03 april 2023

Bestemmingsplan en gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door gemeenten. De mogelijkheden zijn ruimer dan gedacht.

03 april 2023

Mag een gemeente gebruik maken van haar privaatrechtelijke eigenaarsbevoegdheden om een planologisch toegelaten woonark uit openbaar vaarwater te verwijderen? Voor die kwestie stond de gemeente Kaag en Braassem. Hans Turenhout en Joran Tromp van LGGA stonden de gemeente bij in de procedure bij de rechtbank en het hof. Martijn Scheltema van Pels Rijcken stond de gemeente bij in de cassatieprocedure bij de Hoge Raad.

Op 31 maart 2023 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag of het een gemeente is toegestaan om een woonark te verwijderen uit openbaar vaarwater met behulp van aan haar toekomende privaatrechtelijke eigenaarsbevoegdheden. Van belang was dat de woonark ter plaatse volgens het bestemmingsplan was toegestaan en dat geen bijzondere vergunning was vereist om de woonark ter plaatse te hebben.

Waar gaat de zaak over?

X was eigenaar van een woonark die lag afgemeerd op een daartoe bestemd waterperceel in het openbaar vaarwater De Drecht te Leimuiden, welk waterperceel eigendom is van de gemeente Kaag en Braassem. Het bestemmingsplan en de relevante publiekrechtelijke regelgeving stonden het afmeren van de woonark ter plaatse toe. Omdat de gemeente de aanwezigheid van een woonark onwenselijk vond, heeft zij als eigenaar van het perceel van X geëist dat hij de woonark verwijderde. Zij heeft tegelijk het bestemmingsplan aldus gewijzigd dat deze de aanwezigheid van een woonschip niet meer toestaat. Op grond van het bij deze wijziging verplicht op te nemen overgangsrecht mag de woonark echter blijven liggen.

In deze civiele procedure heeft de gemeente verwijdering van de woonark gevorderd op grond van haar eigendomsrecht

In de procedure heeft de gemeente betoogd dat X zonder recht of titel het waterperceel in gebruik heeft genomen en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente. De gemeente is niet bereid om de ligplaats te verkopen of te verhuren aan X, omdat zij het beleid heeft om alleen ligplaatsen te verkopen of te verhuren als de woonbootgebruiker ook eigenaar is van de aanliggende gronden. De gemeente acht het van belang dat woonschepen vrij toegankelijk zijn voor derden en dat ook hulpdiensten de woonark makkelijk kunnen bereiken. Dat is niet het geval als de gebruiker van de woonark geen eigenaar is van de aanliggende gronden. Zoals hiervoor is aangegeven was de woonark wegbestemd maar mocht gelet op het overgangsrecht blijven liggen. Het was derhalve publiekrechtelijk niet mogelijk om het woonschip te verwijderen. Nu de gemeente eigenaar is van het waterperceel waar de ligplaats zich bevindt en X geen toestemming had om het waterperceel in gebruik te nemen meende de gemeente dat zij X kon sommeren de ligplaats met zijn woonark te verlaten.

De vordering is in eerste aanleg door de rechtbank Den Haag toegewezen, waarna X de woonark heeft verwijderd en verkocht. Het hof Den Haag heeft de vordering echter alsnog afgewezen, omdat de gemeente naar zijn oordeel misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, gelet op genoemd overgangsrecht. Daartegen keert zich het cassatieberoep van de gemeente. X heeft zich onder andere verweerd met een beroep op de doorkruisingsleer en met de stelling dat de gemeente misbruik maakt van haar bevoegdheid om hem geen privaatrechtelijke toestemming te verlenen voor het gebruik van het waterperceel terwijl het bestemmingsplan het gebruik van het waterperceel ten behoeve van een ligplaats wel toestaat.

Oordeel Hof

Het hof oordeelde als volgt.

Doorkruising en misbruik van bevoegdheid

8.1

[appellant] heeft zich tegen de vordering van de Gemeente voorts verweerd met een beroep op de doorkruisingsleer en met de stelling dat de Gemeente misbruik van haar bevoegdheid maakt, omdat zij weigert om [appellant] privaatrechtelijke toestemming te geven voor het gebruik van het waterperceel.

8.2

Bij beoordeling van dat verweer en de grieven die daarop gebaseerd zijn neemt het hof tot uitgangspunt dat het de Gemeente in beginsel vrij staat zich te beroepen op haar positie als eigenaar van het waterperceel en de daaraan verbonden rechten uit te oefenen. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Ten aanzien van openbare zaken met een publieke bestemming, zoals wegen en openbare wateren, geldt immers dat de rechthebbende het gebruik van een dergelijke zaak door anderen overeenkomstig die publieke bestemming heeft te dulden. Het onderwerpen van dergelijk gebruik aan privaatrechtelijke voorwaarden is niet toegestaan. Gaat het echter om bijzonder gebruik, dat wil zeggen een gebruik dat een bijzonder beslag op de openbare zaak legt, dan is privaatrechtelijke regulering wel mogelijk, althans voor zover daarmee geen publiekrechtelijke regeling onaanvaardbaar wordt doorkruist en de eigenaarsbevoegdheid niet wordt misbruikt. Het hof neemt tot uitgangspunt dat het afmeren van een woonark in openbaar vaarwater een vorm van bijzonder gebruik is dat de eigenaar niet behoeft te dulden.

8.3

Bij de vraag of er sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, moet worden onderzocht of de overheid, ingeval haar bij een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van haar in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden. Wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling daarin niet voorziet, is voor de beantwoording van deze vraag beslissend of gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet onder meer worden gelet op inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van de overige geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht. Van belang is voorts of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid, omdat, zo zulks het geval is, dit een belangrijke aanwijzing is dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg.

8.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de woonark van [appellant] in het waterperceel legaal was afgemeerd, in die zin dat de publiekrechtelijke voorschriften het afmeren van de woonark ter plaatse toestonden en dat daarvoor geen afzonderlijke vergunning was vereist. De door de Gemeente doorgevoerde wijziging van het bestemmingsplan in 2018, waarmee de woonark werd wegbestemd, bracht daarin op zichzelf geen verandering: door het overgangsrecht zou de woonark ter plaatse mogen blijven liggen. De publiekrechtelijke regeling met betrekking tot het wijzigen van het bestemmingsplan, voorzag er dus niet in dat de woonark zou moeten worden verwijderd en gaf de Gemeente dus ook geen bevoegdheid die verwijdering te bewerkstelligen.

8.5

De Gemeente heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat zij haar eigenaarsbelangen nastreeft en dat er reeds om die reden van een doorkruising van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) geen sprake is. De door haar genoemde belangen kunnen naar het oordeel van het hof echter niet worden aangemerkt als eigenaarsbelangen, maar zijn feitelijk belangen van ruimtelijke ordening. De Gemeente heeft immers aangevoerd wel bereid te zijn een gebruiks- of huurovereenkomst (of een koopovereenkomst) te sluiten met eigenaren van woonarken, maar dat in dit geval niet te willen doen omdat [appellant] geen eigenaar is van de aanpalende grond. Een gebruiks- of huurovereenkomst zou de eigenaren van die grond opzadelen met overlast en onnodige procedures. De Gemeente hanteert bovendien een uitsterfbeleid voor woonarken (randnummer 13 memorie van antwoord). Daarbij vindt de Gemeente het onwenselijk dat de woonark niet vrij toegankelijk is voor hulpdiensten (randnummer 14 memorie van antwoord). De Gemeente heeft bovendien gesteld een einde te willen maken aan de publiekrechtelijke mogelijkheid om ter plaatse met een woonark te liggen. Daarvoor is volgens de Gemeente nodig dat [appellant] ook feitelijk geen gebruik meer kan maken van de ligplaats omdat hij anders onder het overgangsrecht komt te vallen (randnummer 31 memorie van antwoord).

8.6.1

Hoewel de Wro de toepassing van privaatrechtelijke bevoegdheden van een publiekrechtelijke eigenaar niet uitsluit, mag die toepassing geen misbruik van bevoegdheid opleveren. De wijze waarop de Gemeente thans haar bevoegdheid als eigenaar inzet, levert echter een dergelijk misbruik op. Aan dat oordeel ligt het volgende ten grondslag.

8.6.2

Zoals de rechtbank terecht overwoog maakt de eigenaar van de woonark zonder recht of titel gebruik van het waterperceel van de Gemeente. Toen de woonark in 2013 ter plaatse werd afgemeerd, is de Gemeente niet opgekomen tegen de inbreuk op haar eigendom. De Gemeente heeft de situatie ter plaatse geaccepteerd, kennelijk mede omdat de eigenaar van de aanpalende grond akkoord was met de woonark (randnummer 22 memorie van antwoord). In 2016 liet de Gemeente nog aan de rechtsvoorganger van [appellant] weten dat het niet noodzakelijk werd geacht om de woonark te verplaatsen (productie 4 memorie van grieven). Dat de Gemeente, naar zij stelt, pas eigenaar is geworden van het waterperceel als gevolg van de regeling van aanwas en afslag en daarom lange tijd niet kon handhaven, is niet doorslaggevend. In ieder geval in 2010 heeft de Gemeente een voorganger van [appellant] , [naam 2], bericht dat het waterperceel eigendom van de Gemeente was en dat [naam 2] huur zou moeten betalen. Toen de (veel grotere) woonark (die later van [appellant] werd) in 2013 ter plaatse werd afgemeerd, had de Gemeente zich daartegen dus als eigenaar al kunnen verzetten.

8.6.3

Pas nadat een geschil was ontstaan tussen [appellant] en de eigenaren van het grondperceel en nadat de Gemeenteraad de situatie ter plaatse planologisch wilde wijzigen, is de Gemeente zich op haar positie als eigenaar gaan beroepen. Zoals hiervoor is overwogen doet zij dat echter niet om haar belangen als eigenaar te beschermen, maar primair om te voorkomen dat de woonark onder het overgangsrecht valt en verder om te voorkomen dat de eigenaar van het grondperceel problemen met [appellant] ondervindt.

8.6.4

Op grond van het publiekrecht zou de woonark van [appellant] ondanks de gewijzigde planologische inzichten bij de Gemeenteraad onder het overgangsrecht vallen en dus bij een wijziging van het bestemmingsplan (publiekrechtelijk) legaal ter plaatse kunnen blijven liggen. Voor alle duidelijkheid: uit overweging 54.4 van de uitspraak van de Afdeling volgt dat uitsluitend het gebruik van de woonark als woning niet als bestaand gebruik onder het overgangsrecht valt. Het overgangsrecht beschermt wel het recht om ter plaatse een ligplaats te hebben. Het publiekrecht geeft de Gemeente, met andere woorden, niet de bevoegdheid om de verwijdering van de woonark die zij jarenlang heeft toegestaan, te bewerkstelligen. De inzet van haar privaatrechtelijke bevoegdheid als eigenaar is volgens de eigen stellingen van de Gemeente juist noodzakelijk omdat zij met het publiekrecht niet de door haar gewenste verwijdering van de woonark kan bewerkstelligen. De Gemeente zet, met andere woorden, haar bevoegdheid als eigenaar in dit geval in om de werking van het publiekrechtelijke overgangsrecht illusoir te maken. Daarmee dreigen door de inzet van het privaatrecht de rechten van [appellant] op grond van het overgangsrecht teniet te worden gedaan.

8.6.5

Het overgangsrecht dient mede ter bescherming van eigenaren zoals [appellant] , die daardoor bij een wijziging van de planologische inzichten van de Gemeenteraad niet op stel en sprong hoeven plaats te maken. Toepassing van privaatrechtelijke bevoegdheden op een manier die ertoe strekt dat [appellant] de woonark moet verwijderen, ondergraaft die bescherming. Daarvoor zijn de rechten die de Gemeente als eigenaar toekomen echter niet bedoeld.

8.6.6

De Gemeente komt bovendien niet op voor haar eigen belangen, maar voor de belangen van de eigenaar van de aanpalende grond. De Gemeente heeft niet onderbouwd hoe haar belangen als eigenaar daarmee zijn gediend. Het zijn feitelijk belangen van ruimtelijke ordening of volkshuisvesting die de Gemeente met een beroep op haar positie als eigenaar wil dienen. Dat het de Gemeente feitelijk om andere belangen dan haar eigen belangen als eigenaar gaat, blijkt ook uit het feit dat zij de woonark ter plaatse jarenlang (in ieder geval sinds maart 2013, toen de ark van [appellant] ter plaatse is afgemeerd (randnummer 19 akte wijziging eis in eerste aanleg) heeft geaccepteerd. Onder die omstandigheden maakt de Gemeente misbruik van haar bevoegdheid om nu als eigenaar geen toestemming voor het gebruik van het waterperceel te verlenen en de verwijdering van de woonark na te streven. Van enig zwaarwegend belang dat haar handelen rechtvaardigt, is in het licht van het voorgaande geen sprake.

8.7

Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX0736, AB 2013/1), waarop de Gemeente zich onder meer heeft beroepen, volgt niet iets anders. In die zaak was sprake van een gebruiker van een perceel die weigerde een hem voorgelegde gebruikersregeling aan te gaan en de daarbij behorende gebruikersvergoeding te betalen. Die weigering rechtvaardigde de ontruiming van het perceel ondanks het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen de publiekrechtelijke bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing van een verbod enerzijds en de privaatrechtelijke bevoegdheid toestemming te geven voor het gebruik van een perceel anderzijds. In dit geval is van een weigering van [appellant] om een vergoeding te betalen voor het gebruik van het perceel van de Gemeente geen sprake, maar doet zich de situatie voor dat de Gemeente op andere gronden dan een dergelijke weigering de ontruiming wil bewerkstelligen.

8.8

De conclusie is dan ook dat de Gemeente, door haar eigenaarsbevoegdheden aan te willen wenden om te voorkomen dat de woonark wordt beschermd door het overgangsrecht en de Gemeente geen (zwaarwegend) eigen belang heeft om het gebruik van het waterperceel niet langer toe te staan, misbruik van haar bevoegdheid maakt.

De gemeente stelt cassatie in tegen dit arrest bij de Hoge Raad en de Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en heeft daarvoor niet veel woorden nodig. De aanwezigheid van de woonark was volgens het bestemmingsplan toegestaan. Verder stond vast dat voor de woonark geen vergunning vereist was en dat dus ook geen publiekrechtelijke toestemming was gegeven. Nu geen publiekrechtelijke toestemming vereist was komt volgens de Hoge Raad geen betekenis toe aan de rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag in hoeverre na het geven van publiekrechtelijke toestemming tot gebruik van overheidseigendom nog plaats is voor weigering van privaatrechtelijke toestemming. In het arrest Amsterdam/Geschiere oordeelde de Hoge Raad dat als een gemeente een publiekrechtelijke vergunning verleent aan iemand om een standplaats in te nemen op gemeentegrond, de gemeente vervolgens niet privaatrechtelijk kan weigeren om die standplaats in te nemen. Het onder die omstandigheden gebruik maken van je eigenaarsbevoegdheden levert misbruik van bevoegdheid op. In het onderhavig geval had de gemeente Kaag en Braassem niet een publiekrechtelijke vergunning verleend aan X maar beriep X zich slechts op het voor iedereen geldende bestemmingsplan. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat dit niet voldoende is en dat de gemeente onder deze omstandigheden wel een beroep kan doen op haar privaatrechtelijke eigenaarsbevoegdheden.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt kernachtig:

Het hof heeft geoordeeld dat het de Gemeente in beginsel vrijstaat zich te beroepen op haar positie als eigenaar van het waterperceel en om de daaraan verbonden rechten uit te oefenen. Ook heeft het geoordeeld dat het afmeren van een woonark in openbaar vaarwater een vorm van bijzonder gebruik is dat de eigenaar niet behoeft te dulden, en dat de Wro het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door een publiekrechtelijke eigenaar niet uitsluit. Deze – in cassatie terecht niet bestreden – uitgangspunten brengen, in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, met zich dat de planologische bestemming met het daaraan verbonden overgangsrecht de rechten van de Gemeente als eigenaar van het waterperceel jegens [verweerder] onverlet laat. De Gemeente mocht haar eigenaarsbevoegdheden ook inzetten om publieke belangen5 te behartigen.

Conclusie

Zo lang een gemeente niet expliciet publiekrechtelijke toestemming heeft verleend om bijzonder gebruik te mogen maken van gemeentelijk eigendom, bijvoorbeeld in de vorm van een ligplaatsvergunning of standplaatsvergunning, kan de gemeente gebruik maken van haar privaatrechtelijke eigenaarsbevoegdheden om dit bijzondere gebruik te verbieden of te reguleren. De gemeente kan niet met bijzondere privaatrechtelijke voorwaarden het normale gebruik van publieke zaken overeenkomstig de bestemming verbieden. Het gebruik van een openbare weg als weg of openbaar vaarwater als vaarweg kan derhalve niet via het privaatrecht beperkt worden.

Contact

Hans Turenhout en Joran Tromp van LGGA stonden de gemeente Kaag en Braassem bij in de procedure bij de rechtbank en het hof. Martijn Scheltema van Pels Rijcken stond de gemeente bij in de cassatieprocedure bij de Hoge Raad.

Voor vragen over deze zaak of vergelijkbare kwesties kunt u contact opnemen met Hans Turenhout of Joran Tromp.

Auteur
mr. J.J. (Hans) Turenhout

Advocaat & Of Counsel

Auteur
()

Meer artikelen leven van Team Overheid

Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Anouk Overvoorde 2 – La Gro
Anouk Overvoorde
Advocaat
Advies aan wethouder: openbaar op grond van de Woo?
Het uitgangspunt bij de openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) is dat persoonlijke beleidsopvattingen uit documenten voor intern beraad niet openbaar worden gemaakt. Maar als sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, ligt dat anders. Wanneer is daar sprake van? En wat betekent dat voor de praktijk? Persoonlijke beleidsopvattingen Volgens de Woo wordt onder persoonlijke beleidsopvattingen verstaan: ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen daarvan of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. Bij de openbaarmaking van documenten voor intern beraad op grond van de Woo, worden de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in beginsel niet geopenbaard. Formele bestuurlijke besluitvorming Artikel 5.2, derde lid, van de Woo bevat een uitzondering op dit uitgangspunt ten aanzien van documenten die zijn opgesteld ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Uit deze documenten worden persoonlijke beleidsopvattingen wél verstrekt, zij het in geanonimiseerde vorm, tenzij dit het intern beraad onevenredig schaadt. Wanneer is daarvan sprake? Uit de conclusie van A-G Wattel van 9 juli 2025 volgt dat de volgende documenten in ieder geval niet zijn opgesteld voor formele bestuurlijke besluitvorming: Documenten die niet of nog niet zijn bedoeld om aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan voor te leggen voor een keuze uit mogelijkheden van bestuurlijk handelen of nalaten bij de taakuitoefening door die ambtsdrager of dat bestuursorgaan; Documenten die nog niet rijp zijn (concepten); Documenten die nog circuleren in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen waarin er de ruimte moet zijn om gedachten en concepten uit te wisselen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat daarbij een rol kan spelen of een document daadwerkelijk aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan is voorgelegd, maar dat dit niet doorslaggevend is.  Uitspraak Afdeling 8 april 2026 Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2026. In deze zaak ging het om een voorstel aan een wethouder. Het college kon in dit geval niet achterhalen of en hoe het document intern was gedeeld en stelde zelf dat het om een concept ging. Omdat niet duidelijk was of het document aan de wethouder was voorgelegd, beoordeelde de Afdeling aan de hand van de vorm en inhoud van het document of aannemelijk was dat het document ten behoeve van formeel bestuurlijke besluitvorming aan de wethouder is voorgelegd of daarvoor rijp was. Uit het document bleek niet dat het een concept betrof. Het was gericht aan de wethouder, voorzien van een datum en bevatte een concreet voorstel en beslispunt. Op basis daarvan komt de Afdeling tot de conclusie dat sprake was van een document ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming. Het college kon openbaarmaking van de persoonlijke beleidsopvattingen in dit document daarom niet zonder meer weigeren. Deze moeten in geanonimiseerde vorm worden verstrekt, tenzij het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Omdat het college dat laatste niet had beoordeeld, was het besluit volgens de Afdeling ondeugdelijk gemotiveerd. Gevolgen voor de praktijk Als een document naar vorm en inhoud klaar is om aan een ambtsdrager te worden voorgelegd – ook als niet (met zekerheid) kan worden gesteld dat dat ook is gebeurd – heeft dit dus tot gevolg dat de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet herleidbare vorm openbaar dienen te worden gemaakt. Dit is slechts anders indien gemotiveerd kan worden gesteld dat het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Heeft u vragen over de toepassing van de uitzonderingsgronden uit de Woo? Neem dan contact op met Anouk Overvoorde of een van onze andere Woo-specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Toets aan de Dienstenrichtlijn bij wijziging naar schaarse vergunningen
Op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:823) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de omzetting van ligplaatsvergunningen in Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Hierin wordt ingegaan op de grondslag van deze besluiten en de op grond van de Dienstenrichtlijn benodigde motivering van deze besluiten.  Achtergrond: relatie met de uitspraak van 25 september 2024 over exploitatievergunningen De uitspraak hangt nauw samen met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) en de daaraan voorafgaande uitspraken van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2488) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had destijds een maximumaantal exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over de Amsterdamse binnenwateren vastgesteld op 550 en de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen gewijzigd naar bepaalde tijd. Het college beriep zich daarbij op de Dienstenrichtlijn: als het aantal vergunningen door een dwingende reden van algemeen belang wordt beperkt, mag een vergunning niet voor onbepaalde duur worden verleend. De Afdeling oordeelde dat het college in beginsel bevoegd was om volumebeleid vast te stellen en vergunningen te wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn, maar dat de invulling en motivering van het volumebeleid tekortschoten. Met name was onvoldoende gemotiveerd dat het beleid geschikt en noodzakelijk was in het licht van de Dienstenrichtlijn. De hoger beroepen waren daarom gegrond; gevolg was dat de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd golden. Na deze uitspraak kondigde het college een vergunningenstop af voor nieuwe exploitatievergunningen. Uitspraak van 25 februari 2026: ligplaatsvergunningen De uitspraak van 25 februari 2026 ligt in het verlengde hiervan. Naast de exploitatievergunningen heeft het college ook de ligplaatsvergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend, gewijzigd naar ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Het college heeft zich bij de wijzigingsbesluiten gebaseerd op de Verordening op het binnenwater (hierna: Vob). Hierin is geregeld dat het college een vergunning kan wijzigen, onder meer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten (art. 2.2.6 lid 1 onder b Vob). In de bijbehorende beleidsregels is opgenomen dat alleen ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen met een exploitatievergunning voor bepaalde tijd worden gewijzigd, en dat de einddatum aansluit bij de looptijd van die exploitatievergunning. Grondslag om de exploitatievergunningen te wijzigen Op het moment dat het college het besluit op het bezwaar nam, had het college de exploitatievergunningen van de passagiersvaartuigen gewijzigd van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Maar door de Afdelingsuitspraak van 25 september 2024 gelden die exploitatievergunningen voor deze partijen weer als exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee kan die wijziging niet worden aangemerkt als een relevante “verandering van omstandigheden of inzichten”, nu de wijziging immers niet meer geldt. Ook is daarmee niet voldaan aan de beleidsregels, omdat het geen exploitatievergunningen voor bepaalde tijd meer betreft. De wijziging van de ligplaatsvergunningen kan daarmee niet leiden tot wijziging van de exploitatievergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. Het college heeft daarnaast betoogd dat er een verandering in omstandigheden en inzichten bestaat omdat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Dienstenrichtlijn verplicht tot het wijzigen van de ligplaatsvergunningen in een vergunning voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat onduidelijk is waarom dit onder gewijzigde omstandigheden en inzichten valt. Ook dit kan daarom niet leiden tot wijziging van de ligplaatsvergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. De Afdeling overweegt hiertoe dat in de Vob ook een expliciete grondslag was opgenomen om een vergunning te wijzigen als dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee expliciet ook de Dienstenwet en -richtlijn worden bedoeld. Daarom had het college voor deze grondslag moeten kiezen om de ligplaatsvergunningen te wijzigen als het daaraan de Dienstenrichtlijn ten grondslag wilde leggen en niet voor de grondslag die ziet op verandering van omstandigheden of inzichten. Dienstenrichtlijn Tot slot oordeelt de Afdeling anders dan de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Het verbod om zonder ligplaatsvergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen (art. 2.3.6 Vob) ziet naar zijn aard op dienstverrichters en niet op particulieren. De vergunningsvoorwaarden verschillen bovendien van die voor woonboten en pleziervaartuigen; zo vereist art. 2.3.6 lid 5 Vob dat de activiteiten watergebonden zijn en dat benodigde andere vergunningen zijn verleend. Dit betekent dat het college bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn moet toepassen. Het college heeft dat niet gedaan. Het is niet duidelijk geworden waarom het aantal ligplaatsen het maximum vormt en waarom het college niet meer ligplaatsen ter beschikking kan stellen of kan realiseren. Dit moet in het licht van de Dienstenrichtlijn worden gemotiveerd en dat is niet gebeurd. Verder blijkt uit de motivering van het college niet of onvoldoende waarom de wijziging van het beleid over de ligplaatsvergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het stedelijk milieu te beschermen en het binnenwater te ordenen. Gelet hierop moet het college in een nieuw besluit ingaan op de vraag waarom de wijzigingsbesluiten al dan niet in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op om binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen. Conclusie Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Als sprake is van dergelijke dwingende redenen van algemeen belang, moet vervolgens worden gemotiveerd waarom de maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn. Kort gezegd blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling hoe belangrijk het is dat een bestuursorgaan per stap goed motiveert dat en waarom hiervan sprake is. Heeft u vragen over welke omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden beschouwd en over de motivering van de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregelen? Wij denken graag met u mee. U kunt contact op nemen met Coline Norde, Annelot van der Spek of één van de andere specialisten van ons team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Bereikbaar via e-mail?
Op grond van artikel 2:14 van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot één of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Maar wanneer heeft iemand kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is? Die vraag speelde in de zaak die leidde tot het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 21 november 2025. Wat was er aan de hand? Iemand had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting via een daartoe bestemd contactformulier op de website. In dat contactformulier was een veld opgenomen waarin werd gevraagd naar het e-mailadres. Dit was een verplicht veld. De beslissing op bezwaar is vervolgens per e-mail  toegezonden aan het e-mailadres dat in het contactformulier was opgenomen. De vraag was of de beslissing op bezwaar daarmee op de juiste wijze bekend was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, door bezwaar te maken door op de website van de gemeente een contactformulier in te vullen en dit digitaal aan de heffingsambtenaar te sturen, ermee akkoord is gegaan dat hij op het daarin opgegeven e-mailadres bereikbaar is.  De beslissing was volgens de rechtbank op de juiste wijze bekend gemaakt. In cassatie haalt de Hoge Raad eerst de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 van de Awb aangehaald. Daarin is gesteld dat het uitgangspunt is dat de burger mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt. Een burger kan volgens de parlementaire toelichting in beginsel “meer of minder uitdrukkelijk” kenbaar maken dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, waarbij hij ook te kennen moet geven voor welk bericht of welke berichtenuitwisseling dit geldt, voor welke vorm van elektronisch verkeer hij openstaat en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. De Hoge Raad overweegt dat of een uiting of andere gedraging van een burger aan deze eisen voldoet, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De enkele bekendheid bij het bestuursorgaan van een emailadres is hiervoor niet zonder meer voldoende. Ook de omstandigheid dat een burger die langs elektronische weg een verzoek doet, daarin een e-mailadres opgeeft, brengt niet zonder meer mee dat hij daarmee – impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van correspondentie over dat verzoek steeds langs elektronische weg en op dat e-mailadres bereikbaar is. De Hoge Raad merkt daarbij op dat een bestuursorgaan aan een burger kan vragen om expliciet kenbaar te maken of hij langs elektronische weg bereikbaar is, bijvoorbeeld door op een elektronisch aanvraagformulier uitdrukkelijk de vraag te stellen of de aanvrager het op prijs stelt om ook het vervolg van het met de aanvraag in gang gezette besluitvormingsproces langs elektronische weg voort te zetten en, indien dat het geval is, of de aanvrager het elektronische postadres kenbaar wil maken waarop hij daartoe bereikbaar is. Wmebv Op 1 januari 2026 treedt (weer een deel) de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) in werking. Op grond van deze wet kan een ieder een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht  of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch zenden aan een bestuursorgaan (artikel 2:13 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026). Andersom, voor berichten die het bestuursorgaan verzendt aan een of meer geadresseerden, blijft  echter gelden dat een bestuursorgaan dergelijke berichten slechts elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (artikel 2:8 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026).  Het arrest van 21 november 2025 blijft daarom ook na 1 januari 2026 relevant. Vragen Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar, of een van de andere advocaten uit het Team Overheid.
Nesrine Khalloufi – La Gro
Nesrine Khalloufi
Advocaat
Geen onbegrensde bevoegdheid bij het opstellen van nadere regels op grond van een APV-bepaling
In de uitspraak van 3 december 2025 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (hierna: het college) bevoegd was om, op grond van door hem vastgestelde nadere regels over standplaatsvergunningen, een veilingsysteem te introduceren ‑ Het oordeel luidde – kort gezegd – dat het college hiertoe niet bevoegd was. Achtergrond Een exploitante van een suikerspinkraam dient bij het college van ’s-Hertogenbosch een aanvraag in voor een standplaatsvergunning (hierna: de aanvraag) op de markt tijdens carnaval voor de jaren 2023 tot en met 2025. Dit heeft de exploitante gedaan door een bod uit te brengen tijdens een door het college georganiseerde gesloten veiling. Het college wijst de aanvraag op grond van de Nadere regels standplaatsen gemeente ’s‑Hertogenbosch (hierna: Nadere regels) af, omdat exploitante niet het hoogste bod op de door haar gewenste standplaats heeft uitgebracht. Exploitante komt hiertegen in beroep. De rechtbank geeft exploitante gelijk en overweegt hiertoe – kort gezegd – dat het college, als het gebruikmaakt van de bevoegdheid om nadere regels te stellen, gebonden is aan de door de gemeenteraad in artikel 5:14 van de APV bepaalde kaders. Het opstellen van nadere regels over weigeringsgronden gaat deze bevoegdheid te buiten. Het college is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. Volgens het college is de in de Nadere regels opgenomen weigeringsgrond een uitwerking van artikel 5:14, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Hierin is bepaald dat het college, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV, de vergunning kan weigeren indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Het college stelt dat het door een gesloten veiling te houden voor standplaatsen tijdens carnaval een redelijk verzorgingsniveau realiseert voor de consument. Daarbij draagt de gesloten veiling bij aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast in de openbare ruimte, zoals genoemd in artikel 1:8 van de APV. Oordeel Afdeling De Afdeling oordeelde dat het college niet bevoegd was om op grond van de Nadere regels de aanvraag te weigeren omdat de exploitante niet het hoogste bod heeft uitgebracht. Een dergelijke regeling komt in feite neer op een imperatieve weigeringsgrond. De in artikel 5:14, vijfde lid, van de APV verleende bevoegdheid voor het stellen van nadere regels is bedoeld voor het stellen van nadere regels ten behoeve van het borgen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid. Het college is op grond hiervan derhalve bevoegd om nadere regels te stellen ten aanzien van een verdelingsprocedure van de standplaatsen tijdens carnaval, maar niet bevoegd via een veiling een standplaats tijdens carnaval te vergunnen aan de hoogste bieder. Immers, niet valt in te zien hoe het laten bieden op een standplaats nodig is om een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid te borgen. Dat de gemeenteraad daartoe een strekkende afweging heeft gemaakt, blijkt overigens ook niet uit de APV. Gevolgen voor de praktijk Het college kan, als de raad het college daartoe een bevoegdheid heeft toegekend in een APV-bepaling, nadere regels stellen ter uitwerking van die APV-bepaling. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten maar daarbij moet het college blijven binnen de kaders van de raad. Verder zien wij in de praktijk dat het onderscheid tussen nadere regels (algemeen verbindende voorschriften) en beleidsregels niet altijd goed wordt gemaakt. Heeft u vragen over nadere regels of beleidsregels, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.
Bel Hans Turenhout