Publicaties

Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
DAEB vrijstellingsbesluit herzien - een oplossing voor de woningnood?
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie de herziene versie van het Vrijstellingsbesluit voor staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB Vrijstellingsbesluit”) aangenomen. Het DAEB Vrijstellingsbesluit maakt het mogelijk om steun te verlenen voor diensten die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat melding bij de Europese Commissie is vereist. Dit DAEB Vrijstellingsbesluit is nu door de Europese Commissie opgefrist, onder andere met het doel om woningbouw te stimuleren en de huisvestingscrisis tegen te gaan. Wat is er exact gewijzigd? En wat voor gevolgen heeft dit voor u? U leest het in onderstaande blog! Wat is staatssteun?  Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is steun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”). Diensten van algemeen economisch belang DAEB’s zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen maar die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden. Er is daarom staatssteun vereist om deze diensten onder de gewenste voorwaarden of kwaliteit voor burgers op de markt aan te kunnen bieden. Dit kan bijvoorbeeld sociale woningbouw of exploitatie van economisch inefficiënte busverbindingen betreffen. Overheden hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid bij het bepalen welke diensten zij als DAEB kwalificeren. Het DAEB Vrijstellingsbesluit De Europese Commissie heeft een aantal instrumenten ontwikkeld op basis waarvan DAEB-steun rechtmatig aan ondernemingen kan worden verleend. Eén van deze instrumenten is het DAEB Vrijstellingsbesluit. Op basis van dit besluit kunnen overheden ondernemingen die zijn belast met het verrichten van een DAEB compensatie geven voor het verrichten van de betreffende DAEB mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er is sprake van een DAEB; De compensatie bedraagt maximaal € 20 miljoen per jaar of valt binnen de andere categorieën DAEB’s die binnen het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit vallen conform art. 2 lid 1 van het Vrijstellingsbesluit;  De periode waarvoor de onderneming wordt belast met de DAEB is niet langer dan 10 jaar;  Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst, oftewel, er mag geen sprake zijn van overcompensatie;  De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren wordt belast met uitvoering van de DAEB in een toewijzingsbesluit waarin de DAEB, het compensatiemechanisme en overige relevante aspecten zoals voorgeschreven in het DAEB Vrijstellingsbesluit worden uitgewerkt; Er wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden (controle op overcompensatie, transparantie).   Waarom herzien? De Europese Commissie heeft het een evaluatie verricht naar (de toepassing van) het “oude” Vrijstellingsbesluit in de praktijk. Dit heeft tot de conclusie geleid dat de huidige staatssteunregels onvoldoende handvatten bieden voor lidstaten om de huisvestingscrisis tegen te gaan waar de gehele Europese Unie mee kampt. Ook was het “oude” Vrijstellingsbesluit op bepaalde punten toe aan een actualisatie, verduidelijking en versimpeling van de administratieve voorwaarden. Om die redenen heeft de Europese Commissie een herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit aangenomen waarin ervaringen van het oude besluit, economische veranderingen (waaronder de huisvestingscrisis) en marktontwikkelingen zijn verwerkt. De herziening is onderdeel van het “Europees plan voor betaalbare huisvesting” van de Europese Commissie. DAEB Vrijstellingsbesluit: nieuw vs. oud De Europese Commissie heeft ten aanzien van de volgende onderwerpen de volgende wijzigingen doorgevoerd in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit: Verhoging compensatieplafond Gelet op de inflatie sinds de inwerkingtreding van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit in 2012, heeft de Commissie het algemene compensatieplafond verhoogd. Op basis van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit is het mogelijk om maximaal € 20 miljoen per jaar aan steun toe te kennen onder het algemene compensatieplafond. Onder het “oude” Vrijstellingsbesluit bedroeg dit plafond € 15 miljoen. Sociale en betaalbare huisvesting als DAEB Om de huisvestingscrisis in Europa tegen te gaan, heeft de Europese Commissie de kaders omtrent DAEB-steun voor sociale huisvesting nader uitgewerkt/versoepeld. Daarnaast heeft zij betaalbare huisvesting als steuncategorie toegevoegd. DAEB-steun voor sociale en betaalbare huisvesting is niet gebonden aan het algemene compensatieplafond, en kan dus meer dan € 20 miljoen per jaar bedragen mits dit niet leidt tot overcompensatie. De belangrijkste definities en voorwaarden voor huisvestingssteun heeft de Europese Commissie uitgewerkt in de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit. Een DAEB op het gebied van sociale huisvesting wordt gedefinieerd als een dienst voor kansarme huishoudens of sociaal minder bevoorrechte groepen, met inbegrip van daklozen. DAEB’s voor betaalbare huisvesting hebben voornamelijk betrekking op huishoudens die niet achtergesteld zijn, maar welke door marktontwikkelingen, met name marktfalen, geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan starters, ouderen of alleenstaande ouders. In de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit stelt de Commissie onder andere de volgende voorwaarden (in aanvulling op de algemene voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit) waaraan moet worden voldaan bij het verlenen van steun voor sociale en/of betaalbare huisvesting: Kwaliteits-, milieu- en toegankelijkheidseisen: sociale en betaalbare huisvesting moet van passende kwaliteit en toegankelijkheid zijn, voldoen aan milieunormen en zijn aangepast aan de behoeften van huishoudens. Duur: in principe moeten sociale en betaalbare woningen gedurende ten minste twintig jaar voor dat doel worden gebruikt om te voorkomen dat de gesubsidieerde woningen snel op de commerciële markt worden verkocht. Subsidiabele kosten: in de bijlage is een brede lijst van kosten opgenomen welke in aanmerking komen voor dekking uit DAEB-steun. Ten aanzien van betaalbare huisvesting worden ook eisen gesteld met betrekking tot de prijzen die gehanteerd worden voor de woningen. De moeten op transparante wijze worden vastgesteld en onder de marktprijzen blijven, maar niet lager zijn dan nodig voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling. Ook moeten de betreffende woningen daadwerkelijk als betaalbare huisvesting worden gebruikt (en niet als bijvoorbeeld een tweede woning) en moet de toewijzing van de woningen plaatsvinden op basis van open systemen. Nieuwe/gewijzigde steuncategorieën In het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit zijn kritieke geneesmiddelen toegevoegd als mogelijke steuncategorie. Ook zijn de kaders voor luchthavens, luchtverbindingen, maritieme verbindingen met eilanden en havens gewijzigd. Controle op overcompensatie Ten aanzien van controle op overcompensatie heeft de Europese Commissie het regime versoepeld. Onder het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit diende controle op overcompensatie om de drie jaar en aan het einde van de DAEB plaats te vinden. Deze frequentie is in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit teruggebracht naar controle eens in de vijf jaar. Ook is controle achteraf niet meer vereist indien de steunbegunstigde geen andere activiteiten dan de DAEB uitvoert en wettelijk verplicht is alle winsten in de DAEB te herinvesteren. Rapportage- en transparantieverplichtingen Op grond van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit gold een tweejaarlijkse rapportageverplichting voor lidstaten. Deze verplichting komt per 2026 te vervallen. De transparantie zal per 2028 gewaarborgd worden door middel van een registratieverplichting. Vanaf 1 januari 2028 zal alle staatssteun onder het DAEB Vrijstellingsbesluit die meer bedraagt dan € 1 miljoen per onderneming, in een centraal register geregistreerd moeten worden binnen 20 werkdagen na steunverlening. Inwerkingtreding Bovengenoemde wijzigingen treden in werking op de twintigste dag na publicatie van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie. Praktische impact Hoewel de herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit op het eerste gezicht een groot aantal wijzigingen introduceert, blijft de essentie van het besluit in de praktijk grotendeels hetzelfde. De basisprincipes, zoals het vereiste van een toewijzingsbesluit en verbod op overcompensatie, blijven onverminderd van kracht. Deze basisprincipes worden aangevuld met concrete handvatten die overheden kunnen gebruiken om de woningnood op een flexibelere en efficiëntere wijze tegen te gaan. De praktische implicaties zijn vooralsnog beperkt tot het verwerken van de nieuwe kaders voor sociale en betaalbare huisvesting bij het verlenen van steun aan dit type DAEB’s. Overheden zullen ontlast worden van de tweejaarlijkse rapportageverplichting en hoeven minder frequent op overcompensatie te controleren. Per 1 januari 2028 gaat voor steunverleners de verplichting gelden om steunverleningen boven € 1 miljoen per onderneming per DAEB in een centraal register te registeren. In hoeverre deze wijzigingen de oplossing gaan zijn voor de huisvestingscrisis, moet nu in de praktijk gaan blijken. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Bereikbaar via e-mail?
Op grond van artikel 2:14 van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot één of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Maar wanneer heeft iemand kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is? Die vraag speelde in de zaak die leidde tot het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 21 november 2025. Wat was er aan de hand? Iemand had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting via een daartoe bestemd contactformulier op de website. In dat contactformulier was een veld opgenomen waarin werd gevraagd naar het e-mailadres. Dit was een verplicht veld. De beslissing op bezwaar is vervolgens per e-mail  toegezonden aan het e-mailadres dat in het contactformulier was opgenomen. De vraag was of de beslissing op bezwaar daarmee op de juiste wijze bekend was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, door bezwaar te maken door op de website van de gemeente een contactformulier in te vullen en dit digitaal aan de heffingsambtenaar te sturen, ermee akkoord is gegaan dat hij op het daarin opgegeven e-mailadres bereikbaar is.  De beslissing was volgens de rechtbank op de juiste wijze bekend gemaakt. In cassatie haalt de Hoge Raad eerst de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 van de Awb aangehaald. Daarin is gesteld dat het uitgangspunt is dat de burger mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt. Een burger kan volgens de parlementaire toelichting in beginsel “meer of minder uitdrukkelijk” kenbaar maken dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, waarbij hij ook te kennen moet geven voor welk bericht of welke berichtenuitwisseling dit geldt, voor welke vorm van elektronisch verkeer hij openstaat en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. De Hoge Raad overweegt dat of een uiting of andere gedraging van een burger aan deze eisen voldoet, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De enkele bekendheid bij het bestuursorgaan van een emailadres is hiervoor niet zonder meer voldoende. Ook de omstandigheid dat een burger die langs elektronische weg een verzoek doet, daarin een e-mailadres opgeeft, brengt niet zonder meer mee dat hij daarmee – impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van correspondentie over dat verzoek steeds langs elektronische weg en op dat e-mailadres bereikbaar is. De Hoge Raad merkt daarbij op dat een bestuursorgaan aan een burger kan vragen om expliciet kenbaar te maken of hij langs elektronische weg bereikbaar is, bijvoorbeeld door op een elektronisch aanvraagformulier uitdrukkelijk de vraag te stellen of de aanvrager het op prijs stelt om ook het vervolg van het met de aanvraag in gang gezette besluitvormingsproces langs elektronische weg voort te zetten en, indien dat het geval is, of de aanvrager het elektronische postadres kenbaar wil maken waarop hij daartoe bereikbaar is. Wmebv Op 1 januari 2026 treedt (weer een deel) de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) in werking. Op grond van deze wet kan een ieder een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht  of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch zenden aan een bestuursorgaan (artikel 2:13 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026). Andersom, voor berichten die het bestuursorgaan verzendt aan een of meer geadresseerden, blijft  echter gelden dat een bestuursorgaan dergelijke berichten slechts elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (artikel 2:8 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026).  Het arrest van 21 november 2025 blijft daarom ook na 1 januari 2026 relevant. Vragen Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar, of een van de andere advocaten uit het Team Overheid.
Nesrine Khalloufi – La Gro
Nesrine Khalloufi
Advocaat
Geen onbegrensde bevoegdheid bij het opstellen van nadere regels op grond van een APV-bepaling
In de uitspraak van 3 december 2025 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (hierna: het college) bevoegd was om, op grond van door hem vastgestelde nadere regels over standplaatsvergunningen, een veilingsysteem te introduceren ‑ Het oordeel luidde – kort gezegd – dat het college hiertoe niet bevoegd was. Achtergrond Een exploitante van een suikerspinkraam dient bij het college van ’s-Hertogenbosch een aanvraag in voor een standplaatsvergunning (hierna: de aanvraag) op de markt tijdens carnaval voor de jaren 2023 tot en met 2025. Dit heeft de exploitante gedaan door een bod uit te brengen tijdens een door het college georganiseerde gesloten veiling. Het college wijst de aanvraag op grond van de Nadere regels standplaatsen gemeente ’s‑Hertogenbosch (hierna: Nadere regels) af, omdat exploitante niet het hoogste bod op de door haar gewenste standplaats heeft uitgebracht. Exploitante komt hiertegen in beroep. De rechtbank geeft exploitante gelijk en overweegt hiertoe – kort gezegd – dat het college, als het gebruikmaakt van de bevoegdheid om nadere regels te stellen, gebonden is aan de door de gemeenteraad in artikel 5:14 van de APV bepaalde kaders. Het opstellen van nadere regels over weigeringsgronden gaat deze bevoegdheid te buiten. Het college is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. Volgens het college is de in de Nadere regels opgenomen weigeringsgrond een uitwerking van artikel 5:14, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Hierin is bepaald dat het college, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV, de vergunning kan weigeren indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Het college stelt dat het door een gesloten veiling te houden voor standplaatsen tijdens carnaval een redelijk verzorgingsniveau realiseert voor de consument. Daarbij draagt de gesloten veiling bij aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast in de openbare ruimte, zoals genoemd in artikel 1:8 van de APV. Oordeel Afdeling De Afdeling oordeelde dat het college niet bevoegd was om op grond van de Nadere regels de aanvraag te weigeren omdat de exploitante niet het hoogste bod heeft uitgebracht. Een dergelijke regeling komt in feite neer op een imperatieve weigeringsgrond. De in artikel 5:14, vijfde lid, van de APV verleende bevoegdheid voor het stellen van nadere regels is bedoeld voor het stellen van nadere regels ten behoeve van het borgen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid. Het college is op grond hiervan derhalve bevoegd om nadere regels te stellen ten aanzien van een verdelingsprocedure van de standplaatsen tijdens carnaval, maar niet bevoegd via een veiling een standplaats tijdens carnaval te vergunnen aan de hoogste bieder. Immers, niet valt in te zien hoe het laten bieden op een standplaats nodig is om een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid te borgen. Dat de gemeenteraad daartoe een strekkende afweging heeft gemaakt, blijkt overigens ook niet uit de APV. Gevolgen voor de praktijk Het college kan, als de raad het college daartoe een bevoegdheid heeft toegekend in een APV-bepaling, nadere regels stellen ter uitwerking van die APV-bepaling. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten maar daarbij moet het college blijven binnen de kaders van de raad. Verder zien wij in de praktijk dat het onderscheid tussen nadere regels (algemeen verbindende voorschriften) en beleidsregels niet altijd goed wordt gemaakt. Heeft u vragen over nadere regels of beleidsregels, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerste Kamer stemt in met Wcw: gemeenten kunnen aan de slag met de warmtetransitie
Met de aanstaande inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw), Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw) en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmte (Bgiw) krijgt de energietransitie in Nederland in 2026 een nieuwe impuls. De Wcw is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer aangenomen en vervangt onder meer de huidige Warmtewet. Het is echter nog onduidelijk per wanneer de Wcw daadwerkelijk (gefaseerd) in werking zal treden. De Wgiw is al gedeeltelijk in werking getreden, en het Bgiw verkeert op dit moment nog in concept. Het Bgiw gaat op korte termijn voor advies naar Raad van State. De regierol van gemeenten in de warmtetransitie wordt met deze wet- en regelgeving ingezet, en de bevoegdheden van gemeenten uitgebreid. De Wgiw en Bgiw zorgen ook voor nieuwe verplichtingen. Zo zal het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma moeten vaststellen In dit programma staat een plan voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Dit is een ambitieuze termijn, zeker omdat het onder omstandigheden zinvol kan zijn om de gemeenteraad te betrekken. Hieronder benoemen wij de kern van de wijzigingen, en gaan wij in op de verhouding tussen de gemeenteraad en het college bij het vaststellen van het warmteprogramma, de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Wcw: warmtekavels en publiek meerderheidsbelang Het doel van de Wcw is om de overstap naar collectieve warmte (zoals stadsverwarming) te bevorderen en waarborgen. De Wcw geeft gemeenten als gezegd nieuwe bevoegdheden en verplichtingen, waaronder het vaststellen van zogeheten ‘warmtekavels’, waarvoor zij vervolgens een warmtebedrijf aanwijzen. Dit warmtebedrijf moet in beginsel een publiek meerderheidsbelang hebben. Daardoor wordt het voor gemeenten relevant om zelf, al dan niet samen met andere partijen, warmtebedrijven op te richten (zie ook onze eerdere blog over publiek aandeelhouderschap en de rol van marktpartijen onder de Wcw). De Wgiw: Instrumenten voor gemeentelijke regie Op grond van de Wgiw kan het college in een programma beslissen over de verduurzamingsstrategie voor de gebouwde omgeving (aardgasvrij). Vervolgens kan de gemeenteraad het omgevingsplan wijzigen. Meer concreet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen terzake het uitsluiten van het gebruik van gas als warmtevoorziening binnen een (warmtetransitie)gebied, voor zover die locatie in een (verplicht) warmteprogramma is opgenomen (artikel 5.131a Bkl). Daarvoor wordt onder omstandigheden het verbod op “het aan regels binden van het transporteren en het leveren van gas in het belang van de energievoorziening door de gemeenteraad” (artikel 62 Gaswet, artikel 6.8 Energiewet) buiten toepassing verklaard.   Het warmteprogramma: richtinggevend en zelfbindend Het begint echter met het hiervoor genoemde verplichte warmteprogramma. De Wgiw wijzigt (artikel 3.6 van) de Omgevingswet, waardoor het warmteprogramma een van de verplichte programma’s wordt die een gemeente moet opstellen. Als gezegd moeten gemeenten uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma vaststellen (artikel 10.19a1 Ob). Dat programma moet vervolgens elke vijf jaar worden geactualiseerd. Het warmteprogramma is gericht op verduurzaming van de warmtevoorziening van bestaande gebouwen en, voor zover relevant, de energievoorziening voor milieubelastende activiteiten. De gemeente dient in het warmteprogramma per wijk het tijdspad voor verduurzaming te beschrijven en de verschillende warmtealternatieven in beeld te brengen. Instructieregels in dit verband zijn opgenomen in artikel 4.32 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het is in onze ogen van cruciaal belang om in aanmerking te nemen dat het warmteprogramma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en dat het alleen het college zelf bindt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Er is echter geen juridische koppeling tussen bijvoorbeeld het warmteprogramma en de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie. Het is niet zo dat een omgevingsvisie moet worden aangepast als een programma wordt gewijzigd of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten kunnen worden ingezet. Ook is de gemeenteraad bij vaststelling van het omgevingsplan als uitgangspunt niet gebonden aan het programma, vanwege het karakter daarvan. Tóch kan de gemeenteraad geen (warmtetransitie)gebied in een omgevingsplan aanwijzen als het college van burgemeester en wethouders dit niet eerder in een programma heeft opgenomen. Kortom, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hebben elkaar hard nodig als het gaat om de warmtetransitie. Hoewel het college het programma vaststelt, is afstemming met de gemeenteraad zinvol. De raad kan vooraf geïnformeerd worden, om advies gevraagd worden, of betrokken worden via de omgevingsvisie door daarin de hoofdlijnen van het programma op te nemen. Dit voorkomt problemen bij de aanwijzing van transitiegebieden in omgevingsplannen. Conclusie De Wcw en de Wgiw geven gemeenten een centrale rol in de warmtetransitie. Met het warmteprogramma als beleidsmatig instrument kunnen gemeenten gericht sturen op de verduurzaming van de lokale warmtevoorziening. Tijdige voorbereiding en goede afstemming binnen de gemeente zijn cruciaal om de transitie succesvol te laten verlopen. Contact Wil je meer weten over de Wcw, Wgiw of het warmteprogramma? Neem contact op met Marije van der Hoek, Matti Smit, Michelle de Rijke of een van onze andere energie specialisten.
Thomas Timmers – La Gro
Thomas Timmers
Advocaat
Update Franchise #2 FEBO vs. franchisenemer: postcontractuele franchiseverplichtingen
Op  19 november 2025 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een conflict tussen FEBO en de voormalig franchisenemer van de FEBO-vestiging in Zwolle. De zaak laat duidelijk zien hoe postcontractuele verplichtingen in franchiseovereenkomsten kunnen uitwerken – ook wanneer een franchiseovereenkomst “van rechtswege” eindigt. Achtergrond De relatie tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer stond al onder spanning nadat was ontdekt dat in de vestiging frites werden verkocht die niet van FEBO afkomstig waren. Daarmee werd de franchiseformule geschonden. FEBO stelde daarop “verscherpt toezicht” in. De franchiseovereenkomst liep tot 30 april 2025. FEBO bood verlenging aan, maar onder voorwaarden vanwege het eerdere toezicht. De franchisenemer weigerde en gaf aan zelfstandig verder te willen gaan op dezelfde locatie. FEBO stelde daarop dat de franchisenemer verplicht was de onderneming – inclusief de huurovereenkomst – aan FEBO aan te bieden, zoals in het contract was vastgelegd. De franchisenemer weigerde dat, waarop FEBO een kort geding startte. Gelden de postcontractuele verplichtingen ook bij een “van rechtswege” einde? De franchisenemer voerde aan dat de verplichtingen alleen golden wanneer de franchiseovereenkomst werd “beëindigd”, niet wanneer deze van rechtswege eindigt. De voorzieningenrechter ging daar niet in mee. Het maakt juridisch geen verschil hoe de overeenkomst eindigt. De contractuele verplichtingen na afloop blijven gelden. Dat betekende dat FEBO aanspraak kon maken op overname van de vestiging, conform de overeengekomen procedure voor waardebepaling door een onafhankelijke deskundige. Wat besliste de rechter? De rechtbank oordeelde onder meer dat de franchisenemer de onderneming en de huurovereenkomst aan FEBO moest aanbieden volgens de franchiseovereenkomst en dat een waardebepaling moest worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige en de franchisenemer moest volledig meewerken aan deze waardebepaling. De franchisenemer vorderde dat FEBO verplicht zou worden tot voortzetting van leveringen en gebruik van merkuitingen. Deze vordering werd afgewezen. Conclusie Deze uitspraak onderstreept dat franchisenemers alert moeten zijn op de afspraken die gelden na afloop van een franchiseovereenkomst. Veel contracten bevatten bepalingen over overname, goodwill en overdracht van de huurlocatie. Die verplichtingen kunnen ver strekkende gevolgen hebben – zoals het verplicht moeten afstaan van de onderneming. De zaak tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer toont dat het cruciaal is dat beide partijen de postcontractuele afspraken kennen én naleven. Voor franchisenemers kan een onjuiste inschatting van deze verplichtingen leiden tot hoge dwangsommen en verlies van de onderneming. Voor franchisegevers bevestigt dit vonnis dat zorgvuldig opgestelde overeenkomsten standhouden, ook wanneer een franchisenemer een andere koers wil varen.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Collectieve actie tegen Apple in Nederland: hoe de ‘virtuele ruimte’ van de App Store de bevoegde rechter bepaalt
Op dinsdag 2 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) uitspraak gedaan in de zaak van Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Store Claims tegen Apple. In deze zaak stellen de eisers dat Apple haar machtspositie heeft misbruikt door een commissie van 30% in te houden op aankopen die via de App Store plaatsvinden. Volgens de stichtingen hebben gebruikers hierdoor schade geleden. De stichtingen spanden onder de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (“WAMCA”) een zaak aan bij de Rechtbank Amsterdam namens alle benadeelde gebruikers van de Nederlandse App Store. Deze zaak riep echter een belangrijke vraag op: is de Rechtbank Amsterdam wel bevoegd om zich over een dergelijk geschil te buigen, gezien het feit dat de getroffen gebruikers verspreid zijn over Amsterdam en de rest van Nederland? Achtergrond Op basis van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 is een rechter bevoegd kennis te nemen van een geschil wanneer het schadeveroorzakende feit zich binnen zijn jurisdictie heeft voorgedaan of wanneer de schade daar is ingetreden. De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat zij internationaal bevoegd was om het geschil tussen de stichtingen en Apple te behandelen. De rechtbank stelde vast dat de misbruikhandelingen van Apple op Nederlands grondgebied plaatsvonden, omdat de App Store specifiek voor de Nederlandse markt is ingericht en in het Nederlands wordt aangeboden. Bovendien trad de schade in Nederland op: de verhoogde prijzen werden daar betaald door gebruikers met een Nederlandse bankrekening. De rechtbank twijfelde echter aan haar territoriale bevoegdheid en stelde daarom prejudiciële vragen aan het HvJEU. In Nederland bevinden zich immers elf arrondissementen waarbinnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn. Bij een strikte toepassing van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 kunnen gebruikers die schade in Nederland lijden door het handelen van Apple uitsluitend een vordering indienen bij de rechtbank in het arrondissement waar hun schade is ingetreden (i.e. vaak waar zij wonen). Een dergelijke strikte benadering zou betekenen dat de stichtingen hun collectieve vorderingen bij elf verschillende Nederlandse rechtbanken moeten indienen. De uitspraak Het HvJEU stelde dat de NL App Store en bepaalde apps die daar worden aangeboden specifiek zijn ontworpen voor de Nederlandse markt. Daarnaast is de voertaal van de NL App Store Nederlands. Hierdoor vormt de NL App Store een ‘virtuele ruimte’ die gelijkgesteld kan worden aan het gehele grondgebied van Nederland. De schade die voortvloeide uit aankopen in deze virtuele ruimte trad dan ook op in het gehele grondgebied van Nederland, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de aankoop bevonden. Elke Nederlandse rechtbank die op grond van artikel 7 lid 2 van Verordening 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, is daarmee dus tevens territoriaal bevoegd om voor alle gebruikers het gehele geschil te beoordelen. Een dergelijke centralisatie van rechtsmacht bij één rechter sluit aan bij de doelstellingen van Verordening 1215/2012, namelijk het verbeteren van de toegang tot de rechter en het voorkomen van parallelle procedures over hetzelfde geschil. Implicaties van het Apple-arrest voor collectieve vorderingen Deze uitspraak vergemakkelijkt de toegang tot de rechter voor exclusieve belangenbehartigers die namens grote groepen personen optreden. Wanneer een representatieve organisatie een collectieve actie start namens een voldoende omschreven groep die aankopen heeft gedaan in een ‘virtuele ruimte’, heeft elke rechtbank in het land waar die ruimte wordt aangeboden rechtsmacht over de gehele collectieve vordering. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman of één van onze WAMCA-specialisten.
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Een stevig publiek stempel op de warmtesector na inwerkingtreding van de Wcw
Op 9 december 2025 is het voorstel voor de Wet collectieve warmte (Wcw) aangenomen door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel beoogt een nieuwe ordening voor productie, transport en levering van warmte, ter vervanging van de huidige Warmtewet. In eerdere blogs schreven wij al over de Wcw, recente amendementen en over warmtegemeenschappen.  De Wcw neemt als uitgangspunt dat gemeenten een warmtebedrijf voor een afgebakend gebied – de warmtekavel – aanwijzen. Dit aangewezen warmtebedrijf wordt vervolgens belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren. In het voorstel voor de Wcw is het voorschrift opgenomen dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoals een gemeente, een provincie of het rijk. Er rust dus een stevig publiek stempel op de (nieuwe) warmtesector. Dat publieke stempel is in een brief van 10 oktober 2025 aan de Tweede Kamer extra benadrukt, doordat het kabinet daarin aankondigt dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) als publieke (minderheids)aandeelhouder met maximaal 40% van de aandelen, naast bijvoorbeeld een gemeente, kan deelnemen in een warmtebedrijf. Deze ontwikkeling – de beoogde rijksdeelname via EBN – geeft ons aanleiding om in dit blog de juridische implicaties van publiek aandeelhouderschap in warmtebedrijven nader te bespreken en na te gaan welke rollen marktpartijen in het warmtebedrijf, naast de publieke meerderheidsaandeelhouder, die bijvoorbeeld kan bestaan uit een combinatie van een gemeente en EBN, nog zouden kunnen spelen. Is er naast de publieke partijen nog wel plaats voor deze marktpartijen in de (nieuwe) warmtemarkt? Stand van zaken Wcw De Wcw vervangt de huidige Warmtewet en is onderdeel van de bredere energietransitie en het streven naar een klimaatneutraal Nederland in 2050. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen. Dit moet gebeuren door publieke regievoering, waarbij duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid worden gewaarborgd. Voordat de wet in werking kan treden moet nog een aantal stappen worden genomen. Voor een groot aantal wetsartikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectieve warmte (Bcw) en een ministeriele regeling zijn afgerond en in werking kunnen treden. In de brief van 10 oktober 2025 staat dat het Bcw naar verwachting eind dit jaar aan de ACM wordt voorgelegd en daarna medio 2026 aan de Raad van State. Ook schrijft de Wcw een voorhangprocedure voor bij de Tweede en Eerste Kamer over de tariefregulering voor collectieve warmtevoorzieningen en kleine collectieve warmtesystemen. Naar verwachting nemen deze stappen voor het Bcw en de ministeriële regeling het grootste deel van 2026 in beslag. Dit betekent dat er nog geen definitieve datum geldt voor de inwerkingtreding van een groot aantal artikelen in de Wcw. Warmtebedrijven en publiek aandeelhouderschap Het uitgangspunt van de Wcw is dat de gemeente een specifiek geografisch gebied, aangeduid als de warmtekavel, aanwijst. Vervolgens wijst zij volgens een gereguleerde aanwijzingsprocedure een warmtebedrijf aan, dat wordt belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening (bijvoorbeeld een (stads)warmtenet) aan te leggen en te exploiteren. Het aangewezen warmtebedrijf wordt binnen een warmtekavel verantwoordelijk voor de continuïteit en kwaliteit van de collectieve warmtevoorziening en de daarvoor noodzakelijke productie, inkoop, transport en levering van warmte. Door één bedrijf integraal verantwoordelijk te maken voor de volledige warmteketen, wordt het toezicht eenvoudiger en krijgen verbruikers betere bescherming, zo blijkt uit de toelichting op de Wcw (Memorie van Toelichting). De Wcw neemt als belangrijk ander uitgangspunt dat een gemeente alleen een warmtebedrijf kan aanwijzen waarbij een meerderheidsbelang in handen is van één of meerdere publieke partijen. Private partijen kunnen daarbij in de hoofdzaak geen doorslaggevende zeggenschap hebben in het warmtebedrijf. Het vereiste van een publiek meerderheidsbelang houdt in dat meer dan 50% van de aandelen in het warmtebedrijf direct of indirect berusten bij het rijk, een provincie, een gemeente of een ander openbaar lichaam. Ter rechtvaardiging van een publiek meerderheidsbelang wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat een publieke aandeelhouder in staat is om in het publieke belang te handelen, snel en tijdig in te spelen op mogelijke veranderingen in de markt en dat het publieke aandeelhouderschap ertoe leidt dat langlopende en risicovolle investeringen makkelijker doorgang zullen vinden. Nationale deelneming via EBN Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van de gemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Uit nader onderzoek blijkt echter dat van diezelfde gemeenten niet kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om zelfstandig de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te kunnen verkrijgen. Om die reden heeft het Kabinet in een brief op 10 oktober 2025 aangekondigd dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) wordt aangewezen als nationale deelneming. EBN kan (ook) als een minderheidsdeelneming participeren in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld naast de gemeentelijke aandeelhouder.  De brief van 10 oktober 2025 licht toe dat alleen op een goede manier invulling kan worden gegeven aan het verplichte publieke meerderheidsbelang in een warmtebedrijf als overheden, waaronder een gemeente, voldoende publieke uitvoeringskracht hebben. Hiermee wordt bedoeld dat zij zowel financieel als organisatorisch in staat moeten zijn het publieke aandeelhouderschap in een meerderheidspositie binnen het warmtebedrijf op zich te nemen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet van lokale overheden, zoals de gemeente, kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking – de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te verkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden, zoals de gemeente, nog aan voldoende expertise. Daarom acht het kabinet betrokkenheid van het rijk noodzakelijk, via EBN. EBN kan als minderheidsdeelneming in het warmtebedrijf voor maximaal 40% van de aandelen naast de andere (lokale) overheden participeren in het warmtebedrijf. Het kabinet trekt vanuit het Klimaatfonds €87 miljoen uit voor de opstartfase van de nationale deelneming vanuit EBN, met nog eens €137 miljoen in reserve. Voorlopig is het afwachten wat de rol van EBN precies wordt. Er moet eerst nog een nader governance plan worden opgesteld voor de op te zetten dochteronderneming die daadwerkelijk namens EBN gaat participeren. Dat plan onderzoekt of de taken (vennootschapsrechtelijk) passen bij EBN. Ook wordt bekeken hoe het rijk als (indirect) aandeelhouder (via EBN) effectief invloed kan uitoefenen. Via de nationale deelneming kan de overheid namelijk niet alleen bijdragen aan publieke doelen, maar ook zorgen dat middelen doelmatig worden ingezet, ontwikkelingen bij warmtebedrijven volgen en – waar nodig – bijsturen op strategie en investeringen om de financiële positie gezond te houden. Het ligt in de lijn der verwachting dat EBN in dat kader ook onderzoek doet naar mogelijkheden om bestaande warmtebedrijven over te nemen. Hebben marktpartijen nog een rol? De Wcw markeert, zo blijkt uit het voorgaande, een publieke regie en stevige publieke bemoeienis bij de exploitatie van een warmtebedrijf. De vraag dringt zich op welke rol marktpartijen dan nog kunnen én willen spelen, nu ervan uit mag worden gegaan dat de eis van de publieke meerderheidsaandeelhouder een afschrikwerkend effect kan hebben op de (investerings)rol van (bestaande) private warmtebedrijven. Hoewel vaststaat dat de regulering van de warmtesector verandert, zien wij toch nog kansen. Allereerst biedt het overgangsrecht in de Wcw kansen voor bestaande private warmtebedrijven om nog minimaal 14 jaar, maximaal 30 jaar te blijven exploiteren. Daarnaast bestaat tijdelijk (voor de periode van 10 jaar na inwerkingtreding) ruimte om alsnog voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een privaat warmtebedrijf toe te staan, onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat er (nog) geen belangstelling voor warmtelevering op de warmtekavel wordt verwacht. Verder kunnen private warmtebedrijven onder de Wcw – al dan niet met een ontheffing of vrijstelling – toch bepaalde nieuwe en bestaande activiteiten (blijven) uitoefenen. Zij kunnen bijvoorbeeld warmte blijven leveren aan “kleine” collectieve warmtesystemen (maximaal 1500 verbruikers). Ook kunnen private marktpartijen – in aanneming van het overwegend publieke warmtebedrijf – actief zijn als leveringsbedrijf of infra-beheerder en/of als minderheidsaandeelhouder of samenwerkingspartner zonder doorslaggevende zeggenschap in het warmtebedrijf of een warmte joint-venture participeren. Het kunnen vervullen van een passende rol blijft echter juridisch maatwerk, wij denken daarover graag met u mee. Contact Heeft u vragen over collectieve warmtesystemen, warmtebedrijven en/of de veranderingen als gevolg van de Wcw?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert KS Energy Systems bij overname MORRENsystems en MORRENsolar
KS Energy Systems heeft MORRENsystems en MORRENsolar overgenomen. Met deze strategische stap voegt KS Energy Systems een gerenommeerde specialist in zonnecarports toe aan de organisatie. Door de bundeling van kennis, ontwerpen en productiefaciliteiten kan KS Energy Systems opdrachtgevers in binnen- en buitenland een nog completer pakket aan oplossingen voor zonnecarports (solarcarports) bieden. La Gro heeft KS Energy Systems juridisch begeleid bij deze transactie. KS Energy Systems, opgericht in 2024 en gevestigd in Alphen aan den Rijn, is gespecialiseerd in het ontwerpen, construeren, produceren en monteren van zonnecarportconstructies. Met de overname verstevigt KS Energy Systems zijn positie als fabrikant van zonnecarportconstructies en versterkt het zijn marktpositie in duurzame overkappingen en solarcarports. Versterking positie in de markt voor zonnecarports MORRENsystems en MORRENsolar zijn de afgelopen jaren uitgegroeid tot gevestigde namen in de markt voor zonnecarports. Hun ervaring, ontwerpen en ontwerprechten worden geïntegreerd in het productportfolio van KS Energy Systems. Lopende projecten worden gecontinueerd en klanten blijven op de vertrouwde wijze bediend. Tegelijkertijd zorgt de samenwerking voor meer schaalgrootte, een hogere productiecapaciteit, kortere doorlooptijden en verdere professionalisering. De overname vindt plaats in een periode van sterk groeiende vraag naar solarcarports. Steeds meer bedrijven en instellingen zoeken duurzame alternatieven wanneer daken vol of ongeschikt zijn voor zonnepanelen. Door de krachtenbundeling ontstaat een sterker platform dat klanten in binnen- en buitenland bedient met innovatieve en schaalbare oplossingen voor zonnecarports. De juridische advisering, onderhandelingen en vastlegging van de afspraken in de contractsdocumentatie zijn namens KS Energy Systems uitgevoerd door Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel en Tahir Bodha. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
De nieuwe RVU-regeling: wat betekent dit voor u als werkgever?
De uitwerking van het nieuwe RVU-akkoord (‘Gezond naar pensioen’) is afgerond en vastgelegd in de herziene handreiking Regeling Vervroegde Uittreding. De gewijzigde RVU-regeling treedt per 1 januari 2026 in werking. Wat houdt de RVU-regeling ook alweer in, wat wijzigt er nu precies per 1 januari 2026 en wat betekent dit voor u als werkgever? Wat houdt de RVU-regeling in?  Werkgevers kunnen een RVU-uitkering toekennen aan werknemers die zich binnen 36 maanden van hun AOW-leeftijd bevinden. Over het deel van de uitkering dat binnen de RVU-drempelvrijstelling valt (in 2025: € 2.273 bruto per maand) hoeft de werkgever geen pseudo-eindheffing, ook wel de RVU-heffing, af te dragen. Op deze manier krijgen werknemers met fysiek of mentaal zwaar werk — voor wie gezond doorwerken tot de AOW-leeftijd niet haalbaar is — de mogelijkheid om eerder uit te treden. Wordt een hogere uitkering verstrekt dan de drempelvrijstelling, dan is de werkgever over het meerdere wel de RVU-heffing verschuldigd. Wat wijzigt er per 1 januari 2026? De RVU-regeling wordt per 1 januari 2026 voortgezet. Wel wijzigt een aantal onderdelen: De drempelvrijstelling wordt structureel voortgezet De RVU-drempelvrijstelling blijft gelden. Deze vrijstelling was tijdelijk, maar wordt vanaf 2026 structureel. De drempelvrijstelling is gebaseerd op de netto AOW. Dat blijft hetzelfde. De RVU-drempelvrijstelling wijzigt dus niet. Nieuw is wel dat in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld voor werknemers in knellende situaties met een laag inkomen of weinig aanvullend pensioen, de RVU-uitkering met € 300 bruto per maand mag worden verhoogd. Het doel hiervan is om extra financiële ruimte te bieden aan werknemers die niet meer gezond kunnen doorwerken, maar voor wie het vrijgestelde drempelbedrag onvoldoende is om met vervroegd pensioen te gaan. In de meeste gevallen zou het drempelbedrag echter voldoende mogelijkheid moeten bieden om eerder met pensioen te gaan. De voorwaarden bij cao om de RVU in te zetten worden strikter De RVU-regeling moet aan strengere eisen voldoen en mag niet ‘zomaar’ meer bij iedere werknemer die 36 maanden voor de AOW-leeftijd zit worden toegepast. De regeling moet: een helder omschreven doelgroep omvatten, die regelmatig wordt herzien; gelden voor specifiek ontworpen voor functies die kwalificeren als zwaar werk, vastgesteld aan de hand van objectieve maatstaven; aansluiten op het bestaande beleid rondom duurzame inzetbaarheid binnen de organisatie van de werkgever; ter validering worden voorgelegd aan de TNO, die optreedt als onafhankelijke toetsende instantie. Werkgevers en/of werkgeversorganisaties, die vanaf 1 januari 2026 de RVU-regeling wensen toe te passen c.q. voort te zetten, zullen hun regeling moeten aanpassen aan bovenstaande vereisten. De RVU-heffing wordt verhoogd Vanaf 2026 wordt de RVU-heffing stapsgewijs verhoogd van 52% naar 65%. Hulp en toezicht door TNO De TNO krijgt de rol van ‘expertisecentrum zwaar werk’. In deze rol zal TNO vanaf 1 januari 2026 ondersteuning bieden bij cao-afspraken in de afbakening van de RVU-doelgroep. Hiertoe heeft TNO een kader geformuleerd voor werkgevers met objectieve criteria om belastende functies of werkzaamheden te kunnen identificeren. Wat betekent dit voor u als werkgever? Als u de RVU-regeling in 2026 wilt blijven toepassen of opnieuw wilt invoeren, moet uw regeling voldoen aan de nieuwe, striktere criteria. Dit vereist mogelijk een herziening van de cao-afspraken, beleid rond duurzame inzetbaarheid en onderbouwing van welke functies als zwaar werk kunnen worden beschouwd. Begin tijdig met het in kaart brengen van zwaar werk binnen uw organisatie, zorg voor een afgebakende werknemersgroep en laat deze valideren door de TNO. Controleer ook of de cao een gewijzigde regeling heeft en/of stel hierover vragen bij cao-partijen. Dit voorkomt vertraging en zorgt dat u vanaf 2026 compliant bent met de aangescherpte eisen. Vragen? Wilt u weten wat deze wijzigingen betekenen voor uw organisatie of sector? Of heeft u naar aanleiding van dit blog aanvullende vragen? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
Winstuitkeringsverbod medisch specialistische zorg op de schop
Op 22 oktober 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat het winstuitkeringsverbod in strijd is met het Europees Recht. Deze uitspraak zet de juridische houdbaarheid van het winstuitkeringsverbod onder druk en heeft mogelijk gevolgen voor de financiering van zorginstellingen. Achtergrond In 2021 vroeg Radiology Holland B.V. (Radiology) een toelating aan onder de Wet toelating Zorginstellingen. Daarvoor is toestemming van de minister nodig. Oprichter en enig bestuurder van Radiology is een Belgische radioloog. De eigenaar was voornemens zijn diensten ook in Nederland te gaan verlenen. De minister voor Langdurige Zorg en Sport (thans Volksgezondheid, Welzijn en Sport) weigerde echter de aanvraag van Radiology om te worden toegelaten als zorginstelling. Volgens de minister bevatten de statuten namelijk onvoldoende waarborgen dat Radiology geen winstoogmerk heeft. De eigenaar van Radiology ontkende dat ook niet. Radiology betoogde daarentegen dat het verbod van winstoogmerk in strijd is met de vrijheid van vestiging en de vrijheid van kapitaal, zoals bepaald in artikel 49 en artikel 63 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Dit was dan ook de vraag die centraal stond in de procedure bij de ABRvS. Oordeel ABRvS De ABRvS oordeelde dat de vrijheden van vestiging en kapitaal niet absoluut zijn. De kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg kunnen een dwingende reden van algemeen belang vormen, die een beperking van deze vrijheden kunnen rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten beperkingen van deze vrijheden dan wel rechtvaardig, geschikt en evenredig zijn. Volgens de ABRvS is daarvan in deze situatie geen sprake, zodat het winstverbod in strijd is met de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). Reden daarvoor is dat de minister het winstverbod niet coherent en consistent heeft toegepast. Het winstverbod geldt voor intramurale zorg, dat wil zeggen zorg in ziekenhuizen, waar de zorg vaak complex is. Voor extramurale zorg, zorg buiten het ziekenhuis, geldt echter geen winstverbod. De minister is er kennelijk van uitgegaan dat radiologische zorg overwegend complex is en daarom onder het winstoogmerk verbod valt. Radiologische zorg omvat volgens de ABRvS echter ook relatief eenvoudige zorg. De minister motiveert niet waarom radiologische zorg complex is waardoor het winstverbod geldt. Voor een medisch specialist, die als zelfstandige in een ziekenhuis werkt, geldt bovendien geen winstuitkeringsverbod. De minister heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken hoe en waarom “de privaatrechtelijke relatie tussen ziekenhuis en specialist relevant is voor de complexiteit, kwaliteit of toegankelijkheid”, aldus de ABRvS. De ABRvS komt dan ook tot de conclusie dat er geen gerechtvaardigde reden is om Radiology niet toe te laten tot de Nederlandse zorg markt. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen. Gevolgen voor de praktijk Het oordeel van de ABRvS werpt de vraag op of het winstuitkeringsverbod nog stand kan houden. De minister van VWS is aan zet: om het winstverbod te kunnen behouden, zal hij duidelijk moeten maken hoe dat verbod consistent en coherent kan worden toegepast. Dit zal ook invloed hebben op het wetsvoorstel voor de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, waarin het winstverbod is aangescherpt en wordt opgenomen in de Wet marktordening gezondheidszorg. Contact Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Michelle Collins, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Registratieplicht de-minimissteun per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 wijzigt het administratieve regime voor verlenen van reguliere de-minimissteun en de-minimissteun voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB). De kern: de administratieve verplichting verschuift grotendeels van de begunstigde naar de steunverlener. Overheden moeten reguliere en DAEB de-minimissteun vanaf 1 januari 2026 zelf registreren in een centraal register en vooraf controleren of het relevante de-minimisplafond niet wordt overschreden. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem waarin wordt gewerkt met een de-minimisverklaring die wordt opgevraagd bij de steunbegunstigde. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Wij zetten het voor u uiteen in onderstaande blog. Wat is staatssteun? Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is de-minimissteun. De-minimissteun De de-minimisverordeningen staan toe dat overheden beperkte steunbedragen toekennen zonder meldingsplicht bij de Commissie. Deze bedragen worden te laag geacht om de interne markt te kunnen beïnvloeden. Er zijn vier typen de-minimissteun, met elk een eigen plafond. Elke onderneming mag maximaal dit plafondbedrag aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. De plafonds gelden per onderneming en per lidstaat. Een Nederlandse B.V. kan dus in totaal – van alle Nederlandse overheden samen – maximaal het relevante plafond aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. Administratieve verplichting: oud vs. nieuw De drempelbedragen voor reguliere en DAEB de-minimissteun zijn per 1 januari 2024 verhoogd. Met deze verhoging is ook het administratieve regime gemoderniseerd. Deze modernisering vergt een actievere houding van de steunverlener ten opzichte van het huidige systeem en treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Huidige systeem Op grond van het huidige systeem kan de-minimissteun worden verleend nadat 1) de begunstigde door de steunverlener schriftelijk of elektronisch in kennis is gesteld van het steunbedrag en van het de-minimiskarakter ervan, waarbij rechtstreeks naar toepasselijke de-minimisverordening wordt verwezen, en 2) de begunstigde een verklaring heeft ingediend over alle de-minimissteun die deze begunstigde gedurende een periode van drie jaar heeft ontvangen. Kortom, een vrij laagdrempelige administratieve verplichting waar geen termijnen aan zijn gekoppeld. Systeem per 1 januari 2026 Per 1 januari 2026 zal informatie over verleende (DAEB en reguliere) de-minimissteun geregistreerd moeten worden in een centraal register (het eAidregister). De informatie dient uiterlijk binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun geregistreerd te worden, en moet minimaal tot 10 jaar na steunverlening in het register zijn opgeslagen. Overheden mogen pas nieuwe de-minimissteun verlenen nadat in het register is gecontroleerd of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. De volgende gegevens dienen geregistreerd te worden: Identificatie van de begunstigde; Het steunbedrag; De toekenningsdatum; De steunverlenende autoriteit; Het steuninstrument; en De betrokken sector op basis van de NACE-classificatie. Gedurende drie jaar na invoering van het register blijft – naast registratie – de “oude” administratieve verplichting gelden. Overheden zullen gedurende die periode naast de registratie tevens de begunstigde schriftelijk of elektronisch in kennis moeten stellen van het steunbedrag en het de-minimiskarakter met verwijzing naar de verordening, alsook een de-minimisverklaring moeten opvragen. Reguliere en DAEB de-minimissteun die vóór 1 januari 2026 is toegekend, valt onder de “oude” administratieve verplichting en hoeft dus niet geregistreerd te worden. Voor de-minimissteun voor de visserij- en aquacultuursector is nog geen registratieplicht aangekondigd. De-minimissteun voor de landbouwsector wordt aan bovenstaande registratieplicht onderworpen per 1 januari 2027. Praktische impact voor overheden Vanaf 1 januari 2026 zijn overheden belast met de registratieplicht voor reguliere en DAEB de-minimissteun. Overheden zullen binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun, de steunverlening alsook de nodige gegevens daaromtrent, in het eAidregister moeten registreren. Ook moet voorafgaand aan de verlening van nieuwe de-minimissteun in het register geverifieerd worden of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. Gedurende drie jaar na invoering van het register, zal ook de huidige administratieve verplichting nog blijven gelden, oftewel zal de steunverlener naast registratie ook een de-minimisverklaring moeten opvragen en de begunstigde in kennis moeten stellen van het steunbedrag en de-minimiskarakter onder verwijzing naar de toepasselijke verordening. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.