Over Sophie

Sophie is sinds 2024 werkzaam als advocaat bij La Gro in de sectie Commerciële Contracten & Commercial Litigation. Sophie houdt zich onder meer bezig met het opstellen en beoordelen van overeenkomsten en het procederen en adviseren over tal van contractrechtelijke vraagstukken.

Sophie is enthousiast, doortastend en betrokken. Zij grijpt juridisch complexe zaken met beide handen aan en weet door haar scherpe blik snel tot de kern van een geschil te komen.

Specialisaties

  • Commercieel contractenrecht
  • Procesrecht 

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2024, Universiteit Leiden, Master Civiel recht  
  • 2022, Universiteit Leiden, Master Notarieel recht  
  • 2020, Universiteit Leiden, Bachelor Notarieel recht
  • 2019, Universiteit Leiden, Bachelor Rechtsgeleerdheid 

Publicaties

  • Annotatie bij Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763, JIN 2025/89 (onderscheid aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid bij opzegging duurovereenkomst)
Contactgegevens
mr. S.A. (Sophie) ten Broecke

Advocaat
Commerciële Contracten | Commercial Litigation

Artikelen van Sophie ten Broecke

La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Update Franchise #4 Franchisenemer vs. De Pizzabakkers: omzetprognoses bij franchiseovereenkomst
Op 10 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6829) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak tussen een franchisenemer en de Pizzabakkers (franchisegever). De franchisenemer dacht goud in handen te hebben met een pizzafranchise door de omzetprognoses die de franchisegever voor het sluiten van de overeenkomst had verstrekt. De werkelijkheid blijkt niet zo rooskleurig en de franchisenemer dat hij gedwaald heeft bij het sluiten van de overeenkomst en dat de Pizzabakkers onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld vanwege te optimistische prognoses. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling of van onrechtmatig handelen. Achtergrond De franchisenemer had in 2019 een franchiseovereenkomst gesloten met De Pizzabakkers voor de exploitatie van een vestiging in Amsterdam. Vooraf kreeg hij een financieringsmodel met omzetprognoses, een vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning en historische omzetten van de voorganger. Het onderzoek van Bureau Stedelijke Planning bevatte een omzetraming, onderbouwd met een analyse van onder meer de locatie, potentiële klanten en concurrentie. Toch bleven de daadwerkelijke omzetten structureel achter bij de prognoses. In 2023 laat de Pizzabakkers weten dat de franchiseovereenkomst niet zal worden voortgezet vanwege tegenvallende resultaten. De franchisenemer stelt dat de vestigingsplaats “inherent niet rendabel is” en dat de Pizzabakkers dat had moeten weten. Zo zou de vestiging te klein zijn, het terras te groot – waardoor de omzet sterk seizoensgebonden is – en zijn de door de Pizzabakkers in rekening gebrachte kosten te hoog. Op basis daarvan beroept de franchisenemer zich op dwaling en stelt hij dat de Pizzabakkers onrechtmatig heeft gehandeld. De franchisenemer vordert bijna acht ton aan schadevergoeding. Was de locatie inherent onrendabel? De rechtbank gaat niet mee met het betoog van franchisenemer. Dat de geprognotiseerde omzet niet is gehaald, maakt op zichzelf nog niet dat de locatie inherent onrendabel is of dat de prognoses ondeugdelijk waren. De rechter legt veel gewicht op het vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning. Volgens dat bureau was het wél mogelijk om op de locatie een rendabel pizzarestaurant te exploiteren en dat daarbij niet alleen naar de ligging, maar ook naar de omvang van het pand, het terras en de seizoensgebondenheid is gekeken. De kern van het oordeel is dat de franchisenemer geen concrete aanknopingspunten aandraagt om de deugdelijkheid van dit onderzoek en de prognoses in twijfel te trekken. Deze uitspraak bevestigt de strenge lijn uit eerdere jurisprudentie over prognoses binnen franchiseverhoudingen. Zo oordeelde de Hoge Raad in de Paalman/Lampenier en Street One arresten al dat een franchisegever niet verplicht is om prognoses over winstverwachting te verstrekken, maar dat hij wél onrechtmatig kan handelen als hij weet dat een door hem gebruikt rapport ernstige fouten bevat en de franchisenemer daar niet op wijst, of als onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het rapport tot fouten leidt. Tegelijkertijd is duidelijk dat prognoses geen resultaatsgarantie vormen. De wetgever heeft in het kader van de franchisewet bovendien expliciet opgemerkt dat de precontractuele informatieplicht niet zover gaat dat informatie over de locatie een garantie moet bieden op het behalen van een bepaalde omzet of bedrijfsresultaat, juist omdat de omzet van veel meer factoren afhangt dan alleen de locatie. Conclusie Kortom: de drempel voor franchisenemer voor een geslaagd beroep op dwaling of een onrechtmatige daad gebaseerd op de door franchisegever verstrekte prognoses ligt hoog. Er ligt een duidelijke taak voor de franchisenemer in de precontractuele fase: kijk kritisch naar de aangeleverde rapporten en schakel zo nodig een eigen deskundige in om de prognoses vast te stellen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Duurovereenkomsten en opzegtermijnen: tijdig contracten herzien is cruciaal!
Werk je al jaren samen met een vaste partij en heb je bij aanvang van de samenwerking een duurovereenkomst opgesteld? Dan is het verstandig om deze overeenkomst eens kritisch tegen het licht te houden. Past de overeenkomst nog bij de huidige situatie, of is de overeenkomst inmiddels achterhaald? Een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:763) onderstreept het belang van het tijdig herzien van overeenkomsten. Sophie ten Broecke en Pieter van Deurzen schreven een annotatie bij het genoemde arrest (JIN 2025/89), waarin zij de rol van de redelijkheid en billijkheid bij duurovereenkomsten toelichten. Waar ging de zaak over? Twee transportbedrijven werkten jarenlang samen met pakketvervoerder DPD. De samenwerking werd steeds intensiever, maar de contracten bleven ongewijzigd. Aan het begin van de samenwerking zijn partijen een opzegtermijn van slechts één maand overeengekomen. Na verloop van tijd breidden de samenwerkingen steeds meer uit en werden de transportbedrijven steeds afhankelijker van hun werkzaamheden voor DPD. Na samenwerkingen van respectievelijk acht en 11 jaar zegt DPD de overeenkomsten op, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand. De transportbedrijven stellen zich op het standpunt dat deze opzegtermijn niet meer redelijk is, gezien de lange en geïntensiveerde samenwerking. Partijen leggen het geschil voor aan de rechter. Het gerechtshof past de contractuele opzegtermijn van één maand aan en acht een langere opzegtermijn van drie maanden redelijk, gelet op de toegenomen omvang van de samenwerking sinds het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad fluit het hof terug. Het hof past namelijk een verkeerde wettelijke maatstaf toe. De Hoge Raad overweegt dat een contractuele opzegtermijn niet zomaar kan worden aangepast via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan een contractuele regeling niet terzijde stellen volgens de Hoge Raad. Om een contractuele bepaling terzijde te stellen moet je immers een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). In dat geval geldt het onaanvaardbaarheidscriterium. Het hof had dus moeten toetsen of de contractuele opzegtermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit is een zwaar criterium waar het hof niet aan voorbij had mogen gaan. Rechters moeten terughoudend omgaan met het terzijde stellen van een contractuele regeling, dus dat maakt het des te belangrijker om overeenkomsten tussentijds te beoordelen. Waarom is deze uitspraak zo belangrijk? Bedrijven werken vaak langdurig samen, waarbij de samenwerking kan veranderen of intensiveren. Het is dan essentieel om te controleren of de contractuele afspraken nog aansluiten bij de huidige situatie. Anders loop je het risico dat je bij de beëindiging van de samenwerking vastzit aan een opzegtermijn die geen recht doet aan de huidige situatie en die de rechter niet zomaar kan aanpassen. Dit arrest illustreert dat het niet herzien van overeenkomsten kan leiden tot nadelige gevolgen; de oorspronkelijke contractuele regeling blijft van kracht. Goed contractmanagement is daarom essentieel. Praktische lessen voor ondernemers Contracten zijn leidend: de contractuele opzegtermijn blijft in beginsel van kracht, ook bij een veranderende of geïntensiveerde samenwerking; Herzie contracten tijdig: evalueer periodiek of de afspraken nog passen bij de huidige situatie; Voorkom verrassingen: laat je adviseren, want een rechter kan de contractuele afspraken niet altijd corrigeren. Contact Wil je een duurovereenkomst laten beoordelen of aanpassen, of heb je advies nodig over de opzegging van een duurovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke, Pieter van Deurzen of een van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Online contracteren met consumenten: vergeet de informatieverplichting niet!
Ondernemers opgelet: sluit u online overeenkomsten met consumenten? Dan heeft u waarschijnlijk te maken met een ‘overeenkomst op afstand’. Dit brengt voor de ondernemer strenge informatieverplichtingen met zich mee. Uit recente uitspraken blijkt dat ondernemers zich vaak niet bewust zijn van deze wettelijke informatieverplichting, wat grote financiële gevolgen kan hebben. Zo kan het ertoe leiden dat een consument niets hoeft te betalen voor de geleverde diensten. Hieronder leest u wat u minimaal moet regelen en waar het in de praktijk vaak misgaat. Wanneer is sprake van een overeenkomst op afstand? Een overeenkomst op afstand is een overeenkomst die tussen ondernemer en consument wordt gesloten zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid, en waarbij tot het moment van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand (art. 6:230g lid 1e BW). Een overeenkomst wordt ook als overeenkomst op afstand beschouwd wanneer de consument de verkoopruimte wel heeft bezocht, maar daar enkel informatie over de goederen en/of diensten heeft vergaard, waarna de onderhandeling over – en het sluiten van de overeenkomst op afstand plaatsvinden. Of sprake is van een overeenkomst op afstand is, onder andere, afhankelijk van of de overeenkomst in persoon is besproken. Dit blijkt onder andere uit twee uitspraken uit 2024, die beiden gaan over een overeenkomst tussen een kinderdagverblijf en een ouder. In beide gevallen is de ouder op het kinderdagverblijf geweest voor een rondleiding en een kennismakingsgesprek. In beide gevallen komt de overeenkomst een aantal dagen later op digitale wijze tot stand. In de ene zaak wordt geoordeeld dat géén sprake was van een overeenkomst op afstand, omdat tijdens de rondleiding de overeenkomst en algemene voorwaarden inhoudelijk waren doorgenomen (ECLI:NL:GHDHA:2024:836). In de andere zaak was het wél een overeenkomst op afstand, omdat op de locatie van het kinderdagverblijf niet over de overeenkomst was gesproken en alles vervolgens online was afgewikkeld (ECLI:NL:RBNHO:2024:13499). Doorslaggevend was in deze gevallen dus of de overeenkomst in persoon was besproken vóór het sluiten van de overeenkomst. Welke informatieverplichtingen gelden voor de ondernemer? Bij een overeenkomst van afstand rusten specifieke informatieverplichtingen op de ondernemer (art. 6:230m lid 1 en 6:230v lid 3 BW). De rechter zal ambtshalve toetsen of aan deze informatieverplichtingen is voldaan.   Zo dient de ondernemer de consument bijvoorbeeld te informeren over: de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten; de identiteit en het adres (+ contactgegevens) van de ondernemer; de totale prijs van de zaken of diensten; de door te berekenen kosten voor het sluiten van de overeenkomst op afstand (bijv. administratiekosten); de wijze en termijn van betaling en levering; de duur van de overeenkomst; het recht en de wijze van ontbinding (herroepingsrecht); en diens rechten bij non-conformiteit. Naast de verplichting om bovenstaande informatie te verschaffen, schrijft de wet ook voor op welke wijze deze informatie moet worden verschaft. De informatie moet aan de consument worden verschaft op een manier die passend is voor het gebruikte communicatiemiddel (art. 6:230m lid 3 BW). Zo kan in een webshop de informatie op een andere manier getoond worden dan bijvoorbeeld via een e-mail of portal. Cruciaal is dat de essentiële informatie in duidelijke en begrijpelijke taal wordt verstrekt. Voorts geldt voor specifieke informatie (zoals de totale prijs van de zaken of diensten, de duur van de overeenkomst en de verplichtingen voor de consument) dat deze vlak vóór het sluiten van de overeenkomst op een duidelijk en in het oog springende manier moet worden getoond aan de consument (6:230v lid 2 BW). Kort na het sluiten van de overeenkomst moet de verschafte informatie worden bevestigd op een ‘duurzame gegevensdrager’, wat inhoudt dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen inzien en bewaren, bijvoorbeeld een e-mail of pdf. Daarbij geldt wel dat ook voorafgaand aan de overeenkomst deze informatie moet zijn verschaft en dat de ondernemer de consument expliciet en concreet moet wijzen op waar die informatie staat. Het enkel opnemen van de essentiële voorwaarden in de algemene voorwaarden of op de website van de ondernemer is niet voldoende. Sancties bij schending informatieverplichting Bij een voldoende ernstige schending van de informatieplichten moet de rechter een sanctie toepassen, zo volgt uit de wet en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad. De sancties die worden toegepast zijn niet mals en kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de ondernemer. Voor enkele verplichtingen zijn specifieke sancties opgenomen in de wet: Is de consument niet op onmisbare wijze geïnformeerd over de betalingsverplichting die het plaatsen van de bestelling tot gevolg heeft, dan is de overeenkomst vernietigbaar. Kosten die niet vooraf duidelijk zijn vermeld, zoals kosten van terugzending, is de consument niet verschuldigd. Is niet voldaan aan de verplichting om een consument te informeren over diens herroepingsrecht van veertien dagen, wordt de termijn van herroeping verlengd. De consument krijgt dan vanaf het moment dat alle benodigde informatie is verstrekt, alsnog een termijn van veertien dagen, waarbij geldt dat de totale termijn maximaal verlengd wordt tot een periode van één jaar (art. 6:230o lid 2 BW). Als binnen de verlengde herroepingstermijn de overeenkomst wordt herroepen, is de consument geen vergoeding verschuldigd voor de geleverde diensten of voor de waardevermindering van het geleverde goed. In de zaak van het kinderdagverblijf waren de ouders niet gewezen op het herroepingsrecht. Tot een jaar na het sluiten van de overeenkomsten konden de ouders de overeenkomst nog herroepen. Als gevolg van de herroeping waren zij voor de geleverde diensten voor de duur van bijna een jaar geen kosten verschuldigd. Oftewel: de ouders hoefden niet te betalen voor de opvang van hun kinderen en het kinderdagverblijf heeft bijna een jaar lang ‘gratis’ diensten geleverd, omdat zij bij het sluiten van de overeenkomst niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan. Wanneer de bovenstaande specifieke wettelijke sancties niet worden toegepast of de overige informatieplichten zijn geschonden, geldt dat rechters als sanctie de overeenkomst (gedeeltelijke) kunnen vernietigen, met substantiële vermindering van de hoofdsom. De rechtbanken in Nederland hebben hiervoor de Richtlijn Sanctiemodel Informatieplichten opgesteld. Daaruit blijkt hoe meer essentiële informatieplichten zijn geschonden, hoe meer de hoofdsom kan worden verminderd, met ten minste 20% vanaf één schending, en ten hoogste 60% bij meer dan drie schendingen. Aanbevelingen Als ondernemer is het van belang in kaart te brengen via welke kanalen u contracteert en of daarbij sprake is van een overeenkomst op afstand. Let daarbij op dat ook wanneer consumenten op locatie zijn geweest, alsnog sprake kan zijn van een overeenkomst op afstand. De ondernemer dient op te hoogte te zijn van de informatieverplichtingen die gelden bij een dergelijke overeenkomst en hoe de informatie duidelijk en volledig aan de consument kan worden verschaft, want de sancties zijn fors. Om te zorgen dat het naleven van informatieverplichtingen bij een overeenkomst op afstand in orde is, zou bijvoorbeeld het bestelproces gestandaardiseerd kunnen worden, of kan een standaard set aan documenten opgesteld worden die een consument ontvangt bij het aangaan van de overeenkomst. Heeft u vragen over dit onderwerp, twijfelt u of u op de juiste manier aan de informatieverplichting voldoet of wilt u advies over het standaardiseren van uw bestelproces? Neem dan contact op met Rachel de Jong, Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Dealercontracten Stellantis: geen uniforme formule, geen franchise!
Kwalificeren de overeenkomsten die fabrikant Stellantis met dealers en reparateurs van verschillende automerken (waaronder Citroën, Opel, DS en Peugeot) sloot als franchiseovereenkomsten? Deze vraag stond centraal in een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam. Deze kwalificatie kan grote gevolgen hebben voor de wettelijke bescherming die de autodealers en reparateurs in dit geval toekomt. Het hof beantwoordt de vraag, net zoals de rechtbank, afwijzend: er is geen sprake van een uniforme formule, dus geen franchiseovereenkomst. Wat is een franchiseovereenkomst? De franchiseovereenkomst is een bijzondere overeenkomst die sinds 2021 wordt geregeld in de Wet franchise. De Wet franchise beoogt de franchisenemers als zwakkere partij te beschermen. Dit uit zich in de uitgebreide informatieverplichting die nu op franchisegevers rust en aanzienlijke rechten, zoals instemmingsrechten, die franchisenemers toekomen. Om deze wettelijke bescherming te krijgen, moet de overeenkomst kwalificeren als franchiseovereenkomst. Daarbij moet volgens de wet (artikel 7:911 BW) aan de volgende elementen worden voldaan: Het moet gaan om een overeenkomst waarbij de franchisegever aan de franchisenemer: tegen vergoeding; het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor; de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten. Hoewel partijen in deze zaak de overeenkomsten als ‘distributieovereenkomst’ hadden bestempeld, gaat het bij de kwalificatie niet om de benaming of titel die partijen voor hun overeenkomst hanteren, maar om de concrete invulling van de overeenkomst door partijen.   Kernpunt: de franchiseformule De kern van franchise is dat de franchisegever een franchiseformule heeft en hij franchisenemer het recht geeft en de verplichting oplegt om hun onderneming te exploiteren volgens deze franchiseformule. Kenmerkend voor de franchiseformule is dat deze bepalend is voor de uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen. Een franchiseformule omvat in ieder geval: een handelsmerk, model of handelsnaam, huisstijl of tekening en knowhow. Hof Amsterdam: geen franchiseformule In deze zaak heeft Stellantis in de overeenkomsten aan de dealers het niet-exclusieve recht toegekend om tegen bepaalde voorwaarden nieuwe voertuigen van de merken Opel, Peugeot, DS en Citroën te verkopen, waarbij de dealers aan allerlei eisen moeten voldoen, waaronder eisen voor de inkoop en verkoop van de producten en werkprocessen. Voor de reparateurs geldt dat zij als ‘erkend’ reparateur garantie-, onderhouds- , en reparatiewerkzaamheden mochten uitvoeren. Het Hof sluit niet uit dat er dealers tussen zitten die het dealerschap uitoefenen conform voorschriften van Stellantis en hun bedrijf exploiteren conform een zekere uniforme uitstraling, maar dat met name bij een aantal grote dealers hier geen sprake van is. De grote dealers zijn (regionaal) bekend om hun eigen naam en reputatie en opereren voor hun klanten met een eigen identiteit die ze presenteren op hun websites. Deze identiteit is niet primair verbonden met – of afhankelijk van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald merk van Stellantis. Ook zijn er dealers die dealerschappen hebben buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis. Het gaat deze bedrijven niet zozeer om een bepaalde formule die ze willen exploiteren, maar om de auto’s en accessoires die zij willen verkopen, aldus het hof. Het hof concludeert dat er geen sprake is van franchiseovereenkomsten, vanwege het gebrek aan een uniforme franchiseformule. Dit geldt voor zowel de overeenkomsten met de dealers, als reparateurs. Selectieve distributie Het Hof kwalificeert de overeenkomsten als selectieve distributieovereenkomsten. Stellantis stelt namelijk criteria vast voor de selectie van de distributeurs (dealers en reparateurs), waaronder de verplichting om specialisten in dienst te nemen, bepaalde voorraadvereisten en de service na verkoop te verrichten volgens bepaalde normen. Een groot verschil tussen distributie en franchise is dat distributieovereenkomsten niet wettelijk worden geregeld. Daardoor komen distributeurs dus niet dezelfde wettelijke bescherming toe als franchisenemers. De kwalificatie van overeenkomsten kan dus grote invloed hebben op de onderlinge rechten en verplichtingen en de mate van bescherming die de wet jou biedt. Heb je vragen over jouw franchise- of distributieovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke.