Publicaties

Franchise Update #7 – Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst
Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.   De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel. Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).   Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen. Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.
La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Opbouw vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband: duidelijkheid in zicht!
Het houdt de gemoederen in arbeidsrechtland al enig tijd bezig: bestaat bij een zogenaamd slapend dienstverband een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon? Tegenstrijdige kaders: Nederlandse wet en Europees Recht De Nederlandse wet koppelt het opbouwen van vakantiedagen aan het loon. De opbouw van vakantiedagen stopt dus wanneer de wachttijd van 104 weken eindigt. Het Europese Recht hanteert een andere maatstaf en koppelt vakantiedagen niet aan het loon maar aan arbeid, inclusief arbeidsongeschiktheid. Op grond daarvan zouden zieke werknemers, ook ná die 104 weken, recht hebben op volledige opbouw van vakantiedagen. Dat de verschillende kaders leiden tot onduidelijkheid blijkt uit de tegenstrijdige uitspraken over de opbouw van vakantiedagen na de einde wachttijd.  Geen opbouw van vakantiedagen ná einde wachttijd In de uitspraken waarin de rechter oordeelt dat de werknemer geen vakantiedagen opbouwt na einde wachttijd wordt onder meer gerefereerd aan de recuperatiefunctie van vakantie. Na afloop van de wachttijd zou de werknemer geen (re-integratie)verplichtingen meer hebben en daardoor zou de vakantie zijn functie van herstel en rust verliezen. In deze uitspraken wijzen rechters ook op het feit dat werknemers met een slapend dienstverband een WIA-uitkering of WW-uitkering ontvangen, waarin recht bestaat op vakantiedagen met behoud van uitkering. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen bij de werkgever zou opbouwen, dan is dat dus dubbelop. Wél opbouw van vakantiedagen ná einde wachttijd In een eerdere blog wezen wij al op de uitspraak van de rechtbank Gelderland waar de kantonrechter oordeelde dat het nationale recht niet te verenigen is met artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarin is bepaald dat iedere werknemer recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De rechter oordeelde dat artikel 7:634 BW daarom buiten toepassing moest worden gelaten. De werkgever eindigde in deze zaak met een veroordeling van de betaling van de tijdens het slapende dienstverband opgebouwde vakantiedagen. Prejudiciële vragen Hoge Raad – wachten op een antwoord Op 2 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam bovengenoemde wisselvallige rechtspraak en onduidelijkheid onderschreven. De rechtbank overweegt dat procedures in de toekomst wisselvallig zullen blijven zonder uitsluitsel door de Hoge Raad op de vraag of vakantiedagen opgebouwd worden tijdens een slapend dienstverband. De rechtbank is daarom voornemens om een prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Hoewel het dus nog even zal duren is er voor werkgevers zicht op duidelijkheid over de opbouw van vakantiedagen na de einde wachttijd. Contact Heeft u vragen over vakantie en langdurige ziekte of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Annemiek Varkevisser, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Concurrentie van werknemers? Creatief contracteren helpt!
Uitdiensttreding van een werknemer kan heel vervelend zijn, zeker in een krappe arbeidsmarkt, en al helemaal als de werknemer overstapt naar een concurrent. Veel werkgevers werken daarom met een non-concurrentie- of een relatiebeding. Zo’n beding kan door een rechter worden gematigd of vernietigd, bijvoorbeeld als het ontoereikend was gemotiveerd. Geregeld blijft een werkgever met lege(re) handen achter.    Naar verwachting wordt het gebruik van een non-concurrentiebeding bovendien nog lastiger door de aanstaande Wet modernisering concurrentiebeding. Daarover schreven wij al deze blog. Recent kwam een creatief beding aan de orde in een recent gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. In het contract van de werknemer was vastgelegd dat een deel van zijn bonus pas twee jaar na de opbouw tot uitbetaling zou komen en dan slechts als hij op dat moment niet in dienst van een concurrent was getreden. Vervolgens trad de werknemer na beëindiging van het dienstverband toch in dienst treedt bij een concurrent en ontstond er een juridische discussie: is deze bepaling niet eigenlijk een concurrentiebeding, want het beperkt de mogelijkheden van de werknemer om ergens in dienst te treden? Moet het beding daarom worden getoetst aan de wettelijke voorwaarden en kan de rechter daarom het beding matigen of vernietigen? De rechter vindt van niet: weliswaar is sprake van een financiële prikkel om ergens niet in dienst te treden, maar de vrijheid om dat te doen wordt niet aangetast. Het beding blijft in stand; de werknemer krijgt het restant van bonus niet. Mogelijk maakt één zwaluw nog geen zomer maar het inbouwen van financiële prikkels kan werknemers helpen om keuzes te maken voor het vervolg van diens carrière. Zeker bij contracten voor bepaalde tijd – waar de mogelijkheden voor het rechtsgeldig bedingen van een concurrentie- of relatiebeding zeer beperkt zijn – is het inbouwen van een prikkel het overwegen waard.   Ook als u geen bonusregeling hanteert, zijn creatieve contractuele clausules mogelijk. Bent u benieuwd geworden naar de mogelijkheden? Neem dan vooral contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Toets aan de Dienstenrichtlijn bij wijziging naar schaarse vergunningen
Op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:823) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de omzetting van ligplaatsvergunningen in Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Hierin wordt ingegaan op de grondslag van deze besluiten en de op grond van de Dienstenrichtlijn benodigde motivering van deze besluiten.  Achtergrond: relatie met de uitspraak van 25 september 2024 over exploitatievergunningen De uitspraak hangt nauw samen met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) en de daaraan voorafgaande uitspraken van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2488) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had destijds een maximumaantal exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over de Amsterdamse binnenwateren vastgesteld op 550 en de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen gewijzigd naar bepaalde tijd. Het college beriep zich daarbij op de Dienstenrichtlijn: als het aantal vergunningen door een dwingende reden van algemeen belang wordt beperkt, mag een vergunning niet voor onbepaalde duur worden verleend. De Afdeling oordeelde dat het college in beginsel bevoegd was om volumebeleid vast te stellen en vergunningen te wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn, maar dat de invulling en motivering van het volumebeleid tekortschoten. Met name was onvoldoende gemotiveerd dat het beleid geschikt en noodzakelijk was in het licht van de Dienstenrichtlijn. De hoger beroepen waren daarom gegrond; gevolg was dat de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd golden. Na deze uitspraak kondigde het college een vergunningenstop af voor nieuwe exploitatievergunningen. Uitspraak van 25 februari 2026: ligplaatsvergunningen De uitspraak van 25 februari 2026 ligt in het verlengde hiervan. Naast de exploitatievergunningen heeft het college ook de ligplaatsvergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend, gewijzigd naar ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Het college heeft zich bij de wijzigingsbesluiten gebaseerd op de Verordening op het binnenwater (hierna: Vob). Hierin is geregeld dat het college een vergunning kan wijzigen, onder meer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten (art. 2.2.6 lid 1 onder b Vob). In de bijbehorende beleidsregels is opgenomen dat alleen ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen met een exploitatievergunning voor bepaalde tijd worden gewijzigd, en dat de einddatum aansluit bij de looptijd van die exploitatievergunning. Grondslag om de exploitatievergunningen te wijzigen Op het moment dat het college het besluit op het bezwaar nam, had het college de exploitatievergunningen van de passagiersvaartuigen gewijzigd van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Maar door de Afdelingsuitspraak van 25 september 2024 gelden die exploitatievergunningen voor deze partijen weer als exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee kan die wijziging niet worden aangemerkt als een relevante “verandering van omstandigheden of inzichten”, nu de wijziging immers niet meer geldt. Ook is daarmee niet voldaan aan de beleidsregels, omdat het geen exploitatievergunningen voor bepaalde tijd meer betreft. De wijziging van de ligplaatsvergunningen kan daarmee niet leiden tot wijziging van de exploitatievergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. Het college heeft daarnaast betoogd dat er een verandering in omstandigheden en inzichten bestaat omdat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Dienstenrichtlijn verplicht tot het wijzigen van de ligplaatsvergunningen in een vergunning voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat onduidelijk is waarom dit onder gewijzigde omstandigheden en inzichten valt. Ook dit kan daarom niet leiden tot wijziging van de ligplaatsvergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. De Afdeling overweegt hiertoe dat in de Vob ook een expliciete grondslag was opgenomen om een vergunning te wijzigen als dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee expliciet ook de Dienstenwet en -richtlijn worden bedoeld. Daarom had het college voor deze grondslag moeten kiezen om de ligplaatsvergunningen te wijzigen als het daaraan de Dienstenrichtlijn ten grondslag wilde leggen en niet voor de grondslag die ziet op verandering van omstandigheden of inzichten. Dienstenrichtlijn Tot slot oordeelt de Afdeling anders dan de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Het verbod om zonder ligplaatsvergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen (art. 2.3.6 Vob) ziet naar zijn aard op dienstverrichters en niet op particulieren. De vergunningsvoorwaarden verschillen bovendien van die voor woonboten en pleziervaartuigen; zo vereist art. 2.3.6 lid 5 Vob dat de activiteiten watergebonden zijn en dat benodigde andere vergunningen zijn verleend. Dit betekent dat het college bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn moet toepassen. Het college heeft dat niet gedaan. Het is niet duidelijk geworden waarom het aantal ligplaatsen het maximum vormt en waarom het college niet meer ligplaatsen ter beschikking kan stellen of kan realiseren. Dit moet in het licht van de Dienstenrichtlijn worden gemotiveerd en dat is niet gebeurd. Verder blijkt uit de motivering van het college niet of onvoldoende waarom de wijziging van het beleid over de ligplaatsvergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het stedelijk milieu te beschermen en het binnenwater te ordenen. Gelet hierop moet het college in een nieuw besluit ingaan op de vraag waarom de wijzigingsbesluiten al dan niet in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op om binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen. Conclusie Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Als sprake is van dergelijke dwingende redenen van algemeen belang, moet vervolgens worden gemotiveerd waarom de maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn. Kort gezegd blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling hoe belangrijk het is dat een bestuursorgaan per stap goed motiveert dat en waarom hiervan sprake is. Heeft u vragen over welke omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden beschouwd en over de motivering van de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregelen? Wij denken graag met u mee. U kunt contact op nemen met Coline Norde, Annelot van der Spek of één van de andere specialisten van ons team Bestuursrecht.
La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Langdurige uitzendarbeid onder het vergrootglas
Langdurige inzet van uitzendkrachten is in veel organisaties de norm. Uitzendarbeid wordt gebruikt om flexibiliteit te creëren en schommelingen in de bezetting op te vangen. Maar hoe tijdelijk is uitzendarbeid nog als dezelfde uitzendkracht jarenlang bij dezelfde inlener werkt? De Hoge Raad maakt in een recente uitspraak duidelijk dat uitzendarbeid echt een tijdelijk karakter moet hebben. Casus: uitzendkracht 13 jaar werkzaam bij dezelfde werkgever In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad ging het om een uitzendkracht die bijna dertien jaar onafgebroken bij dezelfde fabriek werkte. Eerst bij Unilever, later bij Upfield. Hij werkte via verschillende uitzendbureaus en vervulde achtereenvolgens functies als productiemedewerker en expeditiemedewerker. Formeel was hij uitzendkracht. Feitelijk verrichtte hij jarenlang dezelfde structurele werkzaamheden bij dezelfde inlener. Toen Upfield de fabriek sloot, konden vaste medewerkers een beroep doen op het Sociaal Plan. Dat gold niet voor uitzendkrachten. De uitzendkracht stelde dat hij door de langdurige inzet en de aard van zijn werkzaamheden aanspraak had op dezelfde bescherming als vaste werknemers. Hij beriep zich op de Uitzendrichtlijn en de Waadi. Volgens hem was geen sprake meer van uitzendarbeid met een tijdelijk karakter, maar van structureel werk. De kantonrechter en het hof gaven Upfield gelijk. Volgens hen rechtvaardigde de behoefte aan een flexibele schil de langdurige inzet van uitzendarbeid. Upfield wees op wisselende werkdruk, seizoensinvloeden en de noodzaak om bezettingsgaten op te vangen. Ook had Upfield andere uitzendkrachten in vaste dienst genomen en de betreffende uitzendkracht een jaarcontract aangeboden. Voor het hof woog mee dat Upfield dus niet uitsluitend op uitzendarbeid leunde. Oordeel Hoge Raad: uitzendarbeid is per definitie tijdelijk De Hoge Raad corrigeert de lijn van de lagere rechters. Uitzendarbeid moet volgens de Hoge Raad per definitie tijdelijk zijn. Dat volgt uit de Uitzendrichtlijn. Die Richtlijn staat langdurige of opeenvolgende inzet van een uitzendkracht alleen toe als het tijdelijke karakter gewaarborgd blijft én er een objectieve rechtvaardiging is. Een algemeen beroep op flexibiliteit is daarvoor onvoldoende. Juist als een uitzendkracht jarenlang vrijwel onafgebroken bij dezelfde inlener werkt, is dat een sterke aanwijzing dat sprake is van structurele werkzaamheden, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt verder dat langdurige uitzendarbeid bij dezelfde inlener een signaal is van mogelijk misbruik van opeenvolgende uitzendovereenkomsten. De rechter moet dan toetsen of de uitzendconstructie niet wordt gebruikt om de regels over bescherming van werknemers te omzeilen. Denk aan ontslagbescherming, loondoorbetaling en toegang tot een vaste baan bij de inlener. Het hof heeft de verkeerde maatstaf aangelegd aldus de Hoge Raad. Het hof heeft de behoefte aan een flexibele schil te snel geaccepteerd als objectieve rechtvaardiging voor dertien jaar uitzendarbeid. Ook het feit dat andere uitzendkrachten wel in dienst zijn genomen en dat een jaarcontract is aangeboden, verandert daar niets aan. De feitelijke inzet van dezelfde uitzendkracht gedurende dertien jaar overschrijdt volgens de Hoge Raad de grens van wat nog als tijdelijk kan gelden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam. De gevolgen voor de praktijk: kritisch kijken naar uitzendarbeid De uitspraak brengt  een kentering met zich mee ten aanzien van de duur dat een uitzendkracht werkzaam kan zijn bij dezelfde inlener. De kern is dat uitzendarbeid tijdelijk moet zijn. Uitzendarbeid is bedoeld om pieken, ziekte, vervanging of duidelijk afgebakende projecten op te vangen en dus niet om structurele functies jarenlang in te vullen. Aandachtspunten voor werkgevers die werken met uitzendkrachten zijn de duur van de inzet en of uitzendkrachten worden ingezet ten behoeve van een tijdelijk project, een piekseizoen of bijvoorbeeld wegens duidelijke fluctuerende productie. Daarnaast is deze uitspraak ook van belang in het kader van Sociaal Plannen en cao-afspraken. In deze regelingen worden uitzendkrachten nog wel eens uitgesloten. Als uitzendarbeid feitelijk geen tijdelijk karakter meer heeft, kan een uitzendkracht stellen dat hij recht heeft op vergelijkbare bescherming als een vaste werknemer bij de inlener. Hier moeten werkgever op bedacht zijn. Contact Heeft u vragen over het tijdelijke karakter van uitzendarbeid of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Rose Horstman of een van onze andere Arbeidsrecht specialisten. 
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Stroom van data: samenloop tussen de Energiewet en de AVG
Met de inwerkingtreding van de Energiewet per 1 januari 2026 zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vervangen. Binnen de Energiewet is een is een belangrijke rol weggelegd voor de beschikbaarheid van accurate gegevens, bijvoorbeeld ten aanzien van verbruik en invoeding. Verschillende marktpartijen die een rol hebben bij het creëren en het verzamelen van gegevens worden verplicht tot het beheren van een register, dat vervolgens op een centrale manier wordt ontsloten. Nadrukkelijk wordt ook rekening gehouden met de AVG; de Energiewet stelt eisen aan de omgang met energiedata, onder meer op het gebied van privacy en kwaliteit van de gegevens. Dit blog gaat in op het kader voor gegevensverwerkingen zoals vastgelegd in de Energiewet. Data‑uitwisseling als pijler van de Energiewet De Energiewet reguleert gegevensuitwisseling in hoofdstuk 4 en maakt onderscheid in de volgende processen: Functioneren van een energiesysteem (factureren, transporteren, overstappen etc.); Inzage in eigen gegevens; Uitwisseling op verzoek van de datarechthebbende; Uitwisseling op basis van een wet of Europese verordening.[1] Gegevens binnen de reikwijdte van de Energiewet worden ondergebracht in een beperkt aantal registers, die worden beheerd door aangewezen registerbeheerders. Dit zijn de systeembeheerders van een energiesysteem of de meetverantwoordelijke partij. Het register bevat de gegevens die de registerbeheerder zelf verzamelt en de in artikel 4.8. Energiewet opgenomen categorieën van gegevens die andere marktpartijen (zoals een leverancier, actieve afnemer en een balanceringsverantwoordelijke) verzamelen en vervolgens aanleveren. De specifieke gegevens die binnen de opgenomen categorieën vallen, worden bij ministeriële regeling nader bepaalt. Een centrale Gegevensuitwisselingsentiteit (het Normo) draagt zorg voor de toegang en ontsluiting van de energiedata in de verschillende registers.[2]  Gegevensverwerkingen op basis van de Energiewet Met de Energiewet en bijbehorende regelgeving wordt nagestreefd dat de beginselen van de AVG en de bijbehorende rechten gelijkelijk worden toegepast op alle gegevens binnen het stelsel van de Energiewet.[3] Het algemene uitgangspunt is dat de partij die de gegevens verzamelt en aanlevert ook de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit van deze gegevens (correct, tijdig, volledig).[4] De wet borgt bovendien inzagemogelijkheden, zodat consumenten en eindafnemers beter inzicht krijgen in hun eigen gegevens en deze desgewenst met derden kunnen delen. Op basis van de Energiewet kan in lagere regelgeving worden vastgelegd dat het verwerken van persoonsgegevens in bepaalde gevallen verplicht is. Een tweede grondslag is dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG). De Energiewet bevat de taken en de verwerkende partij zal moeten nagaan of een bepaalde verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van die taak. Daarnaast blijft het onverminderd mogelijk voor partijen om gebruik te maken van de andere AVG grondslagen zoals toestemming, uitvoering van een overeenkomst en gerechtvaardigd belang.[5] De verdere invulling van de grondslagen die dienen te worden gebruikt bij de processen genoemd in hoofdstuk 4 Energiewet volgt per ministeriële regeling.[6] Het toezicht op gegevensverwerkingen ligt bij zowel de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als de Autoriteit Consument en Markt (ACM): de AP ziet toe op de verwerking van persoonsgegevens, terwijl de ACM toezicht houdt op de werking van de energiemarkt en de bescherming van consumenten. Wat betekent dit voor uw organisatie? Verzameling, gebruik en verwerking van gegevens spelen een centrale rol in de Energiewet. Er ontstaat een samenloop tussen de Energiewet en de AVG, wat vraagt om zorgvuldige keuzes ten aanzien van grondslagen voor gegevensverwerking, verantwoordelijkheden en risicobeheersing. Wilt u weten wat dit concreet voor uw organisatie betekent? Neem dan contact op met een van onze Data & Privacy en/of Energie specialisten. Referenties [1] Artikel 4.1 lid 2 Energiewet. [2] Artikel 4.15 e.v. Energiewet. [3] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106. [4] Artikel 4.2 Energiewet; Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 106.   [5] Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3, Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Energiewet, p. 107-108. [6] Artikel 4.1 lid 3 Energiewet.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Update Franchise #6 Simon Lévelt vs. franchisenemer: wie bepaalt de verkoopprijs van de franchiseonderneming?
Op 24 december 2025 wees de Rechtbank Noord-Holland vonnis in een zaak tussen Simon Lévelt en een van haar franchisenemers (ECLI:NL:RBNHO:2025:15548). De franchisenemer wil haar onderneming verkopen, waarna tussen partijen een geschil ontstaat over de verkoopprijs en hoeveel invloed Simon Lévelt op basis van het formulehandboek op het verkoopproces kan uitoefenen. De rechtbank oordeelt dat in het franchisehandboek geen nadere eisen aan overdracht mogen worden gesteld als dit niet in de franchiseovereenkomst is geregeld. Achtergrond: verkoopwens en strijd over goodwill en vraagprijs  De franchisenemer exploiteert sinds 2007 een Simon Lévelt‑vestiging. In 2022 besluit zij haar onderneming tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst te verkopen. Haar accountant waardeert de goodwill op € 250.000. Simon Lévelt meent echter dat een realistische goodwillwaarde tussen € 90.000 en € 120.000 ligt. De franchiseovereenkomst tussen Simon Lévelt en de franchisenemer bevat een overdrachtsregeling. Hierin is bepaald dat Simon Lévelt toestemming voor overdracht alleen mag onthouden als de kandidaat‑koper niet voldoet aan de eisen van kredietwaardigheid, vakbekwaamheid en geschiktheid om als franchisenemer van Simon Lévelt te fungeren. De franchiseovereenkomst bevat voorts een voorrangsbepaling: bij strijdigheid prevaleert de franchiseovereenkomst boven het door Simon Lévelt gehanteerde formulehandboek. Het formulehandboek stelt nadere eisen aan de overdracht door de franchisenemer. De franchisenemer moet eerst een vraagprijs aan Simon Lévelt voorleggen. Vindt de franchisegever die niet “marktconform en/of realistisch”, volgt overleg en – bij gebrek aan overeenstemming – een waardebepaling door een externe deskundige. Pas na overeenstemming over de maximale vraagprijs mag een koper worden gezocht, aldus het formulehandboek. Wanneer zich een serieuze kandidaat meldt, laat Simon Lévelt de franchisenemer weten dat zij geen toestemming verleent zolang geen akkoord is bereikt over de maximale vraagprijs en dat de franchisenemer dus niet vrij is om met deze kandidaat te onderhandelen.  De franchisenemer komt hiertegen op en vordert onder meer een verklaring voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek ongeldig is, dat Simon Lévelt haar niet mag verbieden met kopers te praten en dat het stellen van niet‑overeengekomen eisen in strijd is met goed franchisegeverschap en een toerekenbare tekortkoming oplevert.  Voorrangsregeling in de franchiseovereenkomst De rechtbank begint met een uitleg van de voorrangsbepaling, waarbij wordt teruggegrepen op wat partijen over en weer redelijkerwijs mochten verwachten (‘Haviltex’). Ook wijst de rechtbank op de contra proferentem‑regel: onduidelijkheden in de door de franchisegever opgestelde overeenkomst werken in beginsel in haar nadeel.  De rechtbank verwerpt de stelling van Simon Lévelt dat de bepaling over de voorrang van de franchiseovereenkomst alleen ziet op wijzigingen en uitbreidingen in het formulehandboek. De rechtbank oordeelt dat uit de franchiseovereenkomst volgt dat voor alle bepalingen van het formulehandboek bij strijdigheid de franchiseovereenkomst prevaleert. De rechtbank overweegt dat de franchiseovereenkomst in de verhouding franchisegever–franchisenemer “het belangrijkste document is en als zodanig het primaat heeft boven het formulehandboek”. Mag de franchisegever de vraagprijs dicteren? Uiteindelijk dient de rechtbank te oordelen of de overdrachtsbepaling in het franchisehandboek verenigbaar is met de franchiseovereenkomst. De rechtbank stelt vast dat de franchiseovereenkomst “zeer specifieke en objectieve criteria” geeft waaraan een potentiële opvolger moet voldoen, waaronder kredietwaardigheid. Zodra de franchisenemer een kandidaat vindt die aan deze criteria voldoet, mag Simon Lévelt haar toestemming niet weigeren. Dit artikel ziet op kwaliteiten van de koper, niet op verkoopvoorwaarden (zoals de prijs). Daaruit volgt dat het uitgangspunt moet zijn “dat de franchisenemer zelf een koper mag zoeken en met die koper een prijs mag overeenkomen, zolang de koper maar aan de gestelde kwalitatieve vereisten voldoet.” De rechtbank oordeelt dat de bepalingen in het franchisehandboek de bepalingen uit de franchiseovereenkomst niet zomaar kunnen ‘uithollen’. Simon Lévelt heeft op grond van de franchiseovereenkomst alle mogelijkheden om haar belangen te beschermen, bijvoorbeeld door de kredietwaardigheid te toetsen. Volgens de rechtbank wordt door het bepaalde in het franchisehandboek de overdrachtsvrijheid van de franchisenemer verder beperkt dan in de franchiseovereenkomst is overeengekomen, en rijkt  daarmee de bepaling te ver. De rechtbank verklaart voor recht dat het artikel uit het franchisehandboek strijdig is met de franchiseovereenkomst en derhalve ongeldig is. Toerekenbare tekortkoming franchisegever De franchisenemer stelt dat het eenzijdig stellen van niet‑overeengekomen of ongeldige eisen – zoals het eisen van overeenstemming over de maximale verkoopprijs – in strijd is met goed franchisegeverschap (art. 7:912 BW) en een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank gaat hierin mee en oordeelt dat Simon Lévelt toerekenbaar tekortschiet door onderhandelingen te verbieden en toestemming te onthouden zolang geen overeenstemming bestaat over een maximale vraagprijs.  De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat hierdoor (mogelijke) schade is ontstaan, omdat de kans op verkoop aan de potentiële koper is verkleind of verloren is gegaan. Dat volstaat om een schadevergoeding “nader op te maken bij staat” toe te wijzen.  Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang is bij het opstellen van contracten en interne documenten goed na te gaan of deze met elkaar overeenstemmen. De (franchise)overeenkomst wordt aangemerkt als het belangrijkste document in het kader van de verplichtingen over en weer, zodat beperkingen en verplichtingen voldoende duidelijk uit de franchiseovereenkomst moeten volgen. Wat niet in een franchiseovereenkomst is geregeld, kan dus niet ‘via de achterdeur’ van het franchisehandboek worden beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer de franchiseovereenkomst een voorrangsbepaling bevat. Heeft u vragen over dit onderwerp of over de franchiseovereenkomst? Neem dan gerust contact op met Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Uber-arrest 2026: kwalificatie arbeidsrelatie is geen one-size-fits-all
Op 27 januari jl. heeft het gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in de inmiddels langlopende procedure tussen Vakbond FNV en Uber over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Uber en haar chauffeurs. Centraal stond de vraag of Uber-chauffeurs kwalificeren als werknemers (waardoor de Taxi CAO op hen van toepassing zou zijn) of als zelfstandige ondernemers. FNV stelde zich op het standpunt dat Uber-chauffeurs feitelijk in een gezagsverhouding tot Uber staan en daarom werknemers zijn. Uber – gesteund door een aantal chauffeurs die aan de procedure deelnamen – betoogde juist dat de chauffeurs als zelfstandigen opereren. Wat ging er aan de uitspraak van het gerechtshof vooraf? In eerste aanleg oordeelde de rechtbank Amsterdam dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber ging daartegen in hoger beroep. In een tussenarrest paste het gerechtshof de door de Hoge Raad ontwikkelde Deliveroo-criteria toe, maar liep daarbij (onder meer) tegen de vraag aan hoe één van die criteria, het ondernemerschap, moest worden toegepast. Het gerechtshof stelde daarover enkele prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft die vragen op 21 februari 2025 beantwoord en (onder meer) geoordeeld dat er bij het beantwoorden van de kwalificatievraag geen rangorde bestaat tussen de verschillende Deliveroo-criteria. Het criterium ondernemerschap moet dus volwaardig worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hiermee werd duidelijk dat andere criteria niet automatisch zwaarder wegen. Na deze uitspraak is de procedure bij het gerechtshof Amsterdam voortgezet. Tot welk oordeel komt het gerechtshof? Het gerechtshof oordeelt dat de Uber-chauffeurs een sterke mate van ondernemerschap vertonen en komt tot de conclusie dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het gerechtshof hecht daarbij onder meer belang aan: de omvang van de investeringen, waaronder de aanschaf en keuze van een eigen auto; de vrijheid om werktijden zelf te bepalen; de vrijheid en strategie bij het accepteren of weigeren van ritten; het dragen van ondernemersrisico’s, zoals aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het gerechtshof overweegt daarnaast dat de Uber-chauffeurs in kwestie weliswaar veel uren per week werken, maar zij daarbij meerdere platforms tegelijk gebruiken. De Uber-chauffeurs zijn vaak gelijktijdig ingelogd op verschillende apps, hetgeen volgens het gerechtshof een aanwijzing is voor ondernemerschap. Het gerechtshof overweegt tot slot uitdrukkelijk dat de beoordeling anders kan uitvallen indien de specifieke omstandigheden van een individuele chauffeur daartoe aanleiding geven. Het is dus goed mogelijk dat bepaalde Uber-chauffeurs wél als werknemers kwalificeren. Het kwalificatieoordeel betreft geen “one-size-fits-all”. Wat betekent dit voor de praktijk? Deze uitspraak bevestigt (opnieuw) dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie geen standaardvraagstuk is. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of zelfstandigheid hangt af van een integrale beoordeling van alle omstandigheden van het geval. De individuele omstandigheden zijn daarbij doorslaggevend. Er bestaat geen uniforme kwalificatie voor iedereen, ook niet binnen één platform of organisatie. Maatwerk is en blijft vereist. Over het ‘ZZP-beleid’ zeggen de nieuwe coalitiepartijen in het coalitieakkoord weinig concreets. De aandacht lijkt beperkt tot het bestrijden van schijnzelfstandigheid en het voortzetten van de zelfstandigenwet. Het is te hopen dat het wetsproces daarover snel wordt opgepakt en de nieuwe wet concrete handvatten biedt voor de praktijk. Heeft u vragen over de kwalificatie van arbeids- of opdrachtovereenkomsten, of over de gevolgen van deze uitspraak voor uw organisatie? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Nieuwe franchiseovereenkomst, zwaardere bedingen? Franchisegevers zijn in dat geval verplicht franchisenemers tijdig en duidelijk daarover te informeren.
Franchisegevers die hun franchiseovereenkomsten vernieuwen of “updaten”, doen er goed aan scherp te zijn. Een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) laat zien waarom: wie een franchiseovereenkomst verzwaart zonder franchisenemers daar expliciet en duidelijk over te informeren, loopt het risico dat die bedingen geen stand houden. Wat ging hier mis? In deze zaak had de franchisegever na invoering van de Wet franchise een nieuwe (herziene) franchiseovereenkomst ingevoerd. Daarbij werd het non-concurrentiebeding aanzienlijk verzwaard: het gold niet langer alleen tijdens de looptijd van de overeenkomst, maar ook nog één jaar na beëindiging. Ook het relatiebeding werd aangescherpt. Volgens de franchisegever veranderde er “feitelijk weinig” en waren bestaande regels slechts verplaatst vanuit het franchisehandboek. De rechter ging daar niet in mee. De Voorzieningenrechter was helder: als een nieuwe of hernieuwde franchiseovereenkomst leidt tot een verslechtering van de positie van de franchisenemer, rust op de franchisegever een duidelijke informatieverplichting. Die informatie moet tijdig worden verstrekt, rechtstreeks aan de franchisenemer worden gegeven en zo duidelijk zijn dat de franchisenemer kan overzien wat de gevolgen zijn voor zijn onderneming en zijn exit-vrijheid. Dat overleg in een franchiseraad of een algemene mededeling  dat “er weinig verandert” volstaat, is volgens de rechtbank onvoldoende. Omdat de franchisegever haar informatieplicht niet was nagekomen, oordeelde de rechter in dit kort geding dat de franchisenemers voorshands niet aan het verzwaarde non-concurrentiebeding zijn gebonden. Hetzelfde gold voor het relatiebeding: een dergelijk beding valt volgens de rechtbank ook onder de reikwijdte van art. 7:920 lid 2 BW. De franchisegever kon bovendien niet uitleggen welke concrete knowhow bescherming vereiste, terwijl dat onder de Wet franchise wel een harde voorwaarde is voor de geldigheid van concurrentie- en nu ook relatiebedingen. In dit kort geding leidde dat ertoe dat het non-concurrentiebeding werd geschorst en ook het relatiebeding voorlopig buiten werking werd gesteld, in afwachting van een bodemprocedure. Waarom is dit relevant voor u? Deze uitspraak maakt duidelijk dat het vernieuwen van franchisecontracten juridisch risicovol kan zijn als dat niet zorgvuldig gebeurt. Voor franchisegevers: ✔ check of een nieuwe overeenkomst de positie van franchisenemers verzwaart; ✔ informeer franchisenemers daar expliciet en aantoonbaar over; ✔ en onderbouw postcontractuele bedingen concreet met beschermenswaardige knowhow. Voor franchisenemers: ✔ laat een “geüpdatete” franchiseovereenkomst altijd toetsen; ✔ verzwaarde non-concurrentie- en relatiebedingen zijn niet vanzelfsprekend geldig; ✔ ontbreekt goede informatie? Dan staat u sterker dan u denkt.  
Dewi Britsemmer – La Gro 2-min
Dewi Britsemmer
Advocaat
Pas op met automatische uitsluiting bij aanbestedingen
Hoe worden uitsluitingsgronden vormgegeven in de aanbestedingsstukken? Wordt een inschrijver bij het intreden van een uitsluitingsgrond automatisch uitgesloten, of wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld zijn betrouwbaarheid aan te tonen (self-cleaning) en voert de aanbestedende dienst een proportionaliteitstoets uit? De keuze voor automatische uitsluiting kan grote aanbestedingsrechtelijke gevolgen hebben. Een recent arrest van de Hoge Raad laat zien dat automatische uitsluitingsbedingen de aanbestedende dienst juridisch klem kunnen zetten. Uitsluitingsgronden en de Aanbestedingswet De Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) kent twee typen uitsluitingsgronden op basis waarvan een inschrijver van deelname aan een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten: verplichte en facultatieve uitsluitingsgronden.   Bij Europese aanbestedingsprocedures is een aanbestedende dienst verplicht naar toepasselijkheid van verplichte uitsluitingsgronden te vragen. Facultatieve uitsluitingsgronden zijn daarentegen optioneel: de aanbestedende dienst bepaalt zelf of hij deze van toepassing verklaart en legt dat vast in de aanbestedingsstukken. Een aanbestedende dienst is verplicht om de toepasselijke uitsluitingsgronden gedurende de gehele procedure consequent toe te passen. Indien een uitsluitingsgrond op een inschrijver van toepassing is, dient de aanbestedende dienst die inschrijver uit te sluiten van deelname aan de aanbesteding, tenzij de aanbestedende dienst afziet van uitsluiting op grond van art. 2.87a of art. 2.88 Aw 2012. Art. 2.88 Aw 2012 stelt de aanbestedende dienst in de gelegenheid af te zien van uitsluiting in geval van dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit disproportioneel zou zijn. Op grond van art. 2.87a Aw 2012 moet de inschrijver in geval van toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond de gelegenheid krijgen aan te tonen dat hij adequate maatregelen heeft getroffen. Voor automatische uitsluiting is op grond van de Aw 2012 dan ook geen ruimte. Indien een aanbestedende dienst toch kiest voor automatische uitsluiting, kan dit leiden tot een klempositie voor de aanbestedende dienst. Dat blijkt uit het hierna te bespreken arrest. HR 21 november 2025 (Ministerie van VWS / Connexxion) In dit arrest ging het om een door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (“VWS”) uitgeschreven Europese aanbesteding voor de vervoersdienst Valys. In de aanbestedingsstukken was bepaald dat een inschrijver die onder een uitsluitingsgrond viel, automatisch werd uitgesloten. Eén van de inschrijvers was in het verleden door de NMa (thans ACM) beboet wegens het maken van kartelafspraken. Desondanks besloot VWS de inschrijver niet uit te sluiten en de opdracht aan haar te gunnen. De reden daarvoor was een destijds geldende, dwingende wettelijke bepaling (art. 45 lid 3 Bao). Op grond daarvan moest een aanbestedende dienst voorafgaand aan de uitsluiting toetsen of uitsluiting evenredig was. Connexxion maakte als verliezende inschrijver tegen de gunningsbeslissing bezwaar. De Hoge Raad stelt vast dat de beboete inschrijver op grond van de aanbestedingsstukken automatisch van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure moest worden uitgesloten. Tegelijkertijd gold op grond van dwingend recht dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting een evenredigheidstoets moest uitvoeren, waardoor uitsluiting niet per definitie noodzakelijk was. Indien de aanbestedende dienst zou kiezen voor automatische uitsluiting, handelt hij in strijd met het aanbestedingsrecht; indien hij daarentegen zou besluiten de evenredigheidstoets voorafgaand aan de uitsluiting uit te voeren, handelt hij in strijd met zijn eigen aanbestedingsstukken. Volgens de Hoge Raad komt de aanbestedende dienst daarmee in een klempositie terecht, waarin het de facto onmogelijk is een rechtmatige aanbestedingsprocedure te doorlopen. De zaak is voor verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Wat betekent dit arrest voor de praktijk? Een aanbestedende dienst komt in een klempositie te verkeren wanneer in de aanbestedingsstukken automatische uitsluiting wordt voorgeschreven, terwijl de Aw 2012 juist vereist dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting ruimte laat voor self-cleaning en een proportionaliteitstoets. In een dergelijke situatie kan het gevolg zijn dat een rechtmatige gunning niet langer mogelijk is en dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken. De les is duidelijk: neem geen automatische uitsluitingsbedingen op. Uitsluitingsbedingen dienen zorgvuldig te worden geformuleerd en expliciet ruimte te laten voor de afwegingen zoals opgenomen in de Aw 2012. Heeft u vragen over automatische uitsluitingsbedingen of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Dewi Britsemmer, Noa van den Brink of een van onze overige aanbestedingsspecialisten.