12 augustus 2024

Digital Markets Act - Wat betekent dit voor u?

12 augustus 2024

Op 2 mei 2023 is de Digital Markets Act (DMA)[1] in werking getreden. Deze Europese verordening heeft tot doel de mededinging op de digitale markt eerlijk en goed functionerend te houden door regels te stellen voor zogenaamde ‘’Poortwachters’’. Poortwachters zijn grote digitale platforms die zogenaamde kernplatformdiensten aanbieden, zoals online zoekmachines of app stores, welke aanzienlijke macht op de markt bezitten. Om te voorkomen dat de poortwachters concurrenten dwarszitten met hun marktmacht, worden zij in de DMA aan verplichtingen en verboden gebonden.

De DMA is onderdeel van het wetgevingspakket van de EU inzake digitale diensten en raakt aan verschillende mededingings- en privacyaspecten. Samen met de Digital Services Act (DSA) is het eerste ontwerp aangekondigd in 2021. De DMA moet samen met de DSA, AVG en de AI Act bijdragen aan eerlijke(re) mededinging op de digitale markten.

In deze blog zetten wij voor u uiteen welke regels gelden voor de poortwachters, en hoe (kleinere) marktpartijen de DMA kunnen inzetten om oneerlijke concurrentie door poortwachters op digitale markten tegen te gaan.

Wie zijn poortwachters?

Poortwachters in de zin van de DMA zijn ondernemingen die kernplatformdiensten aanbieden en aan drie criteria voldoen:

  1. De onderneming heeft een omvang die van invloed is op de interne markt.
  2. De onderneming heeft controle over een belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers naar eindgebruikers.
  3. De onderneming heeft een bestendige en duurzame positie.

De DMA schrijft tevens een lijst met kernplatformdiensten voor, waaronder onlinetussenhandelsdiensten, onlinezoekmachines, onlinesocialenetwerkdiensten en webbrowsers. Wordt aan bovenstaande criteria voldaan, dan kan de Europese Commissie de onderneming formeel aanwijzen als poortwachter, en dient de onderneming de verplichtingen uit de DMA na te leven.

Momenteel zijn er door de Europese Commissie zeven ondernemingen met in totaal 24 diensten aangewezen als poortwachters in de zin van de DMA. Het betreft Alphabet (onder andere Google Search, YouTube), Amazon, Apple (onder andere Appstore), Booking (Booking.com), ByteDance (TikTok), Meta (onder andere Facebook, Whatsapp) en Microsoft (onder andere Windows, LinkedIn)[2].

Verplichtingen en verboden voor poortwachters

De DMA bevat een uitgebreide lijst met praktijken van poortwachters die als oneerlijk worden gezien, en schrijft diverse verplichtingen aan de poortwachters voor. Poortwachters zijn verplicht om binnen zes maanden na het aanwijzingsbesluit aan deze verplichtingen te voldoen. Voor de initiële zes poortwachters is de zes maanden termijn op 6 maart 2024 verstreken. Booking is later als poortwachter aangewezen, en heeft nog tot 13 november 2024 om DMA-compliant te worden.

Een aantal voorbeelden van verplichtingen voor poortwachters zijn:

  • Het in staat stellen van derde partijen om in bepaalde specifieke situaties met de eigen diensten van de poortwachter samen te werken;
  • Zakelijke gebruikers toegang verschaffen tot gegevens op het kennisplatform die deze gebruikers zelf genereren;
  • Adverteerders en uitgevers die hun platform gebruiken, de nodige tools en informatie geven om advertenties zelf op het platform van de poortwachter te analyseren;
  • Zakelijke gebruikers in staat stellen hun aanbod op het platform te promoten en buiten het platform contracten met klanten te sluiten.

Voorbeelden van gedragingen waar poortwachters zich van dienen te onthouden zijn:

  • Eigen diensten en producten op het platform hoger plaatsen of gunstiger behandelen dan vergelijkbare producten of diensten van derde partijen;
  • Consumenten verbieden om buiten het platform om contact te leggen met bedrijven;
  • Gebruikers verhinderen om automatische geïnstalleerde software of apps te verwijderen;
  • Eindgebruikers buiten de kernplatformdienst van de poortwachters volgen met het oog op gerichte reclame, zonder dat effectieve toestemming is verleend.

Verwerking van persoonsgegevens

De DMA heeft tevens invloed op de wijze van verwerking van persoonsgegevens door poortwachters. De DMA omvat een aantal verplichtingen voor poortwachters die gericht zijn op het beschermen van de privacy van gebruikers. Deze verplichtingen zien erop toe dat poortwachters hun (dominante) positie niet misbruiken door gegevens van gebruikers verzameld in verschillende diensten te combineren voor commerciële doeleinden. Het betreft de volgende verplichtingen

  • De poortwachter mag geen persoonsgegevens van eindgebruikers verwerken die gebruikmaken van diensten van derden via kernplatformdiensten met als doel online advertentiediensten aan te bieden;
  • Persoonsgegevens van de kernplatformdienst mogen niet worden gecombineerd met persoonsgegevens van andere kernplatformdiensten, andere diensten van de poortwachter, of diensten van derden;
  • Persoonsgegevens van de kernplatformdienst mogen niet worden gebruikt in andere afzonderlijke diensten van de poortwachter, inclusief andere kernplatformdiensten, en vice versa;
  • Eindgebruikers mogen niet automatisch worden aangemeld bij andere diensten van de poortwachter met het doel persoonsgegevens te combineren.

Onderzoeken van de Europese Commissie

De Europese Commissie is bevoegd een onderzoek in te stellen naar de naleving van de DMA door poortwachters. Zij heeft inmiddels meerdere van dergelijke onderzoeken ingesteld. Bijvoorbeeld Apple is onderwerp van drie verschillende niet-nalevingsonderzoeken. In het kader van één van deze onderzoeken heeft de Europese Commissie op 24 juni 2024 voorlopige bevindingen gepubliceerd, waarin zij stelt dat de stuurregels van Apple gebruikt in de Apple App Store strijdig zijn met de DMA. Apple hanteert in de App Store momenteel drie typen zakelijke voorwaarden op grond waarvan het app-ontwikkelaars niet vrij staat om hun klanten vrij door te sturen naar alternatieve en/of goedkopere distributiekanalen. Ontwikkelaars kunnen bijvoorbeeld geen prijsinformatie verstrekken binnen de app of op een andere manier communiceren met hun klanten om aanbiedingen te promoten die beschikbaar zijn op alternatieve distributiekanalen. Dit vormt naar het voorlopige standpunt van de Europese Commissie een overtreding van de DMA. Apple heeft nu de mogelijkheid om zich te verweren, alvorens de Commissie definitief zal besluiten met betrekking tot eventuele niet-naleving en potentiële sancties.[3]

Niet-naleving van de DMA

Indien uit het onderzoek van de Europese Commissie volgt dat een poortwachter zich niet aan de regels uit de DMA houdt, kan de Europese Commissie daar straffen aan verbinden. De Europese Commissie kan geldboetes opleggen aan het platform, welke maximaal 10% van de totale wereldwijde jaaromzet van de onderneming bedragen of tot 20% in geval van herhaalde inbreuken. Ook kan de Europese Commissie besluiten een dwangsom op te leggen in de vorm van een periodieke financiële sanctie tot 5% van de gemiddelde dagelijkse omzet. Tot slot, kunnen bij systematische overtredingen van de DMA ook extra maatregelen worden opgelegd, welke zo ver kunnen gaan als een bevel tot verandering van gedraging of structuur van het betreffende platform.

Handhaving

In principe wordt naleving van de DMA gehandhaafd door de Europese Commissie. Wel bestaan er voor marktpartijen die last ondervinden van gedragingen van poortwachters verschillende tools aan de hand waarvan zij handhaving en/of naleving kunnen initiëren of stimuleren. Dit kan allereerst door te klagen bij nationale mededingingsautoriteiten, zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in Nederland. Deze mededingingsautoriteiten zijn aangewezen als nationale toezichthouders en beschikken over bevoegdheden om onderzoek te starten naar aanwijzing van ondernemingen als poortwachter, of naar gedragingen van reeds aangewezen poortwachters. Daarnaast kunnen concurrenten of andere benadeelden ook rechtstreeks naar de rechter stappen om naleving van de DMA af te dwingen, dan wel schadevergoeding te vorderen nadat schending van de DMA is vastgesteld. Dit kan onder andere in massaschadeclaims.

Problemen ten aanzien van poortwachters?

Ondervindt u belemmeringen door de dominante positie van poortwachters? Worden uw belangen als concurrent en/of consument geschaad door hun acties?  Wij denken graag met u mee over mogelijkheden om oneerlijke praktijken van poortwachters tegen te gaan, en eventuele schade vergoed te krijgen.

Meer weten over dit onderwerp? Neem contact op met Monika Beck, Jiahui Plomp of één van onze andere specialisten.

[1] Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265/1).

[2] Voor een actueel overzicht van aangewezen gatekeepers wordt verwezen naar de website van de Europese Commissie ‘’Gatekeepers’’ [https://digital-markets-act.ec.europa.eu/gatekeepers_en].

[3] Lees meer op Europese Commissie, Persbericht: Commissie stuurt Apple haar voorlopige bevindingen en opent aanvullend onderzoek wegens niet-naleving van de digitalemarktenverordening door Apple, 24 juni 2024 [https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_24_3433].

Bel: 0172-503 250

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Handreiking DAEB Vrijstellingsbesluit: hulp bij toepassing in de praktijk
Eerder schreef ik over de herziening van het DAEB Vrijstellingsbesluit door de Europese Commissie op 16 december 2025. De herziene versie van deze staatssteunuitzondering is op 8 januari 2026 in werking getreden. Inmiddels heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een handreiking gepubliceerd waarin wordt uitgelegd wat de nieuwe staatssteunregels concreet betekenen voor sociale en betaalbare huisvesting (hierna: “de DAEB-Handreiking”). De DAEB-Handreiking is vooral bedoeld voor gemeenten en provincies, maar ook nuttig voor bijvoorbeeld woningcorporaties en ontwikkelaars. Staatssteun en de DAEB vrijstelling in het kort Van staatssteun is sprake wanneer een overheid met staatsmiddelen een selectief, niet-marktconform voordeel verschaft aan een onderneming dat de mededinging en het interstatelijk handelsverkeer kan beïnvloeden. Dergelijke steun moet in beginsel worden gemeld bij de Europese Commissie, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is zo’n uitzondering: overheden mogen ondernemingen belast met de uitvoering van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) compenseren zonder voorafgaande melding, mits aan voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is het uitwerken van de het staatssteuninstrument in een DAEB aanwijzingsbesluit. Met het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit (EU 2025/2630) is de vrijstelling verruimd. Deze verruiming betreft onder andere een verhoging van het compensatieplafond naar € 20 miljoen per jaar, ruimere controle op overcompensatie en een aanvullende bijlage met betrekking tot woningbouw op grond waarvan naast sociale woningbouw ook betaalbare huisvesting als DAEB kan kwalificeren. Meer informatie over de wijzigingen die met de herziening zijn ingevoerd lees je in mijn eerdere blog: link. Wat legt de DAEB-Handreiking uit? De DAEB-Handreiking van BZK vertaalt de Europese wijzigingen van het DAEB Vrijstellingsbesluit naar de Nederlandse praktijk en biedt concrete aanknopingspunten voor gemeenten, provincies en corporaties. De DAEB-Handreiking gaat onder andere in op de volgende onderwerpen: Twee DAEB-categorieën: Naast de sociale huisvesting-DAEB is er nu een betaalbare huisvesting-DAEB voor middenhuur en betaalbare koop. In de DAEB-Handreiking wordt uitgelegd hoe deze categorieën conform de Nederlandse wetgeving (c.q. in de Wet versterking regio op de volkshuisvesting op basis van inkomensgrenzen) worden gedefinieerd en welke voorwaarden gelden bij steunverlening voor sociale en/of betaalbare huisvesting. Ook wordt toegelicht dat voor steun voor betaalbare huisvesting een gelijk speelveld in acht genomen moet worden, en ondernemingen onder gelijke voorwaarden voor de staatssteun in aanmerking moeten komen. Dit kan bijvoorbeeld via een selectieprocedure. Verruimd toepassingsgebied: de DAEB Vrijstelling voor huisvesting is niet enkel beperkt tot woningbouw maar omvat ook onder meer nieuwbouw, grondaankoop, renovatie, verduurzaming en beheerskosten. Ruimere controle op overcompensatie: de controletermijn gaat van drie naar vijf jaar, en organisaties met vrijwel uitsluitend DAEB-activiteiten zijn vrijgesteld van periodieke controle achteraf. Nieuwe transparantieregels: vanaf 1 januari 2028 moet steun boven € 1 miljoen binnen 20 werkdagen in een centraal register worden opgenomen. Instandhoudingstermijn: het DAEB Vrijstellingsbesluit vereist in beginsel dat de DAEB voor 20 jaar na subsidiëring in stand wordt gehouden, tenzij hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Wet versterking regie op de volkshuisvesting stelt voor sociale huurwoningen een verdergaande termijn van 25 jaar, hier dient tevens rekening mee gehouden te worden bij realisatie van sociale huisvesting op grond van het DAEB Vrijstellingsbesluit. Voorbeelden van staatssteuninstrumenten: het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit schrijft geen specifieke staatssteuninstrumenten voor. Overheden zijn vrij is het type instrument dat zij toepassen voor steunverlening. De DAEB-Handreiking geeft vier voorbeelden van steuninstrumenten op grond waarvan DAEB-steun verleend kan worden, te weten de objectsubsidie, een garantie op een lening, een leenfaciliteit al dan niet uit een revolverend fonds en korting op de grondprijs. Tot slot bevat de DAEB-Handreiking een voorbeeld van een aanwijzingsbesluit van de fictieve gemeente Nergenshuizen. Dat voorbeeld laat zien hoe een DAEB-aanwijzing voor sociale huur, middenhuur en gecombineerde woonvormen voor senioren en studenten kan worden vormgegeven, inclusief bepalingen over compensatie, controle en instandhoudingstermijn Contact Heeft u vragen over de toepassing van het DAEB Vrijstellingsbesluit of andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Bencis arrest: Investeringsmaatschappij kan kartelboete niet op portfolio-onderneming verhalen
Op 10 april 2026 wees de Hoge Raad een arrest dat van belang is voor investeringsmaatschappijen en conglomeraten die verschillende dochtermaatschappijen hebben. De centrale vraag luidde of een moedermaatschappij die door de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) is beboet wegens een kartelinbreuk van haar dochter, de betaalde boete op die dochter kan verhalen. Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk, maar bevat een nuance die voor de praktijk van belang is. De zaak Investeringsmaatschappij Bencis hield tussen 2004 en 2011 indirect aandelen in Meneba, een Nederlandse meelfabrikant. Meneba bleek in de periode 2001 tot en met 2007 te hebben deelgenomen aan een kartel van meelfabrikanten, in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorganger van de ACM) legde Meneba in 2010 daarom een boete op van 9 miljoen euro. Op 17 juli 2014 besloot de ACM Bencis ook te beboeten. Deze boete volgde nadat Bencis in 2011 haar aandelen in Meneba had verkocht. Aan deze boete lag ten grondslag dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van Meneba, waardoor zij in mededingingsrechtelijke zin één onderneming met haar dochteronderneming Meneba vormde. De boete voor Bencis bedroeg ruim 1,27 miljoen euro. Hoewel Bencis de boete aanvocht, bleef deze zowel bij de bestuursrechter als bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in stand. Bencis vond het onrechtvaardig dat zij een boete moest betalen voor het gedrag van haar voormalige dochteronderneming en stapte naar de civiele rechter. Zij vorderde van Dossche (de partij die Meneba in 2018 had overgenomen) vergoeding van de aan haar opgelegde boete. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hierop ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad eveneens verworpen. Hierna lichten wij dat toe. Het oordeel van de Hoge Raad De Hoge Raad stelde voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover Bencis haar vordering baseerde op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer ook onrechtmatig is jegens de moedermaatschappij. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat de dochter de moeder bewust heeft misleid of haar onkundig heeft gehouden van de inbreuk. Nu Bencis er niet in slaagde dergelijke bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, strandde de vordering uit onrechtmatige daad. Het standpunt van Bencis dat Meneba ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van haar, omdat Meneba een lagere boete had betaald dan het geval zou zijn geweest indien uitsluitend zij was beboet, heeft de Hoge Raad niet inhoudelijk beoordeeld. Het gerechtshof had echter al geoordeeld dat geen sprake was van een ongerechtvaardigde verrijking, welk oordeel in cassatie in stand is gebleven. Conclusie en belang voor de praktijk Dit arrest kan vergaande gevolgen hebben voor investeringsmaatschappijen en andere conglomeraten. Wanneer een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op een dochter, loopt zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor mededingingsovertredingen van die dochter, ook wanneer zij hiervan geen kennis had. Zoals dit arrest benadrukt, is het achteraf verhalen van een opgelegde boete op de dochter daarbij slechts mogelijk als de moedermaatschappij bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door misleiding of het bewust achterhouden van informatie. De les is helder. Investeringsmaatschappijen en conglomeraten doen er goed aan te investeren in voortdurende compliance binnen hun portfolio-ondernemingen. Het uitvoeren van een due diligence onderzoek voorafgaand aan een overname, of het jaarlijks navragen of er wetsovertredingen zijn gepleegd, is op zichzelf onvoldoende om boeteaansprakelijkheid te voorkomen of de boete te verhalen op een dochter. Organisaties die hier nog onvoldoende op inzetten, hebben er baat bij om hun medewerkers en bestuurders gerichte trainingen en opleidingen op het gebied van mededingingsrecht aan te bieden. Een goed ingericht compliance programma vermindert niet alleen het risico op kartelinbreuken, maar versterkt ook de positie van de organisatie in eventuele handhavingsprocedures. Heeft u interesse in compliance trainingen of vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, Noa van den Brink of één van onze andere specialisten op het gebied van mededingingsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Stroom van data: samenloop tussen de Energiewet en de AVG
Met de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangen. Binnen de Energiewet is een is een belangrijke rol weggelegd voor de beschikbaarheid van accurate gegevens, bijvoorbeeld ten aanzien van verbruik en invoeding. Verschillende marktpartijen die een rol hebben bij het creëren en het verzamelen van gegevens worden verplicht tot het beheren van een register, dat vervolgens op een centrale manier wordt ontsloten. Nadrukkelijk wordt ook rekening gehouden met de AVG; de Energiewet stelt eisen aan de omgang met energiedata, onder meer op het gebied van privacy en kwaliteit van de gegevens. Dit blog gaat in op het kader voor gegevensverwerkingen zoals vastgelegd in de Energiewet. Data‑uitwisseling als pijler van de Energiewet De Energiewet reguleert gegevensuitwisseling in hoofdstuk 4 en maakt onderscheid in de volgende processen: Functioneren van een energiesysteem (factureren, transporteren, overstappen etc.); Inzage in eigen gegevens; Uitwisseling op verzoek van de datarechthebbende; Uitwisseling op basis van een wet of Europese verordening.[1] Gegevens binnen de reikwijdte van de Energiewet worden ondergebracht in een beperkt aantal registers, die worden beheerd door aangewezen registerbeheerders. Dit zijn de systeembeheerders van een energiesysteem of de meetverantwoordelijke partij. Het register bevat de gegevens die de registerbeheerder zelf verzamelt en de in artikel 4.8. Energiewet opgenomen categorieën van gegevens die andere marktpartijen (zoals een leverancier, actieve afnemer en een balanceringsverantwoordelijke) verzamelen en vervolgens aanleveren. De specifieke gegevens die binnen de opgenomen categorieën vallen, worden bij ministeriële regeling nader bepaalt. Een centrale Gegevensuitwisselingsentiteit (het Normo) draagt zorg voor de toegang en ontsluiting van de energiedata in de verschillende registers.[2]  Gegevensverwerkingen op basis van de Energiewet Met de Energiewet en bijbehorende regelgeving wordt nagestreefd dat de beginselen van de AVG en de bijbehorende rechten gelijkelijk worden toegepast op alle gegevens binnen het stelsel van de Energiewet.[3] Het algemene uitgangspunt is dat de partij die de gegevens verzamelt en aanlevert ook de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van deze gegevens (correct, tijdig, volledig).[4] De wet borgt bovendien inzagemogelijkheden, zodat consumenten en eindafnemers beter inzicht krijgen in hun eigen gegevens en deze desgewenst met derden kunnen delen. Op basis van de Energiewet kan in lagere regelgeving worden vastgelegd dat het verwerken van persoonsgegevens in bepaalde gevallen verplicht is. Een tweede grondslag is dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG). De Energiewet bevat de taken en de verwerkende partij zal moeten nagaan of een bepaalde verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van die taak. Daarnaast blijft het onverminderd mogelijk voor partijen om gebruik te maken van de andere AVG grondslagen zoals toestemming, uitvoering van een overeenkomst en gerechtvaardigd belang.[5] De verdere invulling van de grondslagen die dienen te worden gebruikt bij de processen genoemd in hoofdstuk 4 Energiewet volgt per ministeriële regeling.[6] Het toezicht op gegevensverwerkingen ligt bij zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als de Autoriteit Consument en Markt (ACM): de AP ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, terwijl de ACM toezicht houdt op de werking van de energiemarkt en de bescherming van consumenten. Wat betekent dit voor uw organisatie? Verzameling, gebruik en verwerking van gegevens spelen een centrale rol in de Energiewet. Er ontstaat een samenloop tussen de Energiewet en de AVG, wat vraagt om zorgvuldige keuzes ten aanzien van grondslagen voor gegevensverwerking, verantwoordelijkheden en risicobeheersing. Wilt u weten wat dit concreet voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onze Data & Privacy en/of Energie specialisten. Referenties [1] Artikel 4.1 lid 2 Energiewet. [2] Artikel 4.15 e.v. Energiewet. [3] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106. [4] Artikel 4.2 Energiewet; Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106.   [5] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 107-108. [6] Artikel 4.1 lid 3 Energiewet.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
DAEB vrijstellingsbesluit herzien - een oplossing voor de woningnood?
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie de herziene versie van het Vrijstellingsbesluit voor staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB Vrijstellingsbesluit”) aangenomen. Het DAEB Vrijstellingsbesluit maakt het mogelijk om steun te verlenen voor diensten die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat melding bij de Europese Commissie is vereist. Dit DAEB Vrijstellingsbesluit is nu door de Europese Commissie opgefrist, onder andere met het doel om woningbouw te stimuleren en de huisvestingscrisis tegen te gaan. Wat is er exact gewijzigd? En wat voor gevolgen heeft dit voor u? U leest het in onderstaande blog! Wat is staatssteun?  Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is steun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”). Diensten van algemeen economisch belang DAEB’s zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen maar die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden. Er is daarom staatssteun vereist om deze diensten onder de gewenste voorwaarden of kwaliteit voor burgers op de markt aan te kunnen bieden. Dit kan bijvoorbeeld sociale woningbouw of exploitatie van economisch inefficiënte busverbindingen betreffen. Overheden hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid bij het bepalen welke diensten zij als DAEB kwalificeren. Het DAEB Vrijstellingsbesluit De Europese Commissie heeft een aantal instrumenten ontwikkeld op basis waarvan DAEB-steun rechtmatig aan ondernemingen kan worden verleend. Eén van deze instrumenten is het DAEB Vrijstellingsbesluit. Op basis van dit besluit kunnen overheden ondernemingen die zijn belast met het verrichten van een DAEB compensatie geven voor het verrichten van de betreffende DAEB mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er is sprake van een DAEB; De compensatie bedraagt maximaal € 20 miljoen per jaar of valt binnen de andere categorieën DAEB’s die binnen het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit vallen conform art. 2 lid 1 van het Vrijstellingsbesluit;  De periode waarvoor de onderneming wordt belast met de DAEB is niet langer dan 10 jaar;  Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst, oftewel, er mag geen sprake zijn van overcompensatie;  De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren wordt belast met uitvoering van de DAEB in een toewijzingsbesluit waarin de DAEB, het compensatiemechanisme en overige relevante aspecten zoals voorgeschreven in het DAEB Vrijstellingsbesluit worden uitgewerkt; Er wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden (controle op overcompensatie, transparantie).   Waarom herzien? De Europese Commissie heeft het een evaluatie verricht naar (de toepassing van) het “oude” Vrijstellingsbesluit in de praktijk. Dit heeft tot de conclusie geleid dat de huidige staatssteunregels onvoldoende handvatten bieden voor lidstaten om de huisvestingscrisis tegen te gaan waar de gehele Europese Unie mee kampt. Ook was het “oude” Vrijstellingsbesluit op bepaalde punten toe aan een actualisatie, verduidelijking en versimpeling van de administratieve voorwaarden. Om die redenen heeft de Europese Commissie een herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit aangenomen waarin ervaringen van het oude besluit, economische veranderingen (waaronder de huisvestingscrisis) en marktontwikkelingen zijn verwerkt. De herziening is onderdeel van het “Europees plan voor betaalbare huisvesting” van de Europese Commissie. DAEB Vrijstellingsbesluit: nieuw vs. oud De Europese Commissie heeft ten aanzien van de volgende onderwerpen de volgende wijzigingen doorgevoerd in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit: Verhoging compensatieplafond Gelet op de inflatie sinds de inwerkingtreding van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit in 2012, heeft de Commissie het algemene compensatieplafond verhoogd. Op basis van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit is het mogelijk om maximaal € 20 miljoen per jaar aan steun toe te kennen onder het algemene compensatieplafond. Onder het “oude” Vrijstellingsbesluit bedroeg dit plafond € 15 miljoen. Sociale en betaalbare huisvesting als DAEB Om de huisvestingscrisis in Europa tegen te gaan, heeft de Europese Commissie de kaders omtrent DAEB-steun voor sociale huisvesting nader uitgewerkt/versoepeld. Daarnaast heeft zij betaalbare huisvesting als steuncategorie toegevoegd. DAEB-steun voor sociale en betaalbare huisvesting is niet gebonden aan het algemene compensatieplafond, en kan dus meer dan € 20 miljoen per jaar bedragen mits dit niet leidt tot overcompensatie. De belangrijkste definities en voorwaarden voor huisvestingssteun heeft de Europese Commissie uitgewerkt in de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit. Een DAEB op het gebied van sociale huisvesting wordt gedefinieerd als een dienst voor kansarme huishoudens of sociaal minder bevoorrechte groepen, met inbegrip van daklozen. DAEB’s voor betaalbare huisvesting hebben voornamelijk betrekking op huishoudens die niet achtergesteld zijn, maar welke door marktontwikkelingen, met name marktfalen, geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan starters, ouderen of alleenstaande ouders. In de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit stelt de Commissie onder andere de volgende voorwaarden (in aanvulling op de algemene voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit) waaraan moet worden voldaan bij het verlenen van steun voor sociale en/of betaalbare huisvesting: Kwaliteits-, milieu- en toegankelijkheidseisen: sociale en betaalbare huisvesting moet van passende kwaliteit en toegankelijkheid zijn, voldoen aan milieunormen en zijn aangepast aan de behoeften van huishoudens. Duur: in principe moeten sociale en betaalbare woningen gedurende ten minste twintig jaar voor dat doel worden gebruikt om te voorkomen dat de gesubsidieerde woningen snel op de commerciële markt worden verkocht. Subsidiabele kosten: in de bijlage is een brede lijst van kosten opgenomen welke in aanmerking komen voor dekking uit DAEB-steun. Ten aanzien van betaalbare huisvesting worden ook eisen gesteld met betrekking tot de prijzen die gehanteerd worden voor de woningen. De moeten op transparante wijze worden vastgesteld en onder de marktprijzen blijven, maar niet lager zijn dan nodig voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling. Ook moeten de betreffende woningen daadwerkelijk als betaalbare huisvesting worden gebruikt (en niet als bijvoorbeeld een tweede woning) en moet de toewijzing van de woningen plaatsvinden op basis van open systemen. Nieuwe/gewijzigde steuncategorieën In het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit zijn kritieke geneesmiddelen toegevoegd als mogelijke steuncategorie. Ook zijn de kaders voor luchthavens, luchtverbindingen, maritieme verbindingen met eilanden en havens gewijzigd. Controle op overcompensatie Ten aanzien van controle op overcompensatie heeft de Europese Commissie het regime versoepeld. Onder het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit diende controle op overcompensatie om de drie jaar en aan het einde van de DAEB plaats te vinden. Deze frequentie is in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit teruggebracht naar controle eens in de vijf jaar. Ook is controle achteraf niet meer vereist indien de steunbegunstigde geen andere activiteiten dan de DAEB uitvoert en wettelijk verplicht is alle winsten in de DAEB te herinvesteren. Rapportage- en transparantieverplichtingen Op grond van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit gold een tweejaarlijkse rapportageverplichting voor lidstaten. Deze verplichting komt per 2026 te vervallen. De transparantie zal per 2028 gewaarborgd worden door middel van een registratieverplichting. Vanaf 1 januari 2028 zal alle staatssteun onder het DAEB Vrijstellingsbesluit die meer bedraagt dan € 1 miljoen per onderneming, in een centraal register geregistreerd moeten worden binnen 20 werkdagen na steunverlening. Inwerkingtreding Bovengenoemde wijzigingen treden in werking op de twintigste dag na publicatie van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie. Praktische impact Hoewel de herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit op het eerste gezicht een groot aantal wijzigingen introduceert, blijft de essentie van het besluit in de praktijk grotendeels hetzelfde. De basisprincipes, zoals het vereiste van een toewijzingsbesluit en verbod op overcompensatie, blijven onverminderd van kracht. Deze basisprincipes worden aangevuld met concrete handvatten die overheden kunnen gebruiken om de woningnood op een flexibelere en efficiëntere wijze tegen te gaan. De praktische implicaties zijn vooralsnog beperkt tot het verwerken van de nieuwe kaders voor sociale en betaalbare huisvesting bij het verlenen van steun aan dit type DAEB’s. Overheden zullen ontlast worden van de tweejaarlijkse rapportageverplichting en hoeven minder frequent op overcompensatie te controleren. Per 1 januari 2028 gaat voor steunverleners de verplichting gelden om steunverleningen boven € 1 miljoen per onderneming per DAEB in een centraal register te registeren. In hoeverre deze wijzigingen de oplossing gaan zijn voor de huisvestingscrisis, moet nu in de praktijk gaan blijken. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.