Netcongestie: aansluiting geweigerd. En nu?

Als de netbeheerder niet binnen een redelijke termijn voorziet in een aansluiting en ruimte op deze aansluiting, dan kun je de gang naar de rechter overwegen. Ook zijn er tal van alternatieve energieoplossingen mogelijk. Denk hierbij aan cable pooling, een directe lijn of een gesloten systeem.

Lees hier meer over netcongestie

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie: van blokkade naar businesscase
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Staatssecretaris De Bat schrijft op 21 april aan de Tweede Kamer dat het stroomnet in de stad Utrecht en de omliggende regio zo vol is dat aanvragen voor nieuwe of verzwaarde aansluitingen tijdelijk moeten worden uitgesteld. Van een ‘vol’ net is sprake wanneer op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is om aan de vraag naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. Het probleem van netcongestie speelt in vrijwel heel Nederland en raakt niet alleen grootverbruikers. Per 1 juli 2026 geldt het landelijke prioriteringskader voor aansluitingen ook voor woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen komen daardoor op een wachtlijst terecht. Netcongestie vormt daarmee een brede belemmering voor elektrificatie, bouw en verduurzaming. Tegelijkertijd bestaan er nog juridische en praktische mogelijkheden om hiermee om te gaan. Dit blog biedt eerst een aantal praktische handvatten voor bedrijven die nu of binnenkort tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Daarna worden de mogelijkheden besproken voor onderlinge samenwerking tussen bedrijven.    Stap 1: Weet wat u heeft gecontracteerd De eerste stap is contractueel. Iedere aansluiting op het stroomnet is vastgelegd in een aansluit- en transportovereenkomst (ATO). In dit contract is vastgelegd hoeveel elektriciteit mag worden afgenomen en/of teruggeleverd. In de praktijk blijkt hier soms meer ruimte in te zitten dan gedacht. Een goed startpunt is daarom om het huidige en toekomstige verbruik te vergelijken met de contractuele capaciteit. Stap 2: Bespaar, verschuif en produceer zelf Wanneer de behoefte groter is dan de contractuele ruimte, kan worden gekeken naar het aanpassen van deze behoefte en het slimmer benutten van de contractuele ruimte. Bijvoorbeeld door investering in door de overheid erkende energiebesparende maatregelen met een korte terugverdientijd, het verschuiven van verbruik naar dalmomenten (eventueel via een geautomatiseerd energiemanagementsysteem (EMS)) en de inzet van eigen opwek en opslag achter de meter, bijvoorbeeld via zonnepanelen en een batterij.     Stap 3: Flexibele contracten en andere congestiemaatregelen Naast het reguliere transportecht (gegarandeerd 24/7 beschikbaarheid), bestaan flexibele contractvormen. Deze flexibele ATO’s voorzien in alternatieve transportrechten voor grootverbruikers (aansluiting > 3x80A) en zijn ondersteunend aan slimmere benutting van het elektriciteitsnet. Alternatieve transportrechten zijn beschikbaar voor zowel bestaande als nieuwe klanten van systeembeheerders (voorheen: netbeheerder). Daarom kan bij de derde stap worden gekeken of een project inpasbaar is binnen de voorwaarden van een alternatief transportrecht. Voorbeelden hiervan zijn:   TDTR: Tijdsduurgebonden Transportrecht (TDTR) is beschikbaar voor grootverbruikers die rechtstreeks zijn aangesloten op het hoogspanningsnet. Met een TDTR-contract heeft de aangeslotene recht op zijn gecontracteerde transportcapaciteit gedurende minimaal 85% van de uren per jaar. In de overige 15% van de uren kan TenneT, bijvoorbeeld bij verwachte piekbelasting, (gedeeltelijke) beperkingen opleggen. Blokstroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens bepaalde tijdsblokken over transportrechten; Reststroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens beschikbare capaciteit over transportrechten. Naast alternatieve transportrechten kunnen ook congestiemaatregelen als instrument dienen ter bestrijding van netcongestie. Voorbeelden van congestiemaatregelen zijn: CBC: een capaciteitsbeperkingscontract (CBC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin wordt geregeld dat een aangeslotene voor een bepaald tijdstip en een bepaalde periode afziet van het volledige gebruik van zijn overeengekomen aansluit- en transportcapaciteit. Het is ook mogelijk om met een aantal bedrijven gezamenlijk een CBC te sluiten (Groeps-CBC); CSC: een capaciteitssturingscontract (CSC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin afspraken worden gemaakt over extra invoeding of extra afname tijdens piekmomenten om het net tijdens deze momenten te ontlasten.   Congestiemaatregelen worden aanvullend op de ATO overeengekomen en kennen specifieke voorwaarden. Het gebruik van alternatieve transportrechten en/of congestiemaatregelen kan een (aanvullende) korting of financiële vergoeding opleveren.              Onderlinge samenwerking Als individuele maatregelen onvoldoende opleveren, kan worden onderzocht of samenwerking met andere bedrijven uitkomst biedt. Er zijn verschillende vormen van samenwerking waarvoor niet noodzakelijk is dat alle bedrijven over een eigen aansluiting op het net beschikken. Gedacht kan worden aan een gesloten systeem, een directe lijn en cable pooling. Deze specifieke mogelijkheden bespreken wij in een opvolgend blog. Wanneer partijen al over een eigen aansluiting beschikken maar willen uitbreiden, kunnen zij overwegen om gezamenlijk oplossingen te organiseren voor netcongestie. Hierbij kan worden gedacht aan het afsluiten van een Groeps-CBC, het vormen van een Energiehub of het aangaan van een groepstransportovereenkomst (GTO). De laatste twee worden hieronder kort toegelicht. De Energiehub Een Energiehub is een lokale samenwerking waarin opwek, opslag en verbruik worden afgestemd om netcapaciteit optimaal te benutten. Juridisch bestaat een Energiehub uit meerdere afspraken tussen partijen, waaronder over capaciteitsverdeling en energiemanagement. Op grond van de Energiewet kan een Energiehub worden vormgegeven via energiedelen of peer-to-peer handel. Energiedelen is een administratieve toedeling van gelijktijdig opgewekte (en geleverde) en verbruikte (of opgeslagen) energie. Voor energiedelen is geen fysieke verbindingskabel nodig tussen de samenwerkende bedrijven. De systeembeheerder registreert per kwartier het volume dat door de energiegever wordt gedeeld, en geeft dit door aan de energieleverancier. De leverancier zorgt er vervolgens voor dat dit volume in gelijke mate wordt toegekend aan de energieontvanger. Voor nu geldt de verplichting dat de samenwerkende partijen dezelfde energieleverancier hebben. Peer-to-peer-handel (P2P) is fysieke levering via het net zonder het vereiste van gelijktijdigheid van opwek en verbruik. De leverende partij draagt in dit geval zelf de leveringsverantwoordelijkheid ten opzichte van de afnemende partij. Dat betekent concreet dat de leverende partij óf zelf moet leveren (en daartoe met de afnemer een leveringsovereenkomst moet sluiten) of tegen betaling een marktpartij bereid moet vinden daarin voor de deelnemer te voorzien. Groepstransportovereenkomst Binnen een Energiehub kunnen bedrijven met een eigen grootverbruikaansluiting ook een groepstransportovereenkomst (GTO) sluiten om gezamenlijk transportcapaciteit te delen. Vanaf 1 januari 2027 zijn systeembeheerders verplicht deze nieuwe contractvorm aan te bieden.   Conclusie Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging voor ondernemers in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er zowel op individueel niveau als in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Voor meer informatie of vragen hierover kunt u contact opnemen met het Energieteam van La Gro.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Redelijk aangesloten: wachttijden en de Elektriciteitswet
Netbeheerders zijn wettelijk verplicht om eenieder binnen een redelijke termijn aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Een redelijke termijn werd in de Elektriciteitswet 1998 gedefinieerd als 18 weken na de aanvraag hiertoe. Op 29 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich gebogen over deze deadline in een kwestie tussen netbeheerder Enexis en assemblagebedrijf ZT Netherlands en geoordeeld dat deze strijdig is met Europees recht. Het arrest geeft richting, maar vormt ook een duidelijke waarschuwing: wie de aansluitingstermijn als hard recht beschouwde, moet dat standpunt herzien. Wat betekent dit voor netbeheerders, bedrijven én de juridische praktijk? Juridische en maatschappelijke context van aansluittermijnen Volgens de Europese Elektriciteitsrichtlijn (artikel 59 lid 7 sub a Richtlijn 2019/944) mogen alleen onafhankelijke toezichthouders – in Nederland de ACM – aansluitvoorwaarden vaststellen. Deze exclusieve bevoegdheid van regulerende instanties werd door het Europese Hof van Justitie in 2020 en 2021 verduidelijkt. Juridisch gezien betekent dit dat een redelijke termijn voor een aansluiting moet worden vastgelegd in een netcodebesluit van de ACM en niet in een wet in formele zin zoals de Elektriciteitswet 1998. De wettelijke verankering van de 18-wekentermijn voor zowel klein- als grootverbruikers is op 21 februari 2025 geschrapt. In de praktijk was een overschrijding van dit termijn al de norm, dus of de wetswijziging impact heeft op de daadwerkelijke doorlooptijden is nog maar de vraag. Door een structureel tekort aan technici, een groei van het werkpakket en de noodzaak voor steeds complexere netontwerpen was de landelijk gemiddelde levertijd voor een grootverbruik aansluiting in 2020 volgens Enexis ongeveer 45 weken. Enexis versus ZT Netherlands In mei van 2020 vroeg ZT Netherlands na een verhuizing een grootverbruiksaansluiting aan bij netbeheerder Enexis. Vanwege de langere doorlooptijden schakelde ZT zelf dieselaggregaten in om de werkzaamheden voor te zetten. Toen de aansluiting na 25 weken rond was – zeven weken later dan de wettelijke termijn – eiste ZT vergoeding van Enexis. In een tussenvonnis gaf de rechtbank Oost-Brabant ZT gelijk. De termijn was overschreden, dus Enexis handelde onrechtmatig. Het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Enexis werd door de rechtbank opzij geschoven, omdat Enexis voortvarender te werk had kunnen gaan met het voorkomen van schade bij ZT Netherlands. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch draaide het vonnis in hoger beroep volledig terug. De belangrijkste punten: De 18-wekentermijn is in strijd met het Europees recht. Doordat de termijn is vastgelegd in de Elektriciteitswet 1998 en niet in een besluit van de ACM, kan Enexis de termijn juridisch niet laten toetsen – en dat is in strijd met het recht op toegang tot een rechter (artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de EU). De termijn van 25 weken is ‘redelijk’ onder de omstandigheden. Het hof kijkt naar de gemiddelde aansluittermijnen in 2020 (35 weken), het type aansluiting, en de capaciteitsproblemen bij Enexis en oordeelt dat de aansluiting van ZT zelfs relatief snel is verlopen. First come, first served In het slot van het arrest wijdt het Gerechtshof nog een opmerkelijke overweging aan het first come, first served-beleid dat netbeheerders voeren bij het verwerken van openstaande verzoeken. Hierin is een duidelijke lijn te lezen: “First come, first served” is een redelijk en verdedigbaar uitgangspunt, tenzij de aanvrager concreet bewijst dat er sprake is van een uitzonderlijke urgentie. Met die overweging lijkt het Gerechtshof een fundamentele koers te kiezen: de lat voor afwijking van wachtrijbeleid bij aansluitingsverzoeken ligt hoog. Conclusie Het Gerechtshof creëert duidelijkheid omtrent de aansluittermijnen en de mogelijke aansprakelijkheid van netbeheerders. Hoewel het expliciete recht op aansluiting binnen 18 weken niet langer in de Elektriciteitswet 1998 is opgenomen, blijft er wél een wettelijke aansluitplicht bestaan. De beoordeling of een netbeheerder tijdig heeft aangesloten, vindt nu plaats aan de hand van een ‘redelijke termijn’. Wat als redelijk wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Dit arrest behoudt daarmee zijn relevantie, zowel voor aansprakelijkheidskwesties met betrekking tot de periode vóór 2025 als voor toekomstige discussies over netcapaciteit, bijvoorbeeld in het kader van congestie en netuitbreiding. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met het Energie team van La Gro. Wij denken graag met u mee!