17 april 2026

Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken.

17 april 2026

Ben je na verloop van een vervaltermijn écht te laat met een claim wegens verborgen gebreken? In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:540) blijkt dat niet het geval.

Dura Vermeer sloot met 58 eigenaren van woningen uit Oegstgeest een aannemingsovereenkomst waarop de SWK Garantie- en waarborgregeling 2014 en de daarbij behorende Algemene Voorwaarden van SWK van toepassing waren. Artikel 15 lid 6 van deze voorwaarden bevat een vervalbeding: stel je niet tijdig een rechtsvordering in vanwege een verborgen gebrek? Dan leidt dat tot niet-ontvankelijkheid en heb je in principe dus pech, maar dat gold voor de 58 woningeigenaren uit Oegstgeest niet.

Een rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is op grond van artikel 15 lid 6 niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf jaren na de garantieperiode van zes maanden die geldt na oplevering. De eisers in deze procedure hebben Dura Vermeer gedagvaard en vorderen schadevergoeding vanwege verborgen gebreken. Dura Vermeer stelde zich op het standpunt dat de laatste opleveringen plaatsvonden in november 2018, zodat de garantietermijn in mei 2019 afliep. Omdat niet vóór mei 2024 is gedagvaard, zou de vervaltermijn van vijf jaar zijn verstreken en zouden de vorderingen van eisers niet-ontvankelijk zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. Waarom? Onder meer omdat Dura Vermeer al in 2020/2021 op de hoogte was gebracht van de gebreken en ook bij een groot aantal woningen opnames heeft gedaan. De ratio van contractuele vervaltermijnen is dat klachten over vermeende gebreken binnen een redelijke termijn na ontdekking worden gemeld. In dit geval had Dura Vermeer dus geen belang meer bij een beroep op overschrijding van de vervaltermijn. Een ander belang is ook niet naar voren gebracht.

Dus oordeelde de rechtbank: als sprake zou zijn van een schending van de vervaltermijnen, dan zou het beroep hierop door Dura Vermeer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Deze uitspraak bevestigt dat vervalbedingen geen onbeperkte bescherming bieden aan aannemers en dat “te laat” niet altijd daadwerkelijk te laat is.

Wat betekent dit in de praktijk?
Hoewel vervaltermijnen een belangrijk uitgangspunt blijven, laat deze uitspraak zien dat een claim na verloop van de vervaltermijn niet kan worden uitgesloten. Met name de vraag of een aannemer al eerder op de hoogte was van gebreken kan daarbij een rol spelen.

Meer weten over dit onderwerp of benieuwd wat dit voor uw situatie kan betekenen? Neem gerust contact op met één van onze vastgoedspecialisten.

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken (deel 2)
In een eerdere blog schreef ik over het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. In datzelfde straatje speelt ook de vraag of dergelijke bedingen jegens consument-opdrachtgevers oneerlijk en/of onredelijk bezwarend zijn. Artikel 16.3 van de AVA 2013 (Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk) regelt de termijn voor aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. In dat artikel wordt bepaald dat rechtsvorderingen vanwege gebreken aan het opgeleverde werk in beginsel binnen 5 jaar (en in geval van ernstige gebreken binnen 10 jaar) na afloop van de onderhoudstermijn (van 30 dagen na de oplevering, zie artikel 9 lid 8 AVA) moeten worden ingesteld, anders vervalt het recht om een procedure te beginnen om herstel of schadevergoeding te vorderen. In de literatuur en rechtspraak speelt al langer de vraag of dergelijke vervalbedingen onredelijk bezwarend of oneerlijk zijn jegens consument-opdrachtgevers. Hierover is recent de conclusie van A-G Valk gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2026:308). Aanleiding voor die conclusie is een cassatie tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof Amsterdam, waarin het hof oordeelde dat het vervalbeding uit artikel 16.3 van de AVA 2013 oneerlijk en onredelijk bezwarend is. Of in algemene zin gezegd kan worden dat dergelijke vervalbedingen jegens consumenten oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn, is geen uitgemaakte zaak. Er bestaat in de literatuur discussie over en ook in de rechtspraak zijn de oordelen hierover niet eenduidig. Voor de bouwpraktijk (in het bijzonder in de relatie aannemer-consument) is dus relevant wat de Hoge Raad hierover zal oordelen. A-G Valk van mening dat diverse klachten uit het cassatiemiddel van de aannemer slagen, dat het vervalbeding in deze toelaatbaar is en dat het arrest van het hof Amsterdam daarom vernietigt moet worden. Opvallend is dat A-G Valk in het advies expliciet benadrukt dat hij daarmee niet wil zeggen dat het onmogelijk is dat vervalbedingen (zoals bijv. ook opgenomen in par. 12 UAV) jegens consumenten als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG – en dus als onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233 onder a BW – moeten worden beschouwd. A-G Valk benadrukt verder dat een rechter die een dergelijk vervalbeding meent terzijde te moeten schuiven zich in elk geval moet realiseren dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak groot zijn zodat de motivering van dergelijke oordelen luistert nauw luistert. Als je het mij vraagt een terecht standpunt nu het terzijde schuiven van vervalbedingen door de rechter in de praktijk zal leiden tot claims tegen aannemers die zij wellicht al niet meer hoefden te verwachten. Veelvuldig gehanteerde algemene voorwaarden in de bouw zouden moeten leiden tot eenduidigheid en niet tot wisselende oordelen en daarmee onzekerheid. Noemenswaardig is nog dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in een andere zaak (nr. 38.068) voorbijging aan een beroep dat werd gedaan op het oordeel van het hof Amsterdam. Reden daarvoor was voor arbiters onder meer dat consumentenorganisaties het vervalbeding bij de totstandkoming daarvan dit niet als onredelijk bezwarend hebben bestempeld. Of de Hoge Raad daar ook zo over denkt is vooralsnog een kwestie van afwachten. In de tussentijd vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact op met een van onze vastgoedspecialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
De DNR 2025 – sneller contracteren door een betere rolverdeling
De bouw- en ontwerppraktijk verandert snel: digitalisering, nieuwe wet- en regelgeving en complexere samenwerkingen vragen om duidelijke afspraken. Daarom hebben brancheverenigingen de Koninklijke Bond van Nederlandse architectenbureaus (BNA) en Koninklijke NLingenieurs in december 2025 de DNR 2025 gemoderniseerd en gestroomlijnd. Waarom deze herziening? Sinds de laatste herziening in 2013 wees de praktijk uit dat de DNR steeds vaker, door voornamelijk opdrachtgevers, werd aangepast of “opengebroken” in onderhandelingen over de contractvorming. Dat kost tijd, verhoogt transactiekosten en maakt risico’s minder voorspelbaar. De DNR 2025 is daarom bedoeld om contractvorming eenvoudiger en sneller te maken, met een set gestroomlijnde algemene voorwaarden, die beter aansluit bij de huidige praktijk. Een greep uit de wijzigingen en toevoegingen Een in het oog springende verduidelijking is hoe de DNR 2025 omgaat met de rol van medewerkers binnen een architecten- of ingenieursbureau. Met het uitsluiten van art. 6:162 BW, 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, bepaalt de DNR 2025 dat de opdracht uitsluitend wordt geacht te zijn verstrekt en aanvaard door het bureau als rechtspersoon, en niet door een individuele medewerker, bestuurder of aandeelhouder. In de DNR 2025 is het beëindigen van een opdracht overzichtelijker gemaakt: de financiële gevolgen zijn nu samengebracht onder één bepaling. De kern is echter onveranderd: zegt de adviseur op zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de opdrachtgever gerechtigd 10% van de verschuldigde vergoeding te verminderen. Wanneer het juist de opdrachtgever is die opzegt zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de adviseur op zijn beurt weer gerechtigd om 10% bovenop de verschuldigde vergoeding te vorderen. De DNR 2025 speelt ook zichtbaar in op de digitale realiteit waarin ieder project zich tegenwoordig bevindt en waarbij veel gebruik wordt gemaakt van data, cloudomgevingen en online samenwerking. Privacy en informatiebeveiliging zijn daarom niet langer bijzaak, maar een expliciet onderdeel van de opdracht. Partijen moeten voldoen aan toepasselijke privacywetgeving – waaronder in het bijzonder de AVG – en dienen op grond daarvan de vereiste maatregelen te nemen om persoonsgegevens te beschermen. Tevens wordt de aansprakelijkheid van de adviseur uitgesloten voor schade wegens ‘cyberincidenten’, zoals datalekken of gehackt worden, waartegen hij alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft genomen. Wanneer de adviseur optreedt als kwaliteitswaarborger in de zin van de Wet op kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), bevat de DNR 2025 een specifieke omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden die de adviseur in deze rol heeft. De adviseur heeft een onafhankelijke taak om te toetsen en te rapporteren, maar zijn rol staat, publiekrechtelijk, nadrukkelijk níet gelijk aan die van ontwerper, toezichthouder of aannemer. Wat de DNR 2025 ook duidelijk maakt is dat de adviseur geen alleskunner is met oneindige aansprakelijkheid. Zo heeft de adviseur geen verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van publiekrechtelijke toestemmingen en vergunning, noch is hij verantwoordelijk voor de inhoud, kwaliteit of rechtmatigheid van het ontwerp. Kortom, de adviseur-kwaliteitswaarborger draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen werkterrein, niet voor zaken die buiten zijn invloedssfeer liggen. Niets nieuws? Wie denkt dat de DNR 2025 ‘niets nieuws onder de zon’ is, heeft het dus mis. Niet alleen omdat de regeling is gemoderniseerd, maar omdat zij expliciet is ontworpen om beter aan te sluiten bij de bouwpraktijk van vandaag. Wilt u weten wat de DNR 2025 concreet betekent voor uw contracten en projecten? Of heeft u andere vragen over deze voorwaarden? Onze specialisten Bouwrecht denken graag met u mee.
Kirsten Hoogendam – La Gro
Kirsten Hoogendam
Advocaat
Oneerlijke bedingen: is schrappen de oplossing?
De jurisprudentie over oneerlijke bedingen ontwikkelt zich in hoog tempo. Zo ook voor huurovereenkomsten. De gevolgen hiervan zijn voor verhuurders nog niet volledig te overzien. Het uitgangspunt is duidelijk: wanneer een beding als oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna “de Richtlijn”, wordt aangemerkt, wordt het buiten toepassing gelaten. Dat heeft in veel gevallen als gevolg dat de verhuurder ook niet meer kan terugvallen op een vergelijkbare wettelijke regeling. Dit kan vergaande consequenties hebben, bijvoorbeeld bij bepalingen over huurprijsaanpassingen, maar ook bij het verhalen van kosten door de verhuurder. De rechtspraak heeft recentelijk twee ontwikkelingen laten zien: een prejudiciële beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Hoewel het definitieve antwoord op de prejudiciële vraag nog even op zich laat wachten, biedt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voorzichtig hoop aan verhuurders. In dit artikel bespreken wij de ontwikkelingen en de mogelijkheden voor verhuurders om een oneerlijk beding preventief te schrappen, zodat een verhuurder alsnog een beroep kan doen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Wanneer is een beding oneerlijk? Een beding, waarover niet is onderhandeld en dat geen kernbeding is, is oneerlijk als het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Voor deze beoordeling wordt de positie van de consument vergeleken met een situatie waarin het beding niet zou zijn opgenomen en dus de wet zou gelden. Bij aanzienlijke verslechtering van de positie van de consument wordt het beding als oneerlijk aangemerkt, met vernietiging van het beding als sanctie. Oneerlijk proceskostenbeding Recentelijk heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook een proceskostenbeding, die valt onder de Richtlijn en waarbij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van de huurder komen, oneerlijk is (zie HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820). Zonder een dergelijk proceskostenbeding zou een (overwegend) in het ongelijk gestelde huurder, op basis van de vergelijkbare wettelijke regeling alsnog worden veroordeeld in de proceskosten. Het verschil is dat de hoogte van een ‘normale’ proceskostenveroordeling in de regel aanzienlijk lager zal zijn dan de werkelijke proceskosten van de verhuurder. Dit maakt het proceskostenbeding oneerlijk. De Richtlijn bepaalt dat een oneerlijk beding de consument niet kan binden. Doordat geen beroep kan worden gedaan op het beding, kan er een leemte ontstaan in de overeenkomst. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een verhuurder, na vernietiging van een oneerlijk beding, in beginsel niet terugvallen op vergelijkbare wettelijke bepalingen. In dat kader heeft de Hoge Raad door middel van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gevraagd of dit ook het geval is bij een oneerlijk proceskostenbeding. De vraag is dus of na vernietiging van een proceskostenbeding mag worden teruggevallen op de ‘normale’ wettelijke regeling van een proceskostenveroordeling. Het antwoord op de vraag is nog niet bekend, maar de gevolgen kunnen groot zijn. In een groot deel van de huurovereenkomsten in Nederland is een oneerlijk beding opgenomen over de vergoeding van proceskosten. In de standaard ROZ-bepalingen staat namelijk een vergelijkbare (oneerlijke) bepaling als de bepaling die de Hoge Raad als onredelijk heeft bestempeld. Een relevante vraag is dus wat verhuurders nu kunnen doen om deze negatieve gevolgen te voorkomen. Het schrappen van oneerlijke bedingen In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan mogelijk een oplossing voor de verhuurders worden gelezen. Op 15 juli 2025 heeft zij geoordeeld dat de verhuurder alsnog een beroep op de vergelijkbare wettelijke regeling toekwam, nadat zij preventief oneerlijke bedingen had geschrapt (zie Rb. Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5033). In deze zaak had de woningcorporatie aan de huurder per e-mail aangeboden om preventief oneerlijke bedingen te schrappen uit de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Een reactie van de huurder bleef uit. De rechtbank oordeelde desondanks dat het in deze kwestie redelijk was om terug te vallen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Daardoor kon de verhuurder in dit geval alsnog een beroep doen op de wet. Preventieve schrapping was dus zelfs mogelijk zonder expliciete instemming van de huurder. Onduidelijk is hoe andere rechters zullen oordelen over de handelswijze van het preventief schrappen van oneerlijke bedingen. Vanuit de literatuur klinken kritische geluiden. Terugvallen op de nationale wet zou namelijk niet in lijn zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Van een definitieve doorbraak is vooralsnog dus geen sprake. Heeft u vragen over dit onderwerp, wilt u van gedachten wisselen of heeft u hulp nodig bij het opstellen van algemene voorwaarden? Neem dan contact op met Kirsten Hoogendam of een van de andere Huurrechtspecialisten.
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Nieuwe Warmtewet in aantocht: warmtekavels en publieke warmtebedrijven
Op 3 juli 2025 is de Wet Collectieve Warmte aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wil de overheid gemeenten meer regie geven in de warmtetransitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2026 en is nog alleen afhankelijk van instemming van de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, onder meer voor de vereiste rechtsvorm van warmtebedrijven en de ruimtelijke inrichting van warmte-exploitatie via zogenoemde ‘warmtekavels’. In deze blog wordt kort geschetst wat partijen kunnen verwachten op dit gebied.    Nieuwe eisen aan warmtebedrijven  Onder de huidige Warmtewet gelden geen specifieke eisen voor de rechtsvorm van warmtebedrijven. De nieuwe wet introduceert echter een belangrijke wijziging: warmtebedrijven die binnen een warmtekavel worden aangewezen, moeten voor minimaal 50% in publieke handen zijn. Dit betekent dat deze bedrijven eigendom moeten zijn van publieke rechtspersonen, zoals gemeenten of provincies, of moeten kwalificeren als een zogeheten warmtegemeenschap — een collectief georganiseerd warmtebedrijf met betrokkenheid van eindgebruikers of andere maatschappelijke partijen.  Ook dienen bovengenoemde bedrijven integrale warmtebedrijven te zijn. Dat betekent dat een warmtebedrijf zich bezighoudt met zowel het transport en de levering van warmte, als de productie of inkoop daarvan.  Als gevolg hiervan zijn veel gemeenten al bezig met het opzetten van een (geheel of gedeeltelijk) publiek warmtebedrijf. Dit kan door een gemeente afzonderlijk worden gedaan, maar ook in samenwerking met andere gemeenten in de vorm van een gezamenlijk warmtebedrijf.    Bij het oprichten van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap komt veel kijken. Zo zijn er verschillende manieren om (het publieke meerderheidsaandeel in) deze rechtspersoon vorm te geven. Ook zijn er eisen die de wet stelt met betrekking tot onder meer het takenpakket van een publiek warmtebedrijf, waarop de Autoriteit Consument en Markt toeziet.  Uitzonderingen en overgangsrecht voor warmtebedrijven Het wetsvoorstel voorziet in enkele uitzonderingen op de eis van een publiek warmtebedrijf. Zo kan een gemeente in bepaalde gevallen – gedurende de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de wet – een warmtebedrijf aanwijzen dat géén publiek meerderheidsbelang heeft of géén warmtegemeenschap is. Ook voor verhuurders, VvE’s en kleine warmtesystemen met minder dan 1.500 verbruikers bestaan uitzonderingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een warmtekoudeopslag (Wko) bij een appartementencomplex of een warmtesysteem gekoppeld aan een buurtinitiatief.  Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering voor de transport en levering van warmte ten behoeve van de industrie en glastuinbouw. De regels van de Wcw zijn dus niet van toepassing op deze warmtenetten.  Ook een leverancier die grotendeels levert aan glastuinbouw of industrie en daarnaast aan een aangewezen warmtebedrijf kan onder omstandigheden beroep doen op een uitzondering. Tussen die onderneming en het warmtebedrijf moet dan een overeenkomst worden gesloten, waarin wordt vastgelegd dat de leverancier kan voldoen aan de wettelijke taken uit de Wcw. Het maximumpercentage van de totale warmtelevering dat in dit geval aan een aangewezen warmtebedrijf mag worden geleverd moet nog nader bepaald worden door de regering.  Warmtekavels  Een andere kernvernieuwing in het wetsvoorstel is de introductie van de warmtekavel. Een warmtekavel is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen één warmtebedrijf het exclusieve recht krijgt om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren.  De wijze waarop een gemeente een warmtekavel afbakent, kan verstrekkende gevolgen hebben. Binnen de kavel kan namelijk in beginsel één warmtebedrijf worden aangewezen. Ook verschillen de eisen voor kleine warmtesystemen afhankelijk van de vraag of een gebied binnen of buiten een kavel ligt. Gemeenten dienen bij de afbakening rekening te houden met de ruimtelijke samenhang en mogelijke ontwikkelingen in aangrenzende gemeenten. Voor zowel gemeenten als warmtebedrijven is het daarom van belang dat deze afbakeningskeuzes zorgvuldig en strategisch worden gemaakt.  Contact  Heeft u vragen over het afbakenen van warmtekavels, het oprichten van publieke warmtebedrijven of warmtegemeenschappen, of over de uitzonderingen op de nieuwe regels? Neem dan gerust contact op met een van onze specialisten op het gebied van Energierecht. 
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Duurzaam bouwen vraagt om heldere afspraken en een integrale visie
Onderstaande is op 27 juni 2025 gepubliceerd in de verdiepingsbijlage bij het FD.  Duurzaam bouwen is meer dan een optelsom van goede bedoelingen en innovatieve technieken. Zeker vanuit juridisch perspectief. In die context speelt ook het belang van heldere afspraken en een weloverwogen integrale visie. Dat klinkt logisch, maar de praktijk blijkt soms weerbarstig.  Van papieren ambitie naar harde afspraken Duurzaam en toekomstbestendig bouwen staat bij veel partijen hoog op de agenda, maar ambitie en uitvoering lopen vaak uiteen. ”We zien te vaak dat inschrijvende partijen aanbestedingen winnen door meer te bieden dan de gestelde duurzaamheidseisen, maar dat de aanbestedende diensten vervolgens nalaten die eisen ook daadwerkelijk in het contract vast te leggen”, stelt Niek Hoogwout, partner bouw- en aanbestedingsrecht bij advocatenkantoor La Gro. Door die omissie komt de vooraf geplande meerwaarde – zoals extra WKO-installaties of circulaire oplossingen – vaak niet tot uitvoering als het project loopt.  Volgens Hoogwout is het de rol van de jurist om die kloof te dichten. ”Of het nu gaat om energieprestatie, materiaalgebruik of CO₂-reductie, het juridische uitgangspunt is eenvoudig: leg afspraken vast en zorg vervolgens dat het contractmanagement op orde is”, merkt hij op. “De uitdaging is om de concrete invulling en meetbaarheid van duurzaamheid juridisch te borgen. Dat vraagt om maatwerk en precisie, zeker bij complexe projecten. Maar in de haast of door onwetendheid wordt het vaak vergeten.  Nieuwe wetgeving, nieuwe kansen – en onzekerheden  De komst van de Omgevingswet biedt gemeenten nieuwe mogelijkheden om duurzaamheid juridisch af te dwingen. “Onder de oude wetgeving stond de goede ruimtelijke ordening centraal. Nu gaat het om de fysieke leefomgeving. Dat begrip is veel breder en omvat ook duurzaamheid. Gemeenten kunnen nu door middel van gebodsbepalingen expliciet eisen stellen op het gebied van duurzaamheid in hun omgevingsplan. Dat opent geheel nieuwe mogelijkheden”, vertelt Coline Norde, Partner bestuurs- en omgevingsrecht, La Gro.  Veel overheden benutten deze nieuwe ruimte en instrumenten (nog) niet, zo signaleert Norde in haar werk voor meer dan twintig overheden. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat? Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde.  Stikstof en netcongestie  De stikstofproblematiek is een veelbesproken hindernis in de bouwwereld. Nieuwe rechtspraak maakt dit niet makkelijker. Bij veel bouwprojecten werd gebruikgemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de stikstofdepositie van de bestaande (vergunde) situatie afgetrokken van de stikstofdepositie van de nieuwe situatie. “Door een wijziging in de rechtspraak eind 2024 zijn de mogelijkheden om intern te salderen beperkt. Dat vereist een nadere motivering, de zogenoemde additionaliteitstoets. Dat maakt het verkrijgen van vergunningen voor nieuwe bouwprojecten een stuk moeilijker”, vertelt Norde.  Naast de stikstofproblematiek is ook netcongestie een grote uitdaging voor nieuwe ontwikkelingen. “Bouwers kunnen in de problemen komen met hun opleverdatum als een nieuw pand niet tijdig aangesloten kan worden op het elektriciteitsnetwerk”, aldus Hoogwout. Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat?  Positieve trends  Toch zijn er ook positieve trends zichtbaar, zoals de toenemende waardering van duurzaamheid in de markt. Hoogwout adviseert aan bedrijven die willen investeren in duurzame gebouwen: kijk verder dan de minimale wettelijke vereisten. “Een gebouw met een BREEAM Excellent-score is niet alleen duurzamer, maar ook waardevaster. Op termijn betaalt dat zich altijd terug, terwijl een duurzaam gebouw ook vandaag al meer rendement oplevert: huurders laten bij vestigingskeuze steeds vaker de kwaliteit en de duurzaamheid van het pand meewegen.”  Norde wijst op de opkomende trend van uitnodigingsplanologie, waarbij overheden zich uitnodigend opstellen tegenover ontwikkelaars. “In het verleden werd gebruik gemaakt van toelatingsplanologie met afgebakende kaders over wat op een locatie mag. Uitnodigingsplanologie biedt veel meer vrijheid voor nieuwe initiatieven en innovatie”, legt Norde uit. Met uitnodigingsplanologie is al geëxperimenteerd op de Binckhorst in de gemeente Den Haag en het Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad. Hoogwout en Norde benadrukken dat een integrale visie en oog voor de bestaande omgeving cruciaal zijn om tot het gewenste eindresultaat te komen. “Je ziet dat duurzame investeringen het meeste effect hebben als ze deel uitmaken van een integrale visie – juridisch, stedenbouwkundig en maatschappelijk”, aldus Hoogwout. 
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Annotatie Tijdschrift voor Bouwrecht: eerste uitspraak na het Didam II-arrest
Voor het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR 2025/73), heeft oud-collega Marnix van Hemert een annotatie geschreven bij de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 december 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:256). De uitspraak betreft de eerste uitspraak na het Didam II-arrest in het Caribisch gebied, die ingaat op het spanningsveld tussen maatschappelijk gegroeide rechten en de Didam-regels op Curaçao. In de annotatie toetst Marnix de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten aan de juridische grondslag voor het bieden van mededingingsruimte conform de Didam-regels. Ook gaat Marnix tevens in op de wenselijkheid van Didam-beleid voor overheidslichamen. In de annotatie wordt door Marnix betoogd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de onderhavige kwestie niet naar behoren zijn nageleefd en derhalve niet stroken met de Didam-regels, omdat er in de voorliggende kwestie sprake is van de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van een schaars recht tussen private partijen, zonder tussenkomst van een overheidslichaam, noch van toepassing van de Didam-regels, bij gebreke van specifiek Didam-beleid. De privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten lijkt niet te stroken met de verplichtingen voor overheidslichamen voortvloeiende uit de Didam-arresten. Om die reden, doet Marnix de aanbeveling dat de Caribische landen van het Koninkrijk duidelijke procedurele regels voor gronduitgifte dienen opstellen in lijn met het Didam-arrest. Afsluitend betoogt Marnix de wenselijkheid van zorgvuldig opgesteld Didam-beleid, ter voorkoming van het ad hoc moeten conformeren aan de Didam-regels, alsmede om het gronduitgiftebeleid van overheidslichamen toekomstbestendig te maken. Bij interesse in de annotatie of naar uw mogelijkheden op grond van het Didam-arrest, neem dan vooral vrijblijvend contact op met Niek Hoogwout.