Over Marije

Marije is gespecialiseerd in het bestuursrecht, met een focus op gebiedsontwikkeling. Zij adviseert over en procedeert, indien nodig, in zaken rondom omgevingsplannen en omgevingsvergunningen, (overheids)aansprakelijkheidsrecht, nadeelcompensatie, en onteigening. Haar cliënten zijn veelal projectontwikkelaars, (toekomstig) exploitanten van wind- en zonneparken, sportclubs (met een focus op padel), (glas)tuinbouwbedrijven en (lokale) overheden.

Marije begon haar loopbaan in 2012 bij de civiele sector van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag. In 2015 maakte zij de overstap naar de advocatuur. Sinds 2017 heeft zij zich volledig gespecialiseerd in het omgevingsrecht.

Zij weet als geen ander een verzoek, vordering of verweer zo in te steken en te presenteren dat de kans op succes optimaal is. In procedures heeft Marije successen behaald dankzij vernieuwende inzichten en haar ruime ervaring in zowel het civiele recht als het (ruimtelijk) bestuursrecht.

Specialisaties

  • Ruimtelijk Bestuursrecht
  • Energierecht
  • Omgevingsrecht
  • Onteigeningsrecht

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • Lid van de Vereniging van Onteigenings-Advocaten (VOA)
  • 2022, Grotius specialisatieopleiding Omgevingsrecht
  • 2011, Erasmus Universiteit Rotterdam, Master Privaatrecht
  • 2010, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rechtsgeleerdheid
  • 2009, Erasmus Universiteit Rotterdam, Master Arbeid – organisatie – management
  • 2009, Erasmus Universiteit Rotterdam, Bestuurskunde

Publicaties

Contactgegevens
mr. M. (Marije) van der Hoek

Advocaat

Bestuursrecht | Omgevingsrecht | Onteigeningsrecht | Energierecht

Artikelen van Marije van der Hoek

Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerste Kamer stemt in met Wcw: gemeenten kunnen aan de slag met de warmtetransitie
Met de aanstaande inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw), Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw) en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmte (Bgiw) krijgt de energietransitie in Nederland in 2026 een nieuwe impuls. De Wcw is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer aangenomen en vervangt onder meer de huidige Warmtewet. Het is echter nog onduidelijk per wanneer de Wcw daadwerkelijk (gefaseerd) in werking zal treden. De Wgiw is al gedeeltelijk in werking getreden, en het Bgiw verkeert op dit moment nog in concept. Het Bgiw gaat op korte termijn voor advies naar Raad van State. De regierol van gemeenten in de warmtetransitie wordt met deze wet- en regelgeving ingezet, en de bevoegdheden van gemeenten uitgebreid. De Wgiw en Bgiw zorgen ook voor nieuwe verplichtingen. Zo zal het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma moeten vaststellen In dit programma staat een plan voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Dit is een ambitieuze termijn, zeker omdat het onder omstandigheden zinvol kan zijn om de gemeenteraad te betrekken. Hieronder benoemen wij de kern van de wijzigingen, en gaan wij in op de verhouding tussen de gemeenteraad en het college bij het vaststellen van het warmteprogramma, de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Wcw: warmtekavels en publiek meerderheidsbelang Het doel van de Wcw is om de overstap naar collectieve warmte (zoals stadsverwarming) te bevorderen en waarborgen. De Wcw geeft gemeenten als gezegd nieuwe bevoegdheden en verplichtingen, waaronder het vaststellen van zogeheten ‘warmtekavels’, waarvoor zij vervolgens een warmtebedrijf aanwijzen. Dit warmtebedrijf moet in beginsel een publiek meerderheidsbelang hebben. Daardoor wordt het voor gemeenten relevant om zelf, al dan niet samen met andere partijen, warmtebedrijven op te richten (zie ook onze eerdere blog over publiek aandeelhouderschap en de rol van marktpartijen onder de Wcw). De Wgiw: Instrumenten voor gemeentelijke regie Op grond van de Wgiw kan het college in een programma beslissen over de verduurzamingsstrategie voor de gebouwde omgeving (aardgasvrij). Vervolgens kan de gemeenteraad het omgevingsplan wijzigen. Meer concreet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen terzake het uitsluiten van het gebruik van gas als warmtevoorziening binnen een (warmtetransitie)gebied, voor zover die locatie in een (verplicht) warmteprogramma is opgenomen (artikel 5.131a Bkl). Daarvoor wordt onder omstandigheden het verbod op “het aan regels binden van het transporteren en het leveren van gas in het belang van de energievoorziening door de gemeenteraad” (artikel 62 Gaswet, artikel 6.8 Energiewet) buiten toepassing verklaard.   Het warmteprogramma: richtinggevend en zelfbindend Het begint echter met het hiervoor genoemde verplichte warmteprogramma. De Wgiw wijzigt (artikel 3.6 van) de Omgevingswet, waardoor het warmteprogramma een van de verplichte programma’s wordt die een gemeente moet opstellen. Als gezegd moeten gemeenten uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma vaststellen (artikel 10.19a1 Ob). Dat programma moet vervolgens elke vijf jaar worden geactualiseerd. Het warmteprogramma is gericht op verduurzaming van de warmtevoorziening van bestaande gebouwen en, voor zover relevant, de energievoorziening voor milieubelastende activiteiten. De gemeente dient in het warmteprogramma per wijk het tijdspad voor verduurzaming te beschrijven en de verschillende warmtealternatieven in beeld te brengen. Instructieregels in dit verband zijn opgenomen in artikel 4.32 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het is in onze ogen van cruciaal belang om in aanmerking te nemen dat het warmteprogramma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en dat het alleen het college zelf bindt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Er is echter geen juridische koppeling tussen bijvoorbeeld het warmteprogramma en de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie. Het is niet zo dat een omgevingsvisie moet worden aangepast als een programma wordt gewijzigd of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten kunnen worden ingezet. Ook is de gemeenteraad bij vaststelling van het omgevingsplan als uitgangspunt niet gebonden aan het programma, vanwege het karakter daarvan. Tóch kan de gemeenteraad geen (warmtetransitie)gebied in een omgevingsplan aanwijzen als het college van burgemeester en wethouders dit niet eerder in een programma heeft opgenomen. Kortom, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hebben elkaar hard nodig als het gaat om de warmtetransitie. Hoewel het college het programma vaststelt, is afstemming met de gemeenteraad zinvol. De raad kan vooraf geïnformeerd worden, om advies gevraagd worden, of betrokken worden via de omgevingsvisie door daarin de hoofdlijnen van het programma op te nemen. Dit voorkomt problemen bij de aanwijzing van transitiegebieden in omgevingsplannen. Conclusie De Wcw en de Wgiw geven gemeenten een centrale rol in de warmtetransitie. Met het warmteprogramma als beleidsmatig instrument kunnen gemeenten gericht sturen op de verduurzaming van de lokale warmtevoorziening. Tijdige voorbereiding en goede afstemming binnen de gemeente zijn cruciaal om de transitie succesvol te laten verlopen. Contact Wil je meer weten over de Wcw, Wgiw of het warmteprogramma? Neem contact op met Marije van der Hoek, Matti Smit, Michelle de Rijke of een van onze andere energie specialisten.