verdergaande termijn van 25 jaar, hier dient tevens rekening mee gehouden te worden bij realisatie van sociale huisvesting op grond van het DAEB Vrijstellingsbesluit. Voorbeelden van staatssteuninstrumenten: het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit schrijft geen specifieke staatssteuninstrumenten voor. Overheden zijn vrij is het type instrument dat zij toepassen voor steunverlening. De DAEB-Handreiking geeft vier voorbeelden van steuninstrumenten op grond waarvan DAEB-steun verleend kan worden, te weten de objectsubsidie, een garantie op een lening, een leenfaciliteit al dan niet uit een revolverend fonds en korting op de grondprijs. Tot slot bevat de DAEB-Handreiking een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit van de fictieve gemeente Nergenshuizen. Dat voorbeeld laat zien hoe een DAEB-aanwijzing voor sociale huur, middenhuur en gecombineerde woonvormen voor senioren en studenten kan worden vormgegeven, inclusief bepalingen over compensatie, controle en instandhoudingstermijn Contact Heeft u vragen over de toepassing van het DAEB Vrijstellingsbesluit of andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.