Over Arjen

Arjen Doelman is partner en advocaat bij La Gro op het gebied van vastgoedrecht. Arjen houdt zich met name bezig met het adviseren van en het procederen voor aannemers, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties en overheden op het gebied van aan-/verkoop, ontwikkeling en realisatie van vastgoed en vastgoedprojecten.

Hij adviseert zijn cliënten en waar nodig procedeert hij voor hen op het gebied van de totstandkoming en uitleg van vastgoedcontracten, in bouwrechtelijke geschillen en op het gebied van zakelijke rechten, aansprakelijkheidsrecht, eigendomsverkrijging/verlies van onroerende zaken door verjaring en het burenrecht

Arjen heeft daarnaast ruime ervaring met het opstellen van en adviseren over aannemingsovereenkomsten, koopovereenkomsten en overeenkomsten met de overheid. Arjen is actief betrokken bij zijn cliënten, hij denkt met hen mee en hij bepaalt de juiste strategie om het doel van zijn cliënten te bereiken en problemen op te lossen.

Specialisaties

  • Vastgoed

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2011, Universiteit Utrecht (Privaatrecht)
  • 2018, Grotius Academie (Onroerend Goedrecht)
  • Lid van de Ronde Tafel Oude Rijn (RT 84)

Recente dossiers

  • Vastgoed: het adviseren en procederen op het gebied van aankoop/verkoop van vastgoed, ontwikkeling van vastgoedprojecten, totstandkoming en uitleg van vastgoed contracten, verjaring, erfdienstbaarheden, opstalrechten, erfpacht en het burenrecht; 
  • Bouwrecht: het adviseren van en procederen voor aannemers, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties en gemeenten op het gebied van bouwcontracten, meer- en minderwerk, algemene voorwaarden en op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht;
  • Overheid: het adviseren van en procederen voor overheden, woningbouwcorporaties, bouwers en ontwikkelaars bij de totstandkoming van overeenkomsten met de overheid, grondexploitatieovereenkomsten, kostenverhaalsovereenkomsten, ontwikkelingsovereenkomsten, publiek-private samenwerking.
Contactgegevens
mr. H.J. (Arjen) Doelman

Advocaat | Partner 

Vastgoed

Bel Arjen Doelman

Artikelen van Arjen Doelman

Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Van aansluiting tot aanbesteding: recente amendementen van de Wcw
Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde op 3 juli 2025 in met de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Na het zomerreces volgt stemming in de Eerste Kamer. In aanvulling op een voorgaande blog waarin de hoofdlijnen van de Wcw worden geschetst, behandelt dit blog een aantal opvallende amendementen die aan het einde van het wetgevingstraject zijn aangenomen. Aansluitregelingen voor VvE’s Een gemeente krijgt in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) een aanwijsbevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar het transport van aardgas na een redelijke termijn van minimaal 8 jaar kan worden beëindigd. VvE’s krijgen de bevoegdheid om in deze aardgasvrije gebieden namens alle leden een aansluitovereenkomst met een warmtebedrijf te sluiten. Het uitgangspunt is dat VvE’s worden aangesloten op het warmtenet, tenzij een vereniging aangeeft hier van af te zien. VvE’s mogen namelijk ook zelf zorgen voor een alternatieve duurzame warmtevoorziening, zoals individuele warmtepompen. Leden van een VvE moeten een besluit gaan nemen over hun toekomstige warmtevoorziening. Er gaat een bezwaartermijn van 2 maanden gelden waarbinnen (individuele) leden kunnen aangeven niet te willen deelnemen aan de collectieve aansluiting. Uitsluiting van deelname vindt alleen plaats indien dit vanuit technisch en financieel perspectief redelijkerwijs mogelijk is. In beginsel zijn individuele leden dus verplicht om mee te werken. De VvE mag de aansluitkosten op een evenredige manier verhalen op alle aangeslotenen. Met deze ingrijpende regelingen wil de wetgever voorkomen dat een gebouw zonder voorziening voor verwarming en warm tapwater komt te zitten. Vrijstelling voor kleine collectieve warmtesystemen buiten warmtekavels Kleine collectieve warmtesystemen en systemen van VvE’s buiten vastgestelde warmtekavels hoeven geen ontheffing aan te vragen voor het leveren van warmte aan hun huurders/leden. De eerder voorgestelde ontheffingsplicht voor dergelijke systemen vervalt daarmee. De ACM oordeelt over de geschiktheid van warmtebedrijven die gebruik willen maken van de vrijstellingsregeling. Een vrijstelling geldt voor 30 jaar en vereist melding bij het college van burgemeester en wethouders en de ACM. De vrijstelling kan vervallen wanneer een klein collectief warmtesysteem het aantal van 1500 aansluitingen overschrijdt. Aanpassing groepsverbod infrastructuurbedrijven In beginsel mogen de beheerders van energiedistributiesystemen niet ook energie produceren, leveren of verhandelen (ook wel het ‘’groepsverbod’’). Door de Wcw kunnen dergelijke infrastructuurbedrijven door deelname in bepaalde typen warmtebedrijven nu toch onder voorwaarden participeren op de markt voor warmtelevering. Ook staat de Wcw toe dat een infrastructuurbedrijf een warmteservicebedrijf vormt samen met een onderneming die actief is als producent of leverancier op de gas en elektriciteitsmarkt. Dit warmteservicebedrijf mag diensten verrichten voor een aangewezen warmtebedrijf, onder meer in het kader van levering, transport en beheer. Op dit moment is er al een markt voor warmteservicebedrijven. Ter bescherming van de marktwerking worden er voorwaarden gesteld aan de toetreding door infrastructuurbedrijven, waaronder een verbod op verplichte dienstafname bij investeringen en een maximale looptijd voor uitbestedingsovereenkomsten. Verder behouden aangewezen warmtebedrijven de regie over leverings- en aansluitovereenkomsten. Een evaluatie na zeven jaar en aanvullend onderzoek moeten verdere beleidsbijsturing mogelijk maken. Overgangsrecht lopende aanbestedingen Op meerdere locaties in Nederland gaan dit jaar aanbestedingsprocedures voor collectieve warmtevoorzieningen van nieuwbouwprojecten van start. De looptijd van deze procedures doorkruist de inwerkingtreding van de Wcw. Ter voorkoming van kosten en vertraging kunnen warmtebedrijven die betrokken zijn bij reeds gestarte aanbestedingsprocedures op grond van een overgangsregeling onder voorwaarden een warmtebedrijf aangewezen worden in een warmtekavel. Deze overgangsregeling ziet in beginsel alleen op vergevorderde aanbestedingsprocedures; de gunningsbeslissing moet uiterlijk 3 maanden na inwerkingtreding van de Wcw worden genomen, waarna nog 3 maanden resteren voor ondertekening. Contact Heeft u vragen over warmtevoorzieningen, warmtebedrijven of de Wet collectieve warmte?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten. Wij denken graag met u mee!
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Nieuwe Warmtewet in aantocht: warmtekavels en publieke warmtebedrijven
Op 3 juli 2025 is de Wet Collectieve Warmte aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wil de overheid gemeenten meer regie geven in de warmtetransitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2026 en is nog alleen afhankelijk van instemming van de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, onder meer voor de vereiste rechtsvorm van warmtebedrijven en de ruimtelijke inrichting van warmte-exploitatie via zogenoemde ‘warmtekavels’. In deze blog wordt kort geschetst wat partijen kunnen verwachten op dit gebied.    Nieuwe eisen aan warmtebedrijven  Onder de huidige Warmtewet gelden geen specifieke eisen voor de rechtsvorm van warmtebedrijven. De nieuwe wet introduceert echter een belangrijke wijziging: warmtebedrijven die binnen een warmtekavel worden aangewezen, moeten voor minimaal 50% in publieke handen zijn. Dit betekent dat deze bedrijven eigendom moeten zijn van publieke rechtspersonen, zoals gemeenten of provincies, of moeten kwalificeren als een zogeheten warmtegemeenschap — een collectief georganiseerd warmtebedrijf met betrokkenheid van eindgebruikers of andere maatschappelijke partijen.  Ook dienen bovengenoemde bedrijven integrale warmtebedrijven te zijn. Dat betekent dat een warmtebedrijf zich bezighoudt met zowel het transport en de levering van warmte, als de productie of inkoop daarvan.  Als gevolg hiervan zijn veel gemeenten al bezig met het opzetten van een (geheel of gedeeltelijk) publiek warmtebedrijf. Dit kan door een gemeente afzonderlijk worden gedaan, maar ook in samenwerking met andere gemeenten in de vorm van een gezamenlijk warmtebedrijf.    Bij het oprichten van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap komt veel kijken. Zo zijn er verschillende manieren om (het publieke meerderheidsaandeel in) deze rechtspersoon vorm te geven. Ook zijn er eisen die de wet stelt met betrekking tot onder meer het takenpakket van een publiek warmtebedrijf, waarop de Autoriteit Consument en Markt toeziet.  Uitzonderingen en overgangsrecht voor warmtebedrijven Het wetsvoorstel voorziet in enkele uitzonderingen op de eis van een publiek warmtebedrijf. Zo kan een gemeente in bepaalde gevallen – gedurende de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de wet – een warmtebedrijf aanwijzen dat géén publiek meerderheidsbelang heeft of géén warmtegemeenschap is. Ook voor verhuurders, VvE’s en kleine warmtesystemen met minder dan 1.500 verbruikers bestaan uitzonderingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een warmtekoudeopslag (Wko) bij een appartementencomplex of een warmtesysteem gekoppeld aan een buurtinitiatief.  Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering voor de transport en levering van warmte ten behoeve van de industrie en glastuinbouw. De regels van de Wcw zijn dus niet van toepassing op deze warmtenetten.  Ook een leverancier die grotendeels levert aan glastuinbouw of industrie en daarnaast aan een aangewezen warmtebedrijf kan onder omstandigheden beroep doen op een uitzondering. Tussen die onderneming en het warmtebedrijf moet dan een overeenkomst worden gesloten, waarin wordt vastgelegd dat de leverancier kan voldoen aan de wettelijke taken uit de Wcw. Het maximumpercentage van de totale warmtelevering dat in dit geval aan een aangewezen warmtebedrijf mag worden geleverd moet nog nader bepaald worden door de regering.  Warmtekavels  Een andere kernvernieuwing in het wetsvoorstel is de introductie van de warmtekavel. Een warmtekavel is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen één warmtebedrijf het exclusieve recht krijgt om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren.  De wijze waarop een gemeente een warmtekavel afbakent, kan verstrekkende gevolgen hebben. Binnen de kavel kan namelijk in beginsel één warmtebedrijf worden aangewezen. Ook verschillen de eisen voor kleine warmtesystemen afhankelijk van de vraag of een gebied binnen of buiten een kavel ligt. Gemeenten dienen bij de afbakening rekening te houden met de ruimtelijke samenhang en mogelijke ontwikkelingen in aangrenzende gemeenten. Voor zowel gemeenten als warmtebedrijven is het daarom van belang dat deze afbakeningskeuzes zorgvuldig en strategisch worden gemaakt.  Contact  Heeft u vragen over het afbakenen van warmtekavels, het oprichten van publieke warmtebedrijven of warmtegemeenschappen, of over de uitzonderingen op de nieuwe regels? Neem dan gerust contact op met een van onze specialisten op het gebied van Energierecht. 
Hans Turenhout – La Gro 2-min
Hans Turenhout
Advocaat
Raad van State: wijziging rechtspraak over intern salderen
Intern salderen mag niet meer worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend. De mogelijkheden voor het intern salderen worden hierdoor beperkt. Dat zijn de belangrijkste conclusies van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Reden voor de rechtspraakwijziging zijn recente arresten van het HvJ EU – onder meer ECLI:EU:C:2023:477 (Eco-Advocacy) – waarin het Hof heeft verduidelijkt welke aspecten in de voortoets mogen worden betrokken. Rechtbanken hebben daarnaast na 2021 verschillende uitspraken gedaan waarin nuanceringen zijn aangebracht in de rechtspraak over intern salderen. Deze uitspraken zijn niet eensluidend. De Afdeling wijzigt met de uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Maar het heeft ook gevolgen voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 met toepassing van intern salderen zijn gerealiseerd en waarvoor op grond van het oude beoordelingskader geen natuurvergunning nodig was. Wel geeft de Afdeling voor deze gevallen een overgangsregeling tot 1 januari 2030. Intern salderen niet meer in de voortoets Het natuurbeschermingsrecht eist dat eerst wordt onderzocht of de uitbreiding of wijziging van een bedrijf significante gevolgen heeft voor beschermde natuurgebieden (voortoets). Als significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, is een natuurvergunning nodig en moet een passende beoordeling worden gemaakt. Daarin moet worden onderzocht of het bedrijf de beschermde natuur aantast. In de voortoets mocht de vergunde stikstofgevolgen van het oude project worden weggestreept tegen de stikstofgevolgen van het nieuwe project (intern salderen). Dat verandert. Vanaf 18 december 2024 mag in de voortoets alleen nog worden gekeken naar de gevolgen van het project op zichzelf, zónder rekening te houden met de gevolgen van de oude situatie. Intern salderen wel in de passende beoordeling Er mag nog wel intern worden gesaldeerd in de stap die daarna komt: de passende beoordeling. Om te beoordelen hoeveel stikstof mag worden weggestreept, is inzicht nodig in wat op basis van de oude natuurvergunning of milieutoestemming was toegestaan (referentiesituatie). Daarvoor geldt het volgende. Wat er op grond van een natuurvergunning aanwezig is of had mogen zijn, is de referentiesituatie. Soms is er geen natuurvergunning, maar wel een toestemming op grond van milieuregels. Ook daaraan kan een referentiesituatie worden ontleend, maar daarvoor geldt dat dan alleen mag worden uitgegaan van de gevolgen van activiteiten die zijn vergund én feitelijk aanwezig zijn. Structureel onbenutte ruimte in een milieutoestemming maakt geen deel meer uit van de referentiesituatie. Dit betekent dat de mogelijkheden voor intern salderen met een milieutoestemming beperkter zijn dan voorheen. Dit werkt ook door als er extern gesaldeerd wordt met een milieutoestemming van een gestopt bedrijf. Beleid Omdat intern salderen, net als extern salderen, op grond van het nieuwe beoordelingskader veelal zal leiden tot de verplichting om een natuurvergunning aan te vragen, wordt het voor provincies mogelijk om beleid te voeren over de mogelijkheden voor intern salderen. Zij doen dat nu al bij extern salderen, door bijvoorbeeld de omvang van de referentiesituatie te beperken. Wat betekent de uitspraak voor de praktijk? Niet alleen zijn de mogelijkheden voor intern salderen beperkter dan voorheen, er zal ook bijna altijd sprake zijn van een vergunningplicht en er zal dus ook vaker een passende beoordeling moeten worden gemaakt. Dat zal gevolgen hebben voor bedrijven. Ook de mogelijkheden voor extern salderen zullen als gevolg van de wijziging van de rechtspraak naar verwachting beperkter zijn dan voorheen. De voorwaarden voor intern salderen en extern salderen worden nu nagenoeg gelijkgetrokken. De rechtspraakwijziging is direct van toepassing op lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Dat betekent dat overheden het nieuwe beoordelingskader direct moeten toepassen. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak zal in nog lopende rechtszaken het nieuwe beoordelingskader toepassen. Hebt u een vraag over intern salderen of natuurvergunningen? Neem dan contact op met Hans Turenhout, Arjen Doelman, of één van onze andere specialisten van het Team bestuursrecht.  Bron: Raad van State
Arjen Doelman 2 – La Gro
Arjen Doelman
Advocaat
Geen schriftelijkheidsvereiste bij bouwkavels
De meeste overeenkomsten zijn ‘vormvrij’. Ook mondelinge overeenkomsten zijn rechtsgeldig en afdwingbaar. Voor de koop van een woning door een consument geldt wel een schriftelijkheidsvereiste (art. 7:2 lid 1 BW). De Hoge Raad heeft in een prejudiciële procedure beslist dat dit schriftelijkheidsvereiste niet geldt voor de koop van bouwkavel door een consument, ook als deze kavel is gekocht om daarop een woning te bouwen. Een mondelinge overeenkomst over de aankoop van een bouwkavel door een consument is daarom rechtsgeldig (en juridisch gezien afdwingbaar). Schriftelijke overeenstemming als vormvereiste Sinds 2003 geldt de wettelijke eis dat bij de koop van een woning door de consument de overeenstemming op schrift moet worden gesteld. Dit geeft partijen duidelijkheid over het moment waarop (1) overeenstemming is bereikt en (2) wanneer de wettelijke bedenktijd van drie dagen (art. 7:2 lid 2 BW) start. Mondelinge overeenstemming met een consument voor de aankoop van een huis ‘telt’ dus niet en is in beginsel nietig (art. 3:39 BW). Een (professionele) verkoper kan bij mondelinge overeenstemming dan ook niet afdwingen dat de koopovereenkomst wordt nagekomen door de consument. Nietige overeenkomsten bestaan juridisch gezien niet en hebben geen rechtsgevolg. Zowel een particuliere koper als verkoper kunnen bij mondelinge overeenstemming over de (ver)koop van een woning medewerking weigeren aan het opstellen van een overeenkomst waarin de overeenstemming is vastgelegd. De rechter kan de weigerende partij in dat geval ook niet dwingen tot schriftelijke vastlegging. Maar als mondelinge overeenstemming is bereikt tussen een particuliere koper en professionele verkoper, mag de professional zich niet op het ontbreken van een schriftelijk contract beroepen om onder de overeenstemming uit te komen (zie ECLI:NL:HR:2011:BU7412).   Daarnaast geldt ook bij de bouw van een woning in opdracht van de consument een schriftelijkheidsvereiste (art. 7:766 lid en 7:765 BW) met eveneens een wettelijke bedenktijd (art. 7:766 lid 2 BW). Mondelinge overeenstemming bij bouwkavels ook rechtsgeldig Geldt het vereiste van een schriftelijke overeenkomst ook voor de koop van bouwkavels? In verschillende uitspraken van rechtbanken is meermaals geoordeeld dat het wettelijke schriftelijkheidsvereiste een breed toepassingbereik heeft en zich niet beperkt tot enkel de koop van een bestaande woning. Onder meer vanwege de beschermingsfunctie van art. 7:2 BW kwamen verschillende rechtbanken tot het oordeel dat ook de koop van bouwkavels – zonder dat daarop al een woning was gebouwd – schriftelijk moeten worden vastgelegd voordat sprake is van overeenkomst met rechtsgevolg. De rechtbank Overijssel heeft aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of bij bouwkavels ook het schriftelijkheidsvereiste geldt. In deze zaak hadden partijen mondelinge overeenstemming bereikt, maar is na toezending van de conceptovereenkomst door de verkoper aan de koper medegedeeld dat hij toch afziet van de aankoop van de bouwkavel. De verkoper vordert vervolgens € 85.000 aan schade, maar de koper stelt dat hij die niet verschuldigd is, omdat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. De Hoge Raad maakt duidelijk dat de aankoop van een perceel grond zonder woning niet valt aan te merken als de koop van een woning in de zin van art. 7:2 lid 1 BW, zodat het schriftelijkheidsvereiste niet van toepassing is (ECLI:NL:HR:2023:1755). Dit geldt ook als het perceel de publiekrechtelijke bestemmen ‘Wonen’ heeft, het perceel als bouwkavel is verkocht en/of de verkoper weet dat de koper het perceel wil bebouwen met een woning. De Hoge Raad lijkt hiermee de strekking van het schriftelijkheidsvereiste af te bakenen tot de aankoop van bestaande woningen. Bouwkavels waarop nog geen woning staat, ook al is dat publiekrechtelijk wel mogelijk en/of de bedoeling van de koper, maken niet dat het schriftelijkheidsvereiste van toepassing is. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Arjen Doelman of Reinout Oudijk. Of één van onze andere vastgoedspecialisten.
Arjen Doelman 2 – La Gro
Arjen Doelman
Advocaat
De betrouwbaarheid van de openbare registers
Het toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW (vonnis treedt in plaats van een leveringsakte). De Hoge Raad legt uit. Terwijl de coronacrisis momenteel onze volledige aandacht heeft en verdient, heeft de Hoge Raad op 27 maart jl. – contrair aan de conclusie van de advocaat-generaal – een arrest gewezen, dat ook in deze tijd onze aandacht verdient.[1] In het arrest wordt het belang van de betrouwbaarheid van de openbare registers benadrukt en wordt ingegaan op het toepassingsbereik van de sanctie van niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 3:301 lid 2 BW. Vonnis treedt in plaats van een leveringsakte Wanneer u een registergoed, bijvoorbeeld een huis, koopt en de verkoper niet meewerkt aan de levering, dan kunt u op grond van artikel 3:301 lid 1 BW vorderen dat een uitspraak van de rechter in de plaats treedt van de notariële leveringsakte. Hoger beroep inschrijven Indien een dergelijke vordering wordt toegewezen en de verkoper tegen het vonnis hoger beroep instelt, dan moet de verkoper (als appellant) op grond van artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen van het hoger beroep, het hoger beroep inschrijven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rechtsvordering. Wanneer de verkoper dit nalaat, is de sanctie niet mild; de verkoper wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. In het arrest van de Hoge Raad was sprake van een vordering op grond van artikel 3:301 lid 1 BW. Aangezien de verkoper geen medewerking wilde verlenen, vorderde de koper van de woning dat de verkoper werd veroordeeld om medewerking te verlenen aan de levering van de woning. De vordering werd toegewezen en de verkoper werd veroordeeld om binnen 14 dagen na betekenis van het vonnis medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning. Daarnaast werd bepaald dat, indien de verkoper niet zou meewerken, het vonnis in de plaats zou treden van zijn bij akte van levering vereiste wilsverklaring en handtekening. Uiteindelijk is de verkoper bij de notaris verschenen en heeft hij zijn medewerking verleend. De akte werd ingeschreven in de openbare registers, waardoor het vonnis niet in de plaats is getreden van de akte en niet in de openbare registers werd ingeschreven. Ontvankelijkheid verkoper in hoger beroep Nadat de verkoper zijn medewerking had verleend, stelde hij hoger beroep in tegen het vonnis. Echter, de verkoper had het hoger beroep niet ingeschreven in het register. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde verkoper op grond van artikel 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De verkoper stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad besliste anders. De Hoge Raad concludeerde dat de sanctie van artikel 3:301 lid 2 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is. Uitleg: beperkte strekking artikel 3:301 lid 2 BW Bij de verkrijging van registergoederen is rechtszekerheid vereist. Wanneer er een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een uitspraak, is de uitspraak nog niet onherroepelijk en kan de uitspraak worden vernietigd. Volgens de Hoge Raad biedt artikel 3:301 lid 2 BW slechts bescherming tegen het bijzondere risico dat ontstaat indien een voor vernietiging vatbare uitspraak in plaats van de notariële akte wordt ingeschreven in de openbare registers. Artikel 3:301 lid 2 BW heeft derhalve een beperkte strekking. Aangezien in het onderhavige geval het vonnis niet in de plaats is getreden van de leveringsakte, concludeerde de Hoge Raad dat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is geweest. Gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid, is er volgens de Hoge Raad geen grond om het toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW uit te breiden tot gevallen die niet door de wettekst worden bestreken, of waarin de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. Conclusie Kortom, in dit arrest wordt het beperkte toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW toegelicht en komt goed tot uitdrukking hoeveel waarde er wordt gehecht aan de betrouwbaarheid van de openbare registers. De appellant kon om die reden niet niet-ontvankelijk worden verklaard. [1] Hoge Raad, 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538 Contact Voor vragen kunt u contact opnemen met een van onze specialisten. Zij staan u graag te woord.
Arjen Doelman 2 – La Gro
Arjen Doelman
Advocaat
VvE-recht: verbodsbepaling verhuur in Huishoudelijk Reglement is nietig
In overeenstemming met het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 9 mei 2019 beslist ook de kantonrechter dat een principiële beperking van het gebruiksrecht van een appartementsrecht in het Huishoudelijk Reglement nietig is. In het arrest van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch was sprake van een algeheel verbod op het houden van honden en katten in privégedeelten van het appartement. In ons geval betrof het een verbod om het appartement te mogen verhuren. Regels van Orde In het splitsingsreglement kunnen regels met betrekking tot het gebruik, beheer en onderhoud worden opgenomen. Indien het splitsingsreglement daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid opent, kunnen daarnaast regels in het Huishoudelijk Reglement worden opgenomen. Echter, ook indien het splitsingsreglement deze mogelijkheid biedt, is niet elke regeling van gebruik van privégedeelten toegestaan. Het Huishoudelijk Reglement biedt met betrekking tot het feitelijk gebruik van privégedeelten slechts ruimte voor regels van orde. Hierbij moet worden gedacht aan regels met betrekking tot de normale huishouding binnen een appartementencomplex, zoals regels over het ophangen van de was. Splitsingsakte versus Huishoudelijk Reglement In het Huishoudelijk Reglement was de volgende zinsnede opgenomen: “Overigens is commerciële exploitatie (in de vorm van zakelijke verhuur, verkamering, shortstay, AirBnB of anderszins) niet toegestaan.” Wat in het onderhavige geval opvallend was, was dat bovenstaand verbod in het Huishoudelijk Reglement was opgenomen, terwijl uit de splitsingsakte volgt dat verhuur – na voorafgaande toestemming – is geoorloofd. Behalve dat de splitsingsakte geen mogelijkheid bood om een dergelijke bepaling op te nemen, is de verbodsbepaling om te mogen verhuren ook niet te kwalificeren als een ‘regel van orde’. De kantonrechter besliste in overeenstemming met ons betoog dat de passage in het Huishoudelijk Reglement als een beperking, in de zin van een algeheel verbod tot commerciële exploitatie, van de gebruiksmogelijkheid van het appartementsrecht dient te worden opgevat. De kantonrechter verklaarde dat de bepaling nietig is en verleende aan cliënt de vervangende machtiging om te mogen verhuren. Hoe nu verder? Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen over uw Huishoudelijk Reglement of wilt u weten wat uw mogelijkheden zijn? Wij denken graag met u mee! Neem contact op met een van onze  vastgoedspecialisten.