02 november 2026

Een vergelijking van het recht inzake algemene voorwaarden in Duitsland en Nederland

02 november 2026

Samen met Jan Birkefeld (advocaat bij ZENK in Berlijn) heeft Mariëlle Broekman een artikel voor het tijdschrift Contracteren geschreven, waarin de wettelijke regeling voor algemene voorwaarden in Duitsland en in Nederland wordt vergeleken. Het Duitse recht kent in vergelijking met het Nederlandse recht in zakelijke relaties (b2b­contracten) een relatief strenge inhoudelijke toetsing van algemene voorwaarden. Er wordt onder meer aandacht geschonken aan de battle of forms en het belang van een rechtskeuze. Het artikel wordt afgesloten met het advies aan Duitse bedrijven om bij zakelijke contracten met Nederlandse partijen Nederlands recht toe te passen, omdat dit meer contractsvrijheid en meer rechtszekerheid biedt.

De volledige digitale versie kan gevonden worden op Boomportaal (Alle wegen leiden naar Rome: een vergelijking van het recht inzake algemene voorwaarden in Duitsland en Nederland).

Meer weten over algemene voorwaarden in internationale contracten? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.

Auteur
mr. M.F.H. (Mariëlle) Broekman

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Gerben Hoijtink – La Gro
Gerben Hoijtink
Advocaat
Let op bij schikkingsonderhandelingen: wanneer wordt een voorstel bindend?
Op 7 oktober 2026 wees de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vonnis in een zaak over de vraag of tussen partijen een schikkingsovereenkomst tot stand was gekomen (ECLI:NL:RBZWB:2026:9715). De zaak ging over de terugkoop van een caravan na discussie over gebreken en de vraag of de caravan wel als nieuw kon worden beschouwd. De uitspraak laat zien dat een schikkingsvoorstel sneller bindend kan worden dan partijen soms denken. Waar ging de zaak over? De koper koopt op 30 maart 2025 een caravan van de verkoper voor een totaalbedrag van € 30.250,-. De caravan is in de advertentie en op het aankoopformulier gepresenteerd als nieuw. De caravan wordt op 26 april 2025 geleverd. Nadat de koper vóór levering vragen stelt over de factuurtekst “caravan zoals gekocht en akkoord bevonden”, bevestigt de verkoper per e-mail dat het gaat om een nieuwe ongebruikte caravan. Enige tijd na de levering, begin juni 2025, stuurt de koper een brief aan de verkoper met een opsomming van gebreken, waaronder roestvorming. Volgens de koper is geen sprake van een nieuwe ongebruikte caravan. Op 26 juni 2025 doet de verkoper via zijn gemachtigde een voorstel voor een oplossing: de verkoper koopt de caravan voor het oorspronkelijke aankoopbedrag van de koper terug; de verkoper haalt de caravan kosteloos op bij de stalling, waarbij de koper garandeert dat de caravan zich in dezelfde staat bevindt als bij aankoop; de verkoper betaalt een tegemoetkoming van € 500,- aan de koper; partijen verlenen elkaar na uitvoering hiervan finale kwijting. Op 30 juni 2025 laat de koper via zijn gemachtigde weten akkoord te zijn met het voorstel. In de e-mail wordt benadrukt dat de caravan een week is gebruikt, zodat de staat niet meer exact gelijk is aan de staat bij aankoop. Wel garandeert de koper dat hij zeer nauwgezet en voorzichtig met de caravan is omgegaan. Ook geeft de koper aan dat de caravan in de opslag staat en dat er vooraf een ophaalmoment met de stalling moet worden afgestemd. Daarna blijft uitvoering uit. De koper vraagt op 4 juli 2025 om een reactie, noemt op 10 juli 2025 zelf twee mogelijke ophaaldata en kondigt op 16 juli 2025 aan dat hij nakoming in rechte zal afdwingen als nakoming verder uitblijft. Op 21 juli 2025 laat de verkoper weten dat hij niet meer bereid is om de caravan op te halen. Volgens de verkoper had hij voor het ophalen een voorstel gedaan dat niet was geaccepteerd, terwijl dat voorstel volgens hem ruim van tevoren was gecommuniceerd. Om die reden beschouwde de verkoper de afspraak als vervallen. De koper kon de caravan nog binnen één week bij de verkoper afleveren. Gebeurde dat niet, dan wilde de verkoper de caravan niet meer kosteloos terugnemen. Bij e-mail van 23 juli 2025 weerspreekt de koper die lezing. Volgens de koper was juist uitdrukkelijk afgesproken dat de verkoper de caravan zou ophalen. Dat één door de verkoper genoemde, niet met de koper afgestemde ophaaldatum bij de stalling niet mogelijk bleek, is volgens de koper geen reden om de gemaakte afspraak niet na te komen. Omdat de verkoper inmiddels had laten weten de caravan niet meer te willen ophalen, stelt de koper zich op het standpunt dat de verkoper in verzuim verkeerde. Het geschil De koper start een dagvaardingsprocedure en vordert onder meer dat de verkoper wordt veroordeeld tot nakoming van de schikkingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom. Volgens de koper is de verkoper tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst: hij moest de aankoopsom en de tegemoetkoming betalen en de caravan ophalen, maar heeft dat niet gedaan. De verkoper voert daartegen verweer. Volgens hem zijn partijen geen schikkingsovereenkomst aangegaan, omdat daarover geen overeenstemming is bereikt. Het oordeel van de rechtbank De kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant beoordeelt of tussen partijen een schikkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens de kantonrechter is dat het geval. De verkoper heeft op 26 juni 2025 een voorstel gedaan: terugkoop van de caravan, kosteloos ophalen bij de stalling en betaling van een tegemoetkoming van € 500,-. De koper heeft dat voorstel op 30 juni 2025 aanvaard. Daarmee is volgens de kantonrechter een schikkingsovereenkomst tot stand gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling voert de verkoper nog aan dat hij de caravan eerst wilde bekijken voordat hij deze zou ophalen. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Nergens blijkt namelijk uit dat het bekijken van de caravan als voorwaarde voor de schikking was afgesproken. Ook het feit dat de verkoper een onaangenaam gesprek had met de stallingseigenaresse, betekent niet dat hij zijn verplichtingen uit de schikkingsovereenkomst niet meer hoeft na te komen. Dat de caravan inmiddels mogelijk minder waard was geworden, maakt dit niet anders: omdat de verkoper de caravan niet eerder had opgehaald zoals afgesproken, komt dat voor zijn rekening en risico. De uitkomst is duidelijk: de verkoper wordt veroordeeld tot betaling van € 30.750,-, bestaande uit de aankoopsom en de overeengekomen tegemoetkoming, te vermeerderen met wettelijke rente. Ook moet hij de caravan alsnog bij de stalling ophalen. Doet hij dat niet tijdig, dan verbeurt hij een dwangsom. Daarnaast moet de verkoper de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten én de inmiddels opgelopen opslagkosten betalen. Belang voor de praktijk Deze uitspraak laat zien dat een schikkingsvoorstel sneller kan leiden tot een bindende afspraak dan partijen soms denken. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding, en in beginsel is een overeenkomst vormvrij. Een handtekening onder een schriftelijke vaststellingsovereenkomst is dus niet altijd nodig. Ook een concreet voorstel per e-mail en een daaropvolgend akkoord kunnen voldoende zijn. Wie alleen onder voorwaarden wil schikken, moet dat duidelijk maken. Denk aan een voorbehoud van inspectie, interne goedkeuring, financiering of ondertekening van een schriftelijke vaststellingsovereenkomst. Wordt zo’n voorbehoud niet duidelijk gemaakt, dan kan de partij in kwestie later niet zomaar onder de schikking uit. Juist daarom is het vaak verstandig om een bereikte schikking schriftelijk vast te leggen. In een vaststellingsovereenkomst kunnen partijen vastleggen wat moet worden betaald, welke handelingen moeten worden verricht, welke voorwaarden gelden en of na uitvoering finale kwijting wordt verleend. Dat voorkomt discussie achteraf en maakt nakoming eenvoudiger afdwingbaar. Meer weten over dit onderwerp? Neem gerust contact op met Gerben Hoijtink of één van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is?
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 arrest gewezen in een zaak over een mislukte investering in agrarische projecten in Canada (ECLI:NL:HR:2026:1298). In cassatie ging het vooral over de devolutieve werking van het hoger beroep. In feitelijke instanties speelde de vraag of er gebruik was gemaakt van een volmacht met valse handtekeningen. In haar bijdrage voor het tijdschrift ‘Bedrijfsjuridische berichten’ gaat Mariëlle Broekman in op de bewijsrechtelijke gevolgen van een betwiste handtekening. De volledige digitale versie kan gevonden worden op InView (Bedrijfsjuridische berichten, Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is? | InView Essential). Meer weten over (elektronische) handtekeningen en hoe de daarmee samenhangende (bewijsrechtelijke) risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje
Na meer dan 40 jaar wordt de richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn 85/374/EEG) met ingang van 9 december 2026 ingetrokken. Zij blijft van toepassing op producten die vóór die datum in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Maar daarna gaat de nieuwe richtlijn inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten (Richtlijn (EU) 2024/2853) gelden. In hun bijdrage voor het online ledenmagazine van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen bespreken Mariëlle Broekman en Rachel de Jong de belangrijkste veranderingen. De digitale versie met werkende hyperlinks kan gevonden worden via Artikel | NGB extra – La Gro – Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje. Meer weten over productaansprakelijkheid en hoe de daarmee samenhangende risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA-uitspraak Hoge Raad: representativiteit vereist echte steun van de achterban
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de collectieve actie van Stichting The Privacy Collective (“TPC”) tegen Oracle en Salesforce . De uitspraak is van belang voor iedere partij die te maken krijgt met een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”), en in het bijzonder voor de vraag wanneer een belangenorganisatie voldoende representatief is om schadevergoeding te kunnen vorderen namens een grote groep gedupeerden. De achtergrond De procedure gaat over het misbruik van persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht en hoofdelijke schadevergoeding van Oracle en Salesforce van 5 miljard euro, ofwel 500 euro per persoon, wegens gestelde privacyschendingen bij het plaatsen van cookies en het opbouwen van gebruikersprofielen voor gerichte reclame. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis, verklaarde TPC alsnog ontvankelijk en wees de zaak terug naar de rechtbank. De Partijen bij de procedure gingen hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad De ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in de WAMCA wordt ex nunc getoetst De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in hoger beroep de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een WAMCA-procedure beoordeelt naar de toestand op het moment van zijn beslissing, en niet naar het moment van dagvaarding. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat het hoger beroep strekt tot een nieuwe behandeling van de zaak naar de actuele stand van zaken. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de WAMCA biedt aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Een “niet te verwaarlozen” achterban is niet genoeg Het kernpunt van het arrest betreft de invulling van het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het hof had geoordeeld dat voldoende is dat “een niet te verwaarlozen aantal personen” de actie steunt. De Hoge Raad verwerpt die maatstaf: de rechter dient te beoordelen of de collectieve vordering de steun heeft van “een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt”. Een getalsmatig criterium kent de WAMCA niet, maar indicaties zijn onder meer het aantal aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld, en of de aangesloten personen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep. Steun van andere maatschappelijke organisaties mag wél worden meegewogen bij de beoordeling of aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan. Het hof had bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom anonieme “likes” op de website van TPC aantoonden dat de steun daadwerkelijk van gedupeerden afkomstig was, terwijl Oracle en Salesforce dit gemotiveerd hadden betwist. De toetsing van artikel 80 en artikel 82 AVG mag worden uitgesteld tot de inhoudelijke beoordeling De Hoge Raad oordeelt dat de AVG niet vereist dat het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG in samenhang met artikel 82 AVG steeds al in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure wordt beoordeeld. Het hof mocht deze vraag, evenals de andere onderdelen van artikel 80 AVG, uitstellen tot de inhoudelijke fase van de procedure. Er bestaat geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU op dit punt. Uitzondering op het verbod van terugverwijzing naar de vorige instantie Ten slotte aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste instantie. In het bijzondere, uit twee fasen bestaande systeem van de WAMCA geldt dat wanneer het hof een ten onrechte gegeven niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, het de zaak wél mag terugwijzen naar de rechtbank, omdat de eerste rechter op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Conclusie Omdat de klachten over de representativiteitstoets slagen, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024 in beide zaken en verwijst hij het geding naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Belang voor de praktijk Dit arrest scherpt de drempel voor collectieve schadevergoedingsacties aan. Belangenorganisaties kunnen niet langer volstaan met het aantonen van “enige” steun binnen hun achterban; zij zullen concreet en cijfermatig moeten onderbouwen dat een substantieel deel van de groep waarvoor zij opkomen, de actie daadwerkelijk steunt — zeker wanneer schadevergoeding wordt gevorderd voor een zeer omvangrijke en diffuse groep. Anonieme steunbetuigingen (zoals ‘likes’) volstaan niet zonder nadere onderbouwing dat deze van de beweerde gedupeerden zelf afkomstig zijn. Daarbij bevestigt de Hoge Raad wel dat het toegestaan is om de steun van andere belangorganisaties te betrekken bij de beoordeling of aan de representativiteitseis is voldaan. Voor gedaagden in WAMCA-procedures biedt de uitspraak een concreet aangrijpingspunt om de representativiteit van eisende belangenorganisaties (verder) te betwisten, met name in zaken met een grote en generieke achterban en aanzienlijke gevorderde bedragen. Tegelijk bevestigt de Hoge Raad dat AVG-specifieke ontvankelijkheidsvragen niet dwingend al in de ontvankelijkheidsfase hoeven te worden beslecht, wat de proceseconomie in complexe privacygerelateerde massaclaims ten goede kan komen. Ten slotte biedt de Hoge Raad nu expliciet de mogelijkheid voor eisers om gebreken op het gebied van representativiteit te repareren tijdens de hoger beroepsprocedure: de toetsing van dit vereiste dient namelijk ex nunc plaats te vinden. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere WAMCA-specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Verrekening met een verjaarde vordering
Verrekening is een handig instrument om overbodige betalingshandelingen te voorkomen. Daarnaast biedt verrekening een vorm van zekerheid en kan het een effectief verweermiddel zijn tegen een vordering van een wederpartij. In sommige gevallen kan zelfs verrekend worden met een vordering die al verjaard is. Daarover gaat het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:93). In hun bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2026/21) bespreken Mariëlle Broekman en Gerben Hoijtink dit arrest en gaan zij in op mogelijkheden om contractueel af te wijken van de wettelijke regelingen van verrekening en verjaring. Meer weten over verrekening? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Gerben Hoijtink of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.