Publicaties

La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Langdurige uitzendarbeid onder het vergrootglas
Langdurige inzet van uitzendkrachten is in veel organisaties de norm. Uitzendarbeid wordt gebruikt om flexibiliteit te creëren en schommelingen in de bezetting op te vangen. Maar hoe tijdelijk is uitzendarbeid nog als dezelfde uitzendkracht jarenlang bij dezelfde inlener werkt? De Hoge Raad maakt in een recente uitspraak duidelijk dat uitzendarbeid echt een tijdelijk karakter moet hebben. Casus: uitzendkracht 13 jaar werkzaam bij dezelfde werkgever In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad ging het om een uitzendkracht die bijna dertien jaar onafgebroken bij dezelfde fabriek werkte. Eerst bij Unilever, later bij Upfield. Hij werkte via verschillende uitzendbureaus en vervulde achtereenvolgens functies als productiemedewerker en expeditiemedewerker. Formeel was hij uitzendkracht. Feitelijk verrichtte hij jarenlang dezelfde structurele werkzaamheden bij dezelfde inlener. Toen Upfield de fabriek sloot, konden vaste medewerkers een beroep doen op het Sociaal Plan. Dat gold niet voor uitzendkrachten. De uitzendkracht stelde dat hij door de langdurige inzet en de aard van zijn werkzaamheden aanspraak had op dezelfde bescherming als vaste werknemers. Hij beriep zich op de Uitzendrichtlijn en de Waadi. Volgens hem was geen sprake meer van uitzendarbeid met een tijdelijk karakter, maar van structureel werk. De kantonrechter en het hof gaven Upfield gelijk. Volgens hen rechtvaardigde de behoefte aan een flexibele schil de langdurige inzet van uitzendarbeid. Upfield wees op wisselende werkdruk, seizoensinvloeden en de noodzaak om bezettingsgaten op te vangen. Ook had Upfield andere uitzendkrachten in vaste dienst genomen en de betreffende uitzendkracht een jaarcontract aangeboden. Voor het hof woog mee dat Upfield dus niet uitsluitend op uitzendarbeid leunde. Oordeel Hoge Raad: uitzendarbeid is per definitie tijdelijk De Hoge Raad corrigeert de lijn van de lagere rechters. Uitzendarbeid moet volgens de Hoge Raad per definitie tijdelijk zijn. Dat volgt uit de Uitzendrichtlijn. Die Richtlijn staat langdurige of opeenvolgende inzet van een uitzendkracht alleen toe als het tijdelijke karakter gewaarborgd blijft én er een objectieve rechtvaardiging is. Een algemeen beroep op flexibiliteit is daarvoor onvoldoende. Juist als een uitzendkracht jarenlang vrijwel onafgebroken bij dezelfde inlener werkt, is dat een sterke aanwijzing dat sprake is van structurele werkzaamheden, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt verder dat langdurige uitzendarbeid bij dezelfde inlener een signaal is van mogelijk misbruik van opeenvolgende uitzendovereenkomsten. De rechter moet dan toetsen of de uitzendconstructie niet wordt gebruikt om de regels over bescherming van werknemers te omzeilen. Denk aan ontslagbescherming, loondoorbetaling en toegang tot een vaste baan bij de inlener. Het hof heeft de verkeerde maatstaf aangelegd aldus de Hoge Raad. Het hof heeft de behoefte aan een flexibele schil te snel geaccepteerd als objectieve rechtvaardiging voor dertien jaar uitzendarbeid. Ook het feit dat andere uitzendkrachten wel in dienst zijn genomen en dat een jaarcontract is aangeboden, verandert daar niets aan. De feitelijke inzet van dezelfde uitzendkracht gedurende dertien jaar overschrijdt volgens de Hoge Raad de grens van wat nog als tijdelijk kan gelden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam. De gevolgen voor de praktijk: kritisch kijken naar uitzendarbeid De uitspraak brengt  een kentering met zich mee ten aanzien van de duur dat een uitzendkracht werkzaam kan zijn bij dezelfde inlener. De kern is dat uitzendarbeid tijdelijk moet zijn. Uitzendarbeid is bedoeld om pieken, ziekte, vervanging of duidelijk afgebakende projecten op te vangen en dus niet om structurele functies jarenlang in te vullen. Aandachtspunten voor werkgevers die werken met uitzendkrachten zijn de duur van de inzet en of uitzendkrachten worden ingezet ten behoeve van een tijdelijk project, een piekseizoen of bijvoorbeeld wegens duidelijke fluctuerende productie. Daarnaast is deze uitspraak ook van belang in het kader van Sociaal Plannen en cao-afspraken. In deze regelingen worden uitzendkrachten nog wel eens uitgesloten. Als uitzendarbeid feitelijk geen tijdelijk karakter meer heeft, kan een uitzendkracht stellen dat hij recht heeft op vergelijkbare bescherming als een vaste werknemer bij de inlener. Hier moeten werkgever op bedacht zijn. Contact Heeft u vragen over het tijdelijke karakter van uitzendarbeid of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Rose Horstman of een van onze andere Arbeidsrecht specialisten. 
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Stroom van data: samenloop tussen de Energiewet en de AVG
Met de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangen. Binnen de Energiewet is een is een belangrijke rol weggelegd voor de beschikbaarheid van accurate gegevens, bijvoorbeeld ten aanzien van verbruik en invoeding. Verschillende marktpartijen die een rol hebben bij het creëren en het verzamelen van gegevens worden verplicht tot het beheren van een register, dat vervolgens op een centrale manier wordt ontsloten. Nadrukkelijk wordt ook rekening gehouden met de AVG; de Energiewet stelt eisen aan de omgang met energiedata, onder meer op het gebied van privacy en kwaliteit van de gegevens. Dit blog gaat in op het kader voor gegevensverwerkingen zoals vastgelegd in de Energiewet. Data‑uitwisseling als pijler van de Energiewet De Energiewet reguleert gegevensuitwisseling in hoofdstuk 4 en maakt onderscheid in de volgende processen: Functioneren van een energiesysteem (factureren, transporteren, overstappen etc.); Inzage in eigen gegevens; Uitwisseling op verzoek van de datarechthebbende; Uitwisseling op basis van een wet of Europese verordening.[1] Gegevens binnen de reikwijdte van de Energiewet worden ondergebracht in een beperkt aantal registers, die worden beheerd door aangewezen registerbeheerders. Dit zijn de systeembeheerders van een energiesysteem of de meetverantwoordelijke partij. Het register bevat de gegevens die de registerbeheerder zelf verzamelt en de in artikel 4.8. Energiewet opgenomen categorieën van gegevens die andere marktpartijen (zoals een leverancier, actieve afnemer en een balanceringsverantwoordelijke) verzamelen en vervolgens aanleveren. De specifieke gegevens die binnen de opgenomen categorieën vallen, worden bij ministeriële regeling nader bepaalt. Een centrale Gegevensuitwisselingsentiteit (het Normo) draagt zorg voor de toegang en ontsluiting van de energiedata in de verschillende registers.[2]  Gegevensverwerkingen op basis van de Energiewet Met de Energiewet en bijbehorende regelgeving wordt nagestreefd dat de beginselen van de AVG en de bijbehorende rechten gelijkelijk worden toegepast op alle gegevens binnen het stelsel van de Energiewet.[3] Het algemene uitgangspunt is dat de partij die de gegevens verzamelt en aanlevert ook de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van deze gegevens (correct, tijdig, volledig).[4] De wet borgt bovendien inzagemogelijkheden, zodat consumenten en eindafnemers beter inzicht krijgen in hun eigen gegevens en deze desgewenst met derden kunnen delen. Op basis van de Energiewet kan in lagere regelgeving worden vastgelegd dat het verwerken van persoonsgegevens in bepaalde gevallen verplicht is. Een tweede grondslag is dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG). De Energiewet bevat de taken en de verwerkende partij zal moeten nagaan of een bepaalde verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van die taak. Daarnaast blijft het onverminderd mogelijk voor partijen om gebruik te maken van de andere AVG grondslagen zoals toestemming, uitvoering van een overeenkomst en gerechtvaardigd belang.[5] De verdere invulling van de grondslagen die dienen te worden gebruikt bij de processen genoemd in hoofdstuk 4 Energiewet volgt per ministeriële regeling.[6] Het toezicht op gegevensverwerkingen ligt bij zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als de Autoriteit Consument en Markt (ACM): de AP ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, terwijl de ACM toezicht houdt op de werking van de energiemarkt en de bescherming van consumenten. Wat betekent dit voor uw organisatie? Verzameling, gebruik en verwerking van gegevens spelen een centrale rol in de Energiewet. Er ontstaat een samenloop tussen de Energiewet en de AVG, wat vraagt om zorgvuldige keuzes ten aanzien van grondslagen voor gegevensverwerking, verantwoordelijkheden en risicobeheersing. Wilt u weten wat dit concreet voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onze Data & Privacy en/of Energie specialisten. Referenties [1] Artikel 4.1 lid 2 Energiewet. [2] Artikel 4.15 e.v. Energiewet. [3] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106. [4] Artikel 4.2 Energiewet; Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106.   [5] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 107-108. [6] Artikel 4.1 lid 3 Energiewet.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Update Franchise #6 Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Uber-arrest 2026: kwalificatie arbeidsrelatie is geen one-size-fits-all
Op 27 januari jl. heeft het gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in de inmiddels langlopende procedure tussen Vakbond FNV en Uber over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Uber en haar chauffeurs. Centraal stond de vraag of Uber-chauffeurs kwalificeren als werknemers (waardoor de Taxi CAO op hen van toepassing zou zijn) of als zelfstandige ondernemers. FNV stelde zich op het standpunt dat Uber-chauffeurs feitelijk in een gezagsverhouding tot Uber staan en daarom werknemers zijn. Uber – gesteund door een aantal chauffeurs die aan de procedure deelnamen – betoogde juist dat de chauffeurs als zelfstandigen opereren. Wat ging er aan de uitspraak van het gerechtshof vooraf? In eerste aanleg oordeelde de rechtbank Amsterdam dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber ging daartegen in hoger beroep. In een tussenarrest paste het gerechtshof de door de Hoge Raad ontwikkelde Deliveroo-criteria toe, maar liep daarbij (onder meer) tegen de vraag aan hoe één van die criteria, het ondernemerschap, moest worden toegepast. Het gerechtshof stelde daarover enkele prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft die vragen op 21 februari 2025 beantwoord en (onder meer) geoordeeld dat er bij het beantwoorden van de kwalificatievraag geen rangorde bestaat tussen de verschillende Deliveroo-criteria. Het criterium ondernemerschap moet dus volwaardig worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hiermee werd duidelijk dat andere criteria niet automatisch zwaarder wegen. Na deze uitspraak is de procedure bij het gerechtshof Amsterdam voortgezet. Tot welk oordeel komt het gerechtshof? Het gerechtshof oordeelt dat de Uber-chauffeurs een sterke mate van ondernemerschap vertonen en komt tot de conclusie dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het gerechtshof hecht daarbij onder meer belang aan: de omvang van de investeringen, waaronder de aanschaf en keuze van een eigen auto; de vrijheid om werktijden zelf te bepalen; de vrijheid en strategie bij het accepteren of weigeren van ritten; het dragen van ondernemersrisico’s, zoals aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het gerechtshof overweegt daarnaast dat de Uber-chauffeurs in kwestie weliswaar veel uren per week werken, maar zij daarbij meerdere platforms tegelijk gebruiken. De Uber-chauffeurs zijn vaak gelijktijdig ingelogd op verschillende apps, hetgeen volgens het gerechtshof een aanwijzing is voor ondernemerschap. Het gerechtshof overweegt tot slot uitdrukkelijk dat de beoordeling anders kan uitvallen indien de specifieke omstandigheden van een individuele chauffeur daartoe aanleiding geven. Het is dus goed mogelijk dat bepaalde Uber-chauffeurs wél als werknemers kwalificeren. Het kwalificatieoordeel betreft geen “one-size-fits-all”. Wat betekent dit voor de praktijk? Deze uitspraak bevestigt (opnieuw) dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie geen standaardvraagstuk is. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of zelfstandigheid hangt af van een integrale beoordeling van alle omstandigheden van het geval. De individuele omstandigheden zijn daarbij doorslaggevend. Er bestaat geen uniforme kwalificatie voor iedereen, ook niet binnen één platform of organisatie. Maatwerk is en blijft vereist. Over het ‘ZZP-beleid’ zeggen de nieuwe coalitiepartijen in het coalitieakkoord weinig concreets. De aandacht lijkt beperkt tot het bestrijden van schijnzelfstandigheid en het voortzetten van de zelfstandigenwet. Het is te hopen dat het wetsproces daarover snel wordt opgepakt en de nieuwe wet concrete handvatten biedt voor de praktijk. Heeft u vragen over de kwalificatie van arbeids- of opdrachtovereenkomsten, of over de gevolgen van deze uitspraak voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Nieuwe franchiseovereenkomst, zwaardere bedingen? Franchisegevers zijn in dat geval verplicht franchisenemers tijdig en duidelijk daarover te informeren.
Franchisegevers die hun franchiseovereenkomsten vernieuwen of “updaten”, doen er goed aan scherp te zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) laat zien waarom: wie een franchiseovereenkomst verzwaart zonder franchisenemers daar expliciet en duidelijk over te informeren, loopt het risico dat die bedingen geen stand houden. Wat ging hier mis? In deze zaak had de franchisegever na invoering van de Wet franchise een nieuwe (herziene) franchiseovereenkomst ingevoerd. Daarbij werd het non-concurrentiebeding aanzienlijk verzwaard: het gold niet langer alleen tijdens de looptijd van de overeenkomst, maar ook nog één jaar na beëindiging. Ook het relatiebeding werd aangescherpt. Volgens de franchisegever veranderde er “feitelijk weinig” en waren bestaande regels slechts verplaatst vanuit het franchisehandboek. De rechter ging daar niet in mee. De Voorzieningenrechter was helder: als een nieuwe of hernieuwde franchiseovereenkomst leidt tot een verslechtering van de positie van de franchisenemer, rust op de franchisegever een duidelijke informatieverplichting. Die informatie moet tijdig worden verstrekt, rechtstreeks aan de franchisenemer worden gegeven en zo duidelijk zijn dat de franchisenemer kan overzien wat de gevolgen zijn voor zijn onderneming en zijn exit-vrijheid. Dat overleg in een franchiseraad of een algemene mededeling  dat “er weinig verandert” volstaat, is volgens de rechtbank onvoldoende. Omdat de franchisegever haar informatieplicht niet was nagekomen, oordeelde de rechter in dit kort geding dat de franchisenemers voorshands niet aan het verzwaarde non-concurrentiebeding zijn gebonden. Hetzelfde gold voor het relatiebeding: een dergelijk beding valt volgens de rechtbank ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW. De franchisegever kon bovendien niet uitleggen welke concrete knowhow bescherming vereiste, terwijl dat onder de Wet franchise wel een harde voorwaarde is voor de geldigheid van concurrentie- en nu ook relatiebedingen. In dit kort geding leidde dat ertoe dat het non-concurrentiebeding werd geschorst en ook het relatiebeding voorlopig buiten werking werd gesteld, in afwachting van een bodemprocedure. Waarom is dit relevant voor u? Deze uitspraak maakt duidelijk dat het vernieuwen van franchisecontracten juridisch risicovol kan zijn als dat niet zorgvuldig gebeurt. Voor franchisegevers: ✔ check of een nieuwe overeenkomst de positie van franchisenemers verzwaart; ✔ informeer franchisenemers daar expliciet en aantoonbaar over; ✔ en onderbouw postcontractuele bedingen concreet met beschermenswaardige knowhow. Voor franchisenemers: ✔ laat een “geüpdatete” franchiseovereenkomst altijd toetsen; ✔ verzwaarde non-concurrentie- en relatiebedingen zijn niet vanzelfsprekend geldig; ✔ ontbreekt goede informatie? Dan staat u sterker dan u denkt.  
Dewi Britsemmer – La Gro 2-min
Dewi Britsemmer
Advocaat
Pas op met automatische uitsluiting bij aanbestedingen
Hoe worden uitsluitingsgronden vormgegeven in de aanbestedingsstukken? Wordt een inschrijver bij het intreden van een uitsluitingsgrond automatisch uitgesloten, of wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld zijn betrouwbaarheid aan te tonen (self-cleaning) en voert de aanbestedende dienst een proportionaliteitstoets uit? De keuze voor automatische uitsluiting kan grote aanbestedingsrechtelijke gevolgen hebben. Een recent arrest van de Hoge Raad laat zien dat automatische uitsluitingsbedingen de aanbestedende dienst juridisch klem kunnen zetten. Uitsluitingsgronden en de Aanbestedingswet De Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) kent twee typen uitsluitingsgronden op basis waarvan een inschrijver van deelname aan een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten: verplichte en facultatieve uitsluitingsgronden.   Bij Europese aanbestedingsprocedures is een aanbestedende dienst verplicht naar toepasselijkheid van verplichte uitsluitingsgronden te vragen. Facultatieve uitsluitingsgronden zijn daarentegen optioneel: de aanbestedende dienst bepaalt zelf of hij deze van toepassing verklaart en legt dat vast in de aanbestedingsstukken. Een aanbestedende dienst is verplicht om de toepasselijke uitsluitingsgronden gedurende de gehele procedure consequent toe te passen. Indien een uitsluitingsgrond op een inschrijver van toepassing is, dient de aanbestedende dienst die inschrijver uit te sluiten van deelname aan de aanbesteding, tenzij de aanbestedende dienst afziet van uitsluiting op grond van art. 2.87a of art. 2.88 Aw 2012. Art. 2.88 Aw 2012 stelt de aanbestedende dienst in de gelegenheid af te zien van uitsluiting in geval van dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit disproportioneel zou zijn. Op grond van art. 2.87a Aw 2012 moet de inschrijver in geval van toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond de gelegenheid krijgen aan te tonen dat hij adequate maatregelen heeft getroffen. Voor automatische uitsluiting is op grond van de Aw 2012 dan ook geen ruimte. Indien een aanbestedende dienst toch kiest voor automatische uitsluiting, kan dit leiden tot een klempositie voor de aanbestedende dienst. Dat blijkt uit het hierna te bespreken arrest. HR 21 november 2025 (Ministerie van VWS / Connexxion) In dit arrest ging het om een door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (“VWS”) uitgeschreven Europese aanbesteding voor de vervoersdienst Valys. In de aanbestedingsstukken was bepaald dat een inschrijver die onder een uitsluitingsgrond viel, automatisch werd uitgesloten. Eén van de inschrijvers was in het verleden door de NMa (thans ACM) beboet wegens het maken van kartelafspraken. Desondanks besloot VWS de inschrijver niet uit te sluiten en de opdracht aan haar te gunnen. De reden daarvoor was een destijds geldende, dwingende wettelijke bepaling (art. 45 lid 3 Bao). Op grond daarvan moest een aanbestedende dienst voorafgaand aan de uitsluiting toetsen of uitsluiting evenredig was. Connexxion maakte als verliezende inschrijver tegen de gunningsbeslissing bezwaar. De Hoge Raad stelt vast dat de beboete inschrijver op grond van de aanbestedingsstukken automatisch van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure moest worden uitgesloten. Tegelijkertijd gold op grond van dwingend recht dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting een evenredigheidstoets moest uitvoeren, waardoor uitsluiting niet per definitie noodzakelijk was. Indien de aanbestedende dienst zou kiezen voor automatische uitsluiting, handelt hij in strijd met het aanbestedingsrecht; indien hij daarentegen zou besluiten de evenredigheidstoets voorafgaand aan de uitsluiting uit te voeren, handelt hij in strijd met zijn eigen aanbestedingsstukken. Volgens de Hoge Raad komt de aanbestedende dienst daarmee in een klempositie terecht, waarin het de facto onmogelijk is een rechtmatige aanbestedingsprocedure te doorlopen. De zaak is voor verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Wat betekent dit arrest voor de praktijk? Een aanbestedende dienst komt in een klempositie te verkeren wanneer in de aanbestedingsstukken automatische uitsluiting wordt voorgeschreven, terwijl de Aw 2012 juist vereist dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting ruimte laat voor self-cleaning en een proportionaliteitstoets. In een dergelijke situatie kan het gevolg zijn dat een rechtmatige gunning niet langer mogelijk is en dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken. De les is duidelijk: neem geen automatische uitsluitingsbedingen op. Uitsluitingsbedingen dienen zorgvuldig te worden geformuleerd en expliciet ruimte te laten voor de afwegingen zoals opgenomen in de Aw 2012. Heeft u vragen over automatische uitsluitingsbedingen of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Dewi Britsemmer, Noa van den Brink of een van onze overige aanbestedingsspecialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
De DNR 2025 – sneller contracteren door een betere rolverdeling
De bouw- en ontwerppraktijk verandert snel: digitalisering, nieuwe wet- en regelgeving en complexere samenwerkingen vragen om duidelijke afspraken. Daarom hebben brancheverenigingen de Koninklijke Bond van Nederlandse architectenbureaus (BNA) en Koninklijke NLingenieurs in december 2025 de DNR 2025 gemoderniseerd en gestroomlijnd. Waarom deze herziening? Sinds de laatste herziening in 2013 wees de praktijk uit dat de DNR steeds vaker, door voornamelijk opdrachtgevers, werd aangepast of “opengebroken” in onderhandelingen over de contractvorming. Dat kost tijd, verhoogt transactiekosten en maakt risico’s minder voorspelbaar. De DNR 2025 is daarom bedoeld om contractvorming eenvoudiger en sneller te maken, met een set gestroomlijnde algemene voorwaarden, die beter aansluit bij de huidige praktijk. Een greep uit de wijzigingen en toevoegingen Een in het oog springende verduidelijking is hoe de DNR 2025 omgaat met de rol van medewerkers binnen een architecten- of ingenieursbureau. Met het uitsluiten van art. 6:162 BW, 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, bepaalt de DNR 2025 dat de opdracht uitsluitend wordt geacht te zijn verstrekt en aanvaard door het bureau als rechtspersoon, en niet door een individuele medewerker, bestuurder of aandeelhouder. In de DNR 2025 is het beëindigen van een opdracht overzichtelijker gemaakt: de financiële gevolgen zijn nu samengebracht onder één bepaling. De kern is echter onveranderd: zegt de adviseur op zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de opdrachtgever gerechtigd 10% van de verschuldigde vergoeding te verminderen. Wanneer het juist de opdrachtgever is die opzegt zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de adviseur op zijn beurt weer gerechtigd om 10% bovenop de verschuldigde vergoeding te vorderen. De DNR 2025 speelt ook zichtbaar in op de digitale realiteit waarin ieder project zich tegenwoordig bevindt en waarbij veel gebruik wordt gemaakt van data, cloudomgevingen en online samenwerking. Privacy en informatiebeveiliging zijn daarom niet langer bijzaak, maar een expliciet onderdeel van de opdracht. Partijen moeten voldoen aan toepasselijke privacywetgeving – waaronder in het bijzonder de AVG – en dienen op grond daarvan de vereiste maatregelen te nemen om persoonsgegevens te beschermen. Tevens wordt de aansprakelijkheid van de adviseur uitgesloten voor schade wegens ‘cyberincidenten’, zoals datalekken of gehackt worden, waartegen hij alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft genomen. Wanneer de adviseur optreedt als kwaliteitswaarborger in de zin van de Wet op kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), bevat de DNR 2025 een specifieke omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden die de adviseur in deze rol heeft. De adviseur heeft een onafhankelijke taak om te toetsen en te rapporteren, maar zijn rol staat, publiekrechtelijk, nadrukkelijk níet gelijk aan die van ontwerper, toezichthouder of aannemer. Wat de DNR 2025 ook duidelijk maakt is dat de adviseur geen alleskunner is met oneindige aansprakelijkheid. Zo heeft de adviseur geen verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van publiekrechtelijke toestemmingen en vergunning, noch is hij verantwoordelijk voor de inhoud, kwaliteit of rechtmatigheid van het ontwerp. Kortom, de adviseur-kwaliteitswaarborger draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen werkterrein, niet voor zaken die buiten zijn invloedssfeer liggen. Niets nieuws? Wie denkt dat de DNR 2025 ‘niets nieuws onder de zon’ is, heeft het dus mis. Niet alleen omdat de regeling is gemoderniseerd, maar omdat zij expliciet is ontworpen om beter aan te sluiten bij de bouwpraktijk van vandaag. Wilt u weten wat de DNR 2025 concreet betekent voor uw contracten en projecten? Of heeft u andere vragen over deze voorwaarden? Onze specialisten Bouwrecht denken graag met u mee.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert Bakkerij Visser B.V. bij joint venture Huis van Bakkers
Het M&A-team van La Gro heeft Bakkerij Visser B.V. begeleid en geadviseerd bij het aangaan van een strategische joint venture met Bakker Goedhart en Bakkerij BACU onder de naam Huis van Bakkers. In deze nieuwe onderneming bundelen de drie bakkerijen hun krachten om voor supermarktketen Jumbo de landelijke productie en levering van dagvers brood te verzorgen. Binnen de joint venture Huis van Bakkers werken Bakkerij Visser, Bakker Goedhart en Bakkerij BACU samen aan de landelijke levering van dagvers brood aan de ruim 700 Jumbo-winkels in Nederland en België. Door ervaring en vakmanschap te combineren met schaal en efficiëntie, bouwen de drie bakkerijen aan een sterke en overzichtelijke keten voor dagvers brood. Zo ondersteunt Huis van Bakkers Jumbo in haar ambitie om klanten elke dag beter te bedienen op het gebied van smaak, kwaliteit, beschikbaarheid en duurzaamheid van vers brood. Voor Bakkerij Visser markeert de joint venture een nieuwe fase in de langdurige samenwerking met Jumbo. De Alphense bakkerij – al ruim honderd jaar actief en dagelijks leverancier van vers brood – blijft ook in deze nieuwe vorm een betrouwbare broodpartner voor Jumbo. De juridische structurering van de joint venture, de afspraken tussen de aandeelhouders en de samenwerking met Jumbo zijn namens Bakkerij Visser B.V. begeleid door het team fusies & overnames van La Gro, waaronder Pieter van den Oord, Gerben Barendregt, Arnout Koeman en Reinoud van Ginkel. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, Gerben Barendregt of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe richtsnoeren voor de Foreign Subsidies Regulation
Op vrijdag 9 januari 2026 publiceerde de Europese Commissie de richtsnoeren die horen bij de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). In deze richtsnoeren verduidelijkt de Europese Commissie diverse begrippen uit de FSR en licht zij de toepassing van de FSR toe. Deze publicatie markeert een nieuwe stap in het transparant maken van het beoordelingsproces bij de FSR.   Foreign Subsidies Regulation – hoe zat het ook alweer? Op 12 juli 2023 is de FSR van toepassing geworden. De FSR maakt het voor de Europese Commissie mogelijk om verstoringen veroorzaakt door buitenlandse subsidies aan te pakken. Dit met het doel een level-playing-field te creëren tussen alle (EU én niet EU) onderneming die actief zijn binnen de EU. In een notendop bevat de FSR drie procedures: Een meldingsplicht voor transacties waarbij subsidies gegeven door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de doelwitvennootschap, één van de fuserende partijen of de gemeenschappelijke onderneming een EU omzet heeft van minimaal EUR 500 miljoen en deze ondernemingen in totaal meer dan EUR 50 miljoen aan subsidies uit derde landen hebben ontvangen in de drie jaar voorafgaand aan de sluiting van de koopovereenkomst; Een meldingsplicht bij aanbestedingen waarbij subsidies door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de geschatte contractswaarde minimaal EUR 250 miljoen bedraagt en de inschrijver in de drie jaar voor de melding meer dan EUR 4 miljoen aan subsidies uit derde landen heeft ontvangen; en Een ex-officio procedure door de Europese Commissie, waarbij de Europese Commissie op eigen initiatief een onderzoek start. Sinds inwerkingtreding is de Europese Commissie enkele onderzoeken gestart en heeft het slechts zeer beperkt onderzoeken afgerond én besluiten gepubliceerd. Deze richtsnoeren, die de Europese Commissie volgens de FSR moest opstellen, komen daarmee ook als geroepen. Zij geven (buitenlandse) partijen meer rechtszekerheid over hun juridische positie onder de FSR.     Op welke punten geven de FSR richtsnoeren meer duidelijkheid? De uitgebreide richtsnoeren (48 pagina’s) geven toelichting op veel onderdelen van de FSR. Een paar punten om uit te lichten zijn de volgende: De beoordeling van marktverstoringen door subsidies uit derde landen. De richtsnoeren verduidelijken dat wanneer de Europese Commissie heeft geconcludeerd dat een onderneming voordeel heeft gehad van een buitenlandse subsidie, de Europese Commissie in twee stappen vaststelt of er sprake is van een marktverstoring. Ten eerste onderzoekt de Commissie of de buitenlandse subsidie de positie van de onderneming op de EU markt versterkt. Ten tweede onderzoek de Europese Commissie de impact van de subsidie op de concurrentie op de markt. De Europese Commissie analyseert hierbij of de subsidie verantwoordelijk is voor een verandering van het gedrag van de onderneming en de markt dynamiek ten nadele van andere marktpartijen. Beoordeling bij aanbestedingen. De Europese Commissie heeft ook meer toelichting gegeven op de wijze waarop zij marktverstoringen door subsidies zal beoordelen bij aanbestedingen. Hierbij zal de Europese Commissie eerst onderzoeken of de onderneming de inschrijving heeft aangepast als gevolg van de subsidie. Indien dit het geval is, zal de Europese Commissie beoordelen of de inschrijving ten onrechte voordelig is door deze met andere vergelijkbare inschrijvingen te vergelijken en inschrijving te beoordelen door de voorwaarden te vergelijken met de eigen ramingen van de aanbestedende dienst. De afwegingstoets. De afwegingstoets kan door de Europese Commissie per subsidie worden toegepast en houdt rekening met de specifieke omstandigheden van het geval. De richtsnoeren geven toelichting over het afwegen van positieve effecten van een subsidie ten opzichte van negatieve effecten van een subsidie. Hierbij zal de Europese Commissie alleen de positieve effecten meenemen die specifiek horen bij de subsidie. Ook zal de toets de ernst van de marktverstoring en de positieve effecten zonder de marktverstoring meenemen. Een ex-officio onderzoek. De Europese Commissie heeft in de richtsnoeren meer duidelijkheid gegeven over wanneer zij een onderzoek op eigen initiatief start. Hierbij geven de richtsnoeren zogenaamde safe harbour drempels: voor aanbestedingsprocedures met een lage waarde, subsidies onder de EUR 4 miljoen en subsidies gericht op bijzondere omstandigheden (zoals natuurrampen) zal de Europese Commissie geen onderzoek starten. Wat betekent dit voor uw onderneming? Met de publicatie van deze FSR richtsnoeren, zet de Europese Commissie de volgende stap in de ontwikkeling van de FSR. Deze richtsnoeren geven ondernemingen en aanbestedende diensten meer duidelijkheid over hoe de Europese Commissie meldingen beoordeelt. Belangrijk is ook dat de Europese Commissie safe harbour drempels introduceert waardoor ondernemingen en aanbestedende diensten vaker zeker weten dat de Europese Commissie geen onderzoek gaat beginnen. Hiermee wordt de rechtszekerheid vergroot. Heeft u vragen over de FSR of de hiervoor besproken richtsnoeren? Neem dan contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere FSR en aanbestedingsrecht specialisten.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert Prodeba bij overname jeugdzorgactiviteiten Stichting Maatwerk Autisme (MAG) in Maassluis
La Gro heeft Prodeba juridisch begeleid bij de overname van de jeugdzorgactiviteiten van Stichting Maatwerk Autisme (MAG) in Maassluis. Per 1 januari 2026 is Prodeba verantwoordelijk voor de zorg aan jeugdigen in Maassluis. Door deze transactie kan de specialistische ondersteuning voor kinderen en jongeren met autisme in de regio ononderbroken worden voortgezet. Stichting Maatwerk Autisme blijft als zorgaanbieder actief voor zowel jeugd- als volwassen cliënten. In het kader van de herinrichting van de zorg in Maassluis wordt de ondersteuning van volwassen cliënten ondergebracht bij Wmo Maatwerk, onderdeel van Ipse de Bruggen. Prodeba en Wmo Maatwerk blijven nauw samenwerken om de zorgverlening in Maassluis verder te versterken en de overgang voor cliënten zo soepel mogelijk te laten verlopen. Een groot deel van de medewerkers die betrokken zijn bij de jeugdzorg in Maassluis maakt de overstap naar Prodeba. Daardoor blijven kennis, ervaring en vertrouwde gezichten voor cliënten en hun gezinnen behouden, wat bijdraagt aan continuïteit en stabiliteit in de zorg. Het belang van een zorgvuldige overgang en passende zorg voor kinderen en jongeren staat in deze transactie centraal. Zoals Prodeba zelf verwoordt: “Wij zijn trots dat wij met deze stap kinderen, jongeren en gezinnen in Maassluis kunnen blijven ondersteunen met zorg die aansluit bij hun ontwikkeling en perspectief biedt.” De juridische advisering, onderhandelingen en vastlegging van de afspraken in de contractsdocumentatie zijn namens Prodeba uitgevoerd door Pieter van den Oord en Reinoud van Ginkel. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Update Franchise #4 Franchisenemer vs. De Pizzabakkers: omzetprognoses bij franchiseovereenkomst
Op 10 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6829) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak tussen een franchisenemer en de Pizzabakkers (franchisegever). De franchisenemer dacht goud in handen te hebben met een pizzafranchise door de omzetprognoses die de franchisegever voor het sluiten van de overeenkomst had verstrekt. De werkelijkheid blijkt niet zo rooskleurig en de franchisenemer dat hij gedwaald heeft bij het sluiten van de overeenkomst en dat de Pizzabakkers onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld vanwege te optimistische prognoses. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling of van onrechtmatig handelen. Achtergrond De franchisenemer had in 2019 een franchiseovereenkomst gesloten met De Pizzabakkers voor de exploitatie van een vestiging in Amsterdam. Vooraf kreeg hij een financieringsmodel met omzetprognoses, een vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning en historische omzetten van de voorganger. Het onderzoek van Bureau Stedelijke Planning bevatte een omzetraming, onderbouwd met een analyse van onder meer de locatie, potentiële klanten en concurrentie. Toch bleven de daadwerkelijke omzetten structureel achter bij de prognoses. In 2023 laat de Pizzabakkers weten dat de franchiseovereenkomst niet zal worden voortgezet vanwege tegenvallende resultaten. De franchisenemer stelt dat de vestigingsplaats “inherent niet rendabel is” en dat de Pizzabakkers dat had moeten weten. Zo zou de vestiging te klein zijn, het terras te groot – waardoor de omzet sterk seizoensgebonden is – en zijn de door de Pizzabakkers in rekening gebrachte kosten te hoog. Op basis daarvan beroept de franchisenemer zich op dwaling en stelt hij dat de Pizzabakkers onrechtmatig heeft gehandeld. De franchisenemer vordert bijna acht ton aan schadevergoeding. Was de locatie inherent onrendabel? De rechtbank gaat niet mee met het betoog van franchisenemer. Dat de geprognotiseerde omzet niet is gehaald, maakt op zichzelf nog niet dat de locatie inherent onrendabel is of dat de prognoses ondeugdelijk waren. De rechter legt veel gewicht op het vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning. Volgens dat bureau was het wél mogelijk om op de locatie een rendabel pizzarestaurant te exploiteren en dat daarbij niet alleen naar de ligging, maar ook naar de omvang van het pand, het terras en de seizoensgebondenheid is gekeken. De kern van het oordeel is dat de franchisenemer geen concrete aanknopingspunten aandraagt om de deugdelijkheid van dit onderzoek en de prognoses in twijfel te trekken. Deze uitspraak bevestigt de strenge lijn uit eerdere jurisprudentie over prognoses binnen franchiseverhoudingen. Zo oordeelde de Hoge Raad in de Paalman/Lampenier en Street One arresten al dat een franchisegever niet verplicht is om prognoses over winstverwachting te verstrekken, maar dat hij wél onrechtmatig kan handelen als hij weet dat een door hem gebruikt rapport ernstige fouten bevat en de franchisenemer daar niet op wijst, of als onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het rapport tot fouten leidt. Tegelijkertijd is duidelijk dat prognoses geen resultaatsgarantie vormen. De wetgever heeft in het kader van de franchisewet bovendien expliciet opgemerkt dat de precontractuele informatieplicht niet zover gaat dat informatie over de locatie een garantie moet bieden op het behalen van een bepaalde omzet of bedrijfsresultaat, juist omdat de omzet van veel meer factoren afhangt dan alleen de locatie. Conclusie Kortom: de drempel voor franchisenemer voor een geslaagd beroep op dwaling of een onrechtmatige daad gebaseerd op de door franchisegever verstrekte prognoses ligt hoog. Er ligt een duidelijke taak voor de franchisenemer in de precontractuele fase: kijk kritisch naar de aangeleverde rapporten en schakel zo nodig een eigen deskundige in om de prognoses vast te stellen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten.
LGGA – Lennart Hoeksema
Lennart Hoeksema
Advocaat
Update Franchise #3 ASICS vs. franchisenemers: franchisegever stond vrij de franchiseovereenkomst niet te verlengen
Op 12 november 2025 wees de Rechtbank Amsterdam vonnis in een zaak tussen ASICS Europe B.V. en haar Franse franchisenemers (ECLI:NL:RBAMS:2025:8525). De rechtbank oordeelde onder andere dat ASICS in dit geval vrij was de overeenkomst níet te verlengen: de overeenkomst eindigde van rechtswege en de niet‑verlenging was niet onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Achtergrond ASICS sloot eind 2018 een franchiseovereenkomst met een aantal Franse partijen voor de vijfjarige exploitatie van vijftien winkels in Frankrijk. De franchiseovereenkomst liep af op 31 december 2023. Op deze overeenkomst was Nederlands recht van toepassing. Al op 12 december 2022, ruim een jaar voor de afloop van de franchiseovereenkomst, voerden partijen een gesprek over de toekomst. Vervolgens stuurde ASICS op 23 december 2023 een brief waarin zij aangaf dat de overeenkomst niet zonder meer voor vijf jaar zou worden verlengd en dat verlenging afhankelijk zou zijn van een nog op te stellen verbeterplan van zeven maanden. Voorwaarden waren onder meer het wegwerken van bepaalde bestaande tekortkomingen van de franchisenemers en het bieden van voldoende financiële zekerheid door de franchisenemers. In de loop van 2023 werd intensief onderhandeld over dit verbeterplan: ASICS deed meerdere voorstellen en verlengde termijnen om tot een oplossing te komen, terwijl de franchisenemers tegenvoorstellen indienden. Uiteindelijk werd echter geen definitief plan overeengekomen dat voor ASICS acceptabel was. Op 30 oktober 2023 mailde ASICS dat de franchisenemers nog steeds niet aan hun materiële verplichtingen voldeden (onder meer ten aanzien van betaling en bankgaranties) en dat het daarom niet passend was het verbeterplan verder aan te passen. Op 31 oktober 2023 stuurde ASICS nog een e-mail aan de franchisenemers waarin zij aangaf dat een definitief besluit over het al dan niet verlengen van de franchiseovereenkomst nog niet was genomen. Uiteindelijk informeerde ASICS de franchisenemers op 20 december 2023 dat zij nog steeds tekortschoten in hun verplichtingen, dat de franchiseovereenkomst niet zou worden verlengd en dat deze (dus) per 31 december 2023 zou eindigen. In deze procedure vorderde ASICS in conventie betaling van openstaande product- en royaltyfacturen, welke betaling uiteindelijk door de rechtbank werd toegewezen. In dit blog zal ik voornamelijk stilstaan bij de vorderingen van de franchisenemers in reconventie. De franchisenemers vorderden in reconventie onder andere een verklaring voor recht dat ASICS de franchiseovereenkomst op ongeldige wijze tegen eind 2023 beëindigde. Moet de franchisegever verlengen? De rechtbank ging uit van het contract: het ging om een franchiseovereenkomst met een vastgelegde duur van vijf jaar, die van rechtswege eindigde op 31 december 2023. Daarnaast stond in het contract dat ASICS kon besluiten om de franchiseovereenkomst niet te verlengen indien de franchisenemers, kort gezegd, niet voldeden aan bepaalde verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. In principe stond ASICS volgens de rechtbank dus vrij om de franchiseovereenkomst niet te verlengen. Ook van enige strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatige daad door het niet-verlengen van de franchiseovereenkomst was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. ASICS had onder andere al tijdens het gesprek tussen partijen in december 2022 en in de daaropvolgende brief de franchisenemers er ook uitdrukkelijk op gewezen dat ASICS de franchiseovereenkomst gelet op de bestaande tekortkomingen niet zou kunnen verlengen. Nadien stelde ASICS steeds duidelijke voorwaarden voor een eventuele verlenging van de franchiseovereenkomst in de vorm van een verbeterplan, maar de franchisenemers gingen hier niet mee akkoord. De rechtbank erkende weliswaar dat de franchisenemers inspanningen verrichtten om de bestaande tekortkomingen te verhelpen en aan de eisen van ASICS te voldoen, maar dat hiermee nog (steeds) niet voldaan werd aan hetgeen ASICS verlangde en mocht verlangen. Dit berichtte ASICS op 30 oktober 2023 ook nog uitdrukkelijk, zo overwoog de rechtbank. Aan het feit dat ASICS op 31 oktober 2023 aan de franchisenemers liet weten dat er nog geen beslissing was genomen om de franchiseovereenkomst niet te verlengen, hadden de franchisenemers volgens de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de franchiseovereenkomst wél zou worden verlengd. Kortom, ASICS was volgens de rechtbank tijdig en duidelijk over het ontbreken van een automatische verlenging. De niet-verlenging van de franchiseovereenkomst achtte de rechtbank niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatig. Overigens stelden de franchisenemers in reconventie dat ASICS op andere vlakken tekort was geschoten in de franchiseovereenkomst. De rechtbank zag dit anders en verwierp alle vorderingen van de franchisenemers op dit vlak (ook). Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang kan zijn om tijdig in overleg te treden over de vraag of een franchiseovereenkomst zal worden verlengd. Dit behoedt beide partijen voor zowel feitelijke als juridische verrassingen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Lennart Hoeksema of één van onze andere specialisten.