03 juni 2026

Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit

03 juni 2026

Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen.

De achtergrond

De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal.

In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen.

Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen.

Het oordeel van het HvJEU

Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend.

Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep.

Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn.

Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt.

Belang voor de praktijk

Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd.

Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep.

Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.

Auteur
mr. A. A. (Arnout) Koeman

Advocaat & Counsel

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA-uitspraak Hoge Raad: representativiteit vereist echte steun van de achterban
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de collectieve actie van Stichting The Privacy Collective (“TPC”) tegen Oracle en Salesforce . De uitspraak is van belang voor iedere partij die te maken krijgt met een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”), en in het bijzonder voor de vraag wanneer een belangenorganisatie voldoende representatief is om schadevergoeding te kunnen vorderen namens een grote groep gedupeerden. De achtergrond De procedure gaat over het misbruik van persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht en hoofdelijke schadevergoeding van Oracle en Salesforce van 5 miljard euro, ofwel 500 euro per persoon, wegens gestelde privacyschendingen bij het plaatsen van cookies en het opbouwen van gebruikersprofielen voor gerichte reclame. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis, verklaarde TPC alsnog ontvankelijk en wees de zaak terug naar de rechtbank. De Partijen bij de procedure gingen hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad De ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in de WAMCA wordt ex nunc getoetst De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in hoger beroep de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een WAMCA-procedure beoordeelt naar de toestand op het moment van zijn beslissing, en niet naar het moment van dagvaarding. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat het hoger beroep strekt tot een nieuwe behandeling van de zaak naar de actuele stand van zaken. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de WAMCA biedt aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Een “niet te verwaarlozen” achterban is niet genoeg Het kernpunt van het arrest betreft de invulling van het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het hof had geoordeeld dat voldoende is dat “een niet te verwaarlozen aantal personen” de actie steunt. De Hoge Raad verwerpt die maatstaf: de rechter dient te beoordelen of de collectieve vordering de steun heeft van “een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt”. Een getalsmatig criterium kent de WAMCA niet, maar indicaties zijn onder meer het aantal aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld, en of de aangesloten personen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep. Steun van andere maatschappelijke organisaties mag wél worden meegewogen bij de beoordeling of aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan. Het hof had bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom anonieme “likes” op de website van TPC aantoonden dat de steun daadwerkelijk van gedupeerden afkomstig was, terwijl Oracle en Salesforce dit gemotiveerd hadden betwist. De toetsing van artikel 80 en artikel 82 AVG mag worden uitgesteld tot de inhoudelijke beoordeling De Hoge Raad oordeelt dat de AVG niet vereist dat het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG in samenhang met artikel 82 AVG steeds al in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure wordt beoordeeld. Het hof mocht deze vraag, evenals de andere onderdelen van artikel 80 AVG, uitstellen tot de inhoudelijke fase van de procedure. Er bestaat geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU op dit punt. Uitzondering op het verbod van terugverwijzing naar de vorige instantie Ten slotte aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste instantie. In het bijzondere, uit twee fasen bestaande systeem van de WAMCA geldt dat wanneer het hof een ten onrechte gegeven niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, het de zaak wél mag terugwijzen naar de rechtbank, omdat de eerste rechter op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Conclusie Omdat de klachten over de representativiteitstoets slagen, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024 in beide zaken en verwijst hij het geding naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Belang voor de praktijk Dit arrest scherpt de drempel voor collectieve schadevergoedingsacties aan. Belangenorganisaties kunnen niet langer volstaan met het aantonen van “enige” steun binnen hun achterban; zij zullen concreet en cijfermatig moeten onderbouwen dat een substantieel deel van de groep waarvoor zij opkomen, de actie daadwerkelijk steunt — zeker wanneer schadevergoeding wordt gevorderd voor een zeer omvangrijke en diffuse groep. Anonieme steunbetuigingen (zoals ‘likes’) volstaan niet zonder nadere onderbouwing dat deze van de beweerde gedupeerden zelf afkomstig zijn. Daarbij bevestigt de Hoge Raad wel dat het toegestaan is om de steun van andere belangorganisaties te betrekken bij de beoordeling of aan de representativiteitseis is voldaan. Voor gedaagden in WAMCA-procedures biedt de uitspraak een concreet aangrijpingspunt om de representativiteit van eisende belangenorganisaties (verder) te betwisten, met name in zaken met een grote en generieke achterban en aanzienlijke gevorderde bedragen. Tegelijk bevestigt de Hoge Raad dat AVG-specifieke ontvankelijkheidsvragen niet dwingend al in de ontvankelijkheidsfase hoeven te worden beslecht, wat de proceseconomie in complexe privacygerelateerde massaclaims ten goede kan komen. Ten slotte biedt de Hoge Raad nu expliciet de mogelijkheid voor eisers om gebreken op het gebied van representativiteit te repareren tijdens de hoger beroepsprocedure: de toetsing van dit vereiste dient namelijk ex nunc plaats te vinden. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere WAMCA-specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Handreiking DAEB Vrijstellingsbesluit: hulp bij toepassing in de praktijk
Eerder schreef ik over de herziening van het DAEB Vrijstellingsbesluit door de Europese Commissie op 16 december 2025. De herziene versie van deze staatssteunuitzondering is op 8 januari 2026 in werking getreden. Inmiddels heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een handreiking gepubliceerd waarin wordt uitgelegd wat de nieuwe staatssteunregels concreet betekenen voor sociale en betaalbare huisvesting (hierna: “de DAEB-Handreiking”). De DAEB-Handreiking is vooral bedoeld voor gemeenten en provincies, maar ook nuttig voor bijvoorbeeld woningcorporaties en ontwikkelaars. Staatssteun en de DAEB vrijstelling in het kort Van staatssteun is sprake wanneer een overheid met staatsmiddelen een selectief, niet-marktconform voordeel verschaft aan een onderneming dat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Dergelijke steun moet in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is zo’n uitzondering: overheden mogen ondernemingen belast met de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) compenseren zonder voorafgaande melding, mits aan voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het uitwerken van de het staatssteuninstrument in een DAEB aanwijzingsbesluit. Met het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit (EU 2025/2630) is de vrijstelling verruimd. Deze verruiming betreft onder andere een verhoging van het compensatieplafond naar € 20 miljoen per jaar, ruimere controle op overcompensatie en een aanvullende bijlage met betrekking tot woningbouw op grond waarvan naast sociale woningbouw ook betaalbare huisvesting als DAEB kan kwalificeren. Meer informatie over de wijzigingen die met de herziening zijn ingevoerd lees je in mijn eerdere blog: link. Wat legt de DAEB-Handreiking uit? De DAEB-Handreiking van BZK vertaalt de Europese wijzigingen van het DAEB Vrijstellingsbesluit naar de Nederlandse praktijk en biedt concrete aanknopingspunten voor gemeenten, provincies en corporaties. De DAEB-Handreiking gaat onder andere in op de volgende onderwerpen: Twee DAEB-categorieën: Naast de sociale huisvesting-DAEB is er nu een betaalbare huisvesting-DAEB voor middenhuur en betaalbare koop. In de DAEB-Handreiking wordt uitgelegd hoe deze categorieën conform de Nederlandse wetgeving (c.q. in de Wet versterking regio op de volkshuisvesting op basis van inkomensgrenzen) worden gedefinieerd en welke voorwaarden gelden bij steunverlening voor sociale en/of betaalbare huisvesting. Ook wordt toegelicht dat voor steun voor betaalbare huisvesting een gelijk speelveld in acht genomen moet worden, en ondernemingen onder gelijke voorwaarden voor de staatssteun in aanmerking moeten komen. Dit kan bijvoorbeeld via een selectieprocedure. Verruimd toepassingsgebied: de DAEB Vrijstelling voor huisvesting is niet enkel beperkt tot woningbouw maar omvat ook onder meer nieuwbouw, grondaankoop, renovatie, verduurzaming en beheerskosten. Ruimere controle op overcompensatie: de controletermijn gaat van drie naar vijf jaar, en organisaties met vrijwel uitsluitend DAEB-activiteiten zijn vrijgesteld van periodieke controle achteraf. Nieuwe transparantieregels: vanaf 1 januari 2028 moet steun boven € 1 miljoen binnen 20 werkdagen in een centraal register worden opgenomen. Instandhoudingstermijn: het DAEB Vrijstellingsbesluit vereist in beginsel dat de DAEB voor 20 jaar na subsidiëring in stand wordt gehouden, tenzij hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Wet versterking regie op de volkshuisvesting stelt voor sociale huurwoningen een verdergaande termijn van 25 jaar, hier dient tevens rekening mee gehouden te worden bij realisatie van sociale huisvesting op grond van het DAEB Vrijstellingsbesluit. Voorbeelden van staatssteuninstrumenten: het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit schrijft geen specifieke staatssteuninstrumenten voor. Overheden zijn vrij is het type instrument dat zij toepassen voor steunverlening. De DAEB-Handreiking geeft vier voorbeelden van steuninstrumenten op grond waarvan DAEB-steun verleend kan worden, te weten de objectsubsidie, een garantie op een lening, een leenfaciliteit al dan niet uit een revolverend fonds en korting op de grondprijs. Tot slot bevat de DAEB-Handreiking een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit van de fictieve gemeente Nergenshuizen. Dat voorbeeld laat zien hoe een DAEB-aanwijzing voor sociale huur, middenhuur en gecombineerde woonvormen voor senioren en studenten kan worden vormgegeven, inclusief bepalingen over compensatie, controle en instandhoudingstermijn Contact Heeft u vragen over de toepassing van het DAEB Vrijstellingsbesluit of andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Bencis arrest: Investeringsmaatschappij kan kartelboete niet op portfolio-onderneming verhalen
Op 10 april 2026 wees de Hoge Raad een arrest dat van belang is voor investeringsmaatschappijen en conglomeraten die verschillende dochtermaatschappijen hebben. De centrale vraag luidde of een moedermaatschappij die door de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) is beboet wegens een kartelinbreuk van haar dochter, de betaalde boete op die dochter kan verhalen. Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk, maar bevat een nuance die voor de praktijk van belang is. De zaak Investeringsmaatschappij Bencis hield tussen 2004 en 2011 indirect aandelen in Meneba, een Nederlandse meelfabrikant. Meneba bleek in de periode 2001 tot en met 2007 te hebben deelgenomen aan een kartel van meelfabrikanten, in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorganger van de ACM) legde Meneba in 2010 daarom een boete op van 9 miljoen euro. Op 17 juli 2014 besloot de ACM Bencis ook te beboeten. Deze boete volgde nadat Bencis in 2011 haar aandelen in Meneba had verkocht. Aan deze boete lag ten grondslag dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van Meneba, waardoor zij in mededingingsrechtelijke zin één onderneming met haar dochteronderneming Meneba vormde. De boete voor Bencis bedroeg ruim 1,27 miljoen euro. Hoewel Bencis de boete aanvocht, bleef deze zowel bij de bestuursrechter als bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in stand. Bencis vond het onrechtvaardig dat zij een boete moest betalen voor het gedrag van haar voormalige dochteronderneming en stapte naar de civiele rechter. Zij vorderde van Dossche (de partij die Meneba in 2018 had overgenomen) vergoeding van de aan haar opgelegde boete. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hierop ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad eveneens verworpen. Hierna lichten wij dat toe. Het oordeel van de Hoge Raad De Hoge Raad stelde voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover Bencis haar vordering baseerde op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer ook onrechtmatig is jegens de moedermaatschappij. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat de dochter de moeder bewust heeft misleid of haar onkundig heeft gehouden van de inbreuk. Nu Bencis er niet in slaagde dergelijke bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, strandde de vordering uit onrechtmatige daad. Het standpunt van Bencis dat Meneba ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van haar, omdat Meneba een lagere boete had betaald dan het geval zou zijn geweest indien uitsluitend zij was beboet, heeft de Hoge Raad niet inhoudelijk beoordeeld. Het gerechtshof had echter al geoordeeld dat geen sprake was van een ongerechtvaardigde verrijking, welk oordeel in cassatie in stand is gebleven. Conclusie en belang voor de praktijk Dit arrest kan vergaande gevolgen hebben voor investeringsmaatschappijen en andere conglomeraten. Wanneer een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op een dochter, loopt zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor mededingingsovertredingen van die dochter, ook wanneer zij hiervan geen kennis had. Zoals dit arrest benadrukt, is het achteraf verhalen van een opgelegde boete op de dochter daarbij slechts mogelijk als de moedermaatschappij bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door misleiding of het bewust achterhouden van informatie. De les is helder. Investeringsmaatschappijen en conglomeraten doen er goed aan te investeren in voortdurende compliance binnen hun portfolio-ondernemingen. Het uitvoeren van een due diligence onderzoek voorafgaand aan een overname, of het jaarlijks navragen of er wetsovertredingen zijn gepleegd, is op zichzelf onvoldoende om boeteaansprakelijkheid te voorkomen of de boete te verhalen op een dochter. Organisaties die hier nog onvoldoende op inzetten, hebben er baat bij om hun medewerkers en bestuurders gerichte trainingen en opleidingen op het gebied van mededingingsrecht aan te bieden. Een goed ingericht compliance programma vermindert niet alleen het risico op kartelinbreuken, maar versterkt ook de positie van de organisatie in eventuele handhavingsprocedures. Heeft u interesse in compliance trainingen of vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, Noa van den Brink of één van onze andere specialisten op het gebied van mededingingsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Verrekening met een verjaarde vordering
Verrekening is een handig instrument om overbodige betalingshandelingen te voorkomen. Daarnaast biedt verrekening een vorm van zekerheid en kan het een effectief verweermiddel zijn tegen een vordering van een wederpartij. In sommige gevallen kan zelfs verrekend worden met een vordering die al verjaard is. Daarover gaat het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:93). In hun bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2026/21) bespreken Mariëlle Broekman en Gerben Hoijtink dit arrest en gaan zij in op mogelijkheden om contractueel af te wijken van de wettelijke regelingen van verrekening en verjaring. Meer weten over verrekening? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Gerben Hoijtink of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Update Franchise #6 Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.