09 december 2025

Een stevig publiek stempel op de warmtesector na inwerkingtreding van de Wcw

09 december 2025

Op 9 december 2025 is het voorstel voor de Wet collectieve warmte (Wcw) aangenomen door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel beoogt een nieuwe ordening voor productie, transport en levering van warmte, ter vervanging van de huidige Warmtewet. In eerdere blogs schreven wij al over de Wcw, recente amendementen en over warmtegemeenschappen

De Wcw neemt als uitgangspunt dat gemeenten een warmtebedrijf voor een afgebakend gebied – de warmtekavel – aanwijzen. Dit aangewezen warmtebedrijf wordt vervolgens belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren. In het voorstel voor de Wcw is het voorschrift opgenomen dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoals een gemeente, een provincie of het rijk. Er rust dus een stevig publiek stempel op de (nieuwe) warmtesector.

Dat publieke stempel is in een brief van 10 oktober 2025 aan de Tweede Kamer extra benadrukt, doordat het kabinet daarin aankondigt dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) als publieke (minderheids)aandeelhouder met maximaal 40% van de aandelen, naast bijvoorbeeld een gemeente, kan deelnemen in een warmtebedrijf.

Deze ontwikkeling – de beoogde rijksdeelname via EBN – geeft ons aanleiding om in dit blog de juridische implicaties van publiek aandeelhouderschap in warmtebedrijven nader te bespreken en na te gaan welke rollen marktpartijen in het warmtebedrijf, naast de publieke meerderheidsaandeelhouder, die bijvoorbeeld kan bestaan uit een combinatie van een gemeente en EBN, nog zouden kunnen spelen. Is er naast de publieke partijen nog wel plaats voor deze marktpartijen in de (nieuwe) warmtemarkt?

Stand van zaken Wcw

De Wcw vervangt de huidige Warmtewet en is onderdeel van de bredere energietransitie en het streven naar een klimaatneutraal Nederland in 2050. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen. Dit moet gebeuren door publieke regievoering, waarbij duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid worden gewaarborgd.

Voordat de wet in werking kan treden moet nog een aantal stappen worden genomen. Voor een groot aantal wetsartikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectieve warmte (Bcw) en een ministeriele regeling zijn afgerond en in werking kunnen treden. In de brief van 10 oktober 2025 staat dat het Bcw naar verwachting eind dit jaar aan de ACM wordt voorgelegd en daarna medio 2026 aan de Raad van State. Ook schrijft de Wcw een voorhangprocedure voor bij de Tweede en Eerste Kamer over de tariefregulering voor collectieve warmtevoorzieningen en kleine collectieve warmtesystemen. Naar verwachting nemen deze stappen voor het Bcw en de ministeriële regeling het grootste deel van 2026 in beslag. Dit betekent dat er nog geen definitieve datum geldt voor de inwerkingtreding van een groot aantal artikelen in de Wcw.

Warmtebedrijven en publiek aandeelhouderschap

Het uitgangspunt van de Wcw is dat de gemeente een specifiek geografisch gebied, aangeduid als de warmtekavel, aanwijst. Vervolgens wijst zij volgens een gereguleerde aanwijzingsprocedure een warmtebedrijf aan, dat wordt belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening (bijvoorbeeld een (stads)warmtenet) aan te leggen en te exploiteren. Het aangewezen warmtebedrijf wordt binnen een warmtekavel verantwoordelijk voor de continuïteit en kwaliteit van de collectieve warmtevoorziening en de daarvoor noodzakelijke productie, inkoop, transport en levering van warmte. Door één bedrijf integraal verantwoordelijk te maken voor de volledige warmteketen, wordt het toezicht eenvoudiger en krijgen verbruikers betere bescherming, zo blijkt uit de toelichting op de Wcw (Memorie van Toelichting).

De Wcw neemt als belangrijk ander uitgangspunt dat een gemeente alleen een warmtebedrijf kan aanwijzen waarbij een meerderheidsbelang in handen is van één of meerdere publieke partijen. Private partijen kunnen daarbij in de hoofdzaak geen doorslaggevende zeggenschap hebben in het warmtebedrijf. Het vereiste van een publiek meerderheidsbelang houdt in dat meer dan 50% van de aandelen in het warmtebedrijf direct of indirect berusten bij het rijk, een provincie, een gemeente of een ander openbaar lichaam. Ter rechtvaardiging van een publiek meerderheidsbelang wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat een publieke aandeelhouder in staat is om in het publieke belang te handelen, snel en tijdig in te spelen op mogelijke veranderingen in de markt en dat het publieke aandeelhouderschap ertoe leidt dat langlopende en risicovolle investeringen makkelijker doorgang zullen vinden.

Nationale deelneming via EBN

Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van de gemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Uit nader onderzoek blijkt echter dat van diezelfde gemeenten niet kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om zelfstandig de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te kunnen verkrijgen. Om die reden heeft het Kabinet in een brief op 10 oktober 2025 aangekondigd dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) wordt aangewezen als nationale deelneming. EBN kan (ook) als een minderheidsdeelneming participeren in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld naast de gemeentelijke aandeelhouder. 

De brief van 10 oktober 2025 licht toe dat alleen op een goede manier invulling kan worden gegeven aan het verplichte publieke meerderheidsbelang in een warmtebedrijf als overheden, waaronder een gemeente, voldoende publieke uitvoeringskracht hebben. Hiermee wordt bedoeld dat zij zowel financieel als organisatorisch in staat moeten zijn het publieke aandeelhouderschap in een meerderheidspositie binnen het warmtebedrijf op zich te nemen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet van lokale overheden, zoals de gemeente, kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking – de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te verkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden, zoals de gemeente, nog aan voldoende expertise.

Daarom acht het kabinet betrokkenheid van het rijk noodzakelijk, via EBN. EBN kan als minderheidsdeelneming in het warmtebedrijf voor maximaal 40% van de aandelen naast de andere (lokale) overheden participeren in het warmtebedrijf. Het kabinet trekt vanuit het Klimaatfonds €87 miljoen uit voor de opstartfase van de nationale deelneming vanuit EBN, met nog eens €137 miljoen in reserve.

Voorlopig is het afwachten wat de rol van EBN precies wordt. Er moet eerst nog een nader governance plan worden opgesteld voor de op te zetten dochteronderneming die daadwerkelijk namens EBN gaat participeren. Dat plan onderzoekt of de taken (vennootschapsrechtelijk) passen bij EBN. Ook wordt bekeken hoe het rijk als (indirect) aandeelhouder (via EBN) effectief invloed kan uitoefenen. Via de nationale deelneming kan de overheid namelijk niet alleen bijdragen aan publieke doelen, maar ook zorgen dat middelen doelmatig worden ingezet, ontwikkelingen bij warmtebedrijven volgen en – waar nodig – bijsturen op strategie en investeringen om de financiële positie gezond te houden. Het ligt in de lijn der verwachting dat EBN in dat kader ook onderzoek doet naar mogelijkheden om bestaande warmtebedrijven over te nemen.

Hebben marktpartijen nog een rol?

De Wcw markeert, zo blijkt uit het voorgaande, een publieke regie en stevige publieke bemoeienis bij de exploitatie van een warmtebedrijf. De vraag dringt zich op welke rol marktpartijen dan nog kunnen én willen spelen, nu ervan uit mag worden gegaan dat de eis van de publieke meerderheidsaandeelhouder een afschrikwerkend effect kan hebben op de (investerings)rol van (bestaande) private warmtebedrijven. Hoewel vaststaat dat de regulering van de warmtesector verandert, zien wij toch nog kansen.

Allereerst biedt het overgangsrecht in de Wcw kansen voor bestaande private warmtebedrijven om nog minimaal 14 jaar, maximaal 30 jaar te blijven exploiteren. Daarnaast bestaat tijdelijk (voor de periode van 10 jaar na inwerkingtreding) ruimte om alsnog voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een privaat warmtebedrijf toe te staan, onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat er (nog) geen belangstelling voor warmtelevering op de warmtekavel wordt verwacht. Verder kunnen private warmtebedrijven onder de Wcw – al dan niet met een ontheffing of vrijstelling – toch bepaalde nieuwe en bestaande activiteiten (blijven) uitoefenen. Zij kunnen bijvoorbeeld warmte blijven leveren aan “kleine” collectieve warmtesystemen (maximaal 1500 verbruikers). Ook kunnen private marktpartijen – in aanneming van het overwegend publieke warmtebedrijf – actief zijn als leveringsbedrijf of infra-beheerder en/of als minderheidsaandeelhouder of samenwerkingspartner zonder doorslaggevende zeggenschap in het warmtebedrijf of een warmte joint-venture participeren.

Het kunnen vervullen van een passende rol blijft echter juridisch maatwerk, wij denken daarover graag met u mee.

Contact

Heeft u vragen over collectieve warmtesystemen, warmtebedrijven en/of de veranderingen als gevolg van de Wcw?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten.

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Jan Borman
Jan Borman
Advocaat
Huurders kunnen verduurzaming door woningcorporatie niet zomaar blokkeren
Woningcorporaties met concrete plannen om te verduurzamen, kunnen daarbij niet altijd maar  door huurders worden tegengehouden. Toestemming van huurders voor die verduurzaming is namelijk niet altijd nodig. Een recent vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 april 2026 onderstreept dit.[1] De kantonrechter oordeelde dat huurders niet kunnen tegenhouden dat de betreffende woningcorporatie, zonder eerst 70%-instemming af te wachten, hun complex aansluit op een warmtenet en daarvoor werkzaamheden in de huurwoningen uitvoert. Als woningcorporaties hun woningen moéten verduurzamen, moet de huurder daartoe gelegenheid geven en bij verzet kan de woningcorporatie medewerking afdwingen. Het uitvoeren van verduurzamingswerkzaamheden kan op basis van dit vonnis dus eenvoudiger zijn dan woningcorporaties soms denken. In dit blog schetsen wij hoe woningcorporaties dit vonnis kunnen benutten om de verduurzamingsopgave te versnellen, een en ander met de kanttekening dat de gekozen route juridisch zorgvuldig moet worden voorbereid. Wettelijk stelsel Huurders moeten op basis van de wet meewerken aan: renovatie op basis van een redelijk voorstel (artikel 7:220 lid 2 BW); dringende werkzaamheden van de verhuurder (artikel 7:220 lid 1 BW). Onder ‘renovatie’ wordt kortweg verstaan: vernieuwing van de huurwoning door (fysieke) veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot toeneemt.[2] Voor de ‘dringende werkzaamheden’ is relevant dat het niet slechts gaat om een bouwkundige noodzaak, maar meer om werk dat niet zonder extra kosten, schade of ander nadeel kan worden uitgesteld, bijvoorbeeld doordat het leidt tot mislopen van subsidie of ander financieel of fiscaal voordeel. Anders dan bij renovatie zijn dringende werkzaamheden niet primiair gericht op een toename van het woongenot. Bij een renovatie moet de verhuurder eerst een redelijk voorstel doen aan de huurders. Bij renovatie van tien of meer woningen kan gebruik worden gemaakt van een wettelijk vermoeden van redelijkheid als 70% of meer van de huurders met het voorstel instemt.[3] Indien verhuizing door de renovatiewerkzaamheden noodzakelijk is, dienen verhuurders een tegemoetkoming in de verhuiskosten (en inrichtingskosten) te doen of een tijdelijke volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking te stellen aan de huurder.[4] Het label ‘renovatiewerkzaamheden’ kan dus in bepaalde gevallen nadelig zijn, omdat het tot de nodige vertraging kan leiden en met de nodige kosten gemoeid gaat. De categorie ‘dringende werkzaamheden’ is in dat opzicht gunstiger. Dan hoeft geen redelijk voorstel te worden gedaan, bepaalt de wet dat de huurder moét meewerken aan uitvoering daarvan en hoeft de huurder niet tegemoet te worden gekomen.[5] Maar, wanneer kan de verhuurder gebruikmaken van die mogelijkheid en wat zijn de gevolgen van het volgen van de route van ‘dringende werkzaamheden’? Die vraag lag onder andere voor in het recente vonnis van 10 april 2026. Het vonnis van 10 april 2026 De woningcorporatie Woonwaard wilde haar appartementencomplex van het gas af hebben en aansluiten op een warmtenet (van HVC), door gasaansluitingen in woningen af te sluiten, cv-ketels te vervangen door afleversets voor warmte, radiatoren te vervangen en een extra groep aan te leggen in de meterkast voor koken op inductie. Woonwaard meende dat deze werkzaamheden waren te beschouwen als dringende werkzaamheden. De kantonrechter volgt Woonwaard hierin en overweegt daartoe – kort samengevat – als volgt. De energiebesparende maatregelen van Woonwaard verhogen weliswaar het wooncomfort van huurders, maar zijn (toch) niet te beschouwen als een renovatie, omdat niet iedere werkzaamheid die leidt tot toename van wooncomfort, een renovatie is. Als de aansluitingswerkzaamheden moeten worden gezien als een voor Woonwaard noodzakelijke maatregel, die niet zonder nadeel voor Woonwaard kan worden uitgesteld, zijn het dringende werkzaamheden. En precies dat is hier het geval, zo oordeelt de kantonrechter, omdat Woonwaard zich aan duurzaamheidsdoelstellingen heeft gecommitteerd en afspraken heeft gemaakt over het aardgasvrij-maken van woningen. De werkzaamheden zijn noodzakelijk om die doelstellingen en verplichtingen na te komen. De reden om ze uit te voeren is niet het vermeerderen van wooncomfort voor haar huurders, zodat geen sprake is van een renovatie. De verduurzamingswerkzaamheden zijn, in de woorden van de kantonrechter, geen keuze voor Woonwaard. Woonwaard is daartoe daadwerkelijk gehouden, op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, het eigen duurzaamheidsbeleid, de Warmtevisie en bindende prestatieafspraken die zij als woningcorporatie heeft gemaakt (in een overeenkomst) met de gemeente. Om haar doelen en afspraken te halen en na te komen is het noodzakelijk dat alle bewoners in het complex meedoen aan de werkzaamheden, zodat het gehele pand kan worden aangesloten op het warmtenet. Naast dit nadeel lijdt Woonwaard ook een aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel door de blokkerende huurders, omdat daardoor subsidie wordt misgelopen en Woonwaard extra kosten moet maken doordat zij het werk niet als één project en in één aaneengesloten stroom voor alle bewoners kan uitvoeren. Kortom, de werkzaamheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter dringend en betreffen geen renovatie. Woonwaard hoeft daarom geen redelijk voorstel te doen en huurders worden door de kantonrechter bevolen om mee te werken. De betekenis voor de praktijk Het vonnis biedt voor woningcorporaties (en andere verhuurders) belangrijke inzichten. Ten eerste: niet iedere werkzaamheid, met toename van het woongenot tot gevolg, betreft een renovatie (hetgeen vaak wordt gedacht). Ten tweede: als werkzaamheden aantoonbaar noodzakelijk zijn om concrete verplichtingen, termijnen of (financiële) randvoorwaarden te halen – denk aan prestatieafspraken, uitvoeringsafspraken met gemeente/ketenpartners, subsidievoorwaarden en projectmatige uitvoerbaarheid – kan dat de route van dringende werkzaamheden dragen. Dringendheid kan immers ook voortvloeien uit het vermijden van (toekomstige) hoge kosten of het mislopen van subsidie of fiscaal voordeel. De ‘dringendheid’ van verduurzaming zal in de praktijk vaker op tafel komen naarmate verplichtingen en prikkels om te verduurzamen concreter worden. In de Nationale prestatieafspraken (gesloten tussen Aedes, VNG, Woonbond en de minister voor VRO) is afgesproken dat woningcorporaties de komende jaren ruim 675.000 bestaande woningen moeten verduurzamen. Tegelijkertijd heeft de energieprestatie steeds meer directe financiële betekenis, doordat slechte energielabels (E, F en G) in het woningwaarderingsstelsel tot minder punten leiden en gemeenten daarop kunnen handhaven. Voor woningcorporaties betekent dit dat het concrete nadeel van de verduurzamingsmaatregelen (financieel, organisatorisch, contractueel, subsidie-technisch) steeds beter concreet te maken is. Betekent dit dat aansluitwerkzaamheden bij warmtenetten door woningcorporaties altijd kunnen worden afgedwongen? Nee. Als naast noodzakelijke aansluitwerkzaamheden ook maatregelen worden meegenomen die (primair) zijn gericht op verbetering van het woongenot of kwaliteitsverbetering, zoals isolatie of HR++-glas, dan zullen die maatregelen als renovatiewerkzaamheden blijven gelden. Kernvraag blijft: kan uitstel van de werkzaamheden voor de verhuurder een concreet nadeel opleveren (dan zijn ze dringend), of gaat het vooral om verbetering (dan zijn het renovatiewerkzaamheden)? Overigens is het toepassen van de route van dringende werkzaamheden niet zaligmakend. Een belangrijk nadeel van toepassing van de dringende werkzaamheden-route is dat achteraf altijd het risico bestaat dat wordt geoordeeld dat (een deel van) voorgenomen werkzaamheden door de verhuurder toch op renovatie neerkomen. Dan moet de verhuurder alsnog een redelijk voorstel doen en gaat kostbare tijd verloren. Een bezwaar kan ook zijn dat bij het onverkort toepassen van deze route de verhuurder een dwingende houding kan worden verweten en dat het draagvlak voor verhuurdersbeslissingen in het complex afneemt. Om dit bezwaar (in ieder geval deels) te ondervangen is het belangrijk om helder en transparant te blijven communiceren naar huurders. Dat houdt in dat het belangrijk is om huurders te informeren over de aard, doel en gevolgen van de werkzaamheden.  Conclusie Kortom, het vonnis biedt zeker perspectief voor woningcorporaties, maar het blijft wel opletten voor woningcorporaties. Zodra de voorgenomen werkzaamheden in feite alleen nog maar zien op wooncomfort-verbetering en niet meer op het moeten veranderen van het ene verwarmingssysteem (gasgestookte verwarming en warm water) door het andere (alles via het warmtenet), omdat verhuurder anders nadeel ondervindt, gaat de route van dringende werkzaamheden niet op. Bovendien moeten woningcorporaties nadenken over de risico’s die bij het volgen van de route van dringende werkzaamheden blijven bestaan. Vragen over dit onderwerp of weten hoe de werkzaamheden het beste kunnen worden ingericht om verdere vertraging te voorkomen? Neem gerust contact op met ons team van Energierecht en Huurrecht. [1] Rechtbank Noord-Holland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3806. [2] Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726 (Portaal I), r.o. 3.4.2 [3] Zie artikel 7:220 lid 3 BW. Belangrijk hierbij is dat de 70%-norm een positieve instemmingseis is: de verhuurder moet aantonen dat 70% daadwerkelijk (actief) heeft ingestemd; het is niet voldoende dat minder dan 30% bezwaar maakt. [4] Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:493. [5] Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek.
Michelle de Rijke – La Gro-min
Michelle de Rijke
Advocaat
Netcongestie: van blokkade naar businesscase
Het elektriciteitsnet staat in Nederland onder grote druk. Staatssecretaris De Bat schrijft op 21 april aan de Tweede Kamer dat het stroomnet in de stad Utrecht en de omliggende regio zo vol is dat aanvragen voor nieuwe of verzwaarde aansluitingen tijdelijk moeten worden uitgesteld. Van een ‘vol’ net is sprake wanneer op piekmomenten onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is om aan de vraag naar elektriciteit te voldoen. Dit gebrek aan beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet noemen we netcongestie. Het probleem van netcongestie speelt in vrijwel heel Nederland en raakt niet alleen grootverbruikers. Per 1 juli 2026 geldt het landelijke prioriteringskader voor aansluitingen ook voor woningbouw en kleine bedrijven. Aanvragen voor (gewijzigde) aansluitingen komen daardoor op een wachtlijst terecht. Netcongestie vormt daarmee een brede belemmering voor elektrificatie, bouw en verduurzaming. Tegelijkertijd bestaan er nog juridische en praktische mogelijkheden om hiermee om te gaan. Dit blog biedt eerst een aantal praktische handvatten voor bedrijven die nu of binnenkort tegen de grenzen van het stroomnet aanlopen. Daarna worden de mogelijkheden besproken voor onderlinge samenwerking tussen bedrijven.    Stap 1: Weet wat u heeft gecontracteerd De eerste stap is contractueel. Iedere aansluiting op het stroomnet is vastgelegd in een aansluit- en transportovereenkomst (ATO). In dit contract is vastgelegd hoeveel elektriciteit mag worden afgenomen en/of teruggeleverd. In de praktijk blijkt hier soms meer ruimte in te zitten dan gedacht. Een goed startpunt is daarom om het huidige en toekomstige verbruik te vergelijken met de contractuele capaciteit. Stap 2: Bespaar, verschuif en produceer zelf Wanneer de behoefte groter is dan de contractuele ruimte, kan worden gekeken naar het aanpassen van deze behoefte en het slimmer benutten van de contractuele ruimte. Bijvoorbeeld door investering in door de overheid erkende energiebesparende maatregelen met een korte terugverdientijd, het verschuiven van verbruik naar dalmomenten (eventueel via een geautomatiseerd energiemanagementsysteem (EMS)) en de inzet van eigen opwek en opslag achter de meter, bijvoorbeeld via zonnepanelen en een batterij.     Stap 3: Flexibele contracten en andere congestiemaatregelen Naast het reguliere transportecht (gegarandeerd 24/7 beschikbaarheid), bestaan flexibele contractvormen. Deze flexibele ATO’s voorzien in alternatieve transportrechten voor grootverbruikers (aansluiting > 3x80A) en zijn ondersteunend aan slimmere benutting van het elektriciteitsnet. Alternatieve transportrechten zijn beschikbaar voor zowel bestaande als nieuwe klanten van systeembeheerders (voorheen: netbeheerder). Daarom kan bij de derde stap worden gekeken of een project inpasbaar is binnen de voorwaarden van een alternatief transportrecht. Voorbeelden hiervan zijn:   TDTR: Tijdsduurgebonden Transportrecht (TDTR) is beschikbaar voor grootverbruikers die rechtstreeks zijn aangesloten op het hoogspanningsnet. Met een TDTR-contract heeft de aangeslotene recht op zijn gecontracteerde transportcapaciteit gedurende minimaal 85% van de uren per jaar. In de overige 15% van de uren kan TenneT, bijvoorbeeld bij verwachte piekbelasting, (gedeeltelijke) beperkingen opleggen. Blokstroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens bepaalde tijdsblokken over transportrechten; Reststroom: de aangeslotene beschikt alleen tijdens beschikbare capaciteit over transportrechten. Naast alternatieve transportrechten kunnen ook congestiemaatregelen als instrument dienen ter bestrijding van netcongestie. Voorbeelden van congestiemaatregelen zijn: CBC: een capaciteitsbeperkingscontract (CBC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin wordt geregeld dat een aangeslotene voor een bepaald tijdstip en een bepaalde periode afziet van het volledige gebruik van zijn overeengekomen aansluit- en transportcapaciteit. Het is ook mogelijk om met een aantal bedrijven gezamenlijk een CBC te sluiten (Groeps-CBC); CSC: een capaciteitssturingscontract (CSC) is een overeenkomst met de systeembeheerder waarin afspraken worden gemaakt over extra invoeding of extra afname tijdens piekmomenten om het net tijdens deze momenten te ontlasten.   Congestiemaatregelen worden aanvullend op de ATO overeengekomen en kennen specifieke voorwaarden. Het gebruik van alternatieve transportrechten en/of congestiemaatregelen kan een (aanvullende) korting of financiële vergoeding opleveren.              Onderlinge samenwerking Als individuele maatregelen onvoldoende opleveren, kan worden onderzocht of samenwerking met andere bedrijven uitkomst biedt. Er zijn verschillende vormen van samenwerking waarvoor niet noodzakelijk is dat alle bedrijven over een eigen aansluiting op het net beschikken. Gedacht kan worden aan een gesloten systeem, een directe lijn en cable pooling. Deze specifieke mogelijkheden bespreken wij in een opvolgend blog. Wanneer partijen al over een eigen aansluiting beschikken maar willen uitbreiden, kunnen zij overwegen om gezamenlijk oplossingen te organiseren voor netcongestie. Hierbij kan worden gedacht aan het afsluiten van een Groeps-CBC, het vormen van een Energiehub of het aangaan van een groepstransportovereenkomst (GTO). De laatste twee worden hieronder kort toegelicht. De Energiehub Een Energiehub is een lokale samenwerking waarin opwek, opslag en verbruik worden afgestemd om netcapaciteit optimaal te benutten. Juridisch bestaat een Energiehub uit meerdere afspraken tussen partijen, waaronder over capaciteitsverdeling en energiemanagement. Op grond van de Energiewet kan een Energiehub worden vormgegeven via energiedelen of peer-to-peer handel. Energiedelen is een administratieve toedeling van gelijktijdig opgewekte (en geleverde) en verbruikte (of opgeslagen) energie. Voor energiedelen is geen fysieke verbindingskabel nodig tussen de samenwerkende bedrijven. De systeembeheerder registreert per kwartier het volume dat door de energiegever wordt gedeeld, en geeft dit door aan de energieleverancier. De leverancier zorgt er vervolgens voor dat dit volume in gelijke mate wordt toegekend aan de energieontvanger. Voor nu geldt de verplichting dat de samenwerkende partijen dezelfde energieleverancier hebben. Peer-to-peer-handel (P2P) is fysieke levering via het net zonder het vereiste van gelijktijdigheid van opwek en verbruik. De leverende partij draagt in dit geval zelf de leveringsverantwoordelijkheid ten opzichte van de afnemende partij. Dat betekent concreet dat de leverende partij óf zelf moet leveren (en daartoe met de afnemer een leveringsovereenkomst moet sluiten) of tegen betaling een marktpartij bereid moet vinden daarin voor de deelnemer te voorzien. Groepstransportovereenkomst Binnen een Energiehub kunnen bedrijven met een eigen grootverbruikaansluiting ook een groepstransportovereenkomst (GTO) sluiten om gezamenlijk transportcapaciteit te delen. Vanaf 1 januari 2027 zijn systeembeheerders verplicht deze nieuwe contractvorm aan te bieden.   Conclusie Netcongestie vormt inmiddels een structurele uitdaging voor ondernemers in heel Nederland, maar het betekent niet per definitie dat ontwikkelingen stil hoeven te vallen. Zoals blijkt, zijn er zowel op individueel niveau als in samenwerking met andere partijen diverse juridische en praktische mogelijkheden om slimmer met de beschikbare netcapaciteit om te gaan. Voor meer informatie of vragen hierover kunt u contact opnemen met het Energieteam van La Gro.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Stroom van data: samenloop tussen de Energiewet en de AVG
Met de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangen. Binnen de Energiewet is een is een belangrijke rol weggelegd voor de beschikbaarheid van accurate gegevens, bijvoorbeeld ten aanzien van verbruik en invoeding. Verschillende marktpartijen die een rol hebben bij het creëren en het verzamelen van gegevens worden verplicht tot het beheren van een register, dat vervolgens op een centrale manier wordt ontsloten. Nadrukkelijk wordt ook rekening gehouden met de AVG; de Energiewet stelt eisen aan de omgang met energiedata, onder meer op het gebied van privacy en kwaliteit van de gegevens. Dit blog gaat in op het kader voor gegevensverwerkingen zoals vastgelegd in de Energiewet. Data‑uitwisseling als pijler van de Energiewet De Energiewet reguleert gegevensuitwisseling in hoofdstuk 4 en maakt onderscheid in de volgende processen: Functioneren van een energiesysteem (factureren, transporteren, overstappen etc.); Inzage in eigen gegevens; Uitwisseling op verzoek van de datarechthebbende; Uitwisseling op basis van een wet of Europese verordening.[1] Gegevens binnen de reikwijdte van de Energiewet worden ondergebracht in een beperkt aantal registers, die worden beheerd door aangewezen registerbeheerders. Dit zijn de systeembeheerders van een energiesysteem of de meetverantwoordelijke partij. Het register bevat de gegevens die de registerbeheerder zelf verzamelt en de in artikel 4.8. Energiewet opgenomen categorieën van gegevens die andere marktpartijen (zoals een leverancier, actieve afnemer en een balanceringsverantwoordelijke) verzamelen en vervolgens aanleveren. De specifieke gegevens die binnen de opgenomen categorieën vallen, worden bij ministeriële regeling nader bepaalt. Een centrale Gegevensuitwisselingsentiteit (het Normo) draagt zorg voor de toegang en ontsluiting van de energiedata in de verschillende registers.[2]  Gegevensverwerkingen op basis van de Energiewet Met de Energiewet en bijbehorende regelgeving wordt nagestreefd dat de beginselen van de AVG en de bijbehorende rechten gelijkelijk worden toegepast op alle gegevens binnen het stelsel van de Energiewet.[3] Het algemene uitgangspunt is dat de partij die de gegevens verzamelt en aanlevert ook de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van deze gegevens (correct, tijdig, volledig).[4] De wet borgt bovendien inzagemogelijkheden, zodat consumenten en eindafnemers beter inzicht krijgen in hun eigen gegevens en deze desgewenst met derden kunnen delen. Op basis van de Energiewet kan in lagere regelgeving worden vastgelegd dat het verwerken van persoonsgegevens in bepaalde gevallen verplicht is. Een tweede grondslag is dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG). De Energiewet bevat de taken en de verwerkende partij zal moeten nagaan of een bepaalde verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van die taak. Daarnaast blijft het onverminderd mogelijk voor partijen om gebruik te maken van de andere AVG grondslagen zoals toestemming, uitvoering van een overeenkomst en gerechtvaardigd belang.[5] De verdere invulling van de grondslagen die dienen te worden gebruikt bij de processen genoemd in hoofdstuk 4 Energiewet volgt per ministeriële regeling.[6] Het toezicht op gegevensverwerkingen ligt bij zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als de Autoriteit Consument en Markt (ACM): de AP ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, terwijl de ACM toezicht houdt op de werking van de energiemarkt en de bescherming van consumenten. Wat betekent dit voor uw organisatie? Verzameling, gebruik en verwerking van gegevens spelen een centrale rol in de Energiewet. Er ontstaat een samenloop tussen de Energiewet en de AVG, wat vraagt om zorgvuldige keuzes ten aanzien van grondslagen voor gegevensverwerking, verantwoordelijkheden en risicobeheersing. Wilt u weten wat dit concreet voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onze Data & Privacy en/of Energie specialisten. Referenties [1] Artikel 4.1 lid 2 Energiewet. [2] Artikel 4.15 e.v. Energiewet. [3] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106. [4] Artikel 4.2 Energiewet; Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106.   [5] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 107-108. [6] Artikel 4.1 lid 3 Energiewet.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerste Kamer stemt in met Wcw: gemeenten kunnen aan de slag met de warmtetransitie
Met de aanstaande inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw), Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw) en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmte (Bgiw) krijgt de energietransitie in Nederland in 2026 een nieuwe impuls. De Wcw is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer aangenomen en vervangt onder meer de huidige Warmtewet. Het is echter nog onduidelijk per wanneer de Wcw daadwerkelijk (gefaseerd) in werking zal treden. De Wgiw is al gedeeltelijk in werking getreden, en het Bgiw verkeert op dit moment nog in concept. Het Bgiw gaat op korte termijn voor advies naar Raad van State. De regierol van gemeenten in de warmtetransitie wordt met deze wet- en regelgeving ingezet, en de bevoegdheden van gemeenten uitgebreid. De Wgiw en Bgiw zorgen ook voor nieuwe verplichtingen. Zo zal het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma moeten vaststellen In dit programma staat een plan voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Dit is een ambitieuze termijn, zeker omdat het onder omstandigheden zinvol kan zijn om de gemeenteraad te betrekken. Hieronder benoemen wij de kern van de wijzigingen, en gaan wij in op de verhouding tussen de gemeenteraad en het college bij het vaststellen van het warmteprogramma, de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Wcw: warmtekavels en publiek meerderheidsbelang Het doel van de Wcw is om de overstap naar collectieve warmte (zoals stadsverwarming) te bevorderen en waarborgen. De Wcw geeft gemeenten als gezegd nieuwe bevoegdheden en verplichtingen, waaronder het vaststellen van zogeheten ‘warmtekavels’, waarvoor zij vervolgens een warmtebedrijf aanwijzen. Dit warmtebedrijf moet in beginsel een publiek meerderheidsbelang hebben. Daardoor wordt het voor gemeenten relevant om zelf, al dan niet samen met andere partijen, warmtebedrijven op te richten (zie ook onze eerdere blog over publiek aandeelhouderschap en de rol van marktpartijen onder de Wcw). De Wgiw: Instrumenten voor gemeentelijke regie Op grond van de Wgiw kan het college in een programma beslissen over de verduurzamingsstrategie voor de gebouwde omgeving (aardgasvrij). Vervolgens kan de gemeenteraad het omgevingsplan wijzigen. Meer concreet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen terzake het uitsluiten van het gebruik van gas als warmtevoorziening binnen een (warmtetransitie)gebied, voor zover die locatie in een (verplicht) warmteprogramma is opgenomen (artikel 5.131a Bkl). Daarvoor wordt onder omstandigheden het verbod op “het aan regels binden van het transporteren en het leveren van gas in het belang van de energievoorziening door de gemeenteraad” (artikel 62 Gaswet, artikel 6.8 Energiewet) buiten toepassing verklaard.   Het warmteprogramma: richtinggevend en zelfbindend Het begint echter met het hiervoor genoemde verplichte warmteprogramma. De Wgiw wijzigt (artikel 3.6 van) de Omgevingswet, waardoor het warmteprogramma een van de verplichte programma’s wordt die een gemeente moet opstellen. Als gezegd moeten gemeenten uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma vaststellen (artikel 10.19a1 Ob). Dat programma moet vervolgens elke vijf jaar worden geactualiseerd. Het warmteprogramma is gericht op verduurzaming van de warmtevoorziening van bestaande gebouwen en, voor zover relevant, de energievoorziening voor milieubelastende activiteiten. De gemeente dient in het warmteprogramma per wijk het tijdspad voor verduurzaming te beschrijven en de verschillende warmtealternatieven in beeld te brengen. Instructieregels in dit verband zijn opgenomen in artikel 4.32 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het is in onze ogen van cruciaal belang om in aanmerking te nemen dat het warmteprogramma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en dat het alleen het college zelf bindt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Er is echter geen juridische koppeling tussen bijvoorbeeld het warmteprogramma en de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie. Het is niet zo dat een omgevingsvisie moet worden aangepast als een programma wordt gewijzigd of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten kunnen worden ingezet. Ook is de gemeenteraad bij vaststelling van het omgevingsplan als uitgangspunt niet gebonden aan het programma, vanwege het karakter daarvan. Tóch kan de gemeenteraad geen (warmtetransitie)gebied in een omgevingsplan aanwijzen als het college van burgemeester en wethouders dit niet eerder in een programma heeft opgenomen. Kortom, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hebben elkaar hard nodig als het gaat om de warmtetransitie. Hoewel het college het programma vaststelt, is afstemming met de gemeenteraad zinvol. De raad kan vooraf geïnformeerd worden, om advies gevraagd worden, of betrokken worden via de omgevingsvisie door daarin de hoofdlijnen van het programma op te nemen. Dit voorkomt problemen bij de aanwijzing van transitiegebieden in omgevingsplannen. Conclusie De Wcw en de Wgiw geven gemeenten een centrale rol in de warmtetransitie. Met het warmteprogramma als beleidsmatig instrument kunnen gemeenten gericht sturen op de verduurzaming van de lokale warmtevoorziening. Tijdige voorbereiding en goede afstemming binnen de gemeente zijn cruciaal om de transitie succesvol te laten verlopen. Contact Wil je meer weten over de Wcw, Wgiw of het warmteprogramma? Neem contact op met Marije van der Hoek, Matti Smit, Michelle de Rijke of een van onze andere energie specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Advies Internationaal Gerechtshof: niet naleving klimaatafspraken kan leiden tot negatieve gevolgen voor ondernemingen en overheden
Op 23 juli 2025 heeft het Internationaal Gerechtshof een baanbrekend advies gegeven over de internationaalrechtelijke verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering en niet naleving van klimaatafspraken. In deze bijdrage bespreken wij de kern van het advies en de mogelijke impact ervan op de nationale en internationale rechtspraak over klimaataansprakelijkheid van ondernemingen en staten. Aanleiding: de oproep van Vanuatu Het initiatief voor deze procedure kwam van de eilandstaat Vanuatu, die door de stijgende zeespiegel en extreme weersomstandigheden wordt bedreigd. Op 29 maart 2023 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 77/276 aan, waarin het Internationaal Gerechtshof werd verzocht om een advies te geven over (kortgezegd) de volgende vragen: Wat zijn de verplichtingen van staten onder internationaal recht met betrekking tot klimaatverandering die door de mens veroorzaakt is? Wat zijn de juridische gevolgen voor staten die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan het klimaat en andere delen van het milieu waarvan toekomstige generaties en bepaalde staten de gevolgen van ondervinden? Wat is de inhoud van het advies over de niet naleving van klimaatafspraken? Het Internationaal Gerechtshof bevestigt dat staten verplicht zijn het klimaat te beschermen. Deze verplichtingen vloeien voort uit het VN-Handvest, het VN-Klimaatverdrag, het Parijsakkoord, de rechten erkend in de Universele Verklaring van de rechten van de Mens, het internationaal gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen. Het Internationaal Gerechtshof kwalificeert deze verplichtingen als erga omnes. Dit betekent dat deze verplichtingen voor iedere staat gelden. Ook staten die geen partij zijn bij de klimaatverdragen kunnen dus gehouden zijn tot het nemen van effectieve maatregelen ter beperking van klimaatverandering. Bovendien geldt een verplichting tot samenwerking tussen staten en moeten zij elkaar ondersteunen. Opvallend is het oordeel over aansprakelijkheid: staten die hun klimaatverplichtingen niet nakomen en daardoor schade veroorzaken, kunnen gehouden zijn die schade volledig te vergoeden. Een staat die onvoldoende maatregelen neemt ter reductie van zijn CO2-uitstoot kan dus in theorie aansprakelijk zijn jegens een ander land dat schade daarvan ondervindt. Hierbij geldt wel een complexe causaliteitsdrempel. Wat is de juridische betekenis? Niet bindend, wél invloedrijk Hoewel het advies niet bindend is, is de juridische en politieke impact ervan potentieel groot. Wereldwijd lopen er momenteel duizenden rechtszaken over klimaatverandering, waaronder ook een aantal in Nederland. Denk onder meer aan de procedure van Milieudefensie tegen ING en het lopende cassatieberoep in de zaak van Milieudefensie tegen Shell. Het advies van het Internationaal Gerechtshof houdt in dat niet-naleving van internationale klimaatafspraken concrete gevolgen moet krijgen. Dit sluit aan bij een trend in de Nederlandse rechtspraak, waarin internationale klimaatafspraken concrete verplichtingen voor ondernemingen en de Staat met zich meebrengen. Zo oordeelde het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak bijvoorbeeld dat internationale klimaatafspraken bijdragen aan een verplichting voor ondernemingen als Shell om hun uitstoot van CO2-emissies te verminderen. Ook de reductieverplichting die de Hoge Raad in het Urgenda-arrest aan de Staat oplegde werd mede op basis van internationale klimaatafspraken onderbouwd. In de procedure tegen ING, waarin nog geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, doet Milieudefensie in haar dagvaarding tevens een beroep op zulke afspraken. Het is dus niet uitgesloten dat het niet-bindende oordeel van het Internationaal Gerechtshof een rol gaat spelen in toekomstige klimaatzaken tegen banken, andere ondernemingen en overheden, zowel in Nederland als daarbuiten. Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u sparren over de gevolgen van het oordeel van het Hof? Neem dan contact op met het Energie team of het Climate Litigation-team van La Gro. Wij denken graag met u mee.