Update Franchise #2 FEBO vs. franchisenemer: postcontractuele franchiseverplichtingen
09 december 2025
Op 19 november 2025 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een conflict tussen FEBO en de voormalig franchisenemer van de FEBO-vestiging in Zwolle. De zaak laat duidelijk zien hoe postcontractuele verplichtingen in franchiseovereenkomsten kunnen uitwerken – ook wanneer een franchiseovereenkomst “van rechtswege” eindigt.
Achtergrond
De relatie tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer stond al onder spanning nadat was ontdekt dat in de vestiging frites werden verkocht die niet van FEBO afkomstig waren. Daarmee werd de franchiseformule geschonden. FEBO stelde daarop “verscherpt toezicht” in.
De franchiseovereenkomst liep tot 30 april 2025. FEBO bood verlenging aan, maar onder voorwaarden vanwege het eerdere toezicht. De franchisenemer weigerde en gaf aan zelfstandig verder te willen gaan op dezelfde locatie. FEBO stelde daarop dat de franchisenemer verplicht was de onderneming – inclusief de huurovereenkomst – aan FEBO aan te bieden, zoals in het contract was vastgelegd. De franchisenemer weigerde dat, waarop FEBO een kort geding startte.
Gelden de postcontractuele verplichtingen ook bij een “van rechtswege” einde?
De franchisenemer voerde aan dat de verplichtingen alleen golden wanneer de franchiseovereenkomst werd “beëindigd”, niet wanneer deze van rechtswege eindigt. De voorzieningenrechter ging daar niet in mee. Het maakt juridisch geen verschil hoe de overeenkomst eindigt. De contractuele verplichtingen na afloop blijven gelden.
Dat betekende dat FEBO aanspraak kon maken op overname van de vestiging, conform de overeengekomen procedure voor waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
Wat besliste de rechter?
De rechtbank oordeelde onder meer dat de franchisenemer de onderneming en de huurovereenkomst aan FEBO moest aanbieden volgens de franchiseovereenkomst en dat een waardebepaling moest worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige en de franchisenemer moest volledig meewerken aan deze waardebepaling. De franchisenemer vorderde dat FEBO verplicht zou worden tot voortzetting van leveringen en gebruik van merkuitingen. Deze vordering werd afgewezen.
Conclusie
Deze uitspraak onderstreept dat franchisenemers alert moeten zijn op de afspraken die gelden na afloop van een franchiseovereenkomst. Veel contracten bevatten bepalingen over overname, goodwill en overdracht van de huurlocatie. Die verplichtingen kunnen ver strekkende gevolgen hebben – zoals het verplicht moeten afstaan van de onderneming.
De zaak tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer toont dat het cruciaal is dat beide partijen de postcontractuele afspraken kennen én naleven. Voor franchisenemers kan een onjuiste inschatting van deze verplichtingen leiden tot hoge dwangsommen en verlies van de onderneming. Voor franchisegevers bevestigt dit vonnis dat zorgvuldig opgestelde overeenkomsten standhouden, ook wanneer een franchisenemer een andere koers wil varen.