27 oktober 2025

De impact van de Toegankelijkheidsrichtlijn

27 oktober 2025

Sinds 28 juni 2025 gelden in Nederland nieuwe regels voor de digitale toegankelijkheid van producten en online diensten. Door de invoering van de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn (European Accessibility Act) zijn nu ook commerciële organisaties, zoals banken, e-commercebedrijven, transport- en communicatiebedrijven, verplicht hun digitale producten en diensten toegankelijk te maken volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG)-richtlijnen. Hierdoor moeten veel meer bedrijven hun websites en apps aanpassen om een inclusieve gebruikerservaring te bieden zodanig dat deze zelfstandig te gebruiken zijn, zonder hulp van derden. Voorheen gold deze verplichting alleen voor overheidsinstellingen op basis van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid. Commerciële organisaties waren tot nu toe uitgezonderd, maar dat is met de komst van de Toegankelijkheidsrichtlijn dus veranderd. Nederland heeft de richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Toegankelijke Producten en Diensten. Over de Toegankelijkheidsrichtijn zijn recent nog vragen gesteld in de Tweede Kamer.

Toepassingsbereik

De richtlijn heeft een breed toepassingsbereik en is van toepassing op verschillende producten en diensten van private partijen, waaronder die van financiële instellingen. Denk aan betaalterminals, geldautomaten, bankdiensten voor consumenten zoals internetbankieren, en e-handelsdiensten zoals het online openen van een spaarrekening of het afsluiten van een verzekering. Banken en andere dienstverleners moeten hun producten en diensten zo ontwerpen dat iedereen ze kan gebruiken. Dit houdt in dat informatie via meerdere zintuigen beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld zowel in geschreven tekst en als gesproken uitleg. Websites en apps moeten goed bruikbaar zijn met schermlezers en spraakherkenning. Betaalautomaten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking, bijvoorbeeld door spraakondersteuning. Consumenten moeten daarnaast hun bankzaken ook offline kunnen regelen, telefonisch of fysiek aan de balie. Alle informatie moet bovendien begrijpelijk zijn en geschreven op maximaal B2-taalniveau.

Overgangsperiode en uitzonderingen

Voor bestaande producten en diensten geldt een overgangsperiode tot 2030. Kleine ondernemers met minder dan tien medewerkers en een jaaromzet van maximaal twee miljoen euro zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Er zijn uitzonderingen mogelijk als aanpassing een onevenredige last oplevert of de aard van het product fundamenteel verandert, mits dit goed wordt onderbouwd. De richtlijn geldt niet voor dienstverlening tussen bedrijven onderling.

Toezicht en handhaving

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt specifiek toezicht op financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders en kredietverstrekkers. Dit betekent dat de AFM erop toeziet dat deze diensten toegankelijk zijn voor alle consumenten, inclusief de ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Het uitgangspunt is dat consumenten deze financiële diensten zelfstandig en zonder hulp van derden moeten kunnen afsluiten. Dit sluit aan bij de boodschap van de AFM tijdens de Week Van De Toegankelijkheid (6 t/m 12 oktober 2025), waarin wordt benadrukt dat financiële producten en diensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn.  

In Nederland zijn daarnaast de Autoriteit Consument & Markt (ACM), Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI), het Commissariaat voor de Media (CvdM) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het toezicht op andere sectoren.  Als de toezichthouder ontdekt dat een product of dienst niet voldoet aan de regels uit de richtlijn, dan moet het bedrijf onverwijld passende corrigerende maatregelen treffen. De toezichthouder bepaalt binnen welke termijn dit moet gebeuren, afhankelijk van hoe ernstig het probleem is. Als een bedrijf niet op tijd de juiste maatregelen neemt om een probleem met een product of dienst op te lossen, mag een toezichthouder ingrijpen. Zij mag dan passende voorlopige maatregelen treffen, zoals het opleggen van een boete om het betreffende product te verbieden, te beperken of het product zelfs helemaal uit de handel halen. 

Contact 

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Donald Volleberg, Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten

Auteur
mr. D.S. (Donald) Volleberg

Advocaat & Counsel

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
De impact van de Toegankelijkheidsrichtlijn
Sinds 28 juni 2025 gelden in Nederland nieuwe regels voor de digitale toegankelijkheid van producten en online diensten. Door de invoering van de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn (European Accessibility Act) zijn nu ook commerciële organisaties, zoals banken, e-commercebedrijven, transport- en communicatiebedrijven, verplicht hun digitale producten en diensten toegankelijk te maken volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG)-richtlijnen. Hierdoor moeten veel meer bedrijven hun websites en apps aanpassen om een inclusieve gebruikerservaring te bieden zodanig dat deze zelfstandig te gebruiken zijn, zonder hulp van derden. Voorheen gold deze verplichting alleen voor overheidsinstellingen op basis van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid. Commerciële organisaties waren tot nu toe uitgezonderd, maar dat is met de komst van de Toegankelijkheidsrichtlijn dus veranderd. Nederland heeft de richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Toegankelijke Producten en Diensten. Over de Toegankelijkheidsrichtijn zijn recent nog vragen gesteld in de Tweede Kamer. Toepassingsbereik De richtlijn heeft een breed toepassingsbereik en is van toepassing op verschillende producten en diensten van private partijen, waaronder die van financiële instellingen. Denk aan betaalterminals, geldautomaten, bankdiensten voor consumenten zoals internetbankieren, en e-handelsdiensten zoals het online openen van een spaarrekening of het afsluiten van een verzekering. Banken en andere dienstverleners moeten hun producten en diensten zo ontwerpen dat iedereen ze kan gebruiken. Dit houdt in dat informatie via meerdere zintuigen beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld zowel in geschreven tekst en als gesproken uitleg. Websites en apps moeten goed bruikbaar zijn met schermlezers en spraakherkenning. Betaalautomaten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking, bijvoorbeeld door spraakondersteuning. Consumenten moeten daarnaast hun bankzaken ook offline kunnen regelen, telefonisch of fysiek aan de balie. Alle informatie moet bovendien begrijpelijk zijn en geschreven op maximaal B2-taalniveau. Overgangsperiode en uitzonderingen Voor bestaande producten en diensten geldt een overgangsperiode tot 2030. Kleine ondernemers met minder dan tien medewerkers en een jaaromzet van maximaal twee miljoen euro zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Er zijn uitzonderingen mogelijk als aanpassing een onevenredige last oplevert of de aard van het product fundamenteel verandert, mits dit goed wordt onderbouwd. De richtlijn geldt niet voor dienstverlening tussen bedrijven onderling. Toezicht en handhaving De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt specifiek toezicht op financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders en kredietverstrekkers. Dit betekent dat de AFM erop toeziet dat deze diensten toegankelijk zijn voor alle consumenten, inclusief de ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Het uitgangspunt is dat consumenten deze financiële diensten zelfstandig en zonder hulp van derden moeten kunnen afsluiten. Dit sluit aan bij de boodschap van de AFM tijdens de Week Van De Toegankelijkheid (6 t/m 12 oktober 2025), waarin wordt benadrukt dat financiële producten en diensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn.   In Nederland zijn daarnaast de Autoriteit Consument & Markt (ACM), Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI), het Commissariaat voor de Media (CvdM) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het toezicht op andere sectoren.  Als de toezichthouder ontdekt dat een product of dienst niet voldoet aan de regels uit de richtlijn, dan moet het bedrijf onverwijld passende corrigerende maatregelen treffen. De toezichthouder bepaalt binnen welke termijn dit moet gebeuren, afhankelijk van hoe ernstig het probleem is. Als een bedrijf niet op tijd de juiste maatregelen neemt om een probleem met een product of dienst op te lossen, mag een toezichthouder ingrijpen. Zij mag dan passende voorlopige maatregelen treffen, zoals het opleggen van een boete om het betreffende product te verbieden, te beperken of het product zelfs helemaal uit de handel halen.  Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Donald Volleberg, Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten. 
Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
Verpandingsverboden worden verboden
Op 11 juni 2024 werd het wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden al aangenomen door de Tweede Kamer. Op 4 maart jl. heeft ook de Eerste Kamer deze wet aangenomen. Hieronder lichten wij kort toe wat de achtergrond is van deze nieuwe wet en welke gevolgen dit heeft. Waarom deze nieuwe wet Voor veel ondernemingen geldt dat hun vorderingen substantiële waarde vertegenwoordigen. Een financier zal in de regel dan ook een pandrecht wensen op deze vorderingen. Dat kan, als die vorderingen ook overdraagbaar zijn. Dat laatste bleek in de praktijk niet altijd het geval te zijn.    Volgens artikel 3:83 lid 2 BW kunnen schuldeiser en schuldenaar de overdraagbaarheid van vorderingsrechten namelijk door een beding uitsluiten. In de praktijk nemen veel contractspartijen in overeenkomsten (bijvoorbeeld in hun algemene voorwaarden) een beding op dat de overdracht of verpanding van vorderingen (gedeeltelijk) verbiedt. Een argument voor het opnemen van een (gedeeltelijk) overdraagbaarheids- of verpandingsverbod is de wens van schuldenaren om te voorkomen dat zij ongewild worden geconfronteerd met andere schuldeisers, met alle administratieve rompslomp die daarbij komt.  Gevolg van een geldig onoverdraagbaarheidsbeding is dat deze vorderingen door krediet behoevende ondernemingen niet meer geldig overgedragen of verpand kunnen worden aan een kredietinstelling of factormaatschappij ter verkrijging van een financiering. Verpandingsverboden zetten daarmee een rem op kredietverlening. Dit is economisch onwenselijk, te meer omdat in ons omringende landen dergelijke bedingen al langer aan banden zijn gelegd.  Kortom, genoeg reden voor o.a. de Nederlandse Vereniging van Banken om zich in te zetten voor een aanpassing van de wet, waardoor de werking van verpandingsverboden wordt beperkt. Met het nieuwe wetsvoorstel wordt de kredietverlening aan het MKB gestimuleerd. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor investeringen, innovatie en groei.  Inrichting nieuwe wet Na inwerkingtreding van deze nieuwe wet, zal aan artikel 3:83 BW een derde lid worden toegevoegd, waarin voor geldvorderingen die ontstaan uit beroeps- of bedrijfsactiviteiten (handelsvorderingen) overdraagbaarheids- en verpandingsverboden nietig worden verklaard. In het eveneens nieuwe lid 4 worden hierop enkele uitzonderingen gemaakt, namelijk voor vorderingen uit hoofde van een betaal- of spaarrekening, gesyndiceerde geldleningen, en vorderingen op bepaalde instellingen die bij clearing en afwikkeling van transacties zijn betrokken.  Daarnaast wordt voor cessie en verpanding een nieuw vormvereiste geïntroduceerd. Indien een vordering waarvoor een nietig onoverdraagbaarheidsbeding geldt, wordt overgedragen dient de mededeling aan de schuldenaar van de gecedeerde of verpande vordering schriftelijk te geschieden. Zo niet, dan blijft deze zonder gevolg. In dit kader zal aan de artikelen 3:83 BW en 3:239 BW een vijfde lid worden toegevoegd waarin dit is bepaald.  Tot slot Het is momenteel nog onbekend wanneer deze nieuwe wet daadwerkelijk in werking zal treden. De wet voorziet wel in overgangsrecht. Dat komt erop neer dat de hierboven beschreven nietigheid, voor bestaande bedingen zal gelden vanaf drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet. Voor nieuwe bedingen, die worden gesloten na inwerkingtreding, heeft de wet onmiddellijke werking.    Heeft u vragen over deze wet of wilt u weten welke impact deze heeft op uw onderneming? Neem dan contact op met Donald Volleberg of een van zijn collega’s.       
Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
Schikking treffen met een schuldenaar? Voorkom onduidelijkheid!
Uit een recent gepubliceerde uitspraak blijkt nog maar eens dat het belangrijk is om aandacht te besteden aan de formulering van een vaststellingsovereenkomst. In deze zaak schikte een bank met een borg, maar kwam de borg deze schikking niet na. Daarop startte de bank een procedure tot betaling van de borgtocht, maar zij trok daarin aan het kortste eind. Hierna leg ik uit wat een schuldeiser kan doen om dit te voorkomen. Schikken met een schuldenaar? Het gaat hier om een veel voorkomende casus, maar met in dit geval een opvallend resultaat. Een bank verstrekt krediet aan een onderneming. Eén van de bestuurders van deze onderneming verstrekt als zekerheid voor dit krediet een borgtocht aan de bank voor maximaal € 75.000,00. De onderneming failleert waarna de bank deze bestuurder aanspreekt tot betaling van de afgegeven borgtocht.  Betaling blijft uit en uiteindelijk gaat de bank over tot aanzegging van de executieveiling van het woonhuis van de bestuurder (tevens borg). Om de executieveiling van het woonhuis te voorkomen, komen de borg en de bank in een vaststellingsovereenkomst overeen dat de borg vóór 21 april 2016 € 50.000,00 aan de bank dient te betalen. Na ontvangst van dit bedrag zal de bank de borg finale kwijting verlenen. Indien de borg niet betaalt, zal volgens deze vaststellingsovereenkomst de bank alsnog gerechtigd zijn om tot executieveiling van het woonhuis van de borg over te gaan. De borg betaalt niet het afgesproken bedrag waarop de bank alsnog overgaat tot executoriale verkoop van de woning. Daarnaast start de bank een procedure tegen de borg waarin zij betaling vordert van de borgtocht van € 75.000,00. Rechtbank wijst de vordering van de bank af De bank baseert haar vordering tot betaling van € 75.000,00 op de oorspronkelijke overeenkomst van borgtocht. De borg doet vervolgens bij wijze van verweer een beroep op de latere vaststellingsovereenkomst, op grond waarvan de borg slechts € 50.000,00 hoefde te betalen. De rechter honoreert het verweer van de borg. De rechter oordeelt dat de nieuwere vaststellingsovereenkomst, de rechtsverhouding tussen partijen bepaalt. Die nieuwe rechtsverhouding bepaalt dat de borg € 50.000,00 diende te betalen. Dat bedrag heeft de borg echter niet betaald. Als de bank had gewenst dat zij in dat geval weer aanspraak kon maken op de oorspronkelijke € 75.000,00 had ze dat kunnen afpreken in de vaststellingsovereenkomst, maar dat heeft de bank niet gedaan aldus de rechtbank. De bank heeft daarnaast uitdrukkelijk in de procedure aangegeven geen aanvullend beroep te (willen) doen op de vaststellingsovereenkomst. Daarom zit er voor de rechtbank niets anders op dan de vordering van de bank volledig af te wijzen. De bank heeft wellicht nog een vordering van € 50.000,00 op grond van de vaststellingsovereenkomst, maar staat na deze procedure vooralsnog met lege handen.   Contact Wat had de bank kunnen doen om deze uitkomst te voorkomen? Enerzijds had zij in de vaststellingsovereenkomst kunnen opnemen dat bij niet tijdige nakoming van de daarin gemaakte afspraken, de oorspronkelijke verplichtingen uit de borgtocht zouden herleven.  Hierdoor zou zij in dat geval alsnog de oorspronkelijke € 75.000,00 op de borg kunnen verhalen. Anderzijds had de bank in de procedure subsidiair een beroep op de vaststellingsovereenkomst kunnen doen. Dan had de rechter mogelijk wel een bedrag van € 50.000,00 toegewezen. Naar ik begreep is er hoger beroep ingesteld, dus wordt wellicht vervolgd. Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Donald Volleberg of een van ons andere specialisten. De uitspraak vindt u hier.   
Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
Curator persoonlijk aansprakelijk voor onderverhuren winkelruimte
November 2018 heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof bekrachtigd dat een curator persoonlijk aansprakelijk is jegens een verhuurder. De curator van de failliete huurder had zonder toestemming van de verhuurder de gehuurde winkelruimte in gebruik gegeven aan een derde. Casus Wat was het geval? De huurder van een winkelruimte gaat failliet en diens curator zegt vervolgens de huur op. Gedurende de opzegperiode verkoopt de curator de activa van de failliete huurder aan een derde. Hierbij stelt de curator deze koper ook in de gelegenheid om de winkelruimte te gebruiken, tegen betaling van een vergoeding. Dat is in strijd met het onderhuurverbod dat (ook) in deze huurovereenkomst was opgenomen. De verhuurder had al kort na het faillissement bij de curator kenbaar gemaakt dat, voor een dergelijk gebruik van de ruimte door een eventuele koper, eerst zijn goedkeuring diende te worden verleend. Desalniettemin stelde de curator het gehuurde aan de (op)koper ter beschikking. De verhuurder laat het er niet bij zitten. Hij stelt dat de handelwijze van de curator onrechtmatig is en tot persoonlijke aansprakelijkheid jegens de verhuurder dient te leiden. Nadat eerder zowel de rechtbank als het Gerechtshof de verhuurder al in het gelijk stelden, doet de Hoge Raad dat nu ook. Arrest Hoge Raad De Hoge Raad oordeelt dat het onderhuurverbod een voortdurende verplichting (tot nalaten) is die (ook) op de curator rust en zelfs moet worden aangemerkt als een tot de curator gerichte regel. Handelen in strijd met dergelijke tot de curator gerichte regels, kan (sneller) tot persoonlijke aansprakelijkheid van de curator leiden. In dit geval zal daarbij een rol hebben gespeeld dat de verhuurder van meet af aan bij de curator te kennen had gegeven dat het gehuurde niet zonder zijn toestemming mocht worden onderverhuurd. De curator heeft de winkelruimte evenwel in gebruik gegeven aan de opkoper en daarvoor bovendien een vergoeding ontvangen die anders de verhuurder zou hebben ontvangen. Al met al een principieel oordeel van de Hoge Raad over een vaker door curatoren gehanteerde constructie. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mr. Donald Volleberg van de sectie insolventierecht via [email protected] of 0172-503250.