10 augustus 2022

Flitsbezorging Nijmegen in strijd met het bestemmingsplan, click & collect mag wel

Op 3 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland een belangwekkende uitspraak gedaan over de toelaatbaarheid van de activiteiten van een flitsbezorgdienst in de gemeente Nijmegen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bezorgactiviteiten van de flitsbezorgdienst in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat geen sprake is van ‘detailhandel’ zoals gedefinieerd in de planregels. Het bedrijf bood echter ook een click & collect service aan, en was aangesloten bij Too Good to Go. Omdat bij die activiteiten sprake is van levering in de winkel (de klanten komen de boodschappen afhalen), valt dit onder detailhandel en zijn die activiteiten wel toegestaan.

Klik hier voor de uitspraak.

Achtergrond

Flitsbezorger Flink had op een locatie in de gemeente Nijmegen een vestiging van een flitsbezorgdienst geopend. Het college van burgemeester en wethouders legde een last onder dwangsom op omdat het van mening was dat de flitsbezorgdienst niet als ‘detailhandel’ kan worden beschouwd, en daarom in strijd is met het bestemmingsplan. De last onder dwangsom werd in bezwaar gehandhaafd.

Ten tijde van de last onder dwangsom bood Flink via het internet en via een app boodschappen en andere producten voor dagelijks gebruik aan en bezorgde zij deze boodschappen via elektrische fietsen bij haar klanten. Naast deze flitsbezorgdiensten bood Flink ten tijde van de uitspraak inmiddels ook een click & collect service aan waarbij klanten de bestelde boodschappen in het pand konden afhalen. Ook konden ter plekke boodschappen worden besteld door de klant. Daartoe waren ter plaatse een toonbank, tablets en uitgestalde goederen aanwezig. Flink was daarnaast aangesloten bij Too Good to Go. Via dat platform kunnen klanten voor een beperkt bedrag dagelijkse producten waarvan de houdbaarheidsdatum bijna is verstreken, kopen en afhalen.

De last onder dwangsom strekte er toe dat al deze activiteiten diende te worden gestaakt. Flink gaat in beroep en vraag de voorzieningenrechter om de last onder dwangsom te schorsen.

Uitleg van het begrip ‘detailhandel’

Bij de voorzieningenrechter ligt de vraag voor of de activiteiten van Flink voldoen aan het begrip ‘detailhandel’ in de planregels. Dit begrip was als volgt omschreven:

‘het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van het bieden van gelegenheid om gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen. Onder detailhandel wordt niet verstaan detailhandel in volumineuze goederen’.

Blijkens de uitspraak heeft het college prof. dr. F. Steurs van het Instituut voor de Nederlandse taal in Leiden gevraagd de definitie van detailhandel te analyseren. Zij heeft de volgende toelichting gegeven:

“Het Nederlands is duidelijk in deze kwestie: na detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden komt een opsomming die niet restrictief is. In het Nederlands worden niet-restrictieve bijzinnen met een komma aangeduid, en dat is hier het geval.

Dat betekent dus dat het bedrijfsmatig te koop aanbieden op drie wijzen kan:

  1. a) Uitstalling ter verkoop
  2. b) Verkopen van goederen
  3. c) Leveren van goederen.

De drie elementen zijn evenwaardig en kunnen apart worden gebruikt.”

De voorzieningenrechter sluit zich aan bij deze uitleg van ‘detailhandel’.

De voorzieningenrechter wijkt hier af van eerdere rechtspraak van voorzieningenrechters over min of meer vergelijkbare begripsomschrijvingen van ‘detailhandel’. Volgens deze uitleg lijkt immers de enkele uitstalling ten verkoop (bijvoorbeeld door een deel van de online te bestellen producten in een etalage ten toon te stellen) al voldoende te zijn om van detailhandel te kunnen spreken. Het ter plekke kunnen kopen en/of leveren van producten, en daarbij de publieke toegankelijkheid van het pand, lijkt volgens deze uitleg geen vereiste.

Over een gelijkluidende definitie van detailhandel oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (uitspraak van 6 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3082) echter dat geen sprake is van alternatieve vereisten. In dat geval zou immers alleen de uitstalling ten verkoop, zonder het daadwerkelijk verkopen of leveren van goederen al als detailhandel moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter Den Haag overwoog dat sprake moet zijn van de uitstalling ten verkoop en daarnaast het verkopen en/of leveren van goederen aan personen. Het blog over deze uitspraak leest u hier.

Ook de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (uitspraak van 27 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2977) oordeelde over een min of meer vergelijkbare definitie dat voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden in elk geval is vereist de uitstalling ten verkoop. De bijzin ‘waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop’ houdt na de komma namelijk op. De woorden ‘en/of’ in de definitiebepaling slaan terug op het verkopen en het verhuren (verhuren was in deze zaak ook onderdeel van de begripsomschrijving). Dit betekent dat er dus hoe dan ook sprake moet zijn van uitstalling ten verkoop. Daarnaast moet aan één van de drie elementen (het verkopen, het verhuren en/of het leveren) zijn voldaan om onder de definitiebepaling te vallen, aldus de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter Gelderland toetst of de activiteiten van Flink vervolgens aan de definitie van ‘detailhandel’ voldoen. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen enerzijds de flitsbezorging, en anderzijds de click & collect service en de afhaalservice via Too Good to Go.

Opvallend is dat de voorzieningenrechter zijn oordeel begint met de overweging dat ‘detailhandel’ in de kern veronderstelt dat op enig moment in het pand contact is tussen de klant en de verkoper. Uit deze overweging valt af te leiden dat, anders dan de uitleg van het begrip ‘detailhandel’ door prof. Steurs doet veronderstellen, het enkele uitstallen van goederen (bijvoorbeeld in een etalage) toch niet voldoende is om van detailhandel te kunnen spreken.

Over de flitsbezorgdienst overweegt de voorzieningenrechter vervolgens dat daarbij niet op enig moment contact is in het pand tussen de klant en Flink.  Het pand is in de kern slechts een (klein) distributiecentrum, van waaruit goederen worden vervoerd naar klanten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt ook uit de definitie van detailhandel in het bestemmingsplan dat bij flitsbezorging geen sprake is van detailhandel, aangezien aan geen van de drie criteria wordt voldaan. Er is geen sprake van verkoop ter plaatse omdat de artikelen via het internet of de app worden besteld en betaald. Op het moment dat het personeel in het pand op de hoogte raakt van de bestelling, is de verkoop al afgerond. Verder bevindt zich in het pand wel een stellingkast met enkele producten, maar deze vormen geen uitstalling ten behoeve van de verkoop op internet of via de app. Evenmin is bij flitsbezorging sprake van levering van de goederen op de locatie. De bestelling wordt immers aan huis bezorgd en gaat pas bij het bezorgadres uit de handen van een medewerker van eiseres over op de klant.

Over de click & collect service en de afhaalservice via Too Good to Go overweegt de voorzieningenrechter dat daarbij wel contact plaatsvindt met de klant in het pand zelf. Indien de klant een bestelling plaatst en betaalt via het internet, de Too Good to Go-app of ter plaatse en daarna de bestelling zelf ophaalt dan wel meeneemt naar huis, vindt in ieder geval ter plaatse levering plaats. Deze activiteiten kwalificeren daarom wel als detailhandel.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ‘kort gesloten’, wat wil zeggen dat meteen uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. Het beroep wordt gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar wordt vernietigd. De voorzieningenrechter herroept ook de last onder dwangsom en bepaalt, door zelf in de zaak te voorzien, dat deze alleen nog betrekking heeft op de illegale flitsbezorging, en niet op de legale click & collect- en Too Good to Go-activiteiten.

Hoe verder?

Er zijn inmiddels verschillende uitspraken gedaan door voorzieningenrechters over de vraag of flitsbezorging al dan niet onder het begrip ‘detailhandel’ valt. In de meeste gevallen is tot nu toe geoordeeld dat flitsbezorging niet als detailhandel kan worden aangemerkt. De onderbouwing van dat oordeel is echter wisselend, waarbij ook een rol speelt dat de begripsomschrijving in de planregels  van ‘detailhandel’ van geval tot geval kan verschillen.

Flink heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Het is afwachten hoe de Afdeling het begrip ‘detailhandel’ zal uitleggen.

Contact

Voor vragen kunt u contact opnemen met Cato Blankenstein of een van onze andere specialisten van het Team Overheid. Zij staan u graag te woord.

Bel: 0172-503 250