23 december 2024

Raad van State: wijziging rechtspraak over intern salderen

23 december 2024

Intern salderen mag niet meer worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend. De mogelijkheden voor het intern salderen worden hierdoor beperkt. Dat zijn de belangrijkste conclusies van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923).

Reden voor de rechtspraakwijziging zijn recente arresten van het HvJ EU – onder meer ECLI:EU:C:2023:477 (Eco-Advocacy) – waarin het Hof heeft verduidelijkt welke aspecten in de voortoets mogen worden betrokken. Rechtbanken hebben daarnaast na 2021 verschillende uitspraken gedaan waarin nuanceringen zijn aangebracht in de rechtspraak over intern salderen. Deze uitspraken zijn niet eensluidend. De Afdeling wijzigt met de uitspraak haar eerdere rechtspraak uit 2021. Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft gevolgen voor alle lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Maar het heeft ook gevolgen voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 met toepassing van intern salderen zijn gerealiseerd en waarvoor op grond van het oude beoordelingskader geen natuurvergunning nodig was. Wel geeft de Afdeling voor deze gevallen een overgangsregeling tot 1 januari 2030.

Intern salderen niet meer in de voortoets

Het natuurbeschermingsrecht eist dat eerst wordt onderzocht of de uitbreiding of wijziging van een bedrijf significante gevolgen heeft voor beschermde natuurgebieden (voortoets). Als significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, is een natuurvergunning nodig en moet een passende beoordeling worden gemaakt. Daarin moet worden onderzocht of het bedrijf de beschermde natuur aantast. In de voortoets mocht de vergunde stikstofgevolgen van het oude project worden weggestreept tegen de stikstofgevolgen van het nieuwe project (intern salderen). Dat verandert. Vanaf 18 december 2024 mag in de voortoets alleen nog worden gekeken naar de gevolgen van het project op zichzelf, zónder rekening te houden met de gevolgen van de oude situatie.

Intern salderen wel in de passende beoordeling

Er mag nog wel intern worden gesaldeerd in de stap die daarna komt: de passende beoordeling. Om te beoordelen hoeveel stikstof mag worden weggestreept, is inzicht nodig in wat op basis van de oude natuurvergunning of milieutoestemming was toegestaan (referentiesituatie). Daarvoor geldt het volgende. Wat er op grond van een natuurvergunning aanwezig is of had mogen zijn, is de referentiesituatie. Soms is er geen natuurvergunning, maar wel een toestemming op grond van milieuregels. Ook daaraan kan een referentiesituatie worden ontleend, maar daarvoor geldt dat dan alleen mag worden uitgegaan van de gevolgen van activiteiten die zijn vergund én feitelijk aanwezig zijn. Structureel onbenutte ruimte in een milieutoestemming maakt geen deel meer uit van de referentiesituatie. Dit betekent dat de mogelijkheden voor intern salderen met een milieutoestemming beperkter zijn dan voorheen. Dit werkt ook door als er extern gesaldeerd wordt met een milieutoestemming van een gestopt bedrijf.

Beleid

Omdat intern salderen, net als extern salderen, op grond van het nieuwe beoordelingskader veelal zal leiden tot de verplichting om een natuurvergunning aan te vragen, wordt het voor provincies mogelijk om beleid te voeren over de mogelijkheden voor intern salderen. Zij doen dat nu al bij extern salderen, door bijvoorbeeld de omvang van de referentiesituatie te beperken.

Wat betekent de uitspraak voor de praktijk?

Niet alleen zijn de mogelijkheden voor intern salderen beperkter dan voorheen, er zal ook bijna altijd sprake zijn van een vergunningplicht en er zal dus ook vaker een passende beoordeling moeten worden gemaakt. Dat zal gevolgen hebben voor bedrijven. Ook de mogelijkheden voor extern salderen zullen als gevolg van de wijziging van de rechtspraak naar verwachting beperkter zijn dan voorheen. De voorwaarden voor intern salderen en extern salderen worden nu nagenoeg gelijkgetrokken. De rechtspraakwijziging is direct van toepassing op lopende en toekomstige vergunningsprocedures. Dat betekent dat overheden het nieuwe beoordelingskader direct moeten toepassen. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak zal in nog lopende rechtszaken het nieuwe beoordelingskader toepassen.

Hebt u een vraag over intern salderen of natuurvergunningen? Neem dan contact op met Hans Turenhout, Arjen Doelman, of één van onze andere specialisten van het Team bestuursrecht. 

Bron: Raad van State

Auteur
mr. J.J. (Hans) Turenhout

Advocaat & Of Counsel

Auteur
mr. H.J. (Arjen) Doelman

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Last onder dwangsom ter handhaving van de Wet openbare manifestaties niet mogelijk
In twee uitspraken van 30 september 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld dat de burgemeester van Haarlem niet bevoegd was om ter handhaving van artikel 8 van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan demonstranten op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen. Volgens de Afdeling kent de Wom – kort gezegd – een uitputtend stelsel van regels en bevoegdheden rondom manifestaties en maakt de bestuursdwangbevoegdheid hiervan geen onderdeel uit. Achtergrond Op 1 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in een Albert Heijn in Haarlem. Op 17 oktober 2022 heeft een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsgevonden in het provinciehuis, eveneens in Haarlem. Omdat de demonstranten geen gehoor hebben gegeven aan het verzoek van de manager van de Albert Heijn en de locatiemanager van het provinciehuis, heeft de burgemeester van Haarlem aan de demonstranten een last onder dwangsom opgelegd op grond van de algemene herstelsanctiebevoegdheid uit artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De last hield kort gezegd in dat de betogers een demonstratie op een niet-openbare plaats direct moeten beëindigen als de burgemeester daartoe de opdracht geeft op grond van artikel 8 van de Wom. Bij niet-naleving verbeuren de betogers een dwangsom van € 1.000,00. De burgemeester is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. In hoger beroep voert de burgemeester aan dat hij bevoegd was om de lasten onder dwangsom op te leggen op grond van de artikelen 5:4 en 5:32 van de Awb en artikel 125 van de Gemeentewet. Als burgemeester is hij belast met de bescherming van de openbare orde en mag hij daarom op grond van artikel 125 herstelsancties opleggen om naleving van de Wom te verzekeren. Het is volgens de burgemeester niet vereist dat zijn herstelsanctiebevoegdheid ook in een andere, specifieke wet is vermeld.   Oordeel Afdeling De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval een beperking van het betogingsrecht is. Volgens de burgemeester is dit niet het geval, omdat de last onder dwangsom slechts zou dienen ter handhaving van de opdracht die hij in de toekomst aan betogers op niet-openbare plaatsen kan geven om uiteen te gaan. De Afdeling gaat daar niet in mee en oordeelt dat betogers door de preventieve last onder dwangsom minder snel geneigd zullen zijn om van hun betogingsrecht gebruik te maken. Zij voegt hieraan toe dat het aannemelijk is dat deze last daarom een zogeheten ‘chilling effect’ heeft. In zoverre is hun betogingsrecht dan ook beperkt. De Afdeling oordeelt vervolgens dat de burgemeester niet bevoegd is om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van artikel 8 van de Wom. Hiertoe overweegt de Afdeling dat beperking van het betogingsrecht enkel mogelijk is als dit gebeurt ter bescherming van de in artikel 9, tweede lid, van de Grondwet genoemde doelcriteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en/of ter voorkoming van wanordelijkheden. Daarnaast kent de Wom een uitputtend systeem van verschillende bepalingen waarin de burgemeester een bevoegdheid is toebedeeld om beperkingen te stellen aan het betogingsrecht, als hij motiveert dat dit noodzakelijk is ter bescherming van de hiervoor genoemde doelcriteria. Nu artikel 125 van de Gemeentewet de doelcriteria uit artikel 9, tweede lid, van de Grondwet niet noemt en de Wom daarnaast geen artikel bevat waarin een bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd, is de burgemeester volgens de Afdeling niet bevoegd om op grond van artikel 125 van de Gemeentewet beperkingen te stellen aan het betogingsrecht. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat een last onder dwangsom niet kan worden opgelegd voor een toekomstige overtreding die op dat moment nog geen overtreding is. Lessen voor de praktijk Demonstreren is een grondrecht. De Wom kent een uitputtend stelsel voor het stellen van beperkingen aan een demonstratie. Als een burgemeester beperkingen wil stellen aan een demonstratie, dan dient dat te worden gedaan binnen het instrumentarium dat de Wom biedt. Meer weten over de Wom of over (on)mogelijkheden om demonstraties te beperken? Neem dan contact op met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.    
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerder aanvragen van netcapaciteit: staat jouw project op tijd op de lijst?
De afgelopen weken heeft een groot aantal gemeenten een beleidsregel “Eerder aanvragen” vastgesteld. Via deze beleidsregel geven gemeenten invulling aan hun bevoegdheid om al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw of onderwijshuisvesting aan te vragen. Komt jouw woningbouw- of onderwijsproject vóór 1 oktober a.s. niet op een zogenoemde volgordelijst, dan sluit je achteraan in de rij voor een aansluiting op het elektriciteitsnet.   Eind april 2026 publiceerde ik al een blog en zelfs een video over de beëindiging van het automatisch reserveren van capaciteit op het elektriciteitsnet voor kleinverbruikers. Indertijd was duidelijk dat vanaf 1 oktober a.s. gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) de mogelijkheid zouden krijgen al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw   aan te vragen.  Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze stond nog niet vast en zou worden uitgewerkt.    De afgelopen weken heeft een groot aantal gemeenten een beleidsregel “Eerder aanvragen” vastgesteld. Onder andere Den Haag, Zoetermeer, Delft, Rijswijk en Rotterdam. Iedere beleidsregel kent zijn eigen nuances, maar alle beleidsregels werken naar dezelfde deadline toe. Het college van burgemeester en wethouders moet vóór 1 oktober a.s. een bestuursverklaring indienen bij de systeembeheerder (voorheen netbeheerder), al dan niet aan de hand van een volgordelijst. Staat jouw project niet op de volgordelijst, dan kan de gemeente weliswaar in de periode daarna nog prioriteit aanvragen, maar kom je volgens het huidige juridisch kader na alle projecten op de volgordelijst.  De komende dagen staat in een groot aantal gemeenten de mogelijkheid open om bij de systeembeheerder een verzoek in te dienen tot plaatsing van een project op een zogenoemde volgordelijst. Komt jouw project onverhoopt niet op de (voorlopige) lijst dan staat slechts een kort geding, al dan niet in combinatie met in sommige gemeenten een soort klachtprocedure open. Wil je dit voorkomen, check dan nu direct of jouw gemeente een beleidsregel heeft vastgesteld.   Juridisch kader  De artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabellen 3 en 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026 voorzien in de mogelijkheid voor gemeenten om vroegtijdig prioriteit aan te vragen voor o.a. woningbouwprojecten en onderwijshuisvesting bij de systeembeheerder. Het verzoeken om prioriteit bij de toekenning van transportcapaciteit aan de systeembeheerder door de gemeente kwalificeert niet als een aanvraag aan een bestuursorgaan om een besluit te nemen maar als een privaatrechtelijke rechtshandeling.   Gemeenten moeten bij het aanvragen van prioriteit bij de toekenning van transportcapaciteit een volgorde bepalen van woningbouwprojecten en onderwijslocaties en stellen hiervoor in de praktijk vaak volgordelijsten op. Het opstellen van die lijsten is niet in de Systeemcode voorgeschreven en berust ook overigens niet op een publiekrechtelijke grondslag. Het is een middel van gemeenten om hun aanvraag bij de systeembeheerder transparant, objectief en non-discriminatoir tot stand te laten komen. De beleidsregels stellen de rangschikkingscriteria vast, beschrijven de aanvraagprocedure en borgen de gelijke behandeling van gemeentelijke en andere projecten.  Op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet is het college bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Het college kan conform artikel 4:81 lid 1 en artikel 1:3, lid 3 Awb beleidsregels vaststellen omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van haar bevoegdheid ook als dat een privaatrechtelijke bevoegdheid is.  Komt een project niet op de volgordelijst dan staat voor een teleurgestelde projectontwikkelaar slechts een kortgedingprocedure open, al dan niet in combinatie met in sommige gemeenten een of andere vorm van een klachtprocedure. Contact  Heeft u vragen over de beleidsregel ‘Eerder aanvragen’, de gemeentelijke volgordelijst of de rechtsbescherming wanneer een project niet wordt opgenomen? Neem contact op met Marije van der Hoek of Michelle de Rijke. 
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen. Waar ging de zaak over? De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving. Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver. De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren. Wat is het oordeel van de rechtbank? Uitsluiting terecht Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver. De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure. Belang voor de praktijk Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk. Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Centrale Woo-voorziening geparkeerd: wat betekent dit voor de actieve openbaarmakingsplicht?
Veel gemeenten zijn bezig met (de voorbereiding op de uitbreiding van) de verplichting om informatie actief openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). De centrale digitale voorziening waarop die informatie vindbaar moest worden gemaakt, werkt nog niet naar behoren. Dat leidde tot een patstelling. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koningkrijksrelaties (BZK) heeft daar op advies van het Aviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding (ACOI) nu een oplossing voor gepresenteerd. Deze oplossing is opgenomen in een kamerbrief van 3 juni jl. en in het daarop volgende commissiedebat van 11 juni 2026 verduidelijkt. Het komt erop neer dat publiceren op het eigen platform mag… voorlopig althans. In dit blog bespreken wij de oplossing en geven wij een aantal aandachtspunten mee. Hoe zat het ook al weer? De Woo verplicht bestuursorganen om 17 categorieën informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 Woo). Denk aan organisatie- en beleidsinformatie, vergaderstukken en bereikbaarheidsgegevens. Tegelijkertijd moesten bestuursorganen die informatie vindbaar maken via één centrale digitale infrastructuur: de generieke Woo-voorziening (artikel 3.3b Woo). Om bestuursorganen de tijd te geven hun informatiehuishouding op orde te brengen, is de openbaarmakingsverplichting gefaseerd ingevoerd in meerdere tranches. De eerste fase/tranche — vijf informatiecategorieën — trad in werking op 1 november 2024. De inwerkingtreding van de volgende fases/tranches is daarna herhaaldelijk uitgesteld. De generieke Woo-voorziening werkt nog niet naar behoren en is nog niet geschikt voor grootschalige aansluiting. Omdat de publicatieplicht en de vindbaarheidsverplichting via de centrale voorziening onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld waren, lag de verdere uitrol van de openbaarmakingsverplichting daardoor feitelijk stil. Wat verandert er? De staatssecretaris heeft mede op advies van het ACOI een pragmatische koerswijziging doorgevoerd. De verplichting om gepubliceerde informatie vindbaar te maken via de generieke Woo-voorziening wordt tijdelijk losgelaten. Dit is een bewuste keuze: artikel 3.3b Woo wordt voorlopig niet uitgevoerd, zodat de bredere openbaarmakingsverplichting wél van de grond kan komen. Wat geldt er straks wél? Bestuursorganen publiceren de verplichte informatiecategorieën op hun eigen platform. Dat platform moet de informatie vindbaar maken. De staatssecretaris streeft ernaar deze verplichting in de tweede helft van 2027 in werking te laten treden. En de generieke Woo-voorziening? Die verdwijnt niet. De centrale voorziening wordt in de tussentijd verder doorontwikkeld. Bestuursorganen die dat willen, kunnen al vrijwillig hun informatie via de generieke Woo-voorziening vindbaar maken — dit is met name een optie voor organisaties die geen eigen publicatieplatform hebben. Het commissiedebat van 11 juni 2026 maakte duidelijk dat de bedoeling is dat informatie die al op het eigen platform staat, later alsnog ook op de generieke Woo-voorziening wordt gepubliceerd, zodra die voorziening volledig functioneel is. Aandachtspunten Wij adviseren om de planning voor 2027 in de gaten te houden. De verwachte inwerkingtreding in de tweede helft van 2027 nadert. Begin tijdig met de voorbereiding op de uitbreiding naar meer informatiecategorieën en wacht niet tot de exacte datum bekend is. Verder is van belang dat Woo later dit jaar wordt geëvalueerd. Daarbij zal ook artikel 3.3b worden betrokken. De uitkomsten van die evaluatie kunnen gevolgen hebben voor de permanente invulling van de vindbaarheidsverplichting. Wij blijven deze ontwikkeling volgen en zullen u daarover informeren. Vragen Heeft u vragen over de gevolgen van het vindbaar maken op eigen platformen, actief openbaar maken of andere Woo-gerelateerde vragen, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of andere leden van het team Overheid.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.