Steven werkt sinds 2025 als advocaat in de praktijkgroepen Corporate en M&A en Energie. Hij begeleidt en adviseert bij uiteenlopende vraagstukken op het gebied van Ondernemingsrecht en Europees recht en hij is gespecialiseerd in juridische kwesties binnen de energiesector.

Specialisaties

  • Ondernemingsrecht
  • Energierecht
  • Staatssteun

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2024, Rijksuniversiteit Groningen, LLM in Ondernemingsrecht
  • 2022, Rijksuniversiteit Groningen, BSc in Bedrijfskunde
  • 2022, Rijksuniversiteit Groningen, LLB in Rechtsgeleerdheid
  • 2019, Norwegian School of Economics (NHH), Exchange student

 

Contactgegevens
mr. A.S. (Steven) Helmens

Advocaat

Corporate en M&A | Energie

Bel Steven Helmens

Artikelen van Steven

Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie en onderlinge samenwerking: geen aansluiting, wel een oplossing
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Het probleem van netcongestie[1] raakt zowel grootverbruikers van elektriciteit als woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen in gebieden waar het stroomnet vol is komen op een wachtlijst terecht, die conform het landelijke prioriteringskader wordt afgewerkt. Het verkrijgen van een aansluiting kan daardoor soms jaren duren. Deze belemmering voor elektrificatie, uitbreiding en verduurzaming leidt geregeld tot juridische procedures met systeembeheerders (voorheen: netbeheerders). In eerdere blogs schreven wij over de gevolgen van netcongestie op woningbouw en over praktische handvatten voor bedrijven die tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Naast individuele maatregelen, biedt de Energiewet ook mogelijkheden om netcongestie in samenwerkingsverband op te lossen. In plaats van wachten op een eigen aansluiting, kan er bijvoorbeeld één met de buren worden gedeeld. Dit blog behandelt drie vormen van samenwerking die een oplossing kunnen bieden in de situatie waarin niet iedere betrokken partij over een eigen (toereikende) aansluiting beschikt. Aan bod komen (1) de directe lijn, (2) cable pooling en (3) het gesloten systeem. In het geval bedrijven wel beschikken over een eigen grootverbruikaansluiting, kunnen zij door middel van een groepstransportovereenkomst (GTO) transportcapaciteit delen. Over deze samenwerkingsvorm schreven wij in een eerder blog. De directe lijn Bij een directe lijn levert één (grote) opwekker van elektriciteit direct aan één of meerdere eindafnemers. De Energiewet kent twee verschijningsvormen: Een volledig geïsoleerde elektriciteitsverbinding, waarbij zowel de productie-installatie als de aangesloten eindafnemer(s) géén aansluiting hebben op het openbare net. Een verbinding tussen de productie-installatie en de eindafnemer(s), waarbij ten hoogste één van de betrokken partijen (producent of eindafnemer) een netaansluiting op het openbare net heeft. Kortom: bij de situatie van een directe lijn is er altijd een directe verbinding tussen twee of meer partijen, maar er is slechts één producent en ten hoogste één installatie die verbonden is met het openbare net. De directe lijn leent zich goed voor situaties waarin een producent zijn overtollige opwek rechtstreeks wil leveren aan één of meer afnemers in zijn directe nabijheid, zonder daarbij gebruik te maken van het openbare net. Daarmee wordt het stroomnet grotendeels omzeild. De keerzijde is dat het gebruik van een directe lijn structureel is: als de opwek onvoldoende is, heeft de afnemer zonder een eigen netaansluiting geen back-up via het openbare net. In de praktijk komen directe lijnen vooral voor op industrieterreinen en bij grote producenten. Op grond van artikel 3.9 Energiewet is een producent verplicht energielevering via een directe lijn te melden bij de ACM. Deze meldplicht geldt voor beide verschijningsvormen. De melding wordt ingediend via het meldformulier van de ACM, waarna de directe lijn wordt opgenomen in het openbare ACM-register. Registratie betekent niet dat de ACM de kwalificatie als directe lijn inhoudelijk heeft beoordeeld of goedgekeurd. Cable pooling Meerdere partijen kunnen, onder bepaalde voorwaarden, gebruik maken van één aansluiting om hun opwek-, opslag- en/of verbruiksinstallaties op het openbare net aan te sluiten. Het gebruik van een gezamenlijke aansluiting wordt ook wel cable pooling genoemd. Voor cable pooling is vereist dat: De verschillende installaties zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden[2]; De eigenaren gezamenlijk één aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met de systeembeheerder sluiten; De aansluitcapaciteit van de gedeelde aansluiting minimaal 100 kVA bedraagt; en De verschillende installaties verdeeld zijn over maximaal 4 percelen (WOZ-objecten). Het idee van cable pooling is dat de betrokken partijen ‘gecombineerd exploiteren’ door het gezamenlijk contracteren met leveranciers en onderlinge transparantie over het gebruik van de gedeelde aansluiting, vastgelegd in een cable pooling-overeenkomst. De samenwerking mag niet zo worden ingericht dat er feitelijk sprake is van levering van de ene deelnemer aan de andere. In dat geval functioneert de gedeelde aansluiting als een gesloten systeem, waarvoor strengere erkenningsvereisten gelden. Om cable pooling te realiseren, moeten de betrokken partijen zich eerst wenden tot de systeembeheerder. Hier dienen zij gezamenlijk een aanvraag in voor een gedeelde aansluiting en sluiten zij samen één ATO af. Vervolgens dient de cable pooling-constructie te worden gemeld bij de ACM, onder overlegging van de gezamenlijke ATO, een overzicht van de kadastrale percelen en de onderlinge contractuele afspraken tussen de deelnemende partijen. Het gesloten systeem Een gesloten systeem is een eigen elektriciteitsnetwerk binnen een afgebakend geografisch gebied. Op dit gesloten systeem wordt door de beheerder stroom getransporteerd naar individuele afnemers die zijn aangesloten op dit gesloten elektriciteitsnet. Het gesloten systeem is via één aansluiting ook verbonden met het openbare net. In tegenstelling tot cable pooling biedt het gesloten systeem de mogelijkheid om daadwerkelijk elektriciteit te leveren tussen de aangesloten afnemers, zonder dat dit als verboden leveringsactiviteit kwalificeert. De Energiewet kent twee verschijningsvormen van een gesloten systeem: Het bedrijfs- of productieproces van de aangeslotenen op het systeem is om specifieke redenen geïntegreerd met het systeem; of Het systeem is primair bedoeld om energie te transporteren ten behoeve van de eigenaar van het systeem of daarmee verwante ondernemingen. Een gesloten systeem is geschikt voor locaties waar sprake is van technische, organisatorische of functionele verbinding, bijvoorbeeld op industriële en/of commerciële locaties of locaties met gedeelde diensten. Voorbeelden zijn (lucht)havens, bedrijvenparken, productiecomplexen of universiteitscampussen. Voor het exploiteren van een gesloten systeem is op grond van artikel 3.6 en 3.7 Energiewet een erkenning van de ACM vereist. Bij verlening van de erkenning wordt het gesloten systeem opgenomen in het openbare register van de ACM. Conclusie: de juiste structuur vraagt maatwerk Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Welke oplossing het meest geschikt is, hangt af van de specifieke situatie: de locatie, het type bedrijven, de aanwezige aansluitcapaciteit en de gewenste mate van onderlinge energie-uitwisseling. Behoefte aan juridisch advies over oplossingen voor netcongestie? Neem gerust contact op met de specialisten van Team Energie bij La Gro. [1] Het kan voorkomen dat er op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het stroomnet om aan de vraag/het aanbod naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. [2] Onmiddellijke nabijheid wordt vooral bepaald doordat het voor de partijen economisch voordelig is om een aansluiting te delen. Zie ook de zienswijze van de ACM
Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie: van blokkade naar businesscase
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Staatssecretaris De Bat schrijft op 21 april aan de Tweede Kamer dat het stroomnet in de stad Utrecht en de omliggende regio zo vol is dat aanvragen voor nieuwe of verzwaarde aansluitingen tijdelijk moeten worden uitgesteld. Van een ‘vol’ net is sprake wanneer op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is om aan de vraag naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. Het probleem van netcongestie speelt in vrijwel heel Nederland en raakt niet alleen grootverbruikers. Per 1 juli 2026 geldt het landelijke prioriteringskader voor aansluitingen ook voor woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen komen daardoor op een wachtlijst terecht. Netcongestie vormt daarmee een brede belemmering voor elektrificatie, bouw en verduurzaming. Tegelijkertijd bestaan er nog juridische en praktische mogelijkheden om hiermee om te gaan. Dit blog biedt eerst een aantal praktische handvatten voor bedrijven die nu of binnenkort tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Daarna worden de mogelijkheden besproken voor onderlinge samenwerking tussen bedrijven.    Stap 1: Weet wat u heeft gecontracteerd De eerste stap is contractueel. Iedere aansluiting op het stroomnet is vastgelegd in een aansluit- en transportovereenkomst (ATO). In dit contract is vastgelegd hoeveel elektriciteit mag worden afgenomen en/of teruggeleverd. In de praktijk blijkt hier soms meer ruimte in te zitten dan gedacht. Een goed startpunt is daarom om het huidige en toekomstige verbruik te vergelijken met de contractuele capaciteit. Stap 2: Bespaar, verschuif en produceer zelf Wanneer de behoefte groter is dan de contractuele ruimte, kan worden gekeken naar het aanpassen van deze behoefte en het slimmer benutten van de contractuele ruimte. Bijvoorbeeld door investering in door de overheid erkende energiebesparende maatregelen met een korte terugverdientijd, het verschuiven van verbruik naar dalmomenten (eventueel via een geautomatiseerd energiemanagementsysteem (EMS)) en de inzet van eigen opwek en opslag achter de meter, bijvoorbeeld via zonnepanelen en een batterij.     Stap 3: Flexibele contracten en andere congestiemaatregelen Naast het reguliere transportecht (gegarandeerd 24/7 beschikbaarheid), bestaan flexibele contractvormen. Deze flexibele ATO’s voorzien in alternatieve transportrechten voor grootverbruikers (aansluiting > 3x80A) en zijn ondersteunend aan slimmere benutting van het elektriciteitsnet. Alternatieve transportrechten zijn beschikbaar voor zowel bestaande als nieuwe klanten van systeembeheerders (voorheen: netbeheerder). Daarom kan bij de derde stap worden gekeken of een project inpasbaar is binnen de voorwaarden van een alternatief transportrecht. Voorbeelden hiervan zijn:   TDTR: Tijdsduurgebonden Transportrecht (TDTR) is beschikbaar voor grootverbruikers die rechtstreeks zijn aangesloten op het hoogspanningsnet. Met een TDTR-contract heeft de aangeslotene recht op zijn gecontracteerde transportcapaciteit gedurende minimaal 85% van de uren per jaar. In de overige 15% van de uren kan TenneT, bijvoorbeeld bij verwachte piekbelasting, (gedeeltelijke) beperkingen opleggen. Blokstroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens bepaalde tijdsblokken over transportrechten; Reststroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens beschikbare capaciteit over transportrechten. Naast alternatieve transportrechten kunnen ook congestiemaatregelen als instrument dienen ter bestrijding van netcongestie. Voorbeelden van congestiemaatregelen zijn: CBC: een capaciteitsbeperkingscontract (CBC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin wordt geregeld dat een aangeslotene voor een bepaald tijdstip en een bepaalde periode afziet van het volledige gebruik van zijn overeengekomen aansluit- en transportcapaciteit. Het is ook mogelijk om met een aantal bedrijven gezamenlijk een CBC te sluiten (Groeps-CBC); CSC: een capaciteitssturingscontract (CSC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin afspraken worden gemaakt over extra invoeding of extra afname tijdens piekmomenten om het net tijdens deze momenten te ontlasten.   Congestiemaatregelen worden aanvullend op de ATO overeengekomen en kennen specifieke voorwaarden. Het gebruik van alternatieve transportrechten en/of congestiemaatregelen kan een (aanvullende) korting of financiële vergoeding opleveren.              Onderlinge samenwerking Als individuele maatregelen onvoldoende opleveren, kan worden onderzocht of samenwerking met andere bedrijven uitkomst biedt. Er zijn verschillende vormen van samenwerking waarvoor niet noodzakelijk is dat alle bedrijven over een eigen aansluiting op het net beschikken. Gedacht kan worden aan een gesloten systeem, een directe lijn en cable pooling. Deze specifieke mogelijkheden bespreken wij in een opvolgend blog. Wanneer partijen al over een eigen aansluiting beschikken maar willen uitbreiden, kunnen zij overwegen om gezamenlijk oplossingen te organiseren voor netcongestie. Hierbij kan worden gedacht aan het afsluiten van een Groeps-CBC, het vormen van een Energiehub of het aangaan van een groepstransportovereenkomst (GTO). De laatste twee worden hieronder kort toegelicht. De Energiehub Een Energiehub is een lokale samenwerking waarin opwek, opslag en verbruik worden afgestemd om netcapaciteit optimaal te benutten. Juridisch bestaat een Energiehub uit meerdere afspraken tussen partijen, waaronder over capaciteitsverdeling en energiemanagement. Op grond van de Energiewet kan een Energiehub worden vormgegeven via energiedelen of peer-to-peer handel. Energiedelen is een administratieve toedeling van gelijktijdig opgewekte (en geleverde) en verbruikte (of opgeslagen) energie. Voor energiedelen is geen fysieke verbindingskabel nodig tussen de samenwerkende bedrijven. De systeembeheerder registreert per kwartier het volume dat door de energiegever wordt gedeeld, en geeft dit door aan de energieleverancier. De leverancier zorgt er vervolgens voor dat dit volume in gelijke mate wordt toegekend aan de energieontvanger. Voor nu geldt de verplichting dat de samenwerkende partijen dezelfde energieleverancier hebben. Peer-to-peer-handel (P2P) is fysieke levering via het net zonder het vereiste van gelijktijdigheid van opwek en verbruik. De leverende partij draagt in dit geval zelf de leveringsverantwoordelijkheid ten opzichte van de afnemende partij. Dat betekent concreet dat de leverende partij óf zelf moet leveren (en daartoe met de afnemer een leveringsovereenkomst moet sluiten) of tegen betaling een marktpartij bereid moet vinden daarin voor de deelnemer te voorzien. Groepstransportovereenkomst Binnen een Energiehub kunnen bedrijven met een eigen grootverbruikaansluiting ook een groepstransportovereenkomst (GTO) sluiten om gezamenlijk transportcapaciteit te delen. Vanaf 1 januari 2027 zijn systeembeheerders verplicht deze nieuwe contractvorm aan te bieden.   Conclusie Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging voor ondernemers in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er zowel op individueel niveau als in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Voor meer informatie of vragen hierover kunt u contact opnemen met het Energieteam van La Gro.
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Stroom van data: samenloop tussen de Energiewet en de AVG
Met de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangen. Binnen de Energiewet is een is een belangrijke rol weggelegd voor de beschikbaarheid van accurate gegevens, bijvoorbeeld ten aanzien van verbruik en invoeding. Verschillende marktpartijen die een rol hebben bij het creëren en het verzamelen van gegevens worden verplicht tot het beheren van een register, dat vervolgens op een centrale manier wordt ontsloten. Nadrukkelijk wordt ook rekening gehouden met de AVG; de Energiewet stelt eisen aan de omgang met energiedata, onder meer op het gebied van privacy en kwaliteit van de gegevens. Dit blog gaat in op het kader voor gegevensverwerkingen zoals vastgelegd in de Energiewet. Data‑uitwisseling als pijler van de Energiewet De Energiewet reguleert gegevensuitwisseling in hoofdstuk 4 en maakt onderscheid in de volgende processen: Functioneren van een energiesysteem (factureren, transporteren, overstappen etc.); Inzage in eigen gegevens; Uitwisseling op verzoek van de datarechthebbende; Uitwisseling op basis van een wet of Europese verordening.[1] Gegevens binnen de reikwijdte van de Energiewet worden ondergebracht in een beperkt aantal registers, die worden beheerd door aangewezen registerbeheerders. Dit zijn de systeembeheerders van een energiesysteem of de meetverantwoordelijke partij. Het register bevat de gegevens die de registerbeheerder zelf verzamelt en de in artikel 4.8. Energiewet opgenomen categorieën van gegevens die andere marktpartijen (zoals een leverancier, actieve afnemer en een balanceringsverantwoordelijke) verzamelen en vervolgens aanleveren. De specifieke gegevens die binnen de opgenomen categorieën vallen, worden bij ministeriële regeling nader bepaalt. Een centrale Gegevensuitwisselingsentiteit (het Normo) draagt zorg voor de toegang en ontsluiting van de energiedata in de verschillende registers.[2]  Gegevensverwerkingen op basis van de Energiewet Met de Energiewet en bijbehorende regelgeving wordt nagestreefd dat de beginselen van de AVG en de bijbehorende rechten gelijkelijk worden toegepast op alle gegevens binnen het stelsel van de Energiewet.[3] Het algemene uitgangspunt is dat de partij die de gegevens verzamelt en aanlevert ook de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van deze gegevens (correct, tijdig, volledig).[4] De wet borgt bovendien inzagemogelijkheden, zodat consumenten en eindafnemers beter inzicht krijgen in hun eigen gegevens en deze desgewenst met derden kunnen delen. Op basis van de Energiewet kan in lagere regelgeving worden vastgelegd dat het verwerken van persoonsgegevens in bepaalde gevallen verplicht is. Een tweede grondslag is dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG). De Energiewet bevat de taken en de verwerkende partij zal moeten nagaan of een bepaalde verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van die taak. Daarnaast blijft het onverminderd mogelijk voor partijen om gebruik te maken van de andere AVG grondslagen zoals toestemming, uitvoering van een overeenkomst en gerechtvaardigd belang.[5] De verdere invulling van de grondslagen die dienen te worden gebruikt bij de processen genoemd in hoofdstuk 4 Energiewet volgt per ministeriële regeling.[6] Het toezicht op gegevensverwerkingen ligt bij zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als de Autoriteit Consument en Markt (ACM): de AP ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, terwijl de ACM toezicht houdt op de werking van de energiemarkt en de bescherming van consumenten. Wat betekent dit voor uw organisatie? Verzameling, gebruik en verwerking van gegevens spelen een centrale rol in de Energiewet. Er ontstaat een samenloop tussen de Energiewet en de AVG, wat vraagt om zorgvuldige keuzes ten aanzien van grondslagen voor gegevensverwerking, verantwoordelijkheden en risicobeheersing. Wilt u weten wat dit concreet voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onze Data & Privacy en/of Energie specialisten. Referenties [1] Artikel 4.1 lid 2 Energiewet. [2] Artikel 4.15 e.v. Energiewet. [3] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106. [4] Artikel 4.2 Energiewet; Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106.   [5] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 107-108. [6] Artikel 4.1 lid 3 Energiewet.
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Een stevig publiek stempel op de warmtesector na inwerkingtreding van de Wcw
Op 9 december 2025 is het voorstel voor de Wet collectieve warmte (Wcw) aangenomen door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel beoogt een nieuwe ordening voor productie, transport en levering van warmte, ter vervanging van de huidige Warmtewet. In eerdere blogs schreven wij al over de Wcw, recente amendementen en over warmtegemeenschappen.  De Wcw neemt als uitgangspunt dat gemeenten een warmtebedrijf voor een afgebakend gebied – de warmtekavel – aanwijzen. Dit aangewezen warmtebedrijf wordt vervolgens belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren. In het voorstel voor de Wcw is het voorschrift opgenomen dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoals een gemeente, een provincie of het rijk. Er rust dus een stevig publiek stempel op de (nieuwe) warmtesector. Dat publieke stempel is in een brief van 10 oktober 2025 aan de Tweede Kamer extra benadrukt, doordat het kabinet daarin aankondigt dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) als publieke (minderheids)aandeelhouder met maximaal 40% van de aandelen, naast bijvoorbeeld een gemeente, kan deelnemen in een warmtebedrijf. Deze ontwikkeling – de beoogde rijksdeelname via EBN – geeft ons aanleiding om in dit blog de juridische implicaties van publiek aandeelhouderschap in warmtebedrijven nader te bespreken en na te gaan welke rollen marktpartijen in het warmtebedrijf, naast de publieke meerderheidsaandeelhouder, die bijvoorbeeld kan bestaan uit een combinatie van een gemeente en EBN, nog zouden kunnen spelen. Is er naast de publieke partijen nog wel plaats voor deze marktpartijen in de (nieuwe) warmtemarkt? Stand van zaken Wcw De Wcw vervangt de huidige Warmtewet en is onderdeel van de bredere energietransitie en het streven naar een klimaatneutraal Nederland in 2050. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen. Dit moet gebeuren door publieke regievoering, waarbij duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid worden gewaarborgd. Voordat de wet in werking kan treden moet nog een aantal stappen worden genomen. Voor een groot aantal wetsartikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectieve warmte (Bcw) en een ministeriele regeling zijn afgerond en in werking kunnen treden. In de brief van 10 oktober 2025 staat dat het Bcw naar verwachting eind dit jaar aan de ACM wordt voorgelegd en daarna medio 2026 aan de Raad van State. Ook schrijft de Wcw een voorhangprocedure voor bij de Tweede en Eerste Kamer over de tariefregulering voor collectieve warmtevoorzieningen en kleine collectieve warmtesystemen. Naar verwachting nemen deze stappen voor het Bcw en de ministeriële regeling het grootste deel van 2026 in beslag. Dit betekent dat er nog geen definitieve datum geldt voor de inwerkingtreding van een groot aantal artikelen in de Wcw. Warmtebedrijven en publiek aandeelhouderschap Het uitgangspunt van de Wcw is dat de gemeente een specifiek geografisch gebied, aangeduid als de warmtekavel, aanwijst. Vervolgens wijst zij volgens een gereguleerde aanwijzingsprocedure een warmtebedrijf aan, dat wordt belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening (bijvoorbeeld een (stads)warmtenet) aan te leggen en te exploiteren. Het aangewezen warmtebedrijf wordt binnen een warmtekavel verantwoordelijk voor de continuïteit en kwaliteit van de collectieve warmtevoorziening en de daarvoor noodzakelijke productie, inkoop, transport en levering van warmte. Door één bedrijf integraal verantwoordelijk te maken voor de volledige warmteketen, wordt het toezicht eenvoudiger en krijgen verbruikers betere bescherming, zo blijkt uit de toelichting op de Wcw (Memorie van Toelichting). De Wcw neemt als belangrijk ander uitgangspunt dat een gemeente alleen een warmtebedrijf kan aanwijzen waarbij een meerderheidsbelang in handen is van één of meerdere publieke partijen. Private partijen kunnen daarbij in de hoofdzaak geen doorslaggevende zeggenschap hebben in het warmtebedrijf. Het vereiste van een publiek meerderheidsbelang houdt in dat meer dan 50% van de aandelen in het warmtebedrijf direct of indirect berusten bij het rijk, een provincie, een gemeente of een ander openbaar lichaam. Ter rechtvaardiging van een publiek meerderheidsbelang wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat een publieke aandeelhouder in staat is om in het publieke belang te handelen, snel en tijdig in te spelen op mogelijke veranderingen in de markt en dat het publieke aandeelhouderschap ertoe leidt dat langlopende en risicovolle investeringen makkelijker doorgang zullen vinden. Nationale deelneming via EBN Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van de gemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Uit nader onderzoek blijkt echter dat van diezelfde gemeenten niet kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om zelfstandig de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te kunnen verkrijgen. Om die reden heeft het Kabinet in een brief op 10 oktober 2025 aangekondigd dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) wordt aangewezen als nationale deelneming. EBN kan (ook) als een minderheidsdeelneming participeren in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld naast de gemeentelijke aandeelhouder.  De brief van 10 oktober 2025 licht toe dat alleen op een goede manier invulling kan worden gegeven aan het verplichte publieke meerderheidsbelang in een warmtebedrijf als overheden, waaronder een gemeente, voldoende publieke uitvoeringskracht hebben. Hiermee wordt bedoeld dat zij zowel financieel als organisatorisch in staat moeten zijn het publieke aandeelhouderschap in een meerderheidspositie binnen het warmtebedrijf op zich te nemen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet van lokale overheden, zoals de gemeente, kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking – de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te verkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden, zoals de gemeente, nog aan voldoende expertise. Daarom acht het kabinet betrokkenheid van het rijk noodzakelijk, via EBN. EBN kan als minderheidsdeelneming in het warmtebedrijf voor maximaal 40% van de aandelen naast de andere (lokale) overheden participeren in het warmtebedrijf. Het kabinet trekt vanuit het Klimaatfonds €87 miljoen uit voor de opstartfase van de nationale deelneming vanuit EBN, met nog eens €137 miljoen in reserve. Voorlopig is het afwachten wat de rol van EBN precies wordt. Er moet eerst nog een nader governance plan worden opgesteld voor de op te zetten dochteronderneming die daadwerkelijk namens EBN gaat participeren. Dat plan onderzoekt of de taken (vennootschapsrechtelijk) passen bij EBN. Ook wordt bekeken hoe het rijk als (indirect) aandeelhouder (via EBN) effectief invloed kan uitoefenen. Via de nationale deelneming kan de overheid namelijk niet alleen bijdragen aan publieke doelen, maar ook zorgen dat middelen doelmatig worden ingezet, ontwikkelingen bij warmtebedrijven volgen en – waar nodig – bijsturen op strategie en investeringen om de financiële positie gezond te houden. Het ligt in de lijn der verwachting dat EBN in dat kader ook onderzoek doet naar mogelijkheden om bestaande warmtebedrijven over te nemen. Hebben marktpartijen nog een rol? De Wcw markeert, zo blijkt uit het voorgaande, een publieke regie en stevige publieke bemoeienis bij de exploitatie van een warmtebedrijf. De vraag dringt zich op welke rol marktpartijen dan nog kunnen én willen spelen, nu ervan uit mag worden gegaan dat de eis van de publieke meerderheidsaandeelhouder een afschrikwerkend effect kan hebben op de (investerings)rol van (bestaande) private warmtebedrijven. Hoewel vaststaat dat de regulering van de warmtesector verandert, zien wij toch nog kansen. Allereerst biedt het overgangsrecht in de Wcw kansen voor bestaande private warmtebedrijven om nog minimaal 14 jaar, maximaal 30 jaar te blijven exploiteren. Daarnaast bestaat tijdelijk (voor de periode van 10 jaar na inwerkingtreding) ruimte om alsnog voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een privaat warmtebedrijf toe te staan, onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat er (nog) geen belangstelling voor warmtelevering op de warmtekavel wordt verwacht. Verder kunnen private warmtebedrijven onder de Wcw – al dan niet met een ontheffing of vrijstelling – toch bepaalde nieuwe en bestaande activiteiten (blijven) uitoefenen. Zij kunnen bijvoorbeeld warmte blijven leveren aan “kleine” collectieve warmtesystemen (maximaal 1500 verbruikers). Ook kunnen private marktpartijen – in aanneming van het overwegend publieke warmtebedrijf – actief zijn als leveringsbedrijf of infra-beheerder en/of als minderheidsaandeelhouder of samenwerkingspartner zonder doorslaggevende zeggenschap in het warmtebedrijf of een warmte joint-venture participeren. Het kunnen vervullen van een passende rol blijft echter juridisch maatwerk, wij denken daarover graag met u mee. Contact Heeft u vragen over collectieve warmtesystemen, warmtebedrijven en/of de veranderingen als gevolg van de Wcw?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten.
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Van aansluiting tot aanbesteding: recente amendementen van de Wcw
Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde op 3 juli 2025 in met de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Na het zomerreces volgt stemming in de Eerste Kamer. In aanvulling op een voorgaande blog waarin de hoofdlijnen van de Wcw worden geschetst, behandelt dit blog een aantal opvallende amendementen die aan het einde van het wetgevingstraject zijn aangenomen. Aansluitregelingen voor VvE’s Een gemeente krijgt in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) een aanwijsbevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar het transport van aardgas na een redelijke termijn van minimaal 8 jaar kan worden beëindigd. VvE’s krijgen de bevoegdheid om in deze aardgasvrije gebieden namens alle leden een aansluitovereenkomst met een warmtebedrijf te sluiten. Het uitgangspunt is dat VvE’s worden aangesloten op het warmtenet, tenzij een vereniging aangeeft hier van af te zien. VvE’s mogen namelijk ook zelf zorgen voor een alternatieve duurzame warmtevoorziening, zoals individuele warmtepompen. Leden van een VvE moeten een besluit gaan nemen over hun toekomstige warmtevoorziening. Er gaat een bezwaartermijn van 2 maanden gelden waarbinnen (individuele) leden kunnen aangeven niet te willen deelnemen aan de collectieve aansluiting. Uitsluiting van deelname vindt alleen plaats indien dit vanuit technisch en financieel perspectief redelijkerwijs mogelijk is. In beginsel zijn individuele leden dus verplicht om mee te werken. De VvE mag de aansluitkosten op een evenredige manier verhalen op alle aangeslotenen. Met deze ingrijpende regelingen wil de wetgever voorkomen dat een gebouw zonder voorziening voor verwarming en warm tapwater komt te zitten. Vrijstelling voor kleine collectieve warmtesystemen buiten warmtekavels Kleine collectieve warmtesystemen en systemen van VvE’s buiten vastgestelde warmtekavels hoeven geen ontheffing aan te vragen voor het leveren van warmte aan hun huurders/leden. De eerder voorgestelde ontheffingsplicht voor dergelijke systemen vervalt daarmee. De ACM oordeelt over de geschiktheid van warmtebedrijven die gebruik willen maken van de vrijstellingsregeling. Een vrijstelling geldt voor 30 jaar en vereist melding bij het college van burgemeester en wethouders en de ACM. De vrijstelling kan vervallen wanneer een klein collectief warmtesysteem het aantal van 1500 aansluitingen overschrijdt. Aanpassing groepsverbod infrastructuurbedrijven In beginsel mogen de beheerders van energiedistributiesystemen niet ook energie produceren, leveren of verhandelen (ook wel het ‘’groepsverbod’’). Door de Wcw kunnen dergelijke infrastructuurbedrijven door deelname in bepaalde typen warmtebedrijven nu toch onder voorwaarden participeren op de markt voor warmtelevering. Ook staat de Wcw toe dat een infrastructuurbedrijf een warmteservicebedrijf vormt samen met een onderneming die actief is als producent of leverancier op de gas en elektriciteitsmarkt. Dit warmteservicebedrijf mag diensten verrichten voor een aangewezen warmtebedrijf, onder meer in het kader van levering, transport en beheer. Op dit moment is er al een markt voor warmteservicebedrijven. Ter bescherming van de marktwerking worden er voorwaarden gesteld aan de toetreding door infrastructuurbedrijven, waaronder een verbod op verplichte dienstafname bij investeringen en een maximale looptijd voor uitbestedingsovereenkomsten. Verder behouden aangewezen warmtebedrijven de regie over leverings- en aansluitovereenkomsten. Een evaluatie na zeven jaar en aanvullend onderzoek moeten verdere beleidsbijsturing mogelijk maken. Overgangsrecht lopende aanbestedingen Op meerdere locaties in Nederland gaan dit jaar aanbestedingsprocedures voor collectieve warmtevoorzieningen van nieuwbouwprojecten van start. De looptijd van deze procedures doorkruist de inwerkingtreding van de Wcw. Ter voorkoming van kosten en vertraging kunnen warmtebedrijven die betrokken zijn bij reeds gestarte aanbestedingsprocedures op grond van een overgangsregeling onder voorwaarden een warmtebedrijf aangewezen worden in een warmtekavel. Deze overgangsregeling ziet in beginsel alleen op vergevorderde aanbestedingsprocedures; de gunningsbeslissing moet uiterlijk 3 maanden na inwerkingtreding van de Wcw worden genomen, waarna nog 3 maanden resteren voor ondertekening. Contact Heeft u vragen over warmtevoorzieningen, warmtebedrijven of de Wet collectieve warmte?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten. Wij denken graag met u mee!
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Nieuwe Energiewetgeving: kansen voor lokaal eigendom en duurzame samenwerking
Actieve deelname van burgers en organisaties aan de energietransitie De energietransitie verandert het energiesysteem van Nederland fundamenteel. Een belangrijk aspect van de transitie is de actieve rol van burgers en organisaties in de energievoorziening. Juridische erkenning van deze rol blijkt onder andere uit Europese richtlijnen, zoals artikel 16 van de Elektriciteitsrichtlijn (2019/944) en artikel 22 van de Richtlijn Hernieuwbare Energie (2018/2001). Lokaal eigendom ontwikkelt zich in de richting van collectiviteit, waarbij omgevingspartijen niet alleen eigenaar zijn (van een deel) van de productie-installatie, maar de opgewekte stroom en warmte ook kunnen delen, opslaan en verkopen. Door slimme toepassingen zijn coöperaties en Smart Energiehubs tegenwoordig gelijktijdig consument en producent van duurzame energie (prosumers) en zij kunnen actief deelnemen aan het energiesysteem door markt-, netwerk- of systeemdiensten te leveren (flexumers). De nieuwe Energiewet en Wet collectieve warmte verankeren de rol van deze energie- en warmtegemeenschappen, in lijn met Europese richtlijnen en de afspraken in het Nederlandse Klimaatakkoord. Juridische kaders en voorwaarden uit de nieuwe Energiewetgeving De definities van energiegemeenschappen en warmtegemeenschap in respectievelijk de Energiewet en de Wet collectieve warmte komen grotendeels overeen. Beide gemeenschappen moeten een juridische entiteit zijn die: ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders activiteiten verricht op de energiemarkt/als warmtebedrijf; als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is; niet is gericht op het maken van winst; en in het geval van een warmtegemeenschap gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron. Verder moeten de statuten van beide typen gemeenschappen open participatie en vrijwillig uittreden mogelijk maken, met de daadwerkelijke zeggenschap in handen van de leden, vennoten of aandeelhouders. Warmtegemeenschappen dienen bovendien stevig lokaal geworteld te zijn. De Energiewet biedt daarnaast ruimte voor energiegemeenschappen om onder bepaalde voorwaarden zelf energie of gas te leveren en te delen zonder vergunning. Governance: maatwerk vereist De keuze voor een bepaalde juridische vormgeving van de gemeenschap vereist maatwerk, omdat het doel en de activiteiten en de bedoeling van de deelnemers doorslaggevend zullen zijn in de uiteindelijke keuze. De Energiewet biedt ruimte voor flexibiliteit in lidmaatschapseisen en stemverdeling wanneer een energiegemeenschap of Smart Energiehub betrokken is bij de ontwikkeling van hernieuwbare energieprojecten. In dit kader zijn de verschillen tussen een BV en een coöperatie relevant. Zo kunnen deze rechtsvormen wezenlijk van elkaar afwijken in zaken als de benoeming van bestuurders, de verdeling van stemrechten, de verplichtingen van leden of aandeelhouders en de bescherming van minderheden. Een warmtegemeenschap houdt zich als warmtebedrijf bezig met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop ten behoeve daarvan. De Wet collectieve warmte staat diverse governanceconstructies toe. De meest eenvoudige optie is om de afnemers van de warmte te organiseren in een coöperatie, die vervolgens volledig eigenaar is van een BV. Deze BV fungeert als warmtebedrijf en sluit o.a. contracten met de aannemers, de financierders en de leveringscontracten met warmte afnemers. Afnemers van de warmte kunnen er ook voor kiezen om als coöperatie deel te nemen in een publiek warmtebedrijf of een publieke een joint-venture. Binnen deze constructie zijn het leveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf afzonderlijke BV’s en deze vormen vervolgens gezamenlijk een integraal warmtebedrijf. Nieuwe kansen voor lokale initiatieven dankzij de nieuwe Energiewetgeving De nieuwe Energiewetgeving bouwt voort op bestaande energiecoöperaties en stimuleert collectief lokaal eigendom. Energie- en warmtegemeenschappen worden voortaan juridisch erkend als producent van duurzame energie en warmte en mogen deze distribueren. Zo wordt de afhankelijkheid van commerciële partijen verkleind en krijgen decentrale overheden meer mogelijkheden om klimaatdoelen te realiseren. Op basis van Europese richtlijnen en de nieuwe wetgeving kunnen ondernemingen, provincies, gemeentes en waterschappen door deelname betrokken raken bij de professionaliseringsslag van energie- en warmtegemeenschappen. Decentrale overheden kunnen ook hun eigen subsidieregeling opzetten. Wel is aandacht voor het staatssteunrecht nodig; vrijstellingen voor steun aan duurzame initiatieven zijn echter beschikbaar. Contact Heeft u vragen over de oprichting en de begeleiding van energie- of warmtegemeenschappen, de staatssteunrechtelijke aspecten van groene initiatieven of over de Energiewetgeving en de Wet collectieve warmte? Neem dan gerust contact op met een van onze Energierecht specialisten.