Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.
De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel.
Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).
Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig. In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen.
Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.