Over Arnout

Arnout is gespecialiseerd in het mededingingsrecht en heeft ruime ervaring in alle marktsectoren van het nationale en Europese mededingingsrecht. Arnout geeft in nauwe samenwerking met Pieter van den Oord leiding aan team Mededingingsrecht van La Gro. Zijn advies- en procespraktijk spitst zich toe op staatssteun, kartels, machtsposities en fusiemeldingen bij de Europese Commissie, de Autoriteit Consument & Markt en de Nederlandse Zorgautoriteit. Hij is ook gespecialiseerd in FDI-regelgeving (Foreign Direct Investment).

Arnout heeft daarnaast veel expertise in complexe massa-claim (WAMCA) procedures en civielrechtelijke handhaving zowel binnen als buiten het mededingingsrecht. Deze expertise zal hij binnen La Gro verder uitbouwen. Ook is Arnout hoofd van het ESG-team van La Gro. Ten slotte is Arnout nauw betrokken bij de Asia Desk.

Specialisaties

  • Mededingingsrecht
  • FDI-regelgeving (Foreign Direct Investment)
  • Massa-claim (WAMCA) procedures
  • Staatssteun
  • ESG

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2020, Grotius specialisatie opleiding, mededingingsrecht (cum laude)
  • 2011, Universiteit Utrecht, Master European Law (cum laude)
  • lid van de Vereniging voor Mededingingsrecht (“VvM”)
  • lid van de International Association of Young Lawyers (“AIJA”).

Recente dossiers

  • Een FDI-melding (inclusief het eerste verzoek om ontheffing van de meldingsplicht) bij het Bureau Toetsing Investeringen met betrekking tot een onderneming actief op het gebied van dual use goederen.
  • Het adviseren en het begeleiden van een brancheorganisatie bij het aanmelden van duurzaamheidsafspraken bij de Autoriteit Consument & Markt.

Publicaties

  • 2025: ‘MTB/Heineken-arrest: moederaansprakelijkheid in het mededingingsrecht toegepast bij het bepalen van de bevoegdheid civiele rechter’, in: Aflevering 3 2025, Markt & Mededinging
  • 2024: ‘Heureka-arrest: meer duidelijkheid over de verjaring van kartelschadevorderingen onder het oude recht’, in: Aflevering 4 2024, Markt & Mededinging
  • 2023: ‘De Sumal-criteria toegepast bij bevoegdheidsvragen’, in: Aflevering 6 2023, Markt & Mededinging
  • 2022: ‘Leidraad Duurzaamheidsafspraken: een stap in de goede richting? In: Aflevering 1-2 2022, Nederlands Tijdschrift voor Europees Recht.
Contactgegevens
mr. A. A. (Arnout) Koeman

Advocaat | Counsel

Mededinging & EU

Bel Arnout Koeman

Artikelen van Arnout Koeman

la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Bencis arrest: Investeringsmaatschappij kan kartelboete niet op portfolio-onderneming verhalen
Op 10 april 2026 wees de Hoge Raad een arrest dat van belang is voor investeringsmaatschappijen en conglomeraten die verschillende dochtermaatschappijen hebben. De centrale vraag luidde of een moedermaatschappij die door de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) is beboet wegens een kartelinbreuk van haar dochter, de betaalde boete op die dochter kan verhalen. Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk, maar bevat een nuance die voor de praktijk van belang is. De zaak Investeringsmaatschappij Bencis hield tussen 2004 en 2011 indirect aandelen in Meneba, een Nederlandse meelfabrikant. Meneba bleek in de periode 2001 tot en met 2007 te hebben deelgenomen aan een kartel van meelfabrikanten, in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorganger van de ACM) legde Meneba in 2010 daarom een boete op van 9 miljoen euro. Op 17 juli 2014 besloot de ACM Bencis ook te beboeten. Deze boete volgde nadat Bencis in 2011 haar aandelen in Meneba had verkocht. Aan deze boete lag ten grondslag dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van Meneba, waardoor zij in mededingingsrechtelijke zin één onderneming met haar dochteronderneming Meneba vormde. De boete voor Bencis bedroeg ruim 1,27 miljoen euro. Hoewel Bencis de boete aanvocht, bleef deze zowel bij de bestuursrechter als bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in stand. Bencis vond het onrechtvaardig dat zij een boete moest betalen voor het gedrag van haar voormalige dochteronderneming en stapte naar de civiele rechter. Zij vorderde van Dossche (de partij die Meneba in 2018 had overgenomen) vergoeding van de aan haar opgelegde boete. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hierop ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad eveneens verworpen. Hierna lichten wij dat toe. Het oordeel van de Hoge Raad De Hoge Raad stelde voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover Bencis haar vordering baseerde op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer ook onrechtmatig is jegens de moedermaatschappij. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat de dochter de moeder bewust heeft misleid of haar onkundig heeft gehouden van de inbreuk. Nu Bencis er niet in slaagde dergelijke bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, strandde de vordering uit onrechtmatige daad. Het standpunt van Bencis dat Meneba ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van haar, omdat Meneba een lagere boete had betaald dan het geval zou zijn geweest indien uitsluitend zij was beboet, heeft de Hoge Raad niet inhoudelijk beoordeeld. Het gerechtshof had echter al geoordeeld dat geen sprake was van een ongerechtvaardigde verrijking, welk oordeel in cassatie in stand is gebleven. Conclusie en belang voor de praktijk Dit arrest kan vergaande gevolgen hebben voor investeringsmaatschappijen en andere conglomeraten. Wanneer een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op een dochter, loopt zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor mededingingsovertredingen van die dochter, ook wanneer zij hiervan geen kennis had. Zoals dit arrest benadrukt, is het achteraf verhalen van een opgelegde boete op de dochter daarbij slechts mogelijk als de moedermaatschappij bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door misleiding of het bewust achterhouden van informatie. De les is helder. Investeringsmaatschappijen en conglomeraten doen er goed aan te investeren in voortdurende compliance binnen hun portfolio-ondernemingen. Het uitvoeren van een due diligence onderzoek voorafgaand aan een overname, of het jaarlijks navragen of er wetsovertredingen zijn gepleegd, is op zichzelf onvoldoende om boeteaansprakelijkheid te voorkomen of de boete te verhalen op een dochter. Organisaties die hier nog onvoldoende op inzetten, hebben er baat bij om hun medewerkers en bestuurders gerichte trainingen en opleidingen op het gebied van mededingingsrecht aan te bieden. Een goed ingericht compliance programma vermindert niet alleen het risico op kartelinbreuken, maar versterkt ook de positie van de organisatie in eventuele handhavingsprocedures. Heeft u interesse in compliance trainingen of vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, Noa van den Brink of één van onze andere specialisten op het gebied van mededingingsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe richtsnoeren voor de Foreign Subsidies Regulation
Op vrijdag 9 januari 2026 publiceerde de Europese Commissie de richtsnoeren die horen bij de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). In deze richtsnoeren verduidelijkt de Europese Commissie diverse begrippen uit de FSR en licht zij de toepassing van de FSR toe. Deze publicatie markeert een nieuwe stap in het transparant maken van het beoordelingsproces bij de FSR.   Foreign Subsidies Regulation – hoe zat het ook alweer? Op 12 juli 2023 is de FSR van toepassing geworden. De FSR maakt het voor de Europese Commissie mogelijk om verstoringen veroorzaakt door buitenlandse subsidies aan te pakken. Dit met het doel een level-playing-field te creëren tussen alle (EU én niet EU) onderneming die actief zijn binnen de EU. In een notendop bevat de FSR drie procedures: Een meldingsplicht voor transacties waarbij subsidies gegeven door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de doelwitvennootschap, één van de fuserende partijen of de gemeenschappelijke onderneming een EU omzet heeft van minimaal EUR 500 miljoen en deze ondernemingen in totaal meer dan EUR 50 miljoen aan subsidies uit derde landen hebben ontvangen in de drie jaar voorafgaand aan de sluiting van de koopovereenkomst; Een meldingsplicht bij aanbestedingen waarbij subsidies door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de geschatte contractswaarde minimaal EUR 250 miljoen bedraagt en de inschrijver in de drie jaar voor de melding meer dan EUR 4 miljoen aan subsidies uit derde landen heeft ontvangen; en Een ex-officio procedure door de Europese Commissie, waarbij de Europese Commissie op eigen initiatief een onderzoek start. Sinds inwerkingtreding is de Europese Commissie enkele onderzoeken gestart en heeft het slechts zeer beperkt onderzoeken afgerond én besluiten gepubliceerd. Deze richtsnoeren, die de Europese Commissie volgens de FSR moest opstellen, komen daarmee ook als geroepen. Zij geven (buitenlandse) partijen meer rechtszekerheid over hun juridische positie onder de FSR.     Op welke punten geven de FSR richtsnoeren meer duidelijkheid? De uitgebreide richtsnoeren (48 pagina’s) geven toelichting op veel onderdelen van de FSR. Een paar punten om uit te lichten zijn de volgende: De beoordeling van marktverstoringen door subsidies uit derde landen. De richtsnoeren verduidelijken dat wanneer de Europese Commissie heeft geconcludeerd dat een onderneming voordeel heeft gehad van een buitenlandse subsidie, de Europese Commissie in twee stappen vaststelt of er sprake is van een marktverstoring. Ten eerste onderzoekt de Commissie of de buitenlandse subsidie de positie van de onderneming op de EU markt versterkt. Ten tweede onderzoek de Europese Commissie de impact van de subsidie op de concurrentie op de markt. De Europese Commissie analyseert hierbij of de subsidie verantwoordelijk is voor een verandering van het gedrag van de onderneming en de markt dynamiek ten nadele van andere marktpartijen. Beoordeling bij aanbestedingen. De Europese Commissie heeft ook meer toelichting gegeven op de wijze waarop zij marktverstoringen door subsidies zal beoordelen bij aanbestedingen. Hierbij zal de Europese Commissie eerst onderzoeken of de onderneming de inschrijving heeft aangepast als gevolg van de subsidie. Indien dit het geval is, zal de Europese Commissie beoordelen of de inschrijving ten onrechte voordelig is door deze met andere vergelijkbare inschrijvingen te vergelijken en inschrijving te beoordelen door de voorwaarden te vergelijken met de eigen ramingen van de aanbestedende dienst. De afwegingstoets. De afwegingstoets kan door de Europese Commissie per subsidie worden toegepast en houdt rekening met de specifieke omstandigheden van het geval. De richtsnoeren geven toelichting over het afwegen van positieve effecten van een subsidie ten opzichte van negatieve effecten van een subsidie. Hierbij zal de Europese Commissie alleen de positieve effecten meenemen die specifiek horen bij de subsidie. Ook zal de toets de ernst van de marktverstoring en de positieve effecten zonder de marktverstoring meenemen. Een ex-officio onderzoek. De Europese Commissie heeft in de richtsnoeren meer duidelijkheid gegeven over wanneer zij een onderzoek op eigen initiatief start. Hierbij geven de richtsnoeren zogenaamde safe harbour drempels: voor aanbestedingsprocedures met een lage waarde, subsidies onder de EUR 4 miljoen en subsidies gericht op bijzondere omstandigheden (zoals natuurrampen) zal de Europese Commissie geen onderzoek starten. Wat betekent dit voor uw onderneming? Met de publicatie van deze FSR richtsnoeren, zet de Europese Commissie de volgende stap in de ontwikkeling van de FSR. Deze richtsnoeren geven ondernemingen en aanbestedende diensten meer duidelijkheid over hoe de Europese Commissie meldingen beoordeelt. Belangrijk is ook dat de Europese Commissie safe harbour drempels introduceert waardoor ondernemingen en aanbestedende diensten vaker zeker weten dat de Europese Commissie geen onderzoek gaat beginnen. Hiermee wordt de rechtszekerheid vergroot. Heeft u vragen over de FSR of de hiervoor besproken richtsnoeren? Neem dan contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere FSR en aanbestedingsrecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Collectieve actie tegen Apple in Nederland: hoe de ‘virtuele ruimte’ van de App Store de bevoegde rechter bepaalt
Op dinsdag 2 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) uitspraak gedaan in de zaak van Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Store Claims tegen Apple. In deze zaak stellen de eisers dat Apple haar machtspositie heeft misbruikt door een commissie van 30% in te houden op aankopen die via de App Store plaatsvinden. Volgens de stichtingen hebben gebruikers hierdoor schade geleden. De stichtingen spanden onder de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (“WAMCA”) een zaak aan bij de Rechtbank Amsterdam namens alle benadeelde gebruikers van de Nederlandse App Store. Deze zaak riep echter een belangrijke vraag op: is de Rechtbank Amsterdam wel bevoegd om zich over een dergelijk geschil te buigen, gezien het feit dat de getroffen gebruikers verspreid zijn over Amsterdam en de rest van Nederland? Achtergrond Op basis van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 is een rechter bevoegd kennis te nemen van een geschil wanneer het schadeveroorzakende feit zich binnen zijn jurisdictie heeft voorgedaan of wanneer de schade daar is ingetreden. De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat zij internationaal bevoegd was om het geschil tussen de stichtingen en Apple te behandelen. De rechtbank stelde vast dat de misbruikhandelingen van Apple op Nederlands grondgebied plaatsvonden, omdat de App Store specifiek voor de Nederlandse markt is ingericht en in het Nederlands wordt aangeboden. Bovendien trad de schade in Nederland op: de verhoogde prijzen werden daar betaald door gebruikers met een Nederlandse bankrekening. De rechtbank twijfelde echter aan haar territoriale bevoegdheid en stelde daarom prejudiciële vragen aan het HvJEU. In Nederland bevinden zich immers elf arrondissementen waarbinnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn. Bij een strikte toepassing van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 kunnen gebruikers die schade in Nederland lijden door het handelen van Apple uitsluitend een vordering indienen bij de rechtbank in het arrondissement waar hun schade is ingetreden (i.e. vaak waar zij wonen). Een dergelijke strikte benadering zou betekenen dat de stichtingen hun collectieve vorderingen bij elf verschillende Nederlandse rechtbanken moeten indienen. De uitspraak Het HvJEU stelde dat de NL App Store en bepaalde apps die daar worden aangeboden specifiek zijn ontworpen voor de Nederlandse markt. Daarnaast is de voertaal van de NL App Store Nederlands. Hierdoor vormt de NL App Store een ‘virtuele ruimte’ die gelijkgesteld kan worden aan het gehele grondgebied van Nederland. De schade die voortvloeide uit aankopen in deze virtuele ruimte trad dan ook op in het gehele grondgebied van Nederland, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de aankoop bevonden. Elke Nederlandse rechtbank die op grond van artikel 7 lid 2 van Verordening 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, is daarmee dus tevens territoriaal bevoegd om voor alle gebruikers het gehele geschil te beoordelen. Een dergelijke centralisatie van rechtsmacht bij één rechter sluit aan bij de doelstellingen van Verordening 1215/2012, namelijk het verbeteren van de toegang tot de rechter en het voorkomen van parallelle procedures over hetzelfde geschil. Implicaties van het Apple-arrest voor collectieve vorderingen Deze uitspraak vergemakkelijkt de toegang tot de rechter voor exclusieve belangenbehartigers die namens grote groepen personen optreden. Wanneer een representatieve organisatie een collectieve actie start namens een voldoende omschreven groep die aankopen heeft gedaan in een ‘virtuele ruimte’, heeft elke rechtbank in het land waar die ruimte wordt aangeboden rechtsmacht over de gehele collectieve vordering. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman of één van onze WAMCA-specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Registratieplicht de-minimissteun per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 wijzigt het administratieve regime voor verlenen van reguliere de-minimissteun en de-minimissteun voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB). De kern: de administratieve verplichting verschuift grotendeels van de begunstigde naar de steunverlener. Overheden moeten reguliere en DAEB de-minimissteun vanaf 1 januari 2026 zelf registreren in een centraal register en vooraf controleren of het relevante de-minimisplafond niet wordt overschreden. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem waarin wordt gewerkt met een de-minimisverklaring die wordt opgevraagd bij de steunbegunstigde. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Wij zetten het voor u uiteen in onderstaande blog. Wat is staatssteun? Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is de-minimissteun. De-minimissteun De de-minimisverordeningen staan toe dat overheden beperkte steunbedragen toekennen zonder meldingsplicht bij de Commissie. Deze bedragen worden te laag geacht om de interne markt te kunnen beïnvloeden. Er zijn vier typen de-minimissteun, met elk een eigen plafond. Elke onderneming mag maximaal dit plafondbedrag aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. De plafonds gelden per onderneming en per lidstaat. Een Nederlandse B.V. kan dus in totaal – van alle Nederlandse overheden samen – maximaal het relevante plafond aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. Administratieve verplichting: oud vs. nieuw De drempelbedragen voor reguliere en DAEB de-minimissteun zijn per 1 januari 2024 verhoogd. Met deze verhoging is ook het administratieve regime gemoderniseerd. Deze modernisering vergt een actievere houding van de steunverlener ten opzichte van het huidige systeem en treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Huidige systeem Op grond van het huidige systeem kan de-minimissteun worden verleend nadat 1) de begunstigde door de steunverlener schriftelijk of elektronisch in kennis is gesteld van het steunbedrag en van het de-minimiskarakter ervan, waarbij rechtstreeks naar toepasselijke de-minimisverordening wordt verwezen, en 2) de begunstigde een verklaring heeft ingediend over alle de-minimissteun die deze begunstigde gedurende een periode van drie jaar heeft ontvangen. Kortom, een vrij laagdrempelige administratieve verplichting waar geen termijnen aan zijn gekoppeld. Systeem per 1 januari 2026 Per 1 januari 2026 zal informatie over verleende (DAEB en reguliere) de-minimissteun geregistreerd moeten worden in een centraal register (het eAidregister). De informatie dient uiterlijk binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun geregistreerd te worden, en moet minimaal tot 10 jaar na steunverlening in het register zijn opgeslagen. Overheden mogen pas nieuwe de-minimissteun verlenen nadat in het register is gecontroleerd of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. De volgende gegevens dienen geregistreerd te worden: Identificatie van de begunstigde; Het steunbedrag; De toekenningsdatum; De steunverlenende autoriteit; Het steuninstrument; en De betrokken sector op basis van de NACE-classificatie. Gedurende drie jaar na invoering van het register blijft – naast registratie – de “oude” administratieve verplichting gelden. Overheden zullen gedurende die periode naast de registratie tevens de begunstigde schriftelijk of elektronisch in kennis moeten stellen van het steunbedrag en het de-minimiskarakter met verwijzing naar de verordening, alsook een de-minimisverklaring moeten opvragen. Reguliere en DAEB de-minimissteun die vóór 1 januari 2026 is toegekend, valt onder de “oude” administratieve verplichting en hoeft dus niet geregistreerd te worden. Voor de-minimissteun voor de visserij- en aquacultuursector is nog geen registratieplicht aangekondigd. De-minimissteun voor de landbouwsector wordt aan bovenstaande registratieplicht onderworpen per 1 januari 2027. Praktische impact voor overheden Vanaf 1 januari 2026 zijn overheden belast met de registratieplicht voor reguliere en DAEB de-minimissteun. Overheden zullen binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun, de steunverlening alsook de nodige gegevens daaromtrent, in het eAidregister moeten registreren. Ook moet voorafgaand aan de verlening van nieuwe de-minimissteun in het register geverifieerd worden of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. Gedurende drie jaar na invoering van het register, zal ook de huidige administratieve verplichting nog blijven gelden, oftewel zal de steunverlener naast registratie ook een de-minimisverklaring moeten opvragen en de begunstigde in kennis moeten stellen van het steunbedrag en de-minimiskarakter onder verwijzing naar de toepasselijke verordening. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.