Over Rachel

Rachel de Jong werkt sinds 2025 als advocaat bij La Gro en is verbonden aan de sectie Commerciële Contracten en Commercial Litigation. Haar werkzaamheden bestaan onder meer uit het opstellen van en het adviseren over diverse soorten (internationale) commerciële contracten en het adviseren over contractrechtelijke vraagstukken.

Specialisaties

  • Commercieel contractenrecht en commercial litigation
  • Procesrecht

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2025, Universiteit Leiden, Master Civiel recht
  • 2023, Boston University, LLM American Law (uitwisselingsstudent)
Contactgegevens
mr. R.G. (Rachel) de Jong

Advocaat

Commercieel Contractenrecht en Commercial Litigation

Artikelen van Rachel

Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Update Franchise #6 Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Achteraf betalen is vooraf informeren
Online shoppen en het gebruik van achteraf-betaaldiensten zijn niet meer weg te denken uit het hedendaagse handelsverkeer. Voor consumenten betekent dit gemak en flexibiliteit, maar voor ondernemingen brengt het een complex juridisch speelveld met zich. In zijn arrest van 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008 gaat de Hoge Raad onder meer in op de informatieverplichtingen voor aanbieders van consumentenkrediet. In hun bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2025/66) bespreken Mariëlle Broekman en Rachel de Jong dit arrest in het licht van de algemene precontractuele informatieverplichtingen. Meer weten over het informeren van consumenten bij het aangaan van contracten? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.”
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Online contracteren met consumenten: vergeet de informatieverplichting niet!
Ondernemers opgelet: sluit u online overeenkomsten met consumenten? Dan heeft u waarschijnlijk te maken met een ‘overeenkomst op afstand’. Dit brengt voor de ondernemer strenge informatieverplichtingen met zich mee. Uit recente uitspraken blijkt dat ondernemers zich vaak niet bewust zijn van deze wettelijke informatieverplichting, wat grote financiële gevolgen kan hebben. Zo kan het ertoe leiden dat een consument niets hoeft te betalen voor de geleverde diensten. Hieronder leest u wat u minimaal moet regelen en waar het in de praktijk vaak misgaat. Wanneer is sprake van een overeenkomst op afstand? Een overeenkomst op afstand is een overeenkomst die tussen ondernemer en consument wordt gesloten zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid, en waarbij tot het moment van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand (art. 6:230g lid 1e BW). Een overeenkomst wordt ook als overeenkomst op afstand beschouwd wanneer de consument de verkoopruimte wel heeft bezocht, maar daar enkel informatie over de goederen en/of diensten heeft vergaard, waarna de onderhandeling over – en het sluiten van de overeenkomst op afstand plaatsvinden. Of sprake is van een overeenkomst op afstand is, onder andere, afhankelijk van of de overeenkomst in persoon is besproken. Dit blijkt onder andere uit twee uitspraken uit 2024, die beiden gaan over een overeenkomst tussen een kinderdagverblijf en een ouder. In beide gevallen is de ouder op het kinderdagverblijf geweest voor een rondleiding en een kennismakingsgesprek. In beide gevallen komt de overeenkomst een aantal dagen later op digitale wijze tot stand. In de ene zaak wordt geoordeeld dat géén sprake was van een overeenkomst op afstand, omdat tijdens de rondleiding de overeenkomst en algemene voorwaarden inhoudelijk waren doorgenomen (ECLI:NL:GHDHA:2024:836). In de andere zaak was het wél een overeenkomst op afstand, omdat op de locatie van het kinderdagverblijf niet over de overeenkomst was gesproken en alles vervolgens online was afgewikkeld (ECLI:NL:RBNHO:2024:13499). Doorslaggevend was in deze gevallen dus of de overeenkomst in persoon was besproken vóór het sluiten van de overeenkomst. Welke informatieverplichtingen gelden voor de ondernemer? Bij een overeenkomst van afstand rusten specifieke informatieverplichtingen op de ondernemer (art. 6:230m lid 1 en 6:230v lid 3 BW). De rechter zal ambtshalve toetsen of aan deze informatieverplichtingen is voldaan.   Zo dient de ondernemer de consument bijvoorbeeld te informeren over: de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten; de identiteit en het adres (+ contactgegevens) van de ondernemer; de totale prijs van de zaken of diensten; de door te berekenen kosten voor het sluiten van de overeenkomst op afstand (bijv. administratiekosten); de wijze en termijn van betaling en levering; de duur van de overeenkomst; het recht en de wijze van ontbinding (herroepingsrecht); en diens rechten bij non-conformiteit. Naast de verplichting om bovenstaande informatie te verschaffen, schrijft de wet ook voor op welke wijze deze informatie moet worden verschaft. De informatie moet aan de consument worden verschaft op een manier die passend is voor het gebruikte communicatiemiddel (art. 6:230m lid 3 BW). Zo kan in een webshop de informatie op een andere manier getoond worden dan bijvoorbeeld via een e-mail of portal. Cruciaal is dat de essentiële informatie in duidelijke en begrijpelijke taal wordt verstrekt. Voorts geldt voor specifieke informatie (zoals de totale prijs van de zaken of diensten, de duur van de overeenkomst en de verplichtingen voor de consument) dat deze vlak vóór het sluiten van de overeenkomst op een duidelijk en in het oog springende manier moet worden getoond aan de consument (6:230v lid 2 BW). Kort na het sluiten van de overeenkomst moet de verschafte informatie worden bevestigd op een ‘duurzame gegevensdrager’, wat inhoudt dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen inzien en bewaren, bijvoorbeeld een e-mail of pdf. Daarbij geldt wel dat ook voorafgaand aan de overeenkomst deze informatie moet zijn verschaft en dat de ondernemer de consument expliciet en concreet moet wijzen op waar die informatie staat. Het enkel opnemen van de essentiële voorwaarden in de algemene voorwaarden of op de website van de ondernemer is niet voldoende. Sancties bij schending informatieverplichting Bij een voldoende ernstige schending van de informatieplichten moet de rechter een sanctie toepassen, zo volgt uit de wet en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad. De sancties die worden toegepast zijn niet mals en kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de ondernemer. Voor enkele verplichtingen zijn specifieke sancties opgenomen in de wet: Is de consument niet op onmisbare wijze geïnformeerd over de betalingsverplichting die het plaatsen van de bestelling tot gevolg heeft, dan is de overeenkomst vernietigbaar. Kosten die niet vooraf duidelijk zijn vermeld, zoals kosten van terugzending, is de consument niet verschuldigd. Is niet voldaan aan de verplichting om een consument te informeren over diens herroepingsrecht van veertien dagen, wordt de termijn van herroeping verlengd. De consument krijgt dan vanaf het moment dat alle benodigde informatie is verstrekt, alsnog een termijn van veertien dagen, waarbij geldt dat de totale termijn maximaal verlengd wordt tot een periode van één jaar (art. 6:230o lid 2 BW). Als binnen de verlengde herroepingstermijn de overeenkomst wordt herroepen, is de consument geen vergoeding verschuldigd voor de geleverde diensten of voor de waardevermindering van het geleverde goed. In de zaak van het kinderdagverblijf waren de ouders niet gewezen op het herroepingsrecht. Tot een jaar na het sluiten van de overeenkomsten konden de ouders de overeenkomst nog herroepen. Als gevolg van de herroeping waren zij voor de geleverde diensten voor de duur van bijna een jaar geen kosten verschuldigd. Oftewel: de ouders hoefden niet te betalen voor de opvang van hun kinderen en het kinderdagverblijf heeft bijna een jaar lang ‘gratis’ diensten geleverd, omdat zij bij het sluiten van de overeenkomst niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan. Wanneer de bovenstaande specifieke wettelijke sancties niet worden toegepast of de overige informatieplichten zijn geschonden, geldt dat rechters als sanctie de overeenkomst (gedeeltelijke) kunnen vernietigen, met substantiële vermindering van de hoofdsom. De rechtbanken in Nederland hebben hiervoor de Richtlijn Sanctiemodel Informatieplichten opgesteld. Daaruit blijkt hoe meer essentiële informatieplichten zijn geschonden, hoe meer de hoofdsom kan worden verminderd, met ten minste 20% vanaf één schending, en ten hoogste 60% bij meer dan drie schendingen. Aanbevelingen Als ondernemer is het van belang in kaart te brengen via welke kanalen u contracteert en of daarbij sprake is van een overeenkomst op afstand. Let daarbij op dat ook wanneer consumenten op locatie zijn geweest, alsnog sprake kan zijn van een overeenkomst op afstand. De ondernemer dient op te hoogte te zijn van de informatieverplichtingen die gelden bij een dergelijke overeenkomst en hoe de informatie duidelijk en volledig aan de consument kan worden verschaft, want de sancties zijn fors. Om te zorgen dat het naleven van informatieverplichtingen bij een overeenkomst op afstand in orde is, zou bijvoorbeeld het bestelproces gestandaardiseerd kunnen worden, of kan een standaard set aan documenten opgesteld worden die een consument ontvangt bij het aangaan van de overeenkomst. Heeft u vragen over dit onderwerp, twijfelt u of u op de juiste manier aan de informatieverplichting voldoet of wilt u advies over het standaardiseren van uw bestelproces? Neem dan contact op met Rachel de Jong, Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Dwaling aan de Rotterdam School of Management
Op dwaling wordt regelmatig in en buiten rechte een beroep gedaan. Daarbij is vaak de reikwijdte van de mededelingsplicht van de andere partij onderwerp van discussie. In haar bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2025/11), die zij samen met Rachel de Jong heeft geschreven, bespreekt Mariëlle Broekman het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:165. In dit arrest gaat de Hoge Raad onder meer in op de vraag hoe ver volgens de verkeersopvattingen de mededelingsplicht van de Rotterdam School of Management strekte bij het aanbieden van de deeltijd master bedrijfskunde. Uit dit arrest volgt dat een algemene verwijzing naar de eigen website(s) niet voldoende is. Om de kans van een geslaagd beroep op dwaling te minimaliseren, zal relevante informatie op een directe wijze verstrekt moeten worden. Dat kan nog steeds met een hyperlink naar een website, maar dan moet in het begeleidende bericht zo uitgelegd worden welke informatie op die website te vinden is dat de ontvanger begrijpt waarom die informatie van belang is. Ook zal de hyperlink moeten leiden naar de webpagina waarop die informatie staat (en dus niet naar een homepage), zodat de ontvanger de relevante informatie niet zelf bij elkaar hoeft te zoeken. En uiteraard moet de informatie op die webpagina duidelijk zijn. Meer weten over dwaling en de mededelingsplicht bij het aangaan van contracten? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Blijvende onmogelijkheid: vaak vergeten
Het verbintenissenrecht kent de hoofdregel pacta sunt servanda – afspraken moeten worden nagekomen. Worden afspraken niet nagekomen, dan bestaan er een aantal bekende juridische remedies. Daaronder vallen de plicht voor de schuldenaar tot het vergoeden van de schade of het recht van de schuldeiser om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Menig jurist verbindt deze remedies direct met het vereiste van verzuim, al dan niet na het zenden van een ingebrekestelling aan de schuldenaar. Vaak wordt echter over het hoofd gezien dat de verzuimregeling niet altijd van toepassing is. Wanneer sprake is van blijvende onmogelijkheid kan direct aanspraak worden gemaakt op schadevergoeding of tot ontbinding worden overgegaan. Verzuim van de schuldenaar is dan niet vereist. Tekortkoming en verzuim Een tekortkoming in de nakoming van een opeisbare verbintenis geeft de wederpartij in beginsel recht op schadevergoeding (artikel 6:74 BW) en/of de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:265 BW). In de regel is hiervoor vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert. Verzuim treedt in wanneer nakoming uitblijft nadat de schuldenaar in gebreke is gesteld (artikel 6:82 BW). De wet beschrijft daarnaast enkele gevallen waarin verzuim van rechtswege intreedt, bijvoorbeeld ingeval van een fatale termijn (artikel 6:83 BW). De gedachte achter het vereiste van verzuim is dat de schuldenaar de kans moet krijgen om de op hem rustende verplichting (alsnog) na te komen. In een ingebrekestelling dient derhalve een redelijke termijn aan de schuldenaar te worden gegund waarbinnen de schuldenaar nog kan nakomen. Pas wanneer duidelijk is dat de schuldenaar zijn verplichting niet meer zal nakomen of wanneer van de schuldeiser niet kan worden gevergd dat hij nog langer op nakoming wacht, is er ruimte voor schadevergoeding of ontbinding. Blijvende onmogelijkheid: geen verzuim nodig Er bestaan ook situaties waarin het bieden van een extra kans om na te komen geen nut heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als nakoming blijvend onmogelijk is. Dan hoeft de schuldenaar niet in gebreke gesteld te worden of om een andere reden in verzuim te zijn en kan direct worden overgegaan tot het eisen van schadevergoeding of tot ontbinding. Artikel 6:74 lid 2 en artikel 6:265 lid 2 BW bepalen namelijk dat verzuim vereist is voor zover de nakoming niet blijvend onmogelijk is. Bij blijvende onmogelijkheid bestaat het recht op schadevergoeding of ontbinding zonder meer. Zo wordt de hoofdverbintenis tot nakoming bij blijvende onmogelijkheid van rechtswege omgezet in een verbintenis tot het betalen van schadevergoeding, zonder dat een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW benodigd is. Specifiek komt dus in het geval van blijvende onmogelijkheid géén werking toe aan de verzuimtitel en is dus schadevergoeding verschuldigd of kan de overeenkomst ontbonden worden zonder verzuim van de schuldenaar. Wat is blijvende onmogelijkheid? Of sprake is van blijvende onmogelijkheid is niet altijd eenvoudig te herkennen. In de kern gaat het om gevallen waarin de oorspronkelijk toegezegde prestatie niet meer kan worden verricht en herstel of een alternatieve wijze van nakoming geen reële optie biedt. Uit de jurisprudentie volgt dat één van de meest voorkomende gevallen van blijvende onmogelijkheid ziet op gevolgschade na gebrekkige nakoming van een verbintenis. Wanneer de schuldenaar die eerst ondeugdelijk heeft gepresteerd later alsnog deugdelijk nakomt, dan kan de schuldeiser als gevolg van het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade hebben geleden die hij niet zou hebben geleden als meteen deugdelijk was gepresteerd. Die schade wordt niet door de vervangende prestatie weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet voor herstel vatbaar en is nakoming blijvend onmogelijk Een klassiek voorbeeld is de levering van een besmette koe die de rest van de veestapel aansteekt. Deugdelijke nakoming in de zin van een koe leveren die niet is besmet, maakt niet alle schade ongedaan. Het leed is immers al geschied en de besmetting van de andere koeien wordt met het leveren van de gezonde koe niet weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet meer voor herstel vatbaar en is de nakoming blijvend onmogelijk. De schade als gevolg van de bestemming van de andere koeien, komt zonder meer – oftewel zonder verzuim van de schuldenaar – voor vergoeding in aanmerking. Andere voorbeelden van blijvende onmogelijk zijn: De schuldenaar beschikt niet meer over het voorwerp van de verbintenis. Als eens schuldenaar een uniek object moet leveren, maar hierover ten tijde van de levering niet meer beschikt, is nakoming blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als een uniek schilderij voor de levering is verbrand. Een verplichting ‘om niet te doen’ en/of een voortdurende verplichting wordt niet nageleefd. Als een schuldenaar een verbintenis niet nakomt waarvan een tekortkoming uit het verleden niet ongedaan gemaakt kan worden door later alsnog na te komen, is nakoming voor wat betreft die ‘tekortkoming uit het verleden’, blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als in strijd met de verplichting om geen geluidsoverlast te veroorzaken, toch geluidsoverlast is veroorzaakt. Een ondeugdelijke prestatie is niet meer te herstellen. Wanneer een prestatie niet beantwoord aan de overeenkomst en herstel ook niet mogelijk is, dan is nakoming blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als een woning wordt geleverd zonder de toegezegde vergunning en later blijkt dat die vergunning niet verkregen kunnen worden. Blijvende onmogelijkheid in de praktijk In de praktijk wordt slechts sporadisch een beroep wordt gedaan op ‘blijvende onmogelijkheid’. En als dat al gebeurt, dan meer dan eens met een verkeerde weergave van het wettelijk systeem door gebruik van zinsneden als: “Ingevolge artikel 6:74 lid 2 BW treedt verzuim in zonder ingebrekestelling indien nakoming blijvend onmogelijk is”. Verzuim is ingeval van blijvende onmogelijkheid juist niet vereist. Toch biedt de blijvende onmogelijkheid belangrijke voordelen. Wanneer een schuldeiser zich succesvol op blijvende onmogelijkheid beroept, kan bijvoorbeeld een ingebrekestelling en het afwachten van een redelijke termijn voor nakoming worden overgeslagen. De schuldeiser kan dus sneller aanspraak maken op schadevergoeding of overgaan tot ontbinding. Juridische discussies over verzuim kunnen daarnaast vermeden worden. Conclusie De ‘blijvende onmogelijkheid’ verdient meer aandacht binnen de rechtspraktijk. Hoewel de wet en jurisprudentie duidelijke kaders bieden, wordt er in de praktijk zelden een beroep op gedaan. Dit is een gemiste kans, aangezien het beroep op blijvende onmogelijkheid in bepaalde gevallen kan leiden tot een snellere en efficiëntere afwikkeling van geschillen. Meer weten over blijvende onmogelijkheid, het ontbinden van overeenkomsten of het krijgen van een schadevergoeding? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.