02 juli 2026

Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?

02 juli 2026

Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans.

In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee.

Hoe zat het ook al weer?

De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo).

Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld.

De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil.

Wat verandert er?

De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen.

Wat geldt er straks wél?

Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden.

En de generieke Woo-voorziening?

Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is.

Aandachtspunten

Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is.

Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren.

Vragen

Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.

Auteur
mr. A.M. (Anke) van de Laar

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.
Anouk Overvoorde 2 – La Gro
Anouk Overvoorde
Advocaat
Advies aan wethouder: openbaar op grond van de Woo?
Het uitgangspunt bij de openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) is dat persoonlijke beleidsopvattingen uit documenten voor intern beraad niet openbaar worden gemaakt. Maar als sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, ligt dat anders. Wanneer is daar sprake van? En wat betekent dat voor de praktijk? Persoonlijke beleidsopvattingen Volgens de Woo wordt onder persoonlijke beleidsopvattingen verstaan: ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen daarvan of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. Bij de openbaarmaking van documenten voor intern beraad op grond van de Woo, worden de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in beginsel niet geopenbaard. Formele bestuurlijke besluitvorming Artikel 5.2, derde lid, van de Woo bevat een uitzondering op dit uitgangspunt ten aanzien van documenten die zijn opgesteld ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Uit deze documenten worden persoonlijke beleidsopvattingen wél verstrekt, zij het in geanonimiseerde vorm, tenzij dit het intern beraad onevenredig schaadt. Wanneer is daarvan sprake? Uit de conclusie van A-G Wattel van 9 juli 2025 volgt dat de volgende documenten in ieder geval niet zijn opgesteld voor formele bestuurlijke besluitvorming: Documenten die niet of nog niet zijn bedoeld om aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan voor te leggen voor een keuze uit mogelijkheden van bestuurlijk handelen of nalaten bij de taakuitoefening door die ambtsdrager of dat bestuursorgaan; Documenten die nog niet rijp zijn (concepten); Documenten die nog circuleren in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen waarin er de ruimte moet zijn om gedachten en concepten uit te wisselen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat daarbij een rol kan spelen of een document daadwerkelijk aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan is voorgelegd, maar dat dit niet doorslaggevend is.  Uitspraak Afdeling 8 april 2026 Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2026. In deze zaak ging het om een voorstel aan een wethouder. Het college kon in dit geval niet achterhalen of en hoe het document intern was gedeeld en stelde zelf dat het om een concept ging. Omdat niet duidelijk was of het document aan de wethouder was voorgelegd, beoordeelde de Afdeling aan de hand van de vorm en inhoud van het document of aannemelijk was dat het document ten behoeve van formeel bestuurlijke besluitvorming aan de wethouder is voorgelegd of daarvoor rijp was. Uit het document bleek niet dat het een concept betrof. Het was gericht aan de wethouder, voorzien van een datum en bevatte een concreet voorstel en beslispunt. Op basis daarvan komt de Afdeling tot de conclusie dat sprake was van een document ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming. Het college kon openbaarmaking van de persoonlijke beleidsopvattingen in dit document daarom niet zonder meer weigeren. Deze moeten in geanonimiseerde vorm worden verstrekt, tenzij het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Omdat het college dat laatste niet had beoordeeld, was het besluit volgens de Afdeling ondeugdelijk gemotiveerd. Gevolgen voor de praktijk Als een document naar vorm en inhoud klaar is om aan een ambtsdrager te worden voorgelegd – ook als niet (met zekerheid) kan worden gesteld dat dat ook is gebeurd – heeft dit dus tot gevolg dat de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet herleidbare vorm openbaar dienen te worden gemaakt. Dit is slechts anders indien gemotiveerd kan worden gesteld dat het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Heeft u vragen over de toepassing van de uitzonderingsgronden uit de Woo? Neem dan contact op met Anouk Overvoorde of een van onze andere Woo-specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Toets aan de Dienstenrichtlijn bij wijziging naar schaarse vergunningen
Op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:823) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de omzetting van ligplaatsvergunningen in Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Hierin wordt ingegaan op de grondslag van deze besluiten en de op grond van de Dienstenrichtlijn benodigde motivering van deze besluiten.  Achtergrond: relatie met de uitspraak van 25 september 2024 over exploitatievergunningen De uitspraak hangt nauw samen met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) en de daaraan voorafgaande uitspraken van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2488) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had destijds een maximumaantal exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over de Amsterdamse binnenwateren vastgesteld op 550 en de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen gewijzigd naar bepaalde tijd. Het college beriep zich daarbij op de Dienstenrichtlijn: als het aantal vergunningen door een dwingende reden van algemeen belang wordt beperkt, mag een vergunning niet voor onbepaalde duur worden verleend. De Afdeling oordeelde dat het college in beginsel bevoegd was om volumebeleid vast te stellen en vergunningen te wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn, maar dat de invulling en motivering van het volumebeleid tekortschoten. Met name was onvoldoende gemotiveerd dat het beleid geschikt en noodzakelijk was in het licht van de Dienstenrichtlijn. De hoger beroepen waren daarom gegrond; gevolg was dat de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd golden. Na deze uitspraak kondigde het college een vergunningenstop af voor nieuwe exploitatievergunningen. Uitspraak van 25 februari 2026: ligplaatsvergunningen De uitspraak van 25 februari 2026 ligt in het verlengde hiervan. Naast de exploitatievergunningen heeft het college ook de ligplaatsvergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend, gewijzigd naar ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Het college heeft zich bij de wijzigingsbesluiten gebaseerd op de Verordening op het binnenwater (hierna: Vob). Hierin is geregeld dat het college een vergunning kan wijzigen, onder meer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten (art. 2.2.6 lid 1 onder b Vob). In de bijbehorende beleidsregels is opgenomen dat alleen ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen met een exploitatievergunning voor bepaalde tijd worden gewijzigd, en dat de einddatum aansluit bij de looptijd van die exploitatievergunning. Grondslag om de exploitatievergunningen te wijzigen Op het moment dat het college het besluit op het bezwaar nam, had het college de exploitatievergunningen van de passagiersvaartuigen gewijzigd van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Maar door de Afdelingsuitspraak van 25 september 2024 gelden die exploitatievergunningen voor deze partijen weer als exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee kan die wijziging niet worden aangemerkt als een relevante “verandering van omstandigheden of inzichten”, nu de wijziging immers niet meer geldt. Ook is daarmee niet voldaan aan de beleidsregels, omdat het geen exploitatievergunningen voor bepaalde tijd meer betreft. De wijziging van de ligplaatsvergunningen kan daarmee niet leiden tot wijziging van de exploitatievergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. Het college heeft daarnaast betoogd dat er een verandering in omstandigheden en inzichten bestaat omdat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Dienstenrichtlijn verplicht tot het wijzigen van de ligplaatsvergunningen in een vergunning voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat onduidelijk is waarom dit onder gewijzigde omstandigheden en inzichten valt. Ook dit kan daarom niet leiden tot wijziging van de ligplaatsvergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. De Afdeling overweegt hiertoe dat in de Vob ook een expliciete grondslag was opgenomen om een vergunning te wijzigen als dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee expliciet ook de Dienstenwet en -richtlijn worden bedoeld. Daarom had het college voor deze grondslag moeten kiezen om de ligplaatsvergunningen te wijzigen als het daaraan de Dienstenrichtlijn ten grondslag wilde leggen en niet voor de grondslag die ziet op verandering van omstandigheden of inzichten. Dienstenrichtlijn Tot slot oordeelt de Afdeling anders dan de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Het verbod om zonder ligplaatsvergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen (art. 2.3.6 Vob) ziet naar zijn aard op dienstverrichters en niet op particulieren. De vergunningsvoorwaarden verschillen bovendien van die voor woonboten en pleziervaartuigen; zo vereist art. 2.3.6 lid 5 Vob dat de activiteiten watergebonden zijn en dat benodigde andere vergunningen zijn verleend. Dit betekent dat het college bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn moet toepassen. Het college heeft dat niet gedaan. Het is niet duidelijk geworden waarom het aantal ligplaatsen het maximum vormt en waarom het college niet meer ligplaatsen ter beschikking kan stellen of kan realiseren. Dit moet in het licht van de Dienstenrichtlijn worden gemotiveerd en dat is niet gebeurd. Verder blijkt uit de motivering van het college niet of onvoldoende waarom de wijziging van het beleid over de ligplaatsvergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het stedelijk milieu te beschermen en het binnenwater te ordenen. Gelet hierop moet het college in een nieuw besluit ingaan op de vraag waarom de wijzigingsbesluiten al dan niet in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op om binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen. Conclusie Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Als sprake is van dergelijke dwingende redenen van algemeen belang, moet vervolgens worden gemotiveerd waarom de maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn. Kort gezegd blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling hoe belangrijk het is dat een bestuursorgaan per stap goed motiveert dat en waarom hiervan sprake is. Heeft u vragen over welke omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden beschouwd en over de motivering van de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregelen? Wij denken graag met u mee. U kunt contact op nemen met Coline Norde, Annelot van der Spek of één van de andere specialisten van ons team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Bereikbaar via e-mail?
Op grond van artikel 2:14 van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot één of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Maar wanneer heeft iemand kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is? Die vraag speelde in de zaak die leidde tot het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 21 november 2025. Wat was er aan de hand? Iemand had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting via een daartoe bestemd contactformulier op de website. In dat contactformulier was een veld opgenomen waarin werd gevraagd naar het e-mailadres. Dit was een verplicht veld. De beslissing op bezwaar is vervolgens per e-mail  toegezonden aan het e-mailadres dat in het contactformulier was opgenomen. De vraag was of de beslissing op bezwaar daarmee op de juiste wijze bekend was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, door bezwaar te maken door op de website van de gemeente een contactformulier in te vullen en dit digitaal aan de heffingsambtenaar te sturen, ermee akkoord is gegaan dat hij op het daarin opgegeven e-mailadres bereikbaar is.  De beslissing was volgens de rechtbank op de juiste wijze bekend gemaakt. In cassatie haalt de Hoge Raad eerst de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 van de Awb aangehaald. Daarin is gesteld dat het uitgangspunt is dat de burger mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt. Een burger kan volgens de parlementaire toelichting in beginsel “meer of minder uitdrukkelijk” kenbaar maken dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, waarbij hij ook te kennen moet geven voor welk bericht of welke berichtenuitwisseling dit geldt, voor welke vorm van elektronisch verkeer hij openstaat en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. De Hoge Raad overweegt dat of een uiting of andere gedraging van een burger aan deze eisen voldoet, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De enkele bekendheid bij het bestuursorgaan van een emailadres is hiervoor niet zonder meer voldoende. Ook de omstandigheid dat een burger die langs elektronische weg een verzoek doet, daarin een e-mailadres opgeeft, brengt niet zonder meer mee dat hij daarmee – impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van correspondentie over dat verzoek steeds langs elektronische weg en op dat e-mailadres bereikbaar is. De Hoge Raad merkt daarbij op dat een bestuursorgaan aan een burger kan vragen om expliciet kenbaar te maken of hij langs elektronische weg bereikbaar is, bijvoorbeeld door op een elektronisch aanvraagformulier uitdrukkelijk de vraag te stellen of de aanvrager het op prijs stelt om ook het vervolg van het met de aanvraag in gang gezette besluitvormingsproces langs elektronische weg voort te zetten en, indien dat het geval is, of de aanvrager het elektronische postadres kenbaar wil maken waarop hij daartoe bereikbaar is. Wmebv Op 1 januari 2026 treedt (weer een deel) de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) in werking. Op grond van deze wet kan een ieder een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht  of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch zenden aan een bestuursorgaan (artikel 2:13 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026). Andersom, voor berichten die het bestuursorgaan verzendt aan een of meer geadresseerden, blijft  echter gelden dat een bestuursorgaan dergelijke berichten slechts elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (artikel 2:8 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026).  Het arrest van 21 november 2025 blijft daarom ook na 1 januari 2026 relevant. Vragen Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar, of een van de andere advocaten uit het Team Overheid.
Nesrine Khalloufi – La Gro
Nesrine Khalloufi
Advocaat
Geen onbegrensde bevoegdheid bij het opstellen van nadere regels op grond van een APV-bepaling
In de uitspraak van 3 december 2025 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (hierna: het college) bevoegd was om, op grond van door hem vastgestelde nadere regels over standplaatsvergunningen, een veilingsysteem te introduceren ‑ Het oordeel luidde – kort gezegd – dat het college hiertoe niet bevoegd was. Achtergrond Een exploitante van een suikerspinkraam dient bij het college van ’s-Hertogenbosch een aanvraag in voor een standplaatsvergunning (hierna: de aanvraag) op de markt tijdens carnaval voor de jaren 2023 tot en met 2025. Dit heeft de exploitante gedaan door een bod uit te brengen tijdens een door het college georganiseerde gesloten veiling. Het college wijst de aanvraag op grond van de Nadere regels standplaatsen gemeente ’s‑Hertogenbosch (hierna: Nadere regels) af, omdat exploitante niet het hoogste bod op de door haar gewenste standplaats heeft uitgebracht. Exploitante komt hiertegen in beroep. De rechtbank geeft exploitante gelijk en overweegt hiertoe – kort gezegd – dat het college, als het gebruikmaakt van de bevoegdheid om nadere regels te stellen, gebonden is aan de door de gemeenteraad in artikel 5:14 van de APV bepaalde kaders. Het opstellen van nadere regels over weigeringsgronden gaat deze bevoegdheid te buiten. Het college is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. Volgens het college is de in de Nadere regels opgenomen weigeringsgrond een uitwerking van artikel 5:14, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Hierin is bepaald dat het college, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV, de vergunning kan weigeren indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Het college stelt dat het door een gesloten veiling te houden voor standplaatsen tijdens carnaval een redelijk verzorgingsniveau realiseert voor de consument. Daarbij draagt de gesloten veiling bij aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast in de openbare ruimte, zoals genoemd in artikel 1:8 van de APV. Oordeel Afdeling De Afdeling oordeelde dat het college niet bevoegd was om op grond van de Nadere regels de aanvraag te weigeren omdat de exploitante niet het hoogste bod heeft uitgebracht. Een dergelijke regeling komt in feite neer op een imperatieve weigeringsgrond. De in artikel 5:14, vijfde lid, van de APV verleende bevoegdheid voor het stellen van nadere regels is bedoeld voor het stellen van nadere regels ten behoeve van het borgen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid. Het college is op grond hiervan derhalve bevoegd om nadere regels te stellen ten aanzien van een verdelingsprocedure van de standplaatsen tijdens carnaval, maar niet bevoegd via een veiling een standplaats tijdens carnaval te vergunnen aan de hoogste bieder. Immers, niet valt in te zien hoe het laten bieden op een standplaats nodig is om een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid te borgen. Dat de gemeenteraad daartoe een strekkende afweging heeft gemaakt, blijkt overigens ook niet uit de APV. Gevolgen voor de praktijk Het college kan, als de raad het college daartoe een bevoegdheid heeft toegekend in een APV-bepaling, nadere regels stellen ter uitwerking van die APV-bepaling. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten maar daarbij moet het college blijven binnen de kaders van de raad. Verder zien wij in de praktijk dat het onderscheid tussen nadere regels (algemeen verbindende voorschriften) en beleidsregels niet altijd goed wordt gemaakt. Heeft u vragen over nadere regels of beleidsregels, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningsluitingen op grond van 13b Opiumwet
Na de uitspraken van 28 augustus 2019, 2 februari 2022 en 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2025 weer een overzichtsuitspraak gedaan over woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Strengere toets? In deze uitspraak zet de Afdeling de uitgangspunten uiteen die door de bestuursrechter worden gehanteerd bij de beoordeling van besluiten van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Op onderdelen lijkt sprake van een strengere toets, bijvoorbeeld op het gebied van tijdsverloop tussen het besluit en de daadwerkelijke sluiting. Op andere onderdelen lijkt eerder sprake van een nuancering, bijvoorbeeld over de vraag hoe het herstel van de openbare orde bij de noodzaak van de sluiting moet worden betrokken. De Afdeling overweegt dat besluiten tot sluiting van woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners. Deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vindt (zoals bekend) plaats aan de hand van een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. In de uitspraak wordt achtereenvolgens ingegaan op de beoordeling van deze aspecten. Geschiktheid Tijdsverloop kan ertoe leiden dat het sluiten van een woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met de sluiting worden gediend. De burgemeester moet zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Dit lijkt een strengere toets dan eerder werd gehanteerd. Duidelijk is dat als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, de sluiting ongeschikt is. Als het doel nog kan worden bereikt, moet worden beoordeeld of de sluiting noodzakelijk is. Noodzaak Daartoe dient te worden beoordeeld of het beoogde doel ook kan worden bereikt met een minder ingrijpend middel. De sluiting, een herstelsanctie, strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is geen doel op zich maar het ligt volgens de Afdeling voor de hand dat de burgemeester de effecten van de overtreding van de Opiumwet op de omgeving betrekt bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. In r.o. 10.2 noemt de Afdeling verschillende omstandigheden die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. Genoemd worden: de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolg en heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Daarbij mag een onderscheid worden gemaakt tussen hard- en softdrugs; de vraag of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens; de vraag of sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving. Het kan noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit; de vraag of op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken;  de vraag of een woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling. Dit kan relevant zijn met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Als de sluiting geschikt en noodzakelijk is moet de burgemeester zich er ook nog van vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Evenwichtigheid De voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester een zwaar gewicht toe te kennen aan mogelijk zeer ingrijpende gevolgen, die een inmenging in het recht van artikel 8 EVRM kunnen vormen. In r.o. 11.2 noemt de Afdeling de volgende omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de evenwichtigheid: de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen; de vraag of de bewoners een bijzondere binding hebben met de woning en wat zijn de gevolgen voor hen van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven; de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn; hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. De burgemeester dient zich er bewust van te zijn dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. de vraag of de huurder door sluiting van de woning op een zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenwichtig vindt, moet hij afzien van sluiting. Wel zou in dat geval overwogen kunnen worden om een last onder dwangsom of een waarschuwing op te leggen. Heeft u vragen over het onderwerp dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar ([email protected]) van La Gro of met een van de andere advocaten van het team Overheid.