21 april 2026

Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?

21 april 2026

Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.  

Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.  
 
Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.   

Het prioriteringskader  

Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.  
 
Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.  

Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2] 

In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:  

  1. congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen; 
  2. veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening;
  3. basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]  

Woningbouwprojecten  

Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.  

Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.  

Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.  

Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.
 
Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend. 
 
Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.   

Conclusie 

De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting. 

Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro. 

Referenties

[1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’.

[2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’).

[3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.

Auteur
mr. M. (Michelle) de Rijke

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerder aanvragen van netcapaciteit: staat jouw project op tijd op de lijst?
De afgelopen weken heeft een groot aantal gemeenten een beleidsregel “Eerder aanvragen” vastgesteld. Via deze beleidsregel geven gemeenten invulling aan hun bevoegdheid om al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw of onderwijshuisvesting aan te vragen. Komt jouw woningbouw- of onderwijsproject vóór 1 oktober a.s. niet op een zogenoemde volgordelijst, dan sluit je achteraan in de rij voor een aansluiting op het elektriciteitsnet.   Eind april 2026 publiceerde ik al een blog en zelfs een video over de beëindiging van het automatisch reserveren van capaciteit op het elektriciteitsnet voor kleinverbruikers. Indertijd was duidelijk dat vanaf 1 oktober a.s. gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) de mogelijkheid zouden krijgen al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw   aan te vragen.  Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze stond nog niet vast en zou worden uitgewerkt.    De afgelopen weken heeft een groot aantal gemeenten een beleidsregel “Eerder aanvragen” vastgesteld. Onder andere Den Haag, Zoetermeer, Delft, Rijswijk en Rotterdam. Iedere beleidsregel kent zijn eigen nuances, maar alle beleidsregels werken naar dezelfde deadline toe. Het college van burgemeester en wethouders moet vóór 1 oktober a.s. een bestuursverklaring indienen bij de systeembeheerder (voorheen netbeheerder), al dan niet aan de hand van een volgordelijst. Staat jouw project niet op de volgordelijst, dan kan de gemeente weliswaar in de periode daarna nog prioriteit aanvragen, maar kom je volgens het huidige juridisch kader na alle projecten op de volgordelijst.  De komende dagen staat in een groot aantal gemeenten de mogelijkheid open om bij de systeembeheerder een verzoek in te dienen tot plaatsing van een project op een zogenoemde volgordelijst. Komt jouw project onverhoopt niet op de (voorlopige) lijst dan staat slechts een kort geding, al dan niet in combinatie met in sommige gemeenten een soort klachtprocedure open. Wil je dit voorkomen, check dan nu direct of jouw gemeente een beleidsregel heeft vastgesteld.   Juridisch kader  De artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabellen 3 en 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026 voorzien in de mogelijkheid voor gemeenten om vroegtijdig prioriteit aan te vragen voor o.a. woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting bij de systeembeheerder. Het verzoeken om prioriteit bij de toekenning van transportcapaciteit aan de systeembeheerder door de gemeente kwalificeert niet als een aanvraag aan een bestuursorgaan om een besluit te nemen maar als een privaatrechtelijke rechtshandeling.   Gemeenten moeten bij het aanvragen van prioriteit bij de toekenning van transportcapaciteit een volgorde bepalen van woningbouwprojecten en onderwijslocaties en stellen hiervoor in de praktijk vaak volgordelijsten op. Het opstellen van die lijsten is niet in de Systeemcode voorgeschreven en berust ook overigens niet op een publiekrechtelijke grondslag. Het is een middel van gemeenten om hun aanvraag bij de systeembeheerder transparant, objectief en non-discriminatoir tot stand te laten komen. De beleidsregels stellen de rangschikkingscriteria vast, beschrijven de aanvraagprocedure en borgen de gelijke behandeling van gemeentelijke en andere projecten.  Op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet is het college bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Het college kan conform artikel 4:81 lid 1 en artikel 1:3, lid 3 Awb beleidsregels vaststellen omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van haar bevoegdheid ook als dat een privaatrechtelijke bevoegdheid is.  Komt een project niet op de volgordelijst dan staat voor een teleurgestelde projectontwikkelaar slechts een kortgedingprocedure open, al dan niet in combinatie met in sommige gemeenten een of andere vorm van een klachtprocedure. Contact  Heeft u vragen over de beleidsregel ‘Eerder aanvragen’, de gemeentelijke volgordelijst of de rechtsbescherming wanneer een project niet wordt opgenomen? Neem contact op met Marije van der Hoek of Michelle de Rijke. 
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen. Waar ging de zaak over? De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving. Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver. De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren. Wat is het oordeel van de rechtbank? Uitsluiting terecht Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver. De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure. Belang voor de praktijk Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk. Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.
Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie en onderlinge samenwerking: geen aansluiting, wel een oplossing
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Het probleem van netcongestie[1] raakt zowel grootverbruikers van elektriciteit als woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen in gebieden waar het stroomnet vol is komen op een wachtlijst terecht, die conform het landelijke prioriteringskader wordt afgewerkt. Het verkrijgen van een aansluiting kan daardoor soms jaren duren. Deze belemmering voor elektrificatie, uitbreiding en verduurzaming leidt geregeld tot juridische procedures met systeembeheerders (voorheen: netbeheerders). In eerdere blogs schreven wij over de gevolgen van netcongestie op woningbouw en over praktische handvatten voor bedrijven die tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Naast individuele maatregelen, biedt de Energiewet ook mogelijkheden om netcongestie in samenwerkingsverband op te lossen. In plaats van wachten op een eigen aansluiting, kan er bijvoorbeeld één met de buren worden gedeeld. Dit blog behandelt drie vormen van samenwerking die een oplossing kunnen bieden in de situatie waarin niet iedere betrokken partij over een eigen (toereikende) aansluiting beschikt. Aan bod komen (1) de directe lijn, (2) cable pooling en (3) het gesloten systeem. In het geval bedrijven wel beschikken over een eigen grootverbruikaansluiting, kunnen zij door middel van een groepstransportovereenkomst (GTO) transportcapaciteit delen. Over deze samenwerkingsvorm schreven wij in een eerder blog. De directe lijn Bij een directe lijn levert één (grote) opwekker van elektriciteit direct aan één of meerdere eindafnemers. De Energiewet kent twee verschijningsvormen: Een volledig geïsoleerde elektriciteitsverbinding, waarbij zowel de productie-installatie als de aangesloten eindafnemer(s) géén aansluiting hebben op het openbare net. Een verbinding tussen de productie-installatie en de eindafnemer(s), waarbij ten hoogste één van de betrokken partijen (producent of eindafnemer) een netaansluiting op het openbare net heeft. Kortom: bij de situatie van een directe lijn is er altijd een directe verbinding tussen twee of meer partijen, maar er is slechts één producent en ten hoogste één installatie die verbonden is met het openbare net. De directe lijn leent zich goed voor situaties waarin een producent zijn overtollige opwek rechtstreeks wil leveren aan één of meer afnemers in zijn directe nabijheid, zonder daarbij gebruik te maken van het openbare net. Daarmee wordt het stroomnet grotendeels omzeild. De keerzijde is dat het gebruik van een directe lijn structureel is: als de opwek onvoldoende is, heeft de afnemer zonder een eigen netaansluiting geen back-up via het openbare net. In de praktijk komen directe lijnen vooral voor op industrieterreinen en bij grote producenten. Op grond van artikel 3.9 Energiewet is een producent verplicht energielevering via een directe lijn te melden bij de ACM. Deze meldplicht geldt voor beide verschijningsvormen. De melding wordt ingediend via het meldformulier van de ACM, waarna de directe lijn wordt opgenomen in het openbare ACM-register. Registratie betekent niet dat de ACM de kwalificatie als directe lijn inhoudelijk heeft beoordeeld of goedgekeurd. Cable pooling Meerdere partijen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, gebruik maken van één aansluiting om hun opwek-, opslag- en/of verbruiksinstallaties op het openbare net aan te sluiten. Het gebruik van een gezamenlijke aansluiting wordt ook wel cable pooling genoemd. Voor cable pooling is vereist dat: De verschillende installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden[2]; De eigenaren gezamenlijk één aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met de systeembeheerder sluiten; De aansluitcapaciteit van de gedeelde aansluiting minimaal 100 kVA bedraagt; en De verschillende installaties verdeeld zijn over maximaal 4 percelen (WOZ-objecten). Het idee van cable pooling is dat de betrokken partijen ‘gecombineerd exploiteren’ door het gezamenlijk contracteren met leveranciers en onderlinge transparantie over het gebruik van de gedeelde aansluiting, vastgelegd in een cable pooling-overeenkomst. De samenwerking mag niet zo worden ingericht dat er feitelijk sprake is van levering van de ene deelnemer aan de andere. In dat geval functioneert de gedeelde aansluiting als een gesloten systeem, waarvoor strengere erkenningsvereisten gelden. Om cable pooling te realiseren, moeten de betrokken partijen zich eerst wenden tot de systeembeheerder. Hier dienen zij gezamenlijk een aanvraag in voor een gedeelde aansluiting en sluiten zij samen één ATO af. Vervolgens dient de cable pooling-constructie te worden gemeld bij de ACM, onder overlegging van de gezamenlijke ATO, een overzicht van de kadastrale percelen en de onderlinge contractuele afspraken tussen de deelnemende partijen. Het gesloten systeem Een gesloten systeem is een eigen elektriciteitsnetwerk binnen een afgebakend geografisch gebied. Op dit gesloten systeem wordt door de beheerder stroom getransporteerd naar individuele afnemers die zijn aangesloten op dit gesloten elektriciteitsnet. Het gesloten systeem is via één aansluiting ook verbonden met het openbare net. In tegenstelling tot cable pooling biedt het gesloten systeem de mogelijkheid om daadwerkelijk elektriciteit te leveren tussen de aangesloten afnemers, zonder dat dit als verboden leveringsactiviteit kwalificeert. De Energiewet kent twee verschijningsvormen van een gesloten systeem: Het bedrijfs- of productieproces van de aangeslotenen op het systeem is om specifieke redenen geïntegreerd met het systeem; of Het systeem is primair bedoeld om energie te transporteren ten behoeve van de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen. Een gesloten systeem is geschikt voor locaties waar sprake is van technische, organisatorische of functionele verbinding, bijvoorbeeld op industriële en/of commerciële locaties of locaties met gedeelde diensten. Voorbeelden zijn (lucht)havens, bedrijvenparken, productiecomplexen of universiteitscampussen. Voor het exploiteren van een gesloten systeem is op grond van artikel 3.6 en 3.7 Energiewet een erkenning van de ACM vereist. Bij verlening van de erkenning wordt het gesloten systeem opgenomen in het openbare register van de ACM. Conclusie: de juiste structuur vraagt maatwerk Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de specifieke situatie: de locatie, het type bedrijven, de aanwezige aansluitcapaciteit en de gewenste mate van onderlinge energie-uitwisseling. Behoefte aan juridisch advies over oplossingen voor netcongestie? Neem gerust contact op met de specialisten van Team Energie bij La Gro. [1] Het kan voorkomen dat er op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het stroomnet om aan de vraag/het aanbod naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. [2] Onmiddellijke nabijheid wordt vooral bepaald doordat het voor de partijen economisch voordelig is om een aansluiting te delen. Zie ook de zienswijze van de ACM
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Jan Borman
Jan Borman
Advocaat
Huurders kunnen verduurzaming door woningcorporatie niet zomaar blokkeren
Woningcorporaties met concrete plannen om te verduurzamen, kunnen daarbij niet altijd maar  door huurders worden tegengehouden. Toestemming van huurders voor die verduurzaming is namelijk niet altijd nodig. Een recent vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2026 onderstreept dit.[1] De kantonrechter oordeelde dat huurders niet kunnen tegenhouden dat de betreffende woningcorporatie, zonder eerst 70%-instemming af te wachten, hun complex aansluit op een warmtenet en daarvoor werkzaamheden in de huurwoningen uitvoert. Als woningcorporaties hun woningen moéten verduurzamen, moet de huurder daartoe gelegenheid geven en bij verzet kan de woningcorporatie medewerking afdwingen. Het uitvoeren van verduurzamingswerkzaamheden kan op basis van dit vonnis dus eenvoudiger zijn dan woningcorporaties soms denken. In dit blog schetsen wij hoe woningcorporaties dit vonnis kunnen benutten om de verduurzamingsopgave te versnellen, een en ander met de kanttekening dat de gekozen route juridisch zorgvuldig moet worden voorbereid. Wettelijk stelsel Huurders moeten op basis van de wet meewerken aan: renovatie op basis van een redelijk voorstel (artikel 7:220 lid 2 BW); dringende werkzaamheden van de verhuurder (artikel 7:220 lid 1 BW). Onder ‘renovatie’ wordt kortweg verstaan: vernieuwing van de huurwoning door (fysieke) veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot toeneemt.[2] Voor de ‘dringende werkzaamheden’ is relevant dat het niet slechts gaat om een bouwkundige noodzaak, maar meer om werk dat niet zonder extra kosten, schade of ander nadeel kan worden uitgesteld, bijvoorbeeld doordat het leidt tot mislopen van subsidie of ander financieel of fiscaal voordeel. Anders dan bij renovatie zijn dringende werkzaamheden niet primiair gericht op een toename van het woongenot. Bij een renovatie moet de verhuurder eerst een redelijk voorstel doen aan de huurders. Bij renovatie van tien of meer woningen kan gebruik worden gemaakt van een wettelijk vermoeden van redelijkheid als 70% of meer van de huurders met het voorstel instemt.[3] Indien verhuizing door de renovatiewerkzaamheden noodzakelijk is, dienen verhuurders een tegemoetkoming in de verhuiskosten (en inrichtingskosten) te doen of een tijdelijke volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking te stellen aan de huurder.[4] Het label ‘renovatiewerkzaamheden’ kan dus in bepaalde gevallen nadelig zijn, omdat het tot de nodige vertraging kan leiden en met de nodige kosten gemoeid gaat. De categorie ‘dringende werkzaamheden’ is in dat opzicht gunstiger. Dan hoeft geen redelijk voorstel te worden gedaan, bepaalt de wet dat de huurder moét meewerken aan uitvoering daarvan en hoeft de huurder niet tegemoet te worden gekomen.[5] Maar, wanneer kan de verhuurder gebruikmaken van die mogelijkheid en wat zijn de gevolgen van het volgen van de route van ‘dringende werkzaamheden’? Die vraag lag onder andere voor in het recente vonnis van 10 april 2026. Het vonnis van 10 april 2026 De woningcorporatie Woonwaard wilde haar appartementencomplex van het gas af hebben en aansluiten op een warmtenet (van HVC), door gasaansluitingen in woningen af te sluiten, cv-ketels te vervangen door afleversets voor warmte, radiatoren te vervangen en een extra groep aan te leggen in de meterkast voor koken op inductie. Woonwaard meende dat deze werkzaamheden waren te beschouwen als dringende werkzaamheden. De kantonrechter volgt Woonwaard hierin en overweegt daartoe – kort samengevat – als volgt. De energiebesparende maatregelen van Woonwaard verhogen weliswaar het wooncomfort van huurders, maar zijn (toch) niet te beschouwen als een renovatie, omdat niet iedere werkzaamheid die leidt tot toename van wooncomfort, een renovatie is. Als de aansluitingswerkzaamheden moeten worden gezien als een voor Woonwaard noodzakelijke maatregel, die niet zonder nadeel voor Woonwaard kan worden uitgesteld, zijn het dringende werkzaamheden. En precies dat is hier het geval, zo oordeelt de kantonrechter, omdat Woonwaard zich aan duurzaamheidsdoelstellingen heeft gecommitteerd en afspraken heeft gemaakt over het aardgasvrij-maken van woningen. De werkzaamheden zijn noodzakelijk om die doelstellingen en verplichtingen na te komen. De reden om ze uit te voeren is niet het vermeerderen van wooncomfort voor haar huurders, zodat geen sprake is van een renovatie. De verduurzamingswerkzaamheden zijn, in de woorden van de kantonrechter, geen keuze voor Woonwaard. Woonwaard is daartoe daadwerkelijk gehouden, op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, het eigen duurzaamheidsbeleid, de Warmtevisie en bindende prestatieafspraken die zij als woningcorporatie heeft gemaakt (in een overeenkomst) met de gemeente. Om haar doelen en afspraken te halen en na te komen is het noodzakelijk dat alle bewoners in het complex meedoen aan de werkzaamheden, zodat het gehele pand kan worden aangesloten op het warmtenet. Naast dit nadeel lijdt Woonwaard ook een aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel door de blokkerende huurders, omdat daardoor subsidie wordt misgelopen en Woonwaard extra kosten moet maken doordat zij het werk niet als één project en in één aaneengesloten stroom voor alle bewoners kan uitvoeren. Kortom, de werkzaamheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter dringend en betreffen geen renovatie. Woonwaard hoeft daarom geen redelijk voorstel te doen en huurders worden door de kantonrechter bevolen om mee te werken. De betekenis voor de praktijk Het vonnis biedt voor woningcorporaties (en andere verhuurders) belangrijke inzichten. Ten eerste: niet iedere werkzaamheid, met toename van het woongenot tot gevolg, betreft een renovatie (hetgeen vaak wordt gedacht). Ten tweede: als werkzaamheden aantoonbaar noodzakelijk zijn om concrete verplichtingen, termijnen of (financiële) randvoorwaarden te halen – denk aan prestatieafspraken, uitvoeringsafspraken met gemeente/ketenpartners, subsidievoorwaarden en projectmatige uitvoerbaarheid – kan dat de route van dringende werkzaamheden dragen. Dringendheid kan immers ook voortvloeien uit het vermijden van (toekomstige) hoge kosten of het mislopen van subsidie of fiscaal voordeel. De ‘dringendheid’ van verduurzaming zal in de praktijk vaker op tafel komen naarmate verplichtingen en prikkels om te verduurzamen concreter worden. In de Nationale prestatieafspraken (gesloten tussen Aedes, VNG, Woonbond en de minister voor VRO) is afgesproken dat woningcorporaties de komende jaren ruim 675.000 bestaande woningen moeten verduurzamen. Tegelijkertijd heeft de energieprestatie steeds meer directe financiële betekenis, doordat slechte energielabels (E, F en G) in het woningwaarderingsstelsel tot minder punten leiden en gemeenten daarop kunnen handhaven. Voor woningcorporaties betekent dit dat het concrete nadeel van de verduurzamingsmaatregelen (financieel, organisatorisch, contractueel, subsidie-technisch) steeds beter concreet te maken is. Betekent dit dat aansluitwerkzaamheden bij warmtenetten door woningcorporaties altijd kunnen worden afgedwongen? Nee. Als naast noodzakelijke aansluitwerkzaamheden ook maatregelen worden meegenomen die (primair) zijn gericht op verbetering van het woongenot of kwaliteitsverbetering, zoals isolatie of HR++-glas, dan zullen die maatregelen als renovatiewerkzaamheden blijven gelden. Kernvraag blijft: kan uitstel van de werkzaamheden voor de verhuurder een concreet nadeel opleveren (dan zijn ze dringend), of gaat het vooral om verbetering (dan zijn het renovatiewerkzaamheden)? Overigens is het toepassen van de route van dringende werkzaamheden niet zaligmakend. Een belangrijk nadeel van toepassing van de dringende werkzaamheden-route is dat achteraf altijd het risico bestaat dat wordt geoordeeld dat (een deel van) voorgenomen werkzaamheden door de verhuurder toch op renovatie neerkomen. Dan moet de verhuurder alsnog een redelijk voorstel doen en gaat kostbare tijd verloren. Een bezwaar kan ook zijn dat bij het onverkort toepassen van deze route de verhuurder een dwingende houding kan worden verweten en dat het draagvlak voor verhuurdersbeslissingen in het complex afneemt. Om dit bezwaar (in ieder geval deels) te ondervangen is het belangrijk om helder en transparant te blijven communiceren naar huurders. Dat houdt in dat het belangrijk is om huurders te informeren over de aard, doel en gevolgen van de werkzaamheden.  Conclusie Kortom, het vonnis biedt zeker perspectief voor woningcorporaties, maar het blijft wel opletten voor woningcorporaties. Zodra de voorgenomen werkzaamheden in feite alleen nog maar zien op wooncomfort-verbetering en niet meer op het moeten veranderen van het ene verwarmingssysteem (gasgestookte verwarming en warm water) door het andere (alles via het warmtenet), omdat verhuurder anders nadeel ondervindt, gaat de route van dringende werkzaamheden niet op. Bovendien moeten woningcorporaties nadenken over de risico’s die bij het volgen van de route van dringende werkzaamheden blijven bestaan. Vragen over dit onderwerp of weten hoe de werkzaamheden het beste kunnen worden ingericht om verdere vertraging te voorkomen? Neem gerust contact op met ons team van Energierecht en Huurrecht. [1] Rechtbank Noord-Holland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3806. [2] Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726 (Portaal I), r.o. 3.4.2 [3] Zie artikel 7:220 lid 3 BW. Belangrijk hierbij is dat de 70%-norm een positieve instemmingseis is: de verhuurder moet aantonen dat 70% daadwerkelijk (actief) heeft ingestemd; het is niet voldoende dat minder dan 30% bezwaar maakt. [4] Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:493. [5] Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek.