Advocaat
Op 27 januari jl. heeft het gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in de inmiddels langlopende procedure tussen Vakbond FNV en Uber over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Uber en haar chauffeurs.
Centraal stond de vraag of Uber-chauffeurs kwalificeren als werknemers (waardoor de Taxi CAO op hen van toepassing zou zijn) of als zelfstandige ondernemers. FNV stelde zich op het standpunt dat Uber-chauffeurs feitelijk in een gezagsverhouding tot Uber staan en daarom werknemers zijn. Uber – gesteund door een aantal chauffeurs die aan de procedure deelnamen – betoogde juist dat de chauffeurs als zelfstandigen opereren.
In eerste aanleg oordeelde de rechtbank Amsterdam dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber ging daartegen in hoger beroep. In een tussenarrest paste het gerechtshof de door de Hoge Raad ontwikkelde Deliveroo-criteria toe, maar liep daarbij (onder meer) tegen de vraag aan hoe één van die criteria, het ondernemerschap, moest worden toegepast. Het gerechtshof stelde daarover enkele prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft die vragen op 21 februari 2025 beantwoord en (onder meer) geoordeeld dat er bij het beantwoorden van de kwalificatievraag geen rangorde bestaat tussen de verschillende Deliveroo-criteria. Het criterium ondernemerschap moet dus volwaardig worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hiermee werd duidelijk dat andere criteria niet automatisch zwaarder wegen.
Na deze uitspraak is de procedure bij het gerechtshof Amsterdam voortgezet.
Het gerechtshof oordeelt dat de Uber-chauffeurs een sterke mate van ondernemerschap vertonen en komt tot de conclusie dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het gerechtshof hecht daarbij onder meer belang aan:
Het gerechtshof overweegt daarnaast dat de Uber-chauffeurs in kwestie weliswaar veel uren per week werken, maar zij daarbij meerdere platforms tegelijk gebruiken. De Uber-chauffeurs zijn vaak gelijktijdig ingelogd op verschillende apps, hetgeen volgens het gerechtshof een aanwijzing is voor ondernemerschap.
Het gerechtshof overweegt tot slot uitdrukkelijk dat de beoordeling anders kan uitvallen indien de specifieke omstandigheden van een individuele chauffeur daartoe aanleiding geven. Het is dus goed mogelijk dat bepaalde Uber-chauffeurs wél als werknemers kwalificeren. Het kwalificatieoordeel betreft geen “one-size-fits-all”.
Deze uitspraak bevestigt (opnieuw) dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie geen standaardvraagstuk is. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of zelfstandigheid hangt af van een integrale beoordeling van alle omstandigheden van het geval. De individuele omstandigheden zijn daarbij doorslaggevend. Er bestaat geen uniforme kwalificatie voor iedereen, ook niet binnen één platform of organisatie. Maatwerk is en blijft vereist.
Over het ‘ZZP-beleid’ zeggen de nieuwe coalitiepartijen in het coalitieakkoord weinig concreets. De aandacht lijkt beperkt tot het bestrijden van schijnzelfstandigheid en het voortzetten van de zelfstandigenwet. Het is te hopen dat het wetsproces daarover snel wordt opgepakt en de nieuwe wet concrete handvatten biedt voor de praktijk.
Heeft u vragen over de kwalificatie van arbeids- of opdrachtovereenkomsten, of over de gevolgen van deze uitspraak voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
Advocaat