Over Jiahui

Jiahui Plomp is in 2024 in dienst getreden als advocaat bij La Gro.
Jiahui is gespecialiseerd in het financieel recht. Zij adviseert aan en procedeert voor financiële instellingen, bedrijven en ondernemingen. 

Specialisaties

  • Financieel recht
  • Commerciële contracten
  • ESG

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2023, Universiteit Leiden, Master Financieel Recht
  • 2021, Universiteit Leiden, Bachelor Rechtsgeleerdheid
  • Adjunct-secretaris Stichting Bob Wessels Insolvency Law Collection

Jiahui heeft de Master Financieel Recht afgerond en tegelijkertijd het Pre-PhD Programma gevolgd. Voorafgaand hieraan heeft zij een bachelor Rechtsgeleerdheid en extra vakken van de bachelors International Business Law en Chinastudies behaald. Zij heeft ervaring opgedaan bij verschillende advocatenkantoren, de Autoriteit Financiële Markten en de wetenschap.

Contactgegevens
mr. J.H. (Jiahui) Plomp

Advocaat

Financieel recht

Bel Jiahui Plomp

Artikelen van Jiahui Plomp

Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
De impact van de Toegankelijkheidsrichtlijn
Sinds 28 juni 2025 gelden in Nederland nieuwe regels voor de digitale toegankelijkheid van producten en online diensten. Door de invoering van de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn (European Accessibility Act) zijn nu ook commerciële organisaties, zoals banken, e-commercebedrijven, transport- en communicatiebedrijven, verplicht hun digitale producten en diensten toegankelijk te maken volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG)-richtlijnen. Hierdoor moeten veel meer bedrijven hun websites en apps aanpassen om een inclusieve gebruikerservaring te bieden zodanig dat deze zelfstandig te gebruiken zijn, zonder hulp van derden. Voorheen gold deze verplichting alleen voor overheidsinstellingen op basis van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid. Commerciële organisaties waren tot nu toe uitgezonderd, maar dat is met de komst van de Toegankelijkheidsrichtlijn dus veranderd. Nederland heeft de richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Toegankelijke Producten en Diensten. Over de Toegankelijkheidsrichtijn zijn recent nog vragen gesteld in de Tweede Kamer. Toepassingsbereik De richtlijn heeft een breed toepassingsbereik en is van toepassing op verschillende producten en diensten van private partijen, waaronder die van financiële instellingen. Denk aan betaalterminals, geldautomaten, bankdiensten voor consumenten zoals internetbankieren, en e-handelsdiensten zoals het online openen van een spaarrekening of het afsluiten van een verzekering. Banken en andere dienstverleners moeten hun producten en diensten zo ontwerpen dat iedereen ze kan gebruiken. Dit houdt in dat informatie via meerdere zintuigen beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld zowel in geschreven tekst en als gesproken uitleg. Websites en apps moeten goed bruikbaar zijn met schermlezers en spraakherkenning. Betaalautomaten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking, bijvoorbeeld door spraakondersteuning. Consumenten moeten daarnaast hun bankzaken ook offline kunnen regelen, telefonisch of fysiek aan de balie. Alle informatie moet bovendien begrijpelijk zijn en geschreven op maximaal B2-taalniveau. Overgangsperiode en uitzonderingen Voor bestaande producten en diensten geldt een overgangsperiode tot 2030. Kleine ondernemers met minder dan tien medewerkers en een jaaromzet van maximaal twee miljoen euro zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Er zijn uitzonderingen mogelijk als aanpassing een onevenredige last oplevert of de aard van het product fundamenteel verandert, mits dit goed wordt onderbouwd. De richtlijn geldt niet voor dienstverlening tussen bedrijven onderling. Toezicht en handhaving De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt specifiek toezicht op financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders en kredietverstrekkers. Dit betekent dat de AFM erop toeziet dat deze diensten toegankelijk zijn voor alle consumenten, inclusief de ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Het uitgangspunt is dat consumenten deze financiële diensten zelfstandig en zonder hulp van derden moeten kunnen afsluiten. Dit sluit aan bij de boodschap van de AFM tijdens de Week Van De Toegankelijkheid (6 t/m 12 oktober 2025), waarin wordt benadrukt dat financiële producten en diensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn.   In Nederland zijn daarnaast de Autoriteit Consument & Markt (ACM), Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI), het Commissariaat voor de Media (CvdM) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het toezicht op andere sectoren.  Als de toezichthouder ontdekt dat een product of dienst niet voldoet aan de regels uit de richtlijn, dan moet het bedrijf onverwijld passende corrigerende maatregelen treffen. De toezichthouder bepaalt binnen welke termijn dit moet gebeuren, afhankelijk van hoe ernstig het probleem is. Als een bedrijf niet op tijd de juiste maatregelen neemt om een probleem met een product of dienst op te lossen, mag een toezichthouder ingrijpen. Zij mag dan passende voorlopige maatregelen treffen, zoals het opleggen van een boete om het betreffende product te verbieden, te beperken of het product zelfs helemaal uit de handel halen.  Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Donald Volleberg, Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten. 
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Advies Internationaal Gerechtshof: niet naleving klimaatafspraken kan leiden tot negatieve gevolgen voor ondernemingen en overheden
Op 23 juli 2025 heeft het Internationaal Gerechtshof een baanbrekend advies gegeven over de internationaalrechtelijke verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering en niet naleving van klimaatafspraken. In deze bijdrage bespreken wij de kern van het advies en de mogelijke impact ervan op de nationale en internationale rechtspraak over klimaataansprakelijkheid van ondernemingen en staten. Aanleiding: de oproep van Vanuatu Het initiatief voor deze procedure kwam van de eilandstaat Vanuatu, die door de stijgende zeespiegel en extreme weersomstandigheden wordt bedreigd. Op 29 maart 2023 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 77/276 aan, waarin het Internationaal Gerechtshof werd verzocht om een advies te geven over (kortgezegd) de volgende vragen: Wat zijn de verplichtingen van staten onder internationaal recht met betrekking tot klimaatverandering die door de mens veroorzaakt is? Wat zijn de juridische gevolgen voor staten die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan het klimaat en andere delen van het milieu waarvan toekomstige generaties en bepaalde staten de gevolgen van ondervinden? Wat is de inhoud van het advies over de niet naleving van klimaatafspraken? Het Internationaal Gerechtshof bevestigt dat staten verplicht zijn het klimaat te beschermen. Deze verplichtingen vloeien voort uit het VN-Handvest, het VN-Klimaatverdrag, het Parijsakkoord, de rechten erkend in de Universele Verklaring van de rechten van de Mens, het internationaal gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen. Het Internationaal Gerechtshof kwalificeert deze verplichtingen als erga omnes. Dit betekent dat deze verplichtingen voor iedere staat gelden. Ook staten die geen partij zijn bij de klimaatverdragen kunnen dus gehouden zijn tot het nemen van effectieve maatregelen ter beperking van klimaatverandering. Bovendien geldt een verplichting tot samenwerking tussen staten en moeten zij elkaar ondersteunen. Opvallend is het oordeel over aansprakelijkheid: staten die hun klimaatverplichtingen niet nakomen en daardoor schade veroorzaken, kunnen gehouden zijn die schade volledig te vergoeden. Een staat die onvoldoende maatregelen neemt ter reductie van zijn CO2-uitstoot kan dus in theorie aansprakelijk zijn jegens een ander land dat schade daarvan ondervindt. Hierbij geldt wel een complexe causaliteitsdrempel. Wat is de juridische betekenis? Niet bindend, wél invloedrijk Hoewel het advies niet bindend is, is de juridische en politieke impact ervan potentieel groot. Wereldwijd lopen er momenteel duizenden rechtszaken over klimaatverandering, waaronder ook een aantal in Nederland. Denk onder meer aan de procedure van Milieudefensie tegen ING en het lopende cassatieberoep in de zaak van Milieudefensie tegen Shell. Het advies van het Internationaal Gerechtshof houdt in dat niet-naleving van internationale klimaatafspraken concrete gevolgen moet krijgen. Dit sluit aan bij een trend in de Nederlandse rechtspraak, waarin internationale klimaatafspraken concrete verplichtingen voor ondernemingen en de Staat met zich meebrengen. Zo oordeelde het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak bijvoorbeeld dat internationale klimaatafspraken bijdragen aan een verplichting voor ondernemingen als Shell om hun uitstoot van CO2-emissies te verminderen. Ook de reductieverplichting die de Hoge Raad in het Urgenda-arrest aan de Staat oplegde werd mede op basis van internationale klimaatafspraken onderbouwd. In de procedure tegen ING, waarin nog geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, doet Milieudefensie in haar dagvaarding tevens een beroep op zulke afspraken. Het is dus niet uitgesloten dat het niet-bindende oordeel van het Internationaal Gerechtshof een rol gaat spelen in toekomstige klimaatzaken tegen banken, andere ondernemingen en overheden, zowel in Nederland als daarbuiten. Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u sparren over de gevolgen van het oordeel van het Hof? Neem dan contact op met het Energie team of het Climate Litigation-team van La Gro. Wij denken graag met u mee.
LGGA – Jiahui Plomp
Jiahui Plomp
Advocaat
Green bonds en sustainability linked loans: duurzame financiering in de praktijk
De transitie naar een duurzame economie vraagt niet alleen om innovatie en daadkracht, maar ook om slimme financieringsoplossingen. Twee instrumenten die hierin een steeds grotere rol spelen, zijn green bonds (groene obligaties) en sustainability linked loans (SLL’s). In deze blog leggen wij uit wat deze financieringsvormen inhouden, wat de juridische aandachtspunten zijn en hoe wij onze cliënten hierbij ondersteunen. Wat zijn green bonds? Green bonds zijn obligaties waarvan de opbrengst uitsluitend wordt gebruikt voor duurzame projecten. Denk aan de bouw van een windpark, de verduurzaming van vastgoed of investeringen in schoon openbaar vervoer. De uitgevende partij – vaak een bedrijf, bank of overheid – verbindt zich er contractueel toe het opgehaalde geld alleen aan deze groene projecten te besteden. Voorbeeld uit de praktijk: Een Nederlandse ontwikkelaar geeft een green bond uit om de aanleg van een nieuw zonnepark te financieren. Investeerders, waaronder lokale ondernemers en zelfs particulieren weten zo zeker dat hun geld bijdraagt aan de (lokale) energietransitie. Jaarlijks rapporteert de ontwikkelaar over de voortgang en de milieuwinst, zoals de hoeveelheid opgewekte groene stroom. Wat zijn sustainability linked loans (SLL’s)? SLL’s zijn leningen waarbij de rente of andere voorwaarden gekoppeld zijn aan het behalen van duurzaamheidsdoelstellingen door de lener. Het bijzondere is dat het geleende geld vrij besteedbaar is, maar de lener zich committeert aan het realiseren van concrete ESG-doelen, zoals CO2-reductie of het verhogen van het aandeel vrouwen in het management. Voorbeeld uit de praktijk: Een internationaal productiebedrijf sluit een SLL af bij een bank. In de leningsovereenkomst wordt vastgelegd dat de rente met 0,2% daalt als het bedrijf zijn CO2-uitstoot binnen drie jaar met 15% weet te verminderen. Wordt het doel niet gehaald, dan stijgt de rente juist. Zo ontstaat een financiële prikkel om duurzaam te ondernemen. Juridische aandachtspunten Bij beide financieringsvormen is het essentieel om de afspraken helder en controleerbaar vast te leggen. Denk aan: Duidelijke definities van ‘groene’ projecten of KPI’s; Onafhankelijke toetsing en rapportage; Gevolgen bij het niet behalen van de doelen; Transparantie richting investeerders en toezichthouders. Ons ESG-team De advocaten van ons ESG-team adviseren graag bij het opstellen en beoordelen van deze contracten, het structureren van de financiering en het voldoen aan de steeds strenger wordende regelgeving op het gebied van duurzaamheid. Ons ESG-projectteam combineert diepgaande kennis van financieringsrecht met actuele inzichten in duurzaamheidswetgeving. Wij adviseren over het opzetten van green bonds en SLL’s, van de eerste verkenning tot de closing en de rapportage achteraf. Meer weten? Wilt u weten wat green bonds of SLL’s voor uw organisatie kunnen betekenen, of heeft u vragen over de juridische aspecten? Neem gerust contact op met ons ESG-projectteam. Wij denken graag met u mee over duurzame financieringsoplossingen die werken in de praktijk.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Decarbonisatie loont
Decarbonisatie Loont: De Belangrijkste Inzichten uit het ABN AMRO Rapport In januari 2025 verscheen het rapport Decarbonisatie loont van ABN AMRO Economisch Bureau. Dit rapport biedt een diepgaand inzicht in de voordelen en uitdagingen van investeren in koolstofarme technologieën. Het rapport richt zich op de economische, milieu- en strategische implicaties van decarbonisatie binnen de Nederlandse economie en de bredere Europese context. Decarbonisatie is een term die verwijst naar de transitie naar een postfossiele, koolstofdioxidevrije economie en naar het verlagen van de CO2-emissies, met name in de energiesector. In het decarbonisatieproces worden fossiele brandstoffen vervangen door CO2-vrije, hernieuwbare energiebronnen om de uitstoot van CO2 te verminderen of volledig te vermijden. Door decarbonisatie zal onze energievoorziening ingrijpend veranderen. Bron: ABN AMRO Economisch Bureau – Decarbonisatie loont, januari 2025. Uitbreiding van het EU Emissiehandelssysteem (ETS-II) Een van de meest relevante punten in het rapport is de uitbreiding van het EU Emissiehandelssysteem met ETS-II in 2027. Dit systeem zal vrijwel alle bedrijven in de Nederlandse economie stimuleren om te investeren in decarbonisatie. Het rapport benadrukt dat deze uitbreiding bedrijven niet alleen verplicht om hun broeikasgasemissies te verminderen, maar hen ook de kans biedt om te profiteren van economische voordelen door vroegtijdig in te zetten op koolstofarme technologieën. Financieel voordeel van vroegtijdige investeringen Volgens het rapport is het financieel voordeliger om op korte termijn te investeren in decarbonisatie dan te wachten tot de middellange of lange termijn. De investerings- en onderhoudskosten liggen tot 2029 aanzienlijk lager dan in de periode na 2030. Bedrijven die vroegtijdig investeren kunnen hierdoor niet alleen hun operationele kosten verlagen, maar ook hun concurrentiepositie versterken. Impact op de bedrijfsvoering en boncurrentiepositie Het rapport laat zien dat bedrijven die actief investeren in koolstofarme technologieën doorgaans hogere operationele marges hebben dan bedrijven die dat niet doen. Dit bevestigt het beeld dat eerder ook al door andere werd betoogd dat partijen met een stevig duurzaamheidsbeleid beter scoren dan hun minder duurzame evenknieën. Decarbonisatie wordt in het rapport gepresenteerd als een strategisch voordeel dat bedrijven helpt om zich te onderscheiden in de markt. Het rapport verwijst naar onderzoek van de VN, waaruit blijkt dat bedrijven met hoge duurzaamheidsprestaties 4,5 tot 5 keer hogere operationele marges behalen dan hun minder duurzame peers. Sectorale uitdagingen en kansen Binnen de Nederlandse economie zijn er aanzienlijke verschillen tussen sectoren als het gaat om de haalbaarheid van het behalen van de klimaatdoelen voor 2030. Terwijl sommige sectoren, zoals de papierindustrie, vooroplopen in emissiereductie, blijven andere sectoren, zoals de metaalindustrie en de chemische industrie, achter. Het rapport benadrukt dat maatwerk en sectorspecifieke strategieën cruciaal zijn voor succesvolle decarbonisatie. Innovatie en technologische ontwikkelingen Het rapport bespreekt ook de rol van innovatie in de transitie naar een koolstofarme economie. Nieuwe technologieën, zoals koolstofafvang en -opslag (CCS), waterstofproductie en batterijtechnologie, worden als cruciaal gezien voor het behalen van de klimaatdoelen. De technische gereedheid van deze technologieën varieert, maar het rapport voorspelt dat veel van deze innovaties tussen 2025 en 2050 commercieel levensvatbaar zullen worden. Investering noodzakelijke en lucratief Decarbonisatie loont maakt duidelijk dat investeren in koolstofarme technologieën niet alleen noodzakelijk is voor het behalen van klimaatdoelen, maar ook aanzienlijke economische voordelen biedt. Vroegtijdige investeringen leiden tot lagere kosten, hogere marges en een sterkere concurrentiepositie. Het rapport benadrukt het belang van een proactieve benadering van decarbonisatie, waarbij bedrijven niet alleen voldoen aan regelgeving, maar ook strategisch voordeel behalen. Wat betekent dit voor fusies en overnames? De inzichten uit Decarbonisatie loont hebben ook belangrijke implicaties voor de fusie- en overnamewereld. Bedrijven met een robuust ESG-beleid en duidelijke decarbonisatiestrategieën worden aantrekkelijker voor investeerders en kopers. Duurzaamheidsinitiatieven kunnen de waardering van een bedrijf verhogen, omdat zij niet alleen toekomstige risico’s verminderen, maar ook kansen bieden voor groei en kostenbesparingen. Daarnaast zullen bedrijven zonder duidelijke decarbonisatiestrategie mogelijk te maken krijgen met waarderingskortingen of moeilijkheden bij het aantrekken van investeringskapitaal. In due diligence-processen zal steeds meer aandacht worden besteed aan ESG-prestaties en de naleving van regelgeving, vooral gezien de aankomende uitbreiding van het EU Emissiehandelssysteem (ETS-II). Dit maakt het essentieel voor bedrijven om hun ESG-beleid te integreren in hun bedrijfsstrategie om aantrekkelijk te blijven op de fusie- en overnamemarkt. Contact Wilt u weten hoe uw bedrijf zijn waardering kan verhogen en positie in de markt kan versterker en daarmee aantrekkelijker kan worden voor investeerders, afnemers/klanten, toeleveranciers en personeel door middel van een sterke ESG- en decarbonisatiestrategie? Onze M&A– en ESG-advocaten staan klaar om u te adviseren over de impact van duurzaamheid op fusies en overnames. 
LGGA – Jiahui Plomp
Jiahui Plomp
Advocaat
EU-transparantierichtlijn voor beloning en de loonkloof – Wat betekent dit voor bedrijven?
Introductie De loonkloof tussen mannen en vrouwen is een hardnekkig probleem in Nederland en Europa. Ondanks dat loondiscriminatie al ruim vijftig jaar verboden is, verdienen vrouwen nog steeds gemiddeld 12% minder per uur dan mannen. Ieder jaar herinnert Equal Pay Day ons hieraan, vanaf welke dag de vrouwen de rest van het jaar symbolisch voor niets werken.  Om de genderloonkloof aan te pakken, heeft de Europese Unie de transparantierichtlijn (2023/970) ingevoerd. Vanaf 2026 verplicht deze richtlijn bedrijven om meer openheid te geven over hun beloningsbeleid. Dit biedt werknemers beter inzicht in hun positie en helpt om ongelijke beloning aan te pakken. Wat houdt de transparantierichtlijn in? De EU-transparantierichtlijn is gericht op het verhogen van de beloningstransparantie in organisaties. De belangrijkste punten zijn: Rapportageplicht: Grote bedrijven (met 250 of meer werknemers) worden verplicht om jaarlijks te rapporteren over het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen binnen hun organisatie. Kleinere bedrijven (met 100 tot 249 werknemers) hoeven dit slechts elke drie jaar te doen. Door deze periodieke rapportage ontstaat er meer zichtbaarheid op de structurele beloningsverschillen en kunnen deze indien nodig aangepakt worden. Gelijke beloning voor gelijkwaardig werk: Werknemers krijgen het recht om informatie te verkrijgen over de criteria die gebruikt worden om hun loon vast te stellen en hun loopbaan te ontwikkelen. Wanneer er een loonkloof van meer dan 5% bestaat in een bepaalde functiecategorie, moet de werkgever dit kunnen rechtvaardigen met objectieve en genderneutrale criteria. Als de werkgever het verschil niet kan rechtvaardigen, is hij verplicht maatregelen te nemen om de loonkloof te corrigeren​. Recht op informatie voor werknemers: Werknemers krijgen het recht om te weten hoe hun salaris zich verhoudt tot dat van hun collega’s in gelijkwaardige functies. Dit stelt hen in staat om mogelijke beloningsdiscriminatie aan te kaarten. Gevolgen voor bedrijven die niet voldoen Bedrijven die hun transparantieverplichtingen niet nakomen, kunnen rekenen op boetes en andere sancties die door nationale overheden worden opgelegd. De hoogte van de boetes kan variëren en in sommige gevallen zelfs gebaseerd worden op de totale jaaromzet van de werkgever. Daarnaast kunnen bedrijven die herhaaldelijk niet aan de eisen voldoen, te maken krijgen met negatieve financiële prikkels, zoals het tijdelijk uitsluiten van overheidsopdrachten. Het niet naleven van de transparantierichtlijn kan ook leiden tot schade aan de reputatie van een bedrijf. In een tijd waarin maatschappelijke betrokkenheid en eerlijke arbeidsvoorwaarden steeds belangrijker worden, kan een gebrek aan transparantie in beloning afbreuk doen aan het imago van een organisatie. Dit kan resulteren in het verlies van klanten, investeerders en werknemers die steeds vaker waarde hechten aan gelijkheid en openheid binnen hun werkomgeving. Maatschappelijke impact De invoering van de transparantierichtlijn zal naar verwachting niet alleen bijdragen aan meer loonrechtvaardigheid, maar ook de genderloonkloof versneld dichten. Uit onderzoek blijkt dat zonder structurele ingrepen, de loonkloof in Nederland pas in 2086 volledig zal verdwijnen. Door de nieuwe wetgeving worden werkgevers actief aangespoord om hun beloningsstructuren te herzien en discriminatie te elimineren. Dit draagt bij aan een werkcultuur waarin beloning eerlijker wordt vastgesteld en waarin gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de werkvloer meer de norm wordt dan de uitzondering. Conclusie De EU-transparantierichtlijn is een belangrijke stap richting een eerlijkere en meer transparante arbeidsmarkt. Hoewel de richtlijn pas in 2026 van kracht wordt, is het verstandig dat bedrijven nu al stappen zetten om hun beloningsbeleid te evalueren en waar nodig aan te passen. Dit helpt niet alleen om toekomstige boetes en sancties te voorkomen, maar versterkt ook het vertrouwen en de betrokkenheid van werknemers. De maatschappelijke impact van deze richtlijn kan aanzienlijk zijn en hopelijk bijdragen aan een toekomst waarin de loonkloof tot het verleden behoort.
Jan Baas 2
Jan Baas
Advocaat
De Dataverordening: een nieuwe norm voor dataovereenkomsten
Vanaf 12 september 2025 is de Europese Dataverordening van toepassing. Deze verordening creëert nieuwe rechten en verplichtingen die niet alleen zien op persoonsgegevens, maar op data in het algemeen. De praktische implicaties zijn groot. De Dataverordening raakt in het bijzonder partijen die verbonden (‘connected’ of Internet of Things (‘IoT’)) producten en clouddiensten aanbieden. Onderbelicht is gebleven dat de verordening ook regels bevat over contracteren over de uitwisseling van data. Deze regels zijn van toepassing op alle bedrijven. Aanbieders van connected devices en gerelateerde diensten Het eerste hoofdonderwerp in de Dataverordening betreft de regels over het delen en gebruiken van gebruiksgegevens van verbonden producten en daaraan gerelateerde diensten. Dit zijn producten en diensten zoals smartwatches en slimme speakers met een virtuele assistent als Alexa, maar ook met het internet verbonden landbouwmachines. Bedrijven moeten naar aanleiding van de Dataverordening aan nieuwe verplichtingen voldoen met betrekking tot verbonden producten en gerelateerde diensten. Ten eerste moeten bedrijven die verbonden producten produceren en gerelateerde diensten verlenen, de producten en diensten zodanig ontwerpen dat gebruikers hun gegevens gemakkelijk kunnen inzien (“data access by design”). Bovendien geeft de Dataverordening gebruikers een expliciet toegangsrecht tot gebruiksgegevens. Dit toegangsrecht houdt in dat gebruikers van verbonden producten en gerelateerde diensten eenvoudig inzage krijgen in hun gebruiksgegevens wanneer de data access by design niet geregeld is. Daarnaast moeten ondernemingen het ook mogelijk maken dat gebruikers hun gebruiksgegevens eenvoudig met een andere partij kunnen delen. Tot slot moeten kopers van verbonden producten en ontvangers van een gerelateerde dienst van de verkoper en respectievelijk de leverancier ook bepaalde informatie krijgen over hoe het verbonden product data verzamelt. De gegevenshouder (veelal de aanbieder van het verbonden product of een gerelateerde dienst) mag niet-persoonsgegevens voortaan alleen gebruiken als de overeenkomst met de gebruiker van het verbonden product of de gerelateerde dienst dit toestaat. De gegevenshouder mag de gegevens niet gebruiken om inzicht te krijgen in de economische situatie, de activa of de productiemethoden van de gebruiker of het gebruik van het product of de dienst door de gebruiker, op een manier die de commerciële positie van de gebruiker op de markten waarop deze actief is, kan ondermijnen. Gegevens mogen alleen met derden worden gedeeld als dat nodig is om de overeenkomst met de gebruiker uit te voeren. Vanaf 12 september 2026 moeten de verbonden producten die worden verkocht en gerelateerde diensten die worden verleend voldoen aan de ontwerpplicht (data access by design). De andere regels over verbonden producten en gerelateerde diensten, inclusief het expliciete toegangsrecht, zijn al vanaf 12 september 2025 van toepassing. Cloudaanbieders Het tweede hoofdonderwerp betreft de regels die worden opgelegd aan “dataverwerkingsdiensten”. Met “dataverwerkingsdiensten” wordt gedoeld op een breed scala aan clouddiensten. De considerans verwijst naar “infrastructure-as-a-service” (IaaS), “platform-as-a-service” (PaaS), “software-as-a-service” (SaaS), “storage-as-a-service” en “database-as-a-service”. Daarnaast vallen ook zogenaamde edgediensten onder het begrip. De verplichtingen die aan aanbieders van dataverwerkingsdiensten worden opgelegd zien op 1) het faciliteren van de overstap naar een andere aanbieder, 2) het faciliteren van interoperabiliteit tussen verschillende dataverwerkingsdiensten en 3) het voorkomen van internationale overheidstoegang. Vanaf 12 september 2025 moeten aanbieders van dataverwerkingsdiensten aan deze regels voldoen. Delen van gegevens met overheden Het derde hoofdonderwerp betreft regels over het verplicht delen van gegevens met overheidsinstanties, de Europese Centrale Bank, de Europese Commissie of een ander orgaan van de Europese Unie. Deze instanties kunnen op grond van een uitzonderlijke noodzaak gegevens opvragen. Dit kan alleen als de instanties in een noodsituatie niet goed en tijdig op een andere manier aan de gegevens kunnen komen. Ook kunnen de instanties niet-persoonsgegevens opvragen wanneer deze gegevens nodig zijn voor het uitoefenen van een specifieke taak in het algemeen belang, zoals voor het opstellen van officiële statistieken. Ook deze regels zijn vanaf 12 september 2025 van toepassing. Oneerlijke contractvoorwaarden voor ondernemingen onderling Het meest verrassende onderdeel van de Dataverordening is wellicht de bepaling over oneerlijke contractvoorwaarden. Deze is van toepassing op afspraken die ondernemingen onderling (‘B2B’) maken over het delen van data. Kortgezegd regelt het artikel dat contractvoorwaarden over data niet bindend zijn voor de andere partij wanneer de bedingen eenzijdig door de aanbieder zijn opgelegd én als “oneerlijk” worden bestempeld. Het artikel bevat een lijst met bepalingen die altijd oneerlijk zijn (een ‘zwarte lijst’) en een lijst met bepalingen die worden vermoed oneerlijk te zijn (een ‘grijze lijst’). Als een onderneming een beding uit de grijze lijst gebruikt, moet deze onderneming bewijzen dat het beding niet oneerlijk is. Opvallend aan het artikel is dat het is opgesteld als een zwarte en grijze lijst tussen ondernemingen onderling. Er bestaan al veel langer zwarte en grijze lijsten voor algemene voorwaarden die ondernemingen aan consumenten opleggen (zie bijvoorbeeld artikel 6:236 en 6:237 Burgerlijk Wetboek), waarbij de consument wordt beschermd tegen oneerlijke algemene voorwaarden. Nu is er dus een vergelijkbare lijst voor overeenkomsten tussen ondernemingen onderling. Deze bepaling geldt ongeacht de grootte van de betreffende ondernemingen. De verplichtingen uit dit artikel zien op alle contracten en bedingen over de toegang tot en het gebruik van data die worden gesloten tussen ondernemingen. Bij elke overeenkomst of bepaling over het delen van gegevens en het gebruik van gegevens zal rekening moeten worden gehouden met dit artikel. Het artikel zal veelal ook van toepassing zijn wanneer ondernemingen onderling contracten over persoonsgegevens sluiten, zoals een overeenkomst voor gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken onder artikel 26 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’). De toepassing van het artikel is van dwingend recht. Dit betekent dat ondernemingen niet kunnen afspreken dat het artikel niet op hun relatie van toepassing is en er niet van kunnen afwijken. Het is van belang dat ondernemingen zich van dit artikel bewust zijn wanneer zij overeenkomsten sluiten over (persoons)gegevens. Voor afnemers is het overigens belangrijk om altijd te proberen te onderhandelen over de aan hen opgelegde oneerlijke contractvoorwaarden. Als er niet is geprobeerd om over de oneerlijke voorwaarden te onderhandelen, kan een onderneming geen beroep doen op de bescherming van het artikel. De bepaling is van toepassing op alle overeenkomsten die worden gesloten na 12 september 2025. Op een aantal overeenkomsten die voor 13 september 2025 zijn gesloten is de bepaling van toepassing vanaf 12 september 2027. Dit geldt voor overeenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn gesloten en voor overeenkomsten die aflopen na 11 januari 2034. Toezicht en handhaving van de Dataverordening De Dataverordening heeft directe werking in de Nederlandse rechtsorde, waardoor er geen of beperkte ruimte is voor afwijkende of aanvullende nationale regels. Voor de onderwerpen die nationaal moeten worden geregeld is een nationale Uitvoeringswet in behandeling. De verordening geeft lidstaten de vrijheid om zelf te bepalen welke toezichthouder bevoegd is om de bepalingen uit de verordening te handhaven. In Nederland moet de Tweede Kamer nog stemmen over het ontwerp van een Nederlandse Uitvoeringswet. In het huidige wetsontwerp van de Uitvoeringswet dataverordening worden de Autoriteit Persoonsgegevens (‘AP’) en de Autoriteit Consument en Markt (‘ACM’) als toezichthouders aangewezen. Conclusie De Dataverordening is vanaf 12 september 2025 van toepassing in Nederland. De Dataverordening schept nieuwe rechten en verplichtingen voor met name ondernemingen. In het bijzonder zullen alle ondernemingen bij het sluiten van overeenkomsten over (persoons)gegevens waakzaam moeten zijn voor de regels over oneerlijke contractuele bedingen. De AP en de ACM zullen waarschijnlijk worden aangewezen als toezichthouder voor de naleving van de verordening. De Dataverordening is nu nog niet van toepassing. Toch is het aan ondernemingen aan te raden om alvast maatregelen te nemen. Zo kan de bedrijfsvoering tijdig worden aangepast aan de verplichtingen die de verordening met zich meebrengt. Tot slot Er zullen meer blogs over dit onderwerp volgen. Houd onze website in de gaten voor meer informatie. Dit blog is oorspronkelijk verschenen op Privacy Web. Heeft u vragen over de Dataverordening? Neem dan contact op met Jan Baas of Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten Data & Privacy.  Dit artikel is mede geschreven door Jolijn Gijsen.