Over Monika

Monika is sinds 2022 werkzaam als advocaat bij La Gro. Zij heeft een passie voor Europees recht en brengt deze tot uiting in haar werkzaamheden op het gebied van staatssteun, mededinging en aanbesteding.

Met een scherpe focus op staatssteun biedt Monika hoogwaardig juridisch advies en strategische begeleiding aan diverse cliënten, waaronder bedrijven, overheden en non-profitorganisaties. Haar diepgaande kennis van de complexe Europese regelgeving, gecombineerd met sterke analytische vaardigheden, stelt haar in staat om effectieve en innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor haar cliënten.

Monika behandelt haar zaken op een erg toegankelijke wijze. Dit resulteert in een prettige en constructieve samenwerking met cliënten, waarbij ze complexe juridische kwesties op een heldere en begrijpelijke manier weet te vertalen.

Specialisaties

  • Staatssteunrecht 
  • Mededingingsrecht 
  • Aanbestedingsrecht  

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2020, Jagiellonian University, Krakau, Polen (uitwisselingsstudent) 
  • 2021, Radboud Universiteit, Master European Business Law (summa cum laude) 
  • Lid van de Vereniging voor Mededingingsrecht
  • Lid van de Nederlandse Vereniging voor Aanbestedingsrecht
  • Bestuurslid van de Studiekring Europees Recht (STER)

Recente dossiers

  • Staatssteunrecht: bijstaan en adviseren van (semi-)overheden en ondernemingen op het gebied van staatssteun, onder andere bij de aan- en verkoop van gronden, financieringsconstructies, publiek-private samenwerking en gebiedsontwikkeling, het aanmelden van steunmaatregelen of klachten bij de Europese Commissie, bijstaan van partijen bij onderzoeken door de Europese Commissie;
  • Aanbestedingsrecht: bijstaan van overheden en aanbestedende diensten en ondernemingen (inschrijvers) in aanbestedingsrechtelijke geschillen, alsmede advisering in het kader van aanbestedingen, gebiedsontwikkeling, gronduitgifte, waarbij indien van toepassing mede staatssteunrechtelijk wordt geadviseerd;
  • Mededingingsrecht: bijstaan en begeleiden van cliënten in geval van handhaving en toezicht door de Autoriteit Consument & Markt (ACM), advisering ten aanzien van concentraties en andere (samenwerkings)overeenkomsten (distributie-, agentuur-, franchise- en inkoopovereenkomsten), advisering ten aanzien van de Wet Markt & Overheid.

Publicaties

  • 2025: ‘MTB/Heineken-arrest: moederaansprakelijkheid in het mededingingsrecht toegepast bij het bepalen van de bevoegdheid civiele rechter’, in: Aflevering 3 2025, Markt & Mededinging
  • Annotatie bij Vzr. Rb. Den Haag 19 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13210, Vzr. Rb. Noord-Nederland 12 november 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4962 en Vzr. Rb. Den Haag 15 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13382, JAAN 2022/25-27 (Motiveringsplicht bij intrekkingsbesluit aanbesteding)
  • Annotatie bij Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:660, JIN 2023/7 nr. 120 (Verruimde toepassing van Europese bevoegdheidsregels bij inbreuken op het mededingingsrecht?)
Contactgegevens
mr. M.C.B. (Monika) Beck

Advocaat 

Aanbestedingsrecht | Mededinging en EU 

Bel Monika Beck

Artikelen van Monika Beck

la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe richtsnoeren voor de Foreign Subsidies Regulation
Op vrijdag 9 januari 2026 publiceerde de Europese Commissie de richtsnoeren die horen bij de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). In deze richtsnoeren verduidelijkt de Europese Commissie diverse begrippen uit de FSR en licht zij de toepassing van de FSR toe. Deze publicatie markeert een nieuwe stap in het transparant maken van het beoordelingsproces bij de FSR.   Foreign Subsidies Regulation – hoe zat het ook alweer? Op 12 juli 2023 is de FSR van toepassing geworden. De FSR maakt het voor de Europese Commissie mogelijk om verstoringen veroorzaakt door buitenlandse subsidies aan te pakken. Dit met het doel een level-playing-field te creëren tussen alle (EU én niet EU) onderneming die actief zijn binnen de EU. In een notendop bevat de FSR drie procedures: Een meldingsplicht voor transacties waarbij subsidies gegeven door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de doelwitvennootschap, één van de fuserende partijen of de gemeenschappelijke onderneming een EU omzet heeft van minimaal EUR 500 miljoen en deze ondernemingen in totaal meer dan EUR 50 miljoen aan subsidies uit derde landen hebben ontvangen in de drie jaar voorafgaand aan de sluiting van de koopovereenkomst; Een meldingsplicht bij aanbestedingen waarbij subsidies door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de geschatte contractswaarde minimaal EUR 250 miljoen bedraagt en de inschrijver in de drie jaar voor de melding meer dan EUR 4 miljoen aan subsidies uit derde landen heeft ontvangen; en Een ex-officio procedure door de Europese Commissie, waarbij de Europese Commissie op eigen initiatief een onderzoek start. Sinds inwerkingtreding is de Europese Commissie enkele onderzoeken gestart en heeft het slechts zeer beperkt onderzoeken afgerond én besluiten gepubliceerd. Deze richtsnoeren, die de Europese Commissie volgens de FSR moest opstellen, komen daarmee ook als geroepen. Zij geven (buitenlandse) partijen meer rechtszekerheid over hun juridische positie onder de FSR.     Op welke punten geven de FSR richtsnoeren meer duidelijkheid? De uitgebreide richtsnoeren (48 pagina’s) geven toelichting op veel onderdelen van de FSR. Een paar punten om uit te lichten zijn de volgende: De beoordeling van marktverstoringen door subsidies uit derde landen. De richtsnoeren verduidelijken dat wanneer de Europese Commissie heeft geconcludeerd dat een onderneming voordeel heeft gehad van een buitenlandse subsidie, de Europese Commissie in twee stappen vaststelt of er sprake is van een marktverstoring. Ten eerste onderzoekt de Commissie of de buitenlandse subsidie de positie van de onderneming op de EU markt versterkt. Ten tweede onderzoek de Europese Commissie de impact van de subsidie op de concurrentie op de markt. De Europese Commissie analyseert hierbij of de subsidie verantwoordelijk is voor een verandering van het gedrag van de onderneming en de markt dynamiek ten nadele van andere marktpartijen. Beoordeling bij aanbestedingen. De Europese Commissie heeft ook meer toelichting gegeven op de wijze waarop zij marktverstoringen door subsidies zal beoordelen bij aanbestedingen. Hierbij zal de Europese Commissie eerst onderzoeken of de onderneming de inschrijving heeft aangepast als gevolg van de subsidie. Indien dit het geval is, zal de Europese Commissie beoordelen of de inschrijving ten onrechte voordelig is door deze met andere vergelijkbare inschrijvingen te vergelijken en inschrijving te beoordelen door de voorwaarden te vergelijken met de eigen ramingen van de aanbestedende dienst. De afwegingstoets. De afwegingstoets kan door de Europese Commissie per subsidie worden toegepast en houdt rekening met de specifieke omstandigheden van het geval. De richtsnoeren geven toelichting over het afwegen van positieve effecten van een subsidie ten opzichte van negatieve effecten van een subsidie. Hierbij zal de Europese Commissie alleen de positieve effecten meenemen die specifiek horen bij de subsidie. Ook zal de toets de ernst van de marktverstoring en de positieve effecten zonder de marktverstoring meenemen. Een ex-officio onderzoek. De Europese Commissie heeft in de richtsnoeren meer duidelijkheid gegeven over wanneer zij een onderzoek op eigen initiatief start. Hierbij geven de richtsnoeren zogenaamde safe harbour drempels: voor aanbestedingsprocedures met een lage waarde, subsidies onder de EUR 4 miljoen en subsidies gericht op bijzondere omstandigheden (zoals natuurrampen) zal de Europese Commissie geen onderzoek starten. Wat betekent dit voor uw onderneming? Met de publicatie van deze FSR richtsnoeren, zet de Europese Commissie de volgende stap in de ontwikkeling van de FSR. Deze richtsnoeren geven ondernemingen en aanbestedende diensten meer duidelijkheid over hoe de Europese Commissie meldingen beoordeelt. Belangrijk is ook dat de Europese Commissie safe harbour drempels introduceert waardoor ondernemingen en aanbestedende diensten vaker zeker weten dat de Europese Commissie geen onderzoek gaat beginnen. Hiermee wordt de rechtszekerheid vergroot. Heeft u vragen over de FSR of de hiervoor besproken richtsnoeren? Neem dan contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere FSR en aanbestedingsrecht specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
DAEB vrijstellingsbesluit herzien - een oplossing voor de woningnood?
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie de herziene versie van het Vrijstellingsbesluit voor staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB Vrijstellingsbesluit”) aangenomen. Het DAEB Vrijstellingsbesluit maakt het mogelijk om steun te verlenen voor diensten die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat melding bij de Europese Commissie is vereist. Dit DAEB Vrijstellingsbesluit is nu door de Europese Commissie opgefrist, onder andere met het doel om woningbouw te stimuleren en de huisvestingscrisis tegen te gaan. Wat is er exact gewijzigd? En wat voor gevolgen heeft dit voor u? U leest het in onderstaande blog! Wat is staatssteun?  Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is steun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”). Diensten van algemeen economisch belang DAEB’s zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen maar die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden. Er is daarom staatssteun vereist om deze diensten onder de gewenste voorwaarden of kwaliteit voor burgers op de markt aan te kunnen bieden. Dit kan bijvoorbeeld sociale woningbouw of exploitatie van economisch inefficiënte busverbindingen betreffen. Overheden hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid bij het bepalen welke diensten zij als DAEB kwalificeren. Het DAEB Vrijstellingsbesluit De Europese Commissie heeft een aantal instrumenten ontwikkeld op basis waarvan DAEB-steun rechtmatig aan ondernemingen kan worden verleend. Eén van deze instrumenten is het DAEB Vrijstellingsbesluit. Op basis van dit besluit kunnen overheden ondernemingen die zijn belast met het verrichten van een DAEB compensatie geven voor het verrichten van de betreffende DAEB mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er is sprake van een DAEB; De compensatie bedraagt maximaal € 20 miljoen per jaar of valt binnen de andere categorieën DAEB’s die binnen het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit vallen conform art. 2 lid 1 van het Vrijstellingsbesluit;  De periode waarvoor de onderneming wordt belast met de DAEB is niet langer dan 10 jaar;  Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst, oftewel, er mag geen sprake zijn van overcompensatie;  De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren wordt belast met uitvoering van de DAEB in een toewijzingsbesluit waarin de DAEB, het compensatiemechanisme en overige relevante aspecten zoals voorgeschreven in het DAEB Vrijstellingsbesluit worden uitgewerkt; Er wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden (controle op overcompensatie, transparantie).   Waarom herzien? De Europese Commissie heeft het een evaluatie verricht naar (de toepassing van) het “oude” Vrijstellingsbesluit in de praktijk. Dit heeft tot de conclusie geleid dat de huidige staatssteunregels onvoldoende handvatten bieden voor lidstaten om de huisvestingscrisis tegen te gaan waar de gehele Europese Unie mee kampt. Ook was het “oude” Vrijstellingsbesluit op bepaalde punten toe aan een actualisatie, verduidelijking en versimpeling van de administratieve voorwaarden. Om die redenen heeft de Europese Commissie een herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit aangenomen waarin ervaringen van het oude besluit, economische veranderingen (waaronder de huisvestingscrisis) en marktontwikkelingen zijn verwerkt. De herziening is onderdeel van het “Europees plan voor betaalbare huisvesting” van de Europese Commissie. DAEB Vrijstellingsbesluit: nieuw vs. oud De Europese Commissie heeft ten aanzien van de volgende onderwerpen de volgende wijzigingen doorgevoerd in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit: Verhoging compensatieplafond Gelet op de inflatie sinds de inwerkingtreding van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit in 2012, heeft de Commissie het algemene compensatieplafond verhoogd. Op basis van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit is het mogelijk om maximaal € 20 miljoen per jaar aan steun toe te kennen onder het algemene compensatieplafond. Onder het “oude” Vrijstellingsbesluit bedroeg dit plafond € 15 miljoen. Sociale en betaalbare huisvesting als DAEB Om de huisvestingscrisis in Europa tegen te gaan, heeft de Europese Commissie de kaders omtrent DAEB-steun voor sociale huisvesting nader uitgewerkt/versoepeld. Daarnaast heeft zij betaalbare huisvesting als steuncategorie toegevoegd. DAEB-steun voor sociale en betaalbare huisvesting is niet gebonden aan het algemene compensatieplafond, en kan dus meer dan € 20 miljoen per jaar bedragen mits dit niet leidt tot overcompensatie. De belangrijkste definities en voorwaarden voor huisvestingssteun heeft de Europese Commissie uitgewerkt in de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit. Een DAEB op het gebied van sociale huisvesting wordt gedefinieerd als een dienst voor kansarme huishoudens of sociaal minder bevoorrechte groepen, met inbegrip van daklozen. DAEB’s voor betaalbare huisvesting hebben voornamelijk betrekking op huishoudens die niet achtergesteld zijn, maar welke door marktontwikkelingen, met name marktfalen, geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan starters, ouderen of alleenstaande ouders. In de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit stelt de Commissie onder andere de volgende voorwaarden (in aanvulling op de algemene voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit) waaraan moet worden voldaan bij het verlenen van steun voor sociale en/of betaalbare huisvesting: Kwaliteits-, milieu- en toegankelijkheidseisen: sociale en betaalbare huisvesting moet van passende kwaliteit en toegankelijkheid zijn, voldoen aan milieunormen en zijn aangepast aan de behoeften van huishoudens. Duur: in principe moeten sociale en betaalbare woningen gedurende ten minste twintig jaar voor dat doel worden gebruikt om te voorkomen dat de gesubsidieerde woningen snel op de commerciële markt worden verkocht. Subsidiabele kosten: in de bijlage is een brede lijst van kosten opgenomen welke in aanmerking komen voor dekking uit DAEB-steun. Ten aanzien van betaalbare huisvesting worden ook eisen gesteld met betrekking tot de prijzen die gehanteerd worden voor de woningen. De moeten op transparante wijze worden vastgesteld en onder de marktprijzen blijven, maar niet lager zijn dan nodig voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling. Ook moeten de betreffende woningen daadwerkelijk als betaalbare huisvesting worden gebruikt (en niet als bijvoorbeeld een tweede woning) en moet de toewijzing van de woningen plaatsvinden op basis van open systemen. Nieuwe/gewijzigde steuncategorieën In het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit zijn kritieke geneesmiddelen toegevoegd als mogelijke steuncategorie. Ook zijn de kaders voor luchthavens, luchtverbindingen, maritieme verbindingen met eilanden en havens gewijzigd. Controle op overcompensatie Ten aanzien van controle op overcompensatie heeft de Europese Commissie het regime versoepeld. Onder het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit diende controle op overcompensatie om de drie jaar en aan het einde van de DAEB plaats te vinden. Deze frequentie is in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit teruggebracht naar controle eens in de vijf jaar. Ook is controle achteraf niet meer vereist indien de steunbegunstigde geen andere activiteiten dan de DAEB uitvoert en wettelijk verplicht is alle winsten in de DAEB te herinvesteren. Rapportage- en transparantieverplichtingen Op grond van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit gold een tweejaarlijkse rapportageverplichting voor lidstaten. Deze verplichting komt per 2026 te vervallen. De transparantie zal per 2028 gewaarborgd worden door middel van een registratieverplichting. Vanaf 1 januari 2028 zal alle staatssteun onder het DAEB Vrijstellingsbesluit die meer bedraagt dan € 1 miljoen per onderneming, in een centraal register geregistreerd moeten worden binnen 20 werkdagen na steunverlening. Inwerkingtreding Bovengenoemde wijzigingen treden in werking op de twintigste dag na publicatie van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie. Praktische impact Hoewel de herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit op het eerste gezicht een groot aantal wijzigingen introduceert, blijft de essentie van het besluit in de praktijk grotendeels hetzelfde. De basisprincipes, zoals het vereiste van een toewijzingsbesluit en verbod op overcompensatie, blijven onverminderd van kracht. Deze basisprincipes worden aangevuld met concrete handvatten die overheden kunnen gebruiken om de woningnood op een flexibelere en efficiëntere wijze tegen te gaan. De praktische implicaties zijn vooralsnog beperkt tot het verwerken van de nieuwe kaders voor sociale en betaalbare huisvesting bij het verlenen van steun aan dit type DAEB’s. Overheden zullen ontlast worden van de tweejaarlijkse rapportageverplichting en hoeven minder frequent op overcompensatie te controleren. Per 1 januari 2028 gaat voor steunverleners de verplichting gelden om steunverleningen boven € 1 miljoen per onderneming per DAEB in een centraal register te registeren. In hoeverre deze wijzigingen de oplossing gaan zijn voor de huisvestingscrisis, moet nu in de praktijk gaan blijken. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Registratieplicht de-minimissteun per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 wijzigt het administratieve regime voor verlenen van reguliere de-minimissteun en de-minimissteun voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB). De kern: de administratieve verplichting verschuift grotendeels van de begunstigde naar de steunverlener. Overheden moeten reguliere en DAEB de-minimissteun vanaf 1 januari 2026 zelf registreren in een centraal register en vooraf controleren of het relevante de-minimisplafond niet wordt overschreden. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem waarin wordt gewerkt met een de-minimisverklaring die wordt opgevraagd bij de steunbegunstigde. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Wij zetten het voor u uiteen in onderstaande blog. Wat is staatssteun? Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is de-minimissteun. De-minimissteun De de-minimisverordeningen staan toe dat overheden beperkte steunbedragen toekennen zonder meldingsplicht bij de Commissie. Deze bedragen worden te laag geacht om de interne markt te kunnen beïnvloeden. Er zijn vier typen de-minimissteun, met elk een eigen plafond. Elke onderneming mag maximaal dit plafondbedrag aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. De plafonds gelden per onderneming en per lidstaat. Een Nederlandse B.V. kan dus in totaal – van alle Nederlandse overheden samen – maximaal het relevante plafond aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. Administratieve verplichting: oud vs. nieuw De drempelbedragen voor reguliere en DAEB de-minimissteun zijn per 1 januari 2024 verhoogd. Met deze verhoging is ook het administratieve regime gemoderniseerd. Deze modernisering vergt een actievere houding van de steunverlener ten opzichte van het huidige systeem en treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Huidige systeem Op grond van het huidige systeem kan de-minimissteun worden verleend nadat 1) de begunstigde door de steunverlener schriftelijk of elektronisch in kennis is gesteld van het steunbedrag en van het de-minimiskarakter ervan, waarbij rechtstreeks naar toepasselijke de-minimisverordening wordt verwezen, en 2) de begunstigde een verklaring heeft ingediend over alle de-minimissteun die deze begunstigde gedurende een periode van drie jaar heeft ontvangen. Kortom, een vrij laagdrempelige administratieve verplichting waar geen termijnen aan zijn gekoppeld. Systeem per 1 januari 2026 Per 1 januari 2026 zal informatie over verleende (DAEB en reguliere) de-minimissteun geregistreerd moeten worden in een centraal register (het eAidregister). De informatie dient uiterlijk binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun geregistreerd te worden, en moet minimaal tot 10 jaar na steunverlening in het register zijn opgeslagen. Overheden mogen pas nieuwe de-minimissteun verlenen nadat in het register is gecontroleerd of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. De volgende gegevens dienen geregistreerd te worden: Identificatie van de begunstigde; Het steunbedrag; De toekenningsdatum; De steunverlenende autoriteit; Het steuninstrument; en De betrokken sector op basis van de NACE-classificatie. Gedurende drie jaar na invoering van het register blijft – naast registratie – de “oude” administratieve verplichting gelden. Overheden zullen gedurende die periode naast de registratie tevens de begunstigde schriftelijk of elektronisch in kennis moeten stellen van het steunbedrag en het de-minimiskarakter met verwijzing naar de verordening, alsook een de-minimisverklaring moeten opvragen. Reguliere en DAEB de-minimissteun die vóór 1 januari 2026 is toegekend, valt onder de “oude” administratieve verplichting en hoeft dus niet geregistreerd te worden. Voor de-minimissteun voor de visserij- en aquacultuursector is nog geen registratieplicht aangekondigd. De-minimissteun voor de landbouwsector wordt aan bovenstaande registratieplicht onderworpen per 1 januari 2027. Praktische impact voor overheden Vanaf 1 januari 2026 zijn overheden belast met de registratieplicht voor reguliere en DAEB de-minimissteun. Overheden zullen binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun, de steunverlening alsook de nodige gegevens daaromtrent, in het eAidregister moeten registreren. Ook moet voorafgaand aan de verlening van nieuwe de-minimissteun in het register geverifieerd worden of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. Gedurende drie jaar na invoering van het register, zal ook de huidige administratieve verplichting nog blijven gelden, oftewel zal de steunverlener naast registratie ook een de-minimisverklaring moeten opvragen en de begunstigde in kennis moeten stellen van het steunbedrag en de-minimiskarakter onder verwijzing naar de toepasselijke verordening. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Consultatie herziening DAEB-staatssteunregels: Een middel tegen de huisvestingscrisis?
Tot en met 31 juli 2025 organiseert de Europese Commissie een consultatie over de herziening van de staatssteunregels voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (“DAEB”). In deze consultatie wenst de Europese Commissie informatie uit de markt te verzamelen over de toepassing van de DAEB-regels en eventuele verbeterpunten. Deze consultatie is met name relevant voor overheidslichamen, aanbieders van sociale huisvesting en ontwikkelaars die betrokken zijn bij woningbouwprojecten en het realiseren van betaalbare huisvesting, aangezien zij regelmatig worden beperkt ten aanzien van de mogelijkheid tot publieke financiering voor deze projecten. De Europese Commissie wenst de DAEB-regels hier op aan te passen, zodat meer woningbouwprojecten binnen de kaders van het staatssteunrecht gerealiseerd kunnen worden. Wat zijn de DAEB-staatssteunregels?  De DAEB-regels bieden een juridisch kader waarbinnen overheden staatssteun mogen verlenen aan organisaties die diensten van algemeen economisch uitvoeren. Dit zijn diensten die van algemeen belang worden geacht binnen de maatschappij maar welke doorgaans niet rendabel zijn, zoals de realisatie sociale woningbouw. Het doel is om te waarborgen dat deze steun niet leidt tot oneerlijke concurrentie binnen de Europese interne markt. De regels bepalen onder welke voorwaarden en tot welk bedrag steun mag worden verleend, zonder voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie. Waarom deze DAEB-regels herzien?  De Europese Commissie ziet de noodzaak om de regels te moderniseren, mede vanwege de aanhoudende huisvestingscrisis binnen de gehele EU. Met de herziening wil de Commissie het voor lidstaten eenvoudiger en sneller maken om steun te verlenen voor betaalbare en energie-efficiënte woningen. Daarnaast worden enkele technische aanpassingen voorgesteld om de toepassing van de regels te verbeteren. Uw input gevraagd  De consultatie biedt overheidslichamen en andere belanghebbenden de kans om hun ervaringen en wensen te delen. Dit is hét moment om knelpunten uit de praktijk aan te kaarten en mee te denken over de toekomst van staatssteun voor woningbouw. Praktische informatie  Periode: 5 juni – 31 juli 2025 Locatie: online Heeft uw organisatie te maken met woningbouwprojecten en staatssteun? Neem deel aan de consultatie door middel van beantwoording van de vragenlijst en draag bij aan betere regels voor betaalbare huisvesting! Indien u daarbij assistentie wenst, of indien u andere staatssteunvragen heeft, aarzel dan niet contact op te nemen met Monika Beck of een van onze andere specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Staatssteun: meerdere ondernemingen, één steunbegunstigde
In een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is het belang van het “ondernemingsbegrip” binnen het staatssteunrecht benadrukt. Dit met name wat betreft de situatie waarin meerdere entiteiten als één onderneming worden beschouwd. In zulke gevallen dient alle steun die deze entiteiten hebben ontvangen bij elkaar opgeteld te worden, aangezien zij kwalificeren als één onderneming en dus één begunstigde van steun. Dit kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld toepassing van steunplafonds. De uitspraak biedt dan ook belangrijke inzichten voor bedrijven die onderdeel uitmaken van een groep en mogelijk staatssteun ontvangen. De uitspraak van het CBb In de uitspraak van 20 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:76) behandelde het CBb een zaak waarin een onderneming (hierna: Onderneming X) beroep in heeft gesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken waarin een TVL-subsidie (Tegemoetkoming Vaste Lasten) van Onderneming X is herzien en lager is vastgesteld. Op basis van dit besluit werd een bedrag van € 333.831,48 van de als voorschot ontvangen TVL-subsidie van Onderneming X teruggevorderd wegens overschrijden van het steunplafond. De minister kwam tot dit besluit aangezien Onderneming X onderdeel uitmaakte van een groep welke tot 1 december 2021 bestond uit Onderneming X, Onderneming Y en Onderneming Z. Onderneming Z is per 1 december 2021 ontbonden. Alle drie de ondernemingen hebben over verschillende perioden subsidie ontvangen op grond van de TVL-regeling. Deze TVL-regeling gaf vanaf juni 2020 financiële ondersteuning aan ondernemers met omzetverlies door coronamaatregelen. Volgens de minister was in voorliggend geval het tot en met Q1 van 2022 geldende steunplafond van € 2,3 miljoen overschreden met de TVL-subsidie aan Onderneming X. Onderneming X meende dat de terugvordering van een deel van haar subsidie onrechtmatig is, aangezien de subsidies ontvangen door Onderneming Z niet bij de totale door de groep ontvangen subsidies mogen worden opgeteld. Onderneming Z was immers per 1 december 2021 ontbonden waardoor zij op moment van zowel subsidieverlening als subsidievaststelling van de aan Onderneming X verstrekte subsidie niet tot de groep behoorde. Het CBb volgt het standpunt van Onderneming X niet en bevestigt het oordeel van de minister. De rechter oordeelde dat de drie ondernemingen als één onderneming kwalificeren in het staatssteunrecht, en dat de totale aan hen verleende steun het steunplafond niet mag overschrijden. Overschrijding van het steunplafond zou resulteren in ongeoorloofde staatssteun. Dat Onderneming Z op moment van subsidieverlening en subsidievaststelling geen onderdeel meer uitmaakte van de groep wegens ontbinding maakt dit niet anders. Doordat Onderneming Z is opgehouden te bestaan zijn de aan haar (eerder) verstrekte TVL-subsidies niet onttrokken aan de groep. Deze komen als het ware (in)direct ten goede aan de groep. Dit is ook het geval als het saldo van ontbinding is gebruikt om een belastingschuld van Onderneming Z te betalen. Ook dan kan de subsidie die door Onderneming Z is ontvangen voorafgaand aan ontbinding, (in)direct voordeel verschaffen aan de rest van de groep. Het CBb heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat de herziening en lagere vaststelling van de subsidie aan Onderneming X terecht is. Vaststelling van een hoger bedrag zou volgens het CBb dus ongeoorloofde staatssteun opleveren. Definitie van een onderneming binnen het staatssteunrecht In het staatssteunrecht wordt een onderneming gedefinieerd als elke eenheid die een economische activiteit uitvoert, ongeacht haar rechtsvorm en wijze van financiering. Op basis van Unierechtelijke rechtspraak wordt het uitvoeren van economische activiteiten gedefinieerd als het aanbieden van goederen en/of diensten op een markt. Het ondernemingsbegrip binnen het staatssteunrecht is dus erg ruim, en kan vrijwel alle rechtsvormen omvatten, ongeacht of de betreffende entiteit een winstoogmerk heeft of niet. Iedere aanbieder van een goed of dienst op een markt, is in theorie een onderneming binnen het staatssteunrecht. Meerdere entiteiten als één onderneming Binnen het staatssteunrecht geldt dat meerdere afzonderlijke rechtspersonen voor de toepassing van de staatssteunregels geacht kunnen worden één economische entiteit te vormen. Zij kwalificeren dan als het ware als één onderneming. Dit was ook het geval voor de ondernemingen die deel uitmaakten van de groep in de CBb uitspraak. Bij de beoordeling of meerdere entiteiten als één onderneming kwalificeren, worden een aantal factoren in overweging genomen welke zijn ontwikkeld in Unierechtelijke rechtspraak. Er wordt met name gekeken naar de volgende factoren: Economische, organisatorische en functionele banden tussen de entiteiten; Mate van zeggenschap en controle; Gezamenlijk optreden op de markt. Gevolgen voor staatssteun De kwalificatie van meerdere rechtspersonen als één onderneming binnen het staatssteunrecht, kan negatieve gevolgen hebben voor de hoogte van de steunverlening. De steun die deze afzonderlijke rechtspersonen hebben ontvangen dient in dergelijke gevallen bij elkaar opgeteld te worden om te bepalen of de steun onder toepasselijke steunplafonds blijft. In de CBb uitspraak heeft dat negatief uitgepakt voor Onderneming X, die wegens een groepssamenstelling uit het verleden een lagere subsidievaststelling heeft ontvangen. Ook indirecte steunverlening dient in dergelijke gevallen in acht genomen te worden. Conclusie Voor bedrijven die mogelijk staatssteun ontvangen, is het cruciaal om de onderlinge verbanden tussen verschillende entiteiten zorgvuldig te analyseren. Indien hier onvoldoende aandacht aan wordt besteed, kan dit leiden tot onrechtmatige staatssteun en terugvorderingsrisico’s. Dit is bijvoorbeeld het geval als steunplafonds worden overschreden doordat steunverleningen aan verschillende entiteiten bij elkaar opgeteld moeten worden binnen de kaders van het staatssteunrecht. Heeft u vragen over dit onderwerp? Wenst u meer te weten over de kwalificatie van meerdere entiteiten als één onderneming ten behoeve van staatssteun? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteunspecialisten.