Franchiserecht

Franchiserecht

Bij La Gro staan wij al jarenlang franchisegevers en franchisenemers juridisch bij in de ontwikkeling en groei van hun organisaties. Franchising is een succesvol bedrijfsmodel – als het goed wordt uitgevoerd. Grensoverschrijdend en het stelt ondernemers in staat hun ambities te realiseren. Juridisch bezien bestrijkt het veel rechtsgebieden en raakt het aan veel verschillende sectoren. Een franchiseformule biedt ruimte om samen te groeien, maar roept ook juridische vragen op. Wat staat er precies in de franchiseovereenkomst? Welke informatie is nodig voordat u tekent? En wat kunt u doen als de samenwerking verandert, onder druk komt te staan of eindigt? 

La Gro adviseert zowel franchisegevers als franchisenemers over franchiserecht en de daarmee verbonden rechtsgebieden zoals bijvoorbeeld het huurrecht en het intellectueel eigendomsrecht. We begeleiden cliënten in alle fasen van de franchiserelatie. Wij adviseren en begeleiden franchisegevers en franchisenemers onder meer bij: 

  • Franchiseovereenkomsten: opstellen en beoordelen van franchiseovereenkomsten en bijbehorende afspraken over bijvoorbeeld huur en licenties
  • Onderhandelingen vóór de start: juridische begeleiding bij gesprekken over toetreding tot een formule en de voorwaarden van de samenwerking.
  • Informatie en besluitvorming: beoordelen van de informatie die voorafgaand aan of tijdens de franchiserelatie wordt uitgewisseld en adviseren over de vervolgstappen.
  • Uitvoering van de franchiseovereenkomst: advies over de uitleg en naleving van contractuele afspraken, vergoedingen, ondersteuning en wijzigingen in de samenwerking.
  • Wijziging of ontwikkeling van de formule: begeleiding bij voorstellen om de franchiseformule of de onderlinge afspraken te wijzigen.
  • Overdracht en beëindiging: advies en begeleiding bij overdracht, opzegging, beëindiging en de praktische afwikkeling van de franchiserelatie.
  • Franchisegeschillen: ondersteuning bij onderhandelingen en, als dat nodig is, bij een procedure over de franchiseovereenkomst of de beëindiging daarvan.

Veelgestelde vragen

Een goede franchiseovereenkomst maakt duidelijk wat u van franchisenemers verwacht en wat zij van u mogen verwachten. Denk aan het gebruik van de formule en het merk, vergoedingen, ondersteuning, kwaliteitsbewaking, looptijd, drempelwaardes, non-concurrentie- en relatiebeding, (eenzijdige) wijziging en beëindiging. Zorg dat de overeenkomst aansluit op de praktijk van uw formule en dat de bijbehorende documenten onderling consistent zijn. 

Breng vóór het sluiten van de overeenkomst in kaart welke informatie de kandidaat nodig heeft om de samenwerking te beoordelen. Zorg voor een goed PID (precontractueel informatiedossier). Denk aan de voorgestelde afspraken, financiële uitgangspunten en relevante informatie over de formule. Welke informatie u wanneer moet verstrekken, hangt af van de concrete situatie en de toepasselijke regels. Een zorgvuldig ingericht toetredingsproces helpt misverstanden achteraf te voorkomen. Sterker nog, als u de juiste informatie niet tijdig verstrekt, kan dat tot vernietiging van de franchiseovereenkomst leiden. 

Dat hangt af van de bestaande afspraken waaronder drempelwaardes, de aard van de wijziging en de gevolgen voor uw franchisenemers. Breng eerst in kaart welke ruimte de overeenkomst biedt en welke afstemming of instemming in het concrete geval nodig is. Leg wijzigingen en de communicatie daarover zorgvuldig vast, zeker als ze gevolgen hebben voor investeringen of de bedrijfsvoering van franchisenemers. 

Heldere afspraken over formulehandboeken, merkgebruik, ondersteuning en kwaliteitsnormen geven richting aan de samenwerking. Zorg dat franchisenemers weten welke normen gelden en hoe wijzigingen worden doorgevoerd. Als een franchisenemer daarvan afwijkt, is het belangrijk om de afspraken en de feiten te beoordelen voordat u vervolgstappen zet.

Begin met het vaststellen van wat precies is afgesproken en welke verplichting volgens u niet wordt nagekomen. De overeenkomst, de feiten en de communicatie tussen partijen bepalen welke vervolgstappen passend zijn. La Gro kan uw positie beoordelen en u begeleiden bij overleg, onderhandelingen of een procedure. 

Een conflict met een franchisegever of franchisenemer kan de dagelijkse bedrijfsvoering en de continuïteit van de samenwerking raken. Een tijdige beoordeling van de overeenkomst, de correspondentie en de voorgeschiedenis helpt om uw positie en mogelijke oplossingsrichtingen scherp te krijgen. 

De mogelijkheden hangen onder meer af van de looptijd, de overeengekomen beëindigingsgronden en de omstandigheden. Breng vooraf ook de praktische gevolgen in kaart, zoals het gebruik van het merk, de overdracht van de vestiging en lopende verplichtingen. Een zorgvuldig voorbereid traject kan het risico op een geschil over de beëindiging beperken.

Bekijk welke afspraken gelden over het gebruik van uw merk, vertrouwelijke informatie, klantgegevens en eventuele concurrentie na het einde van de samenwerking. De werking van zulke afspraken hangt af van hun formulering en de toepasselijke regels. Beoordeel daarom tijdig welke bescherming in uw specifieke situatie mogelijk is en hoe de beëindiging praktisch wordt afgewikkeld. 

Een franchisenemer kan juridisch gezien in sommige gevallen ook kwalificeren als agent. Dat is het geval als de franchisegever producten of diensten van de franchisegever doorverkoopt aan eindklanten voor rekening van de franchisegever en daarvoor een provisie ontvangt. In dat geval zijn ook de wettelijke bepalingen van het agentuurrecht van toepassing.  

Referenties

Geschil over ondersteuning en franchisevergoedingen
Bijstaan van een franchisegever bij een geschil met een franchisenemer over de begeleiding vanuit de formule en de betaling van franchisevergoedingen. Wij beoordeelden de wederzijdse contractuele verplichtingen en voerden een civiele procedure om de positie van de franchisegever te beschermen.
Vervroegde beëindiging van een franchiseovereenkomst
Bijstaan van een franchisegever nadat een franchisenemer de samenwerking voortijdig wilde beëindigen en zelfstandig wilde doorgaan. Wij adviseren over de beëindiging van de franchiseovereenkomst en het concurrentiebeding en voerden met succes een procedure om de contractuele afspraken te handhaven. 
Geschil over goodwillvergoeding na beëindiging
Vertegenwoordigen van een franchisegever in de IT- en telecomsector in een procedure tegen franchisenemers. De franchisegevers vorderden een goodwillvergoeding en schadevergoeding na een volgens hen rechtsgeldige beëindiging van hun franchiseovereenkomsten. Onze client betwistte met succes de gestelde tekortkomingen als grondslag voor beëindiging en de onderbouwing van de (forse) vorderingen.
Geldigheid non-concurrentiebeding
Wij stonden de franchisegever bij in een procedure waarin de franchisenemer de geldigheid van het non-concurrentiebeding ter discussie stelde. Volgens de franchisenemer vertegenwoordigde de formule geen rechtens te beschermen know-how en was het non-concurrentiebeding ongeldig. Met succes hebben wij het tegendeel bepleit en bleef het non-concurrentiebeding in stand. 

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst
Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.   De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel. Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).   Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen. Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Nieuwe franchiseovereenkomst, zwaardere bedingen? Franchisegevers zijn in dat geval verplicht franchisenemers tijdig en duidelijk daarover te informeren.
Franchisegevers die hun franchiseovereenkomsten vernieuwen of “updaten”, doen er goed aan scherp te zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) laat zien waarom: wie een franchiseovereenkomst verzwaart zonder franchisenemers daar expliciet en duidelijk over te informeren, loopt het risico dat die bedingen geen stand houden. Wat ging hier mis? In deze zaak had de franchisegever na invoering van de Wet franchise een nieuwe (herziene) franchiseovereenkomst ingevoerd. Daarbij werd het non-concurrentiebeding aanzienlijk verzwaard: het gold niet langer alleen tijdens de looptijd van de overeenkomst, maar ook nog één jaar na beëindiging. Ook het relatiebeding werd aangescherpt. Volgens de franchisegever veranderde er “feitelijk weinig” en waren bestaande regels slechts verplaatst vanuit het franchisehandboek. De rechter ging daar niet in mee. De Voorzieningenrechter was helder: als een nieuwe of hernieuwde franchiseovereenkomst leidt tot een verslechtering van de positie van de franchisenemer, rust op de franchisegever een duidelijke informatieverplichting. Die informatie moet tijdig worden verstrekt, rechtstreeks aan de franchisenemer worden gegeven en zo duidelijk zijn dat de franchisenemer kan overzien wat de gevolgen zijn voor zijn onderneming en zijn exit-vrijheid. Dat overleg in een franchiseraad of een algemene mededeling  dat “er weinig verandert” volstaat, is volgens de rechtbank onvoldoende. Omdat de franchisegever haar informatieplicht niet was nagekomen, oordeelde de rechter in dit kort geding dat de franchisenemers voorshands niet aan het verzwaarde non-concurrentiebeding zijn gebonden. Hetzelfde gold voor het relatiebeding: een dergelijk beding valt volgens de rechtbank ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW. De franchisegever kon bovendien niet uitleggen welke concrete knowhow bescherming vereiste, terwijl dat onder de Wet franchise wel een harde voorwaarde is voor de geldigheid van concurrentie- en nu ook relatiebedingen. In dit kort geding leidde dat ertoe dat het non-concurrentiebeding werd geschorst en ook het relatiebeding voorlopig buiten werking werd gesteld, in afwachting van een bodemprocedure. Waarom is dit relevant voor u? Deze uitspraak maakt duidelijk dat het vernieuwen van franchisecontracten juridisch risicovol kan zijn als dat niet zorgvuldig gebeurt. Voor franchisegevers: ✔ check of een nieuwe overeenkomst de positie van franchisenemers verzwaart; ✔ informeer franchisenemers daar expliciet en aantoonbaar over; ✔ en onderbouw postcontractuele bedingen concreet met beschermenswaardige knowhow. Voor franchisenemers: ✔ laat een “geüpdatete” franchiseovereenkomst altijd toetsen; ✔ verzwaarde non-concurrentie- en relatiebedingen zijn niet vanzelfsprekend geldig; ✔ ontbreekt goede informatie? Dan staat u sterker dan u denkt.  
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Franchisenemer vs. De Pizzabakkers: omzetprognoses bij franchiseovereenkomst
Op 10 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6829) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak tussen een franchisenemer en de Pizzabakkers (franchisegever). De franchisenemer dacht goud in handen te hebben met een pizzafranchise door de omzetprognoses die de franchisegever voor het sluiten van de overeenkomst had verstrekt. De werkelijkheid blijkt niet zo rooskleurig en de franchisenemer dat hij gedwaald heeft bij het sluiten van de overeenkomst en dat de Pizzabakkers onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld vanwege te optimistische prognoses. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling of van onrechtmatig handelen. Achtergrond De franchisenemer had in 2019 een franchiseovereenkomst gesloten met De Pizzabakkers voor de exploitatie van een vestiging in Amsterdam. Vooraf kreeg hij een financieringsmodel met omzetprognoses, een vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning en historische omzetten van de voorganger. Het onderzoek van Bureau Stedelijke Planning bevatte een omzetraming, onderbouwd met een analyse van onder meer de locatie, potentiële klanten en concurrentie. Toch bleven de daadwerkelijke omzetten structureel achter bij de prognoses. In 2023 laat de Pizzabakkers weten dat de franchiseovereenkomst niet zal worden voortgezet vanwege tegenvallende resultaten. De franchisenemer stelt dat de vestigingsplaats “inherent niet rendabel is” en dat de Pizzabakkers dat had moeten weten. Zo zou de vestiging te klein zijn, het terras te groot – waardoor de omzet sterk seizoensgebonden is – en zijn de door de Pizzabakkers in rekening gebrachte kosten te hoog. Op basis daarvan beroept de franchisenemer zich op dwaling en stelt hij dat de Pizzabakkers onrechtmatig heeft gehandeld. De franchisenemer vordert bijna acht ton aan schadevergoeding. Was de locatie inherent onrendabel? De rechtbank gaat niet mee met het betoog van franchisenemer. Dat de geprognotiseerde omzet niet is gehaald, maakt op zichzelf nog niet dat de locatie inherent onrendabel is of dat de prognoses ondeugdelijk waren. De rechter legt veel gewicht op het vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning. Volgens dat bureau was het wél mogelijk om op de locatie een rendabel pizzarestaurant te exploiteren en dat daarbij niet alleen naar de ligging, maar ook naar de omvang van het pand, het terras en de seizoensgebondenheid is gekeken. De kern van het oordeel is dat de franchisenemer geen concrete aanknopingspunten aandraagt om de deugdelijkheid van dit onderzoek en de prognoses in twijfel te trekken. Deze uitspraak bevestigt de strenge lijn uit eerdere jurisprudentie over prognoses binnen franchiseverhoudingen. Zo oordeelde de Hoge Raad in de Paalman/Lampenier en Street One arresten al dat een franchisegever niet verplicht is om prognoses over winstverwachting te verstrekken, maar dat hij wél onrechtmatig kan handelen als hij weet dat een door hem gebruikt rapport ernstige fouten bevat en de franchisenemer daar niet op wijst, of als onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het rapport tot fouten leidt. Tegelijkertijd is duidelijk dat prognoses geen resultaatsgarantie vormen. De wetgever heeft in het kader van de franchisewet bovendien expliciet opgemerkt dat de precontractuele informatieplicht niet zover gaat dat informatie over de locatie een garantie moet bieden op het behalen van een bepaalde omzet of bedrijfsresultaat, juist omdat de omzet van veel meer factoren afhangt dan alleen de locatie. Conclusie Kortom: de drempel voor franchisenemer voor een geslaagd beroep op dwaling of een onrechtmatige daad gebaseerd op de door franchisegever verstrekte prognoses ligt hoog. Er ligt een duidelijke taak voor de franchisenemer in de precontractuele fase: kijk kritisch naar de aangeleverde rapporten en schakel zo nodig een eigen deskundige in om de prognoses vast te stellen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten.
LGGA – Lennart Hoeksema
Lennart Hoeksema
Advocaat
ASICS vs. franchisenemers: franchisegever stond vrij de franchiseovereenkomst niet te verlengen
Op 12 november 2025 wees de Rechtbank Amsterdam vonnis in een zaak tussen ASICS Europe B.V. en haar Franse franchisenemers (ECLI:NL:RBAMS:2025:8525). De rechtbank oordeelde onder andere dat ASICS in dit geval vrij was de overeenkomst níet te verlengen: de overeenkomst eindigde van rechtswege en de niet‑verlenging was niet onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Achtergrond ASICS sloot eind 2018 een franchiseovereenkomst met een aantal Franse partijen voor de vijfjarige exploitatie van vijftien winkels in Frankrijk. De franchiseovereenkomst liep af op 31 december 2023. Op deze overeenkomst was Nederlands recht van toepassing. Al op 12 december 2022, ruim een jaar voor de afloop van de franchiseovereenkomst, voerden partijen een gesprek over de toekomst. Vervolgens stuurde ASICS op 23 december 2023 een brief waarin zij aangaf dat de overeenkomst niet zonder meer voor vijf jaar zou worden verlengd en dat verlenging afhankelijk zou zijn van een nog op te stellen verbeterplan van zeven maanden. Voorwaarden waren onder meer het wegwerken van bepaalde bestaande tekortkomingen van de franchisenemers en het bieden van voldoende financiële zekerheid door de franchisenemers. In de loop van 2023 werd intensief onderhandeld over dit verbeterplan: ASICS deed meerdere voorstellen en verlengde termijnen om tot een oplossing te komen, terwijl de franchisenemers tegenvoorstellen indienden. Uiteindelijk werd echter geen definitief plan overeengekomen dat voor ASICS acceptabel was. Op 30 oktober 2023 mailde ASICS dat de franchisenemers nog steeds niet aan hun materiële verplichtingen voldeden (onder meer ten aanzien van betaling en bankgaranties) en dat het daarom niet passend was het verbeterplan verder aan te passen. Op 31 oktober 2023 stuurde ASICS nog een e-mail aan de franchisenemers waarin zij aangaf dat een definitief besluit over het al dan niet verlengen van de franchiseovereenkomst nog niet was genomen. Uiteindelijk informeerde ASICS de franchisenemers op 20 december 2023 dat zij nog steeds tekortschoten in hun verplichtingen, dat de franchiseovereenkomst niet zou worden verlengd en dat deze (dus) per 31 december 2023 zou eindigen. In deze procedure vorderde ASICS in conventie betaling van openstaande product- en royaltyfacturen, welke betaling uiteindelijk door de rechtbank werd toegewezen. In dit blog zal ik voornamelijk stilstaan bij de vorderingen van de franchisenemers in reconventie. De franchisenemers vorderden in reconventie onder andere een verklaring voor recht dat ASICS de franchiseovereenkomst op ongeldige wijze tegen eind 2023 beëindigde. Moet de franchisegever verlengen? De rechtbank ging uit van het contract: het ging om een franchiseovereenkomst met een vastgelegde duur van vijf jaar, die van rechtswege eindigde op 31 december 2023. Daarnaast stond in het contract dat ASICS kon besluiten om de franchiseovereenkomst niet te verlengen indien de franchisenemers, kort gezegd, niet voldeden aan bepaalde verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. In principe stond ASICS volgens de rechtbank dus vrij om de franchiseovereenkomst niet te verlengen. Ook van enige strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatige daad door het niet-verlengen van de franchiseovereenkomst was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. ASICS had onder andere al tijdens het gesprek tussen partijen in december 2022 en in de daaropvolgende brief de franchisenemers er ook uitdrukkelijk op gewezen dat ASICS de franchiseovereenkomst gelet op de bestaande tekortkomingen niet zou kunnen verlengen. Nadien stelde ASICS steeds duidelijke voorwaarden voor een eventuele verlenging van de franchiseovereenkomst in de vorm van een verbeterplan, maar de franchisenemers gingen hier niet mee akkoord. De rechtbank erkende weliswaar dat de franchisenemers inspanningen verrichtten om de bestaande tekortkomingen te verhelpen en aan de eisen van ASICS te voldoen, maar dat hiermee nog (steeds) niet voldaan werd aan hetgeen ASICS verlangde en mocht verlangen. Dit berichtte ASICS op 30 oktober 2023 ook nog uitdrukkelijk, zo overwoog de rechtbank. Aan het feit dat ASICS op 31 oktober 2023 aan de franchisenemers liet weten dat er nog geen beslissing was genomen om de franchiseovereenkomst niet te verlengen, hadden de franchisenemers volgens de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de franchiseovereenkomst wél zou worden verlengd. Kortom, ASICS was volgens de rechtbank tijdig en duidelijk over het ontbreken van een automatische verlenging. De niet-verlenging van de franchiseovereenkomst achtte de rechtbank niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatig. Overigens stelden de franchisenemers in reconventie dat ASICS op andere vlakken tekort was geschoten in de franchiseovereenkomst. De rechtbank zag dit anders en verwierp alle vorderingen van de franchisenemers op dit vlak (ook). Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang kan zijn om tijdig in overleg te treden over de vraag of een franchiseovereenkomst zal worden verlengd. Dit behoedt beide partijen voor zowel feitelijke als juridische verrassingen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Lennart Hoeksema of één van onze andere specialisten.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Kort geding: Albert Heijn moet instemming franchisenemers vragen voor “Maaltijd Thuis”
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 juli 2025 een belangrijk vonnis gewezen in een kort geding tussen de Vereniging van Albert Heijn-franchisenemers en Albert Heijn Franchising B.V. (AHF). Centraal stonden de rechten van franchisenemers onder de Wet franchise en de toepassing van het instemmingsrecht bij het exploiteren van een afgeleide formule. Maaltijd Thuis is afgeleide formule – instemming verplicht AHF heeft in 2022 het concept Maaltijd Thuis geïntroduceerd: een bezorgservice voor kant-en-klaarmaaltijden onder het merk Albert Heijn. In een eerder vonnis van 8 januari 2025 is al voor recht verklaard dat Maaltijd Thuis moet worden aangemerkt als een afgeleide formule in de zin van artikel 7:911 BW. Daarom moet AHF voorafgaand aan exploitatie de instemming van franchisenemers verkrijgen. Ondanks dat oordeel ging AHF door met exploitatie zonder toestemming, waarop de franchisenemers een kort geding aanspanden. Afstemmingsleer: naleving tussenvonnis verplicht De voorzieningenrechter benadrukt dat een verklaring voor recht bindend is, ook in afwachting van hoger beroep. De zogenoemde afstemmingsleer verplicht de kortgedingrechter om het oordeel van de bodemrechter te volgen, tenzij sprake is van een duidelijke feitelijke of juridische misslag — en daarvan was geen sprake. Verbod en dwangsom Het verbod werd toegewezen. AHF moet de exploitatie van Maaltijd Thuis onder het AH-merk staken totdat instemming is verkregen. Hiervoor krijgt AHF een termijn van vier weken om passende maatregelen te treffen. Bij overtreding geldt een dwangsom van € 25.000 per dag, met een maximum van € 1.000.000. Belang voor de franchisepraktijk Dit vonnis bevestigt opnieuw dat het instemmingsrecht uit de Wet franchise: een preventieve werking heeft niet afhankelijk is van een drempel voor omzetderving (als daarover geen afspraken zijn gemaakt) onverkort geldt, zelfs wanneer een franchisegever van mening is dat de impact gering is Franchisegevers die nieuwe verkoopkanalen of aanvullende formules willen lanceren onder hetzelfde merk, doen er dus goed aan het instemmingsproces tijdig en zorgvuldig te doorlopen. Conclusie Deze uitspraak versterkt de positie van franchisenemers en onderstreept dat franchisegevers — ook tijdens lopende procedures — niet mogen handelen in strijd met eerder vastgestelde franchisebescherming.
Bel: 0172-503 250