Publicaties

Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
De DNR 2025 – sneller contracteren door een betere rolverdeling
De bouw- en ontwerppraktijk verandert snel: digitalisering, nieuwe wet- en regelgeving en complexere samenwerkingen vragen om duidelijke afspraken. Daarom hebben brancheverenigingen de Koninklijke Bond van Nederlandse architectenbureaus (BNA) en Koninklijke NLingenieurs in december 2025 de DNR 2025 gemoderniseerd en gestroomlijnd. Waarom deze herziening? Sinds de laatste herziening in 2013 wees de praktijk uit dat de DNR steeds vaker, door voornamelijk opdrachtgevers, werd aangepast of “opengebroken” in onderhandelingen over de contractvorming. Dat kost tijd, verhoogt transactiekosten en maakt risico’s minder voorspelbaar. De DNR 2025 is daarom bedoeld om contractvorming eenvoudiger en sneller te maken, met een set gestroomlijnde algemene voorwaarden, die beter aansluit bij de huidige praktijk. Een greep uit de wijzigingen en toevoegingen Een in het oog springende verduidelijking is hoe de DNR 2025 omgaat met de rol van medewerkers binnen een architecten- of ingenieursbureau. Met het uitsluiten van art. 6:162 BW, 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, bepaalt de DNR 2025 dat de opdracht uitsluitend wordt geacht te zijn verstrekt en aanvaard door het bureau als rechtspersoon, en niet door een individuele medewerker, bestuurder of aandeelhouder. In de DNR 2025 is het beëindigen van een opdracht overzichtelijker gemaakt: de financiële gevolgen zijn nu samengebracht onder één bepaling. De kern is echter onveranderd: zegt de adviseur op zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de opdrachtgever gerechtigd 10% van de verschuldigde vergoeding te verminderen. Wanneer het juist de opdrachtgever is die opzegt zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de adviseur op zijn beurt weer gerechtigd om 10% bovenop de verschuldigde vergoeding te vorderen. De DNR 2025 speelt ook zichtbaar in op de digitale realiteit waarin ieder project zich tegenwoordig bevindt en waarbij veel gebruik wordt gemaakt van data, cloudomgevingen en online samenwerking. Privacy en informatiebeveiliging zijn daarom niet langer bijzaak, maar een expliciet onderdeel van de opdracht. Partijen moeten voldoen aan toepasselijke privacywetgeving – waaronder in het bijzonder de AVG – en dienen op grond daarvan de vereiste maatregelen te nemen om persoonsgegevens te beschermen. Tevens wordt de aansprakelijkheid van de adviseur uitgesloten voor schade wegens ‘cyberincidenten’, zoals datalekken of gehackt worden, waartegen hij alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft genomen. Wanneer de adviseur optreedt als kwaliteitswaarborger in de zin van de Wet op kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), bevat de DNR 2025 een specifieke omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden die de adviseur in deze rol heeft. De adviseur heeft een onafhankelijke taak om te toetsen en te rapporteren, maar zijn rol staat, publiekrechtelijk, nadrukkelijk níet gelijk aan die van ontwerper, toezichthouder of aannemer. Wat de DNR 2025 ook duidelijk maakt is dat de adviseur geen alleskunner is met oneindige aansprakelijkheid. Zo heeft de adviseur geen verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van publiekrechtelijke toestemmingen en vergunning, noch is hij verantwoordelijk voor de inhoud, kwaliteit of rechtmatigheid van het ontwerp. Kortom, de adviseur-kwaliteitswaarborger draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen werkterrein, niet voor zaken die buiten zijn invloedssfeer liggen. Niets nieuws? Wie denkt dat de DNR 2025 ‘niets nieuws onder de zon’ is, heeft het dus mis. Niet alleen omdat de regeling is gemoderniseerd, maar omdat zij expliciet is ontworpen om beter aan te sluiten bij de bouwpraktijk van vandaag. Wilt u weten wat de DNR 2025 concreet betekent voor uw contracten en projecten? Of heeft u andere vragen over deze voorwaarden? Onze specialisten Bouwrecht denken graag met u mee.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert Bakkerij Visser B.V. bij joint venture Huis van Bakkers
Het M&A-team van La Gro heeft Bakkerij Visser B.V. begeleid en geadviseerd bij het aangaan van een strategische joint venture met Bakker Goedhart en Bakkerij BACU onder de naam Huis van Bakkers. In deze nieuwe onderneming bundelen de drie bakkerijen hun krachten om voor supermarktketen Jumbo de landelijke productie en levering van dagvers brood te verzorgen. Binnen de joint venture Huis van Bakkers werken Bakkerij Visser, Bakker Goedhart en Bakkerij BACU samen aan de landelijke levering van dagvers brood aan de ruim 700 Jumbo-winkels in Nederland en België. Door ervaring en vakmanschap te combineren met schaal en efficiëntie, bouwen de drie bakkerijen aan een sterke en overzichtelijke keten voor dagvers brood. Zo ondersteunt Huis van Bakkers Jumbo in haar ambitie om klanten elke dag beter te bedienen op het gebied van smaak, kwaliteit, beschikbaarheid en duurzaamheid van vers brood. Voor Bakkerij Visser markeert de joint venture een nieuwe fase in de langdurige samenwerking met Jumbo. De Alphense bakkerij – al ruim honderd jaar actief en dagelijks leverancier van vers brood – blijft ook in deze nieuwe vorm een betrouwbare broodpartner voor Jumbo. De juridische structurering van de joint venture, de afspraken tussen de aandeelhouders en de samenwerking met Jumbo zijn namens Bakkerij Visser B.V. begeleid door het team fusies & overnames van La Gro, waaronder Pieter van den Oord, Gerben Barendregt, Arnout Koeman en Reinoud van Ginkel. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, Gerben Barendregt of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Nieuwe richtsnoeren voor de Foreign Subsidies Regulation
Op vrijdag 9 januari 2026 publiceerde de Europese Commissie de richtsnoeren die horen bij de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). In deze richtsnoeren verduidelijkt de Europese Commissie diverse begrippen uit de FSR en licht zij de toepassing van de FSR toe. Deze publicatie markeert een nieuwe stap in het transparant maken van het beoordelingsproces bij de FSR.   Foreign Subsidies Regulation – hoe zat het ook alweer? Op 12 juli 2023 is de FSR van toepassing geworden. De FSR maakt het voor de Europese Commissie mogelijk om verstoringen veroorzaakt door buitenlandse subsidies aan te pakken. Dit met het doel een level-playing-field te creëren tussen alle (EU én niet EU) onderneming die actief zijn binnen de EU. In een notendop bevat de FSR drie procedures: Een meldingsplicht voor transacties waarbij subsidies gegeven door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de doelwitvennootschap, één van de fuserende partijen of de gemeenschappelijke onderneming een EU omzet heeft van minimaal EUR 500 miljoen en deze ondernemingen in totaal meer dan EUR 50 miljoen aan subsidies uit derde landen hebben ontvangen in de drie jaar voorafgaand aan de sluiting van de koopovereenkomst; Een meldingsplicht bij aanbestedingen waarbij subsidies door derde landen betrokken zijn. Deze meldingsplicht geldt als de geschatte contractswaarde minimaal EUR 250 miljoen bedraagt en de inschrijver in de drie jaar voor de melding meer dan EUR 4 miljoen aan subsidies uit derde landen heeft ontvangen; en Een ex-officio procedure door de Europese Commissie, waarbij de Europese Commissie op eigen initiatief een onderzoek start. Sinds inwerkingtreding is de Europese Commissie enkele onderzoeken gestart en heeft het slechts zeer beperkt onderzoeken afgerond én besluiten gepubliceerd. Deze richtsnoeren, die de Europese Commissie volgens de FSR moest opstellen, komen daarmee ook als geroepen. Zij geven (buitenlandse) partijen meer rechtszekerheid over hun juridische positie onder de FSR.     Op welke punten geven de FSR richtsnoeren meer duidelijkheid? De uitgebreide richtsnoeren (48 pagina’s) geven toelichting op veel onderdelen van de FSR. Een paar punten om uit te lichten zijn de volgende: De beoordeling van marktverstoringen door subsidies uit derde landen. De richtsnoeren verduidelijken dat wanneer de Europese Commissie heeft geconcludeerd dat een onderneming voordeel heeft gehad van een buitenlandse subsidie, de Europese Commissie in twee stappen vaststelt of er sprake is van een marktverstoring. Ten eerste onderzoekt de Commissie of de buitenlandse subsidie de positie van de onderneming op de EU markt versterkt. Ten tweede onderzoek de Europese Commissie de impact van de subsidie op de concurrentie op de markt. De Europese Commissie analyseert hierbij of de subsidie verantwoordelijk is voor een verandering van het gedrag van de onderneming en de markt dynamiek ten nadele van andere marktpartijen. Beoordeling bij aanbestedingen. De Europese Commissie heeft ook meer toelichting gegeven op de wijze waarop zij marktverstoringen door subsidies zal beoordelen bij aanbestedingen. Hierbij zal de Europese Commissie eerst onderzoeken of de onderneming de inschrijving heeft aangepast als gevolg van de subsidie. Indien dit het geval is, zal de Europese Commissie beoordelen of de inschrijving ten onrechte voordelig is door deze met andere vergelijkbare inschrijvingen te vergelijken en inschrijving te beoordelen door de voorwaarden te vergelijken met de eigen ramingen van de aanbestedende dienst. De afwegingstoets. De afwegingstoets kan door de Europese Commissie per subsidie worden toegepast en houdt rekening met de specifieke omstandigheden van het geval. De richtsnoeren geven toelichting over het afwegen van positieve effecten van een subsidie ten opzichte van negatieve effecten van een subsidie. Hierbij zal de Europese Commissie alleen de positieve effecten meenemen die specifiek horen bij de subsidie. Ook zal de toets de ernst van de marktverstoring en de positieve effecten zonder de marktverstoring meenemen. Een ex-officio onderzoek. De Europese Commissie heeft in de richtsnoeren meer duidelijkheid gegeven over wanneer zij een onderzoek op eigen initiatief start. Hierbij geven de richtsnoeren zogenaamde safe harbour drempels: voor aanbestedingsprocedures met een lage waarde, subsidies onder de EUR 4 miljoen en subsidies gericht op bijzondere omstandigheden (zoals natuurrampen) zal de Europese Commissie geen onderzoek starten. Wat betekent dit voor uw onderneming? Met de publicatie van deze FSR richtsnoeren, zet de Europese Commissie de volgende stap in de ontwikkeling van de FSR. Deze richtsnoeren geven ondernemingen en aanbestedende diensten meer duidelijkheid over hoe de Europese Commissie meldingen beoordeelt. Belangrijk is ook dat de Europese Commissie safe harbour drempels introduceert waardoor ondernemingen en aanbestedende diensten vaker zeker weten dat de Europese Commissie geen onderzoek gaat beginnen. Hiermee wordt de rechtszekerheid vergroot. Heeft u vragen over de FSR of de hiervoor besproken richtsnoeren? Neem dan contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere FSR en aanbestedingsrecht specialisten.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert Prodeba bij overname jeugdzorgactiviteiten Stichting Maatwerk Autisme (MAG) in Maassluis
La Gro heeft Prodeba juridisch begeleid bij de overname van de jeugdzorgactiviteiten van Stichting Maatwerk Autisme (MAG) in Maassluis. Per 1 januari 2026 is Prodeba verantwoordelijk voor de zorg aan jeugdigen in Maassluis. Door deze transactie kan de specialistische ondersteuning voor kinderen en jongeren met autisme in de regio ononderbroken worden voortgezet. Stichting Maatwerk Autisme blijft als zorgaanbieder actief voor zowel jeugd- als volwassen cliënten. In het kader van de herinrichting van de zorg in Maassluis wordt de ondersteuning van volwassen cliënten ondergebracht bij Wmo Maatwerk, onderdeel van Ipse de Bruggen. Prodeba en Wmo Maatwerk blijven nauw samenwerken om de zorgverlening in Maassluis verder te versterken en de overgang voor cliënten zo soepel mogelijk te laten verlopen. Een groot deel van de medewerkers die betrokken zijn bij de jeugdzorg in Maassluis maakt de overstap naar Prodeba. Daardoor blijven kennis, ervaring en vertrouwde gezichten voor cliënten en hun gezinnen behouden, wat bijdraagt aan continuïteit en stabiliteit in de zorg. Het belang van een zorgvuldige overgang en passende zorg voor kinderen en jongeren staat in deze transactie centraal. Zoals Prodeba zelf verwoordt: “Wij zijn trots dat wij met deze stap kinderen, jongeren en gezinnen in Maassluis kunnen blijven ondersteunen met zorg die aansluit bij hun ontwikkeling en perspectief biedt.” De juridische advisering, onderhandelingen en vastlegging van de afspraken in de contractsdocumentatie zijn namens Prodeba uitgevoerd door Pieter van den Oord en Reinoud van Ginkel. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Update Franchise #4 Franchisenemer vs. De Pizzabakkers: omzetprognoses bij franchiseovereenkomst
Op 10 september 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:6829) deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak tussen een franchisenemer en de Pizzabakkers (franchisegever). De franchisenemer dacht goud in handen te hebben met een pizzafranchise door de omzetprognoses die de franchisegever voor het sluiten van de overeenkomst had verstrekt. De werkelijkheid blijkt niet zo rooskleurig en de franchisenemer dat hij gedwaald heeft bij het sluiten van de overeenkomst en dat de Pizzabakkers onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld vanwege te optimistische prognoses. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling of van onrechtmatig handelen. Achtergrond De franchisenemer had in 2019 een franchiseovereenkomst gesloten met De Pizzabakkers voor de exploitatie van een vestiging in Amsterdam. Vooraf kreeg hij een financieringsmodel met omzetprognoses, een vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning en historische omzetten van de voorganger. Het onderzoek van Bureau Stedelijke Planning bevatte een omzetraming, onderbouwd met een analyse van onder meer de locatie, potentiële klanten en concurrentie. Toch bleven de daadwerkelijke omzetten structureel achter bij de prognoses. In 2023 laat de Pizzabakkers weten dat de franchiseovereenkomst niet zal worden voortgezet vanwege tegenvallende resultaten. De franchisenemer stelt dat de vestigingsplaats “inherent niet rendabel is” en dat de Pizzabakkers dat had moeten weten. Zo zou de vestiging te klein zijn, het terras te groot – waardoor de omzet sterk seizoensgebonden is – en zijn de door de Pizzabakkers in rekening gebrachte kosten te hoog. Op basis daarvan beroept de franchisenemer zich op dwaling en stelt hij dat de Pizzabakkers onrechtmatig heeft gehandeld. De franchisenemer vordert bijna acht ton aan schadevergoeding. Was de locatie inherent onrendabel? De rechtbank gaat niet mee met het betoog van franchisenemer. Dat de geprognotiseerde omzet niet is gehaald, maakt op zichzelf nog niet dat de locatie inherent onrendabel is of dat de prognoses ondeugdelijk waren. De rechter legt veel gewicht op het vestigingsplaatsonderzoek van Bureau Stedelijke Planning. Volgens dat bureau was het wél mogelijk om op de locatie een rendabel pizzarestaurant te exploiteren en dat daarbij niet alleen naar de ligging, maar ook naar de omvang van het pand, het terras en de seizoensgebondenheid is gekeken. De kern van het oordeel is dat de franchisenemer geen concrete aanknopingspunten aandraagt om de deugdelijkheid van dit onderzoek en de prognoses in twijfel te trekken. Deze uitspraak bevestigt de strenge lijn uit eerdere jurisprudentie over prognoses binnen franchiseverhoudingen. Zo oordeelde de Hoge Raad in de Paalman/Lampenier en Street One arresten al dat een franchisegever niet verplicht is om prognoses over winstverwachting te verstrekken, maar dat hij wél onrechtmatig kan handelen als hij weet dat een door hem gebruikt rapport ernstige fouten bevat en de franchisenemer daar niet op wijst, of als onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het rapport tot fouten leidt. Tegelijkertijd is duidelijk dat prognoses geen resultaatsgarantie vormen. De wetgever heeft in het kader van de franchisewet bovendien expliciet opgemerkt dat de precontractuele informatieplicht niet zover gaat dat informatie over de locatie een garantie moet bieden op het behalen van een bepaalde omzet of bedrijfsresultaat, juist omdat de omzet van veel meer factoren afhangt dan alleen de locatie. Conclusie Kortom: de drempel voor franchisenemer voor een geslaagd beroep op dwaling of een onrechtmatige daad gebaseerd op de door franchisegever verstrekte prognoses ligt hoog. Er ligt een duidelijke taak voor de franchisenemer in de precontractuele fase: kijk kritisch naar de aangeleverde rapporten en schakel zo nodig een eigen deskundige in om de prognoses vast te stellen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten.
LGGA – Lennart Hoeksema
Lennart Hoeksema
Advocaat
Update Franchise #3 ASICS vs. franchisenemers: franchisegever stond vrij de franchiseovereenkomst niet te verlengen
Op 12 november 2025 wees de Rechtbank Amsterdam vonnis in een zaak tussen ASICS Europe B.V. en haar Franse franchisenemers (ECLI:NL:RBAMS:2025:8525). De rechtbank oordeelde onder andere dat ASICS in dit geval vrij was de overeenkomst níet te verlengen: de overeenkomst eindigde van rechtswege en de niet‑verlenging was niet onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Achtergrond ASICS sloot eind 2018 een franchiseovereenkomst met een aantal Franse partijen voor de vijfjarige exploitatie van vijftien winkels in Frankrijk. De franchiseovereenkomst liep af op 31 december 2023. Op deze overeenkomst was Nederlands recht van toepassing. Al op 12 december 2022, ruim een jaar voor de afloop van de franchiseovereenkomst, voerden partijen een gesprek over de toekomst. Vervolgens stuurde ASICS op 23 december 2023 een brief waarin zij aangaf dat de overeenkomst niet zonder meer voor vijf jaar zou worden verlengd en dat verlenging afhankelijk zou zijn van een nog op te stellen verbeterplan van zeven maanden. Voorwaarden waren onder meer het wegwerken van bepaalde bestaande tekortkomingen van de franchisenemers en het bieden van voldoende financiële zekerheid door de franchisenemers. In de loop van 2023 werd intensief onderhandeld over dit verbeterplan: ASICS deed meerdere voorstellen en verlengde termijnen om tot een oplossing te komen, terwijl de franchisenemers tegenvoorstellen indienden. Uiteindelijk werd echter geen definitief plan overeengekomen dat voor ASICS acceptabel was. Op 30 oktober 2023 mailde ASICS dat de franchisenemers nog steeds niet aan hun materiële verplichtingen voldeden (onder meer ten aanzien van betaling en bankgaranties) en dat het daarom niet passend was het verbeterplan verder aan te passen. Op 31 oktober 2023 stuurde ASICS nog een e-mail aan de franchisenemers waarin zij aangaf dat een definitief besluit over het al dan niet verlengen van de franchiseovereenkomst nog niet was genomen. Uiteindelijk informeerde ASICS de franchisenemers op 20 december 2023 dat zij nog steeds tekortschoten in hun verplichtingen, dat de franchiseovereenkomst niet zou worden verlengd en dat deze (dus) per 31 december 2023 zou eindigen. In deze procedure vorderde ASICS in conventie betaling van openstaande product- en royaltyfacturen, welke betaling uiteindelijk door de rechtbank werd toegewezen. In dit blog zal ik voornamelijk stilstaan bij de vorderingen van de franchisenemers in reconventie. De franchisenemers vorderden in reconventie onder andere een verklaring voor recht dat ASICS de franchiseovereenkomst op ongeldige wijze tegen eind 2023 beëindigde. Moet de franchisegever verlengen? De rechtbank ging uit van het contract: het ging om een franchiseovereenkomst met een vastgelegde duur van vijf jaar, die van rechtswege eindigde op 31 december 2023. Daarnaast stond in het contract dat ASICS kon besluiten om de franchiseovereenkomst niet te verlengen indien de franchisenemers, kort gezegd, niet voldeden aan bepaalde verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. In principe stond ASICS volgens de rechtbank dus vrij om de franchiseovereenkomst niet te verlengen. Ook van enige strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatige daad door het niet-verlengen van de franchiseovereenkomst was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. ASICS had onder andere al tijdens het gesprek tussen partijen in december 2022 en in de daaropvolgende brief de franchisenemers er ook uitdrukkelijk op gewezen dat ASICS de franchiseovereenkomst gelet op de bestaande tekortkomingen niet zou kunnen verlengen. Nadien stelde ASICS steeds duidelijke voorwaarden voor een eventuele verlenging van de franchiseovereenkomst in de vorm van een verbeterplan, maar de franchisenemers gingen hier niet mee akkoord. De rechtbank erkende weliswaar dat de franchisenemers inspanningen verrichtten om de bestaande tekortkomingen te verhelpen en aan de eisen van ASICS te voldoen, maar dat hiermee nog (steeds) niet voldaan werd aan hetgeen ASICS verlangde en mocht verlangen. Dit berichtte ASICS op 30 oktober 2023 ook nog uitdrukkelijk, zo overwoog de rechtbank. Aan het feit dat ASICS op 31 oktober 2023 aan de franchisenemers liet weten dat er nog geen beslissing was genomen om de franchiseovereenkomst niet te verlengen, hadden de franchisenemers volgens de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de franchiseovereenkomst wél zou worden verlengd. Kortom, ASICS was volgens de rechtbank tijdig en duidelijk over het ontbreken van een automatische verlenging. De niet-verlenging van de franchiseovereenkomst achtte de rechtbank niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of onrechtmatig. Overigens stelden de franchisenemers in reconventie dat ASICS op andere vlakken tekort was geschoten in de franchiseovereenkomst. De rechtbank zag dit anders en verwierp alle vorderingen van de franchisenemers op dit vlak (ook). Conclusie Deze uitspraak toont aan dat het van belang kan zijn om tijdig in overleg te treden over de vraag of een franchiseovereenkomst zal worden verlengd. Dit behoedt beide partijen voor zowel feitelijke als juridische verrassingen. Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan gerust contact op met Lennart Hoeksema of één van onze andere specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
DAEB vrijstellingsbesluit herzien - een oplossing voor de woningnood?
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie de herziene versie van het Vrijstellingsbesluit voor staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB Vrijstellingsbesluit”) aangenomen. Het DAEB Vrijstellingsbesluit maakt het mogelijk om steun te verlenen voor diensten die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat melding bij de Europese Commissie is vereist. Dit DAEB Vrijstellingsbesluit is nu door de Europese Commissie opgefrist, onder andere met het doel om woningbouw te stimuleren en de huisvestingscrisis tegen te gaan. Wat is er exact gewijzigd? En wat voor gevolgen heeft dit voor u? U leest het in onderstaande blog! Wat is staatssteun?  Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is steun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”). Diensten van algemeen economisch belang DAEB’s zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen maar die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden. Er is daarom staatssteun vereist om deze diensten onder de gewenste voorwaarden of kwaliteit voor burgers op de markt aan te kunnen bieden. Dit kan bijvoorbeeld sociale woningbouw of exploitatie van economisch inefficiënte busverbindingen betreffen. Overheden hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid bij het bepalen welke diensten zij als DAEB kwalificeren. Het DAEB Vrijstellingsbesluit De Europese Commissie heeft een aantal instrumenten ontwikkeld op basis waarvan DAEB-steun rechtmatig aan ondernemingen kan worden verleend. Eén van deze instrumenten is het DAEB Vrijstellingsbesluit. Op basis van dit besluit kunnen overheden ondernemingen die zijn belast met het verrichten van een DAEB compensatie geven voor het verrichten van de betreffende DAEB mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er is sprake van een DAEB; De compensatie bedraagt maximaal € 20 miljoen per jaar of valt binnen de andere categorieën DAEB’s die binnen het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit vallen conform art. 2 lid 1 van het Vrijstellingsbesluit;  De periode waarvoor de onderneming wordt belast met de DAEB is niet langer dan 10 jaar;  Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst, oftewel, er mag geen sprake zijn van overcompensatie;  De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren wordt belast met uitvoering van de DAEB in een toewijzingsbesluit waarin de DAEB, het compensatiemechanisme en overige relevante aspecten zoals voorgeschreven in het DAEB Vrijstellingsbesluit worden uitgewerkt; Er wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden (controle op overcompensatie, transparantie).   Waarom herzien? De Europese Commissie heeft het een evaluatie verricht naar (de toepassing van) het “oude” Vrijstellingsbesluit in de praktijk. Dit heeft tot de conclusie geleid dat de huidige staatssteunregels onvoldoende handvatten bieden voor lidstaten om de huisvestingscrisis tegen te gaan waar de gehele Europese Unie mee kampt. Ook was het “oude” Vrijstellingsbesluit op bepaalde punten toe aan een actualisatie, verduidelijking en versimpeling van de administratieve voorwaarden. Om die redenen heeft de Europese Commissie een herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit aangenomen waarin ervaringen van het oude besluit, economische veranderingen (waaronder de huisvestingscrisis) en marktontwikkelingen zijn verwerkt. De herziening is onderdeel van het “Europees plan voor betaalbare huisvesting” van de Europese Commissie. DAEB Vrijstellingsbesluit: nieuw vs. oud De Europese Commissie heeft ten aanzien van de volgende onderwerpen de volgende wijzigingen doorgevoerd in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit: Verhoging compensatieplafond Gelet op de inflatie sinds de inwerkingtreding van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit in 2012, heeft de Commissie het algemene compensatieplafond verhoogd. Op basis van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit is het mogelijk om maximaal € 20 miljoen per jaar aan steun toe te kennen onder het algemene compensatieplafond. Onder het “oude” Vrijstellingsbesluit bedroeg dit plafond € 15 miljoen. Sociale en betaalbare huisvesting als DAEB Om de huisvestingscrisis in Europa tegen te gaan, heeft de Europese Commissie de kaders omtrent DAEB-steun voor sociale huisvesting nader uitgewerkt/versoepeld. Daarnaast heeft zij betaalbare huisvesting als steuncategorie toegevoegd. DAEB-steun voor sociale en betaalbare huisvesting is niet gebonden aan het algemene compensatieplafond, en kan dus meer dan € 20 miljoen per jaar bedragen mits dit niet leidt tot overcompensatie. De belangrijkste definities en voorwaarden voor huisvestingssteun heeft de Europese Commissie uitgewerkt in de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit. Een DAEB op het gebied van sociale huisvesting wordt gedefinieerd als een dienst voor kansarme huishoudens of sociaal minder bevoorrechte groepen, met inbegrip van daklozen. DAEB’s voor betaalbare huisvesting hebben voornamelijk betrekking op huishoudens die niet achtergesteld zijn, maar welke door marktontwikkelingen, met name marktfalen, geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan starters, ouderen of alleenstaande ouders. In de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit stelt de Commissie onder andere de volgende voorwaarden (in aanvulling op de algemene voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit) waaraan moet worden voldaan bij het verlenen van steun voor sociale en/of betaalbare huisvesting: Kwaliteits-, milieu- en toegankelijkheidseisen: sociale en betaalbare huisvesting moet van passende kwaliteit en toegankelijkheid zijn, voldoen aan milieunormen en zijn aangepast aan de behoeften van huishoudens. Duur: in principe moeten sociale en betaalbare woningen gedurende ten minste twintig jaar voor dat doel worden gebruikt om te voorkomen dat de gesubsidieerde woningen snel op de commerciële markt worden verkocht. Subsidiabele kosten: in de bijlage is een brede lijst van kosten opgenomen welke in aanmerking komen voor dekking uit DAEB-steun. Ten aanzien van betaalbare huisvesting worden ook eisen gesteld met betrekking tot de prijzen die gehanteerd worden voor de woningen. De moeten op transparante wijze worden vastgesteld en onder de marktprijzen blijven, maar niet lager zijn dan nodig voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling. Ook moeten de betreffende woningen daadwerkelijk als betaalbare huisvesting worden gebruikt (en niet als bijvoorbeeld een tweede woning) en moet de toewijzing van de woningen plaatsvinden op basis van open systemen. Nieuwe/gewijzigde steuncategorieën In het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit zijn kritieke geneesmiddelen toegevoegd als mogelijke steuncategorie. Ook zijn de kaders voor luchthavens, luchtverbindingen, maritieme verbindingen met eilanden en havens gewijzigd. Controle op overcompensatie Ten aanzien van controle op overcompensatie heeft de Europese Commissie het regime versoepeld. Onder het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit diende controle op overcompensatie om de drie jaar en aan het einde van de DAEB plaats te vinden. Deze frequentie is in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit teruggebracht naar controle eens in de vijf jaar. Ook is controle achteraf niet meer vereist indien de steunbegunstigde geen andere activiteiten dan de DAEB uitvoert en wettelijk verplicht is alle winsten in de DAEB te herinvesteren. Rapportage- en transparantieverplichtingen Op grond van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit gold een tweejaarlijkse rapportageverplichting voor lidstaten. Deze verplichting komt per 2026 te vervallen. De transparantie zal per 2028 gewaarborgd worden door middel van een registratieverplichting. Vanaf 1 januari 2028 zal alle staatssteun onder het DAEB Vrijstellingsbesluit die meer bedraagt dan € 1 miljoen per onderneming, in een centraal register geregistreerd moeten worden binnen 20 werkdagen na steunverlening. Inwerkingtreding Bovengenoemde wijzigingen treden in werking op de twintigste dag na publicatie van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie. Praktische impact Hoewel de herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit op het eerste gezicht een groot aantal wijzigingen introduceert, blijft de essentie van het besluit in de praktijk grotendeels hetzelfde. De basisprincipes, zoals het vereiste van een toewijzingsbesluit en verbod op overcompensatie, blijven onverminderd van kracht. Deze basisprincipes worden aangevuld met concrete handvatten die overheden kunnen gebruiken om de woningnood op een flexibelere en efficiëntere wijze tegen te gaan. De praktische implicaties zijn vooralsnog beperkt tot het verwerken van de nieuwe kaders voor sociale en betaalbare huisvesting bij het verlenen van steun aan dit type DAEB’s. Overheden zullen ontlast worden van de tweejaarlijkse rapportageverplichting en hoeven minder frequent op overcompensatie te controleren. Per 1 januari 2028 gaat voor steunverleners de verplichting gelden om steunverleningen boven € 1 miljoen per onderneming per DAEB in een centraal register te registeren. In hoeverre deze wijzigingen de oplossing gaan zijn voor de huisvestingscrisis, moet nu in de praktijk gaan blijken. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Bereikbaar via e-mail?
Op grond van artikel 2:14 van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht dat tot één of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Maar wanneer heeft iemand kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is? Die vraag speelde in de zaak die leidde tot het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 21 november 2025. Wat was er aan de hand? Iemand had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting via een daartoe bestemd contactformulier op de website. In dat contactformulier was een veld opgenomen waarin werd gevraagd naar het e-mailadres. Dit was een verplicht veld. De beslissing op bezwaar is vervolgens per e-mail  toegezonden aan het e-mailadres dat in het contactformulier was opgenomen. De vraag was of de beslissing op bezwaar daarmee op de juiste wijze bekend was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, door bezwaar te maken door op de website van de gemeente een contactformulier in te vullen en dit digitaal aan de heffingsambtenaar te sturen, ermee akkoord is gegaan dat hij op het daarin opgegeven e-mailadres bereikbaar is.  De beslissing was volgens de rechtbank op de juiste wijze bekend gemaakt. In cassatie haalt de Hoge Raad eerst de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 van de Awb aangehaald. Daarin is gesteld dat het uitgangspunt is dat de burger mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt. Een burger kan volgens de parlementaire toelichting in beginsel “meer of minder uitdrukkelijk” kenbaar maken dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is, waarbij hij ook te kennen moet geven voor welk bericht of welke berichtenuitwisseling dit geldt, voor welke vorm van elektronisch verkeer hij openstaat en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. De Hoge Raad overweegt dat of een uiting of andere gedraging van een burger aan deze eisen voldoet, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De enkele bekendheid bij het bestuursorgaan van een emailadres is hiervoor niet zonder meer voldoende. Ook de omstandigheid dat een burger die langs elektronische weg een verzoek doet, daarin een e-mailadres opgeeft, brengt niet zonder meer mee dat hij daarmee – impliciet – kenbaar heeft gemaakt dat hij in het kader van correspondentie over dat verzoek steeds langs elektronische weg en op dat e-mailadres bereikbaar is. De Hoge Raad merkt daarbij op dat een bestuursorgaan aan een burger kan vragen om expliciet kenbaar te maken of hij langs elektronische weg bereikbaar is, bijvoorbeeld door op een elektronisch aanvraagformulier uitdrukkelijk de vraag te stellen of de aanvrager het op prijs stelt om ook het vervolg van het met de aanvraag in gang gezette besluitvormingsproces langs elektronische weg voort te zetten en, indien dat het geval is, of de aanvrager het elektronische postadres kenbaar wil maken waarop hij daartoe bereikbaar is. Wmebv Op 1 januari 2026 treedt (weer een deel) de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) in werking. Op grond van deze wet kan een ieder een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit of een klacht  of een ander krachtens wettelijk voorschrift voorgeschreven bericht elektronisch zenden aan een bestuursorgaan (artikel 2:13 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026). Andersom, voor berichten die het bestuursorgaan verzendt aan een of meer geadresseerden, blijft  echter gelden dat een bestuursorgaan dergelijke berichten slechts elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (artikel 2:8 van de Awb, zoals dat luidt per 1 januari 2026).  Het arrest van 21 november 2025 blijft daarom ook na 1 januari 2026 relevant. Vragen Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar, of een van de andere advocaten uit het Team Overheid.
Nesrine Khalloufi – La Gro
Nesrine Khalloufi
Advocaat
Geen onbegrensde bevoegdheid bij het opstellen van nadere regels op grond van een APV-bepaling
In de uitspraak van 3 december 2025 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over de vraag of het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (hierna: het college) bevoegd was om, op grond van door hem vastgestelde nadere regels over standplaatsvergunningen, een veilingsysteem te introduceren ‑ Het oordeel luidde – kort gezegd – dat het college hiertoe niet bevoegd was. Achtergrond Een exploitante van een suikerspinkraam dient bij het college van ’s-Hertogenbosch een aanvraag in voor een standplaatsvergunning (hierna: de aanvraag) op de markt tijdens carnaval voor de jaren 2023 tot en met 2025. Dit heeft de exploitante gedaan door een bod uit te brengen tijdens een door het college georganiseerde gesloten veiling. Het college wijst de aanvraag op grond van de Nadere regels standplaatsen gemeente ’s‑Hertogenbosch (hierna: Nadere regels) af, omdat exploitante niet het hoogste bod op de door haar gewenste standplaats heeft uitgebracht. Exploitante komt hiertegen in beroep. De rechtbank geeft exploitante gelijk en overweegt hiertoe – kort gezegd – dat het college, als het gebruikmaakt van de bevoegdheid om nadere regels te stellen, gebonden is aan de door de gemeenteraad in artikel 5:14 van de APV bepaalde kaders. Het opstellen van nadere regels over weigeringsgronden gaat deze bevoegdheid te buiten. Het college is het hier niet mee eens en stelt hoger beroep in. Volgens het college is de in de Nadere regels opgenomen weigeringsgrond een uitwerking van artikel 5:14, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Hierin is bepaald dat het college, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV, de vergunning kan weigeren indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Het college stelt dat het door een gesloten veiling te houden voor standplaatsen tijdens carnaval een redelijk verzorgingsniveau realiseert voor de consument. Daarbij draagt de gesloten veiling bij aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast in de openbare ruimte, zoals genoemd in artikel 1:8 van de APV. Oordeel Afdeling De Afdeling oordeelde dat het college niet bevoegd was om op grond van de Nadere regels de aanvraag te weigeren omdat de exploitante niet het hoogste bod heeft uitgebracht. Een dergelijke regeling komt in feite neer op een imperatieve weigeringsgrond. De in artikel 5:14, vijfde lid, van de APV verleende bevoegdheid voor het stellen van nadere regels is bedoeld voor het stellen van nadere regels ten behoeve van het borgen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid. Het college is op grond hiervan derhalve bevoegd om nadere regels te stellen ten aanzien van een verdelingsprocedure van de standplaatsen tijdens carnaval, maar niet bevoegd via een veiling een standplaats tijdens carnaval te vergunnen aan de hoogste bieder. Immers, niet valt in te zien hoe het laten bieden op een standplaats nodig is om een redelijk verzorgingsniveau voor de consument of de openbare orde of de openbare veiligheid te borgen. Dat de gemeenteraad daartoe een strekkende afweging heeft gemaakt, blijkt overigens ook niet uit de APV. Gevolgen voor de praktijk Het college kan, als de raad het college daartoe een bevoegdheid heeft toegekend in een APV-bepaling, nadere regels stellen ter uitwerking van die APV-bepaling. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten maar daarbij moet het college blijven binnen de kaders van de raad. Verder zien wij in de praktijk dat het onderscheid tussen nadere regels (algemeen verbindende voorschriften) en beleidsregels niet altijd goed wordt gemaakt. Heeft u vragen over nadere regels of beleidsregels, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of Nesrine Khalloufi of een van de andere leden van het team Overheid.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Eerste Kamer stemt in met Wcw: gemeenten kunnen aan de slag met de warmtetransitie
Met de aanstaande inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw), Wet gemeentelijke instrumenten warmte (Wgiw) en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmte (Bgiw) krijgt de energietransitie in Nederland in 2026 een nieuwe impuls. De Wcw is op 9 december 2025 door de Eerste Kamer aangenomen en vervangt onder meer de huidige Warmtewet. Het is echter nog onduidelijk per wanneer de Wcw daadwerkelijk (gefaseerd) in werking zal treden. De Wgiw is al gedeeltelijk in werking getreden, en het Bgiw verkeert op dit moment nog in concept. Het Bgiw gaat op korte termijn voor advies naar Raad van State. De regierol van gemeenten in de warmtetransitie wordt met deze wet- en regelgeving ingezet, en de bevoegdheden van gemeenten uitgebreid. De Wgiw en Bgiw zorgen ook voor nieuwe verplichtingen. Zo zal het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma moeten vaststellen In dit programma staat een plan voor verduurzaming van de warmtevoorziening. Dit is een ambitieuze termijn, zeker omdat het onder omstandigheden zinvol kan zijn om de gemeenteraad te betrekken. Hieronder benoemen wij de kern van de wijzigingen, en gaan wij in op de verhouding tussen de gemeenteraad en het college bij het vaststellen van het warmteprogramma, de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Wcw: warmtekavels en publiek meerderheidsbelang Het doel van de Wcw is om de overstap naar collectieve warmte (zoals stadsverwarming) te bevorderen en waarborgen. De Wcw geeft gemeenten als gezegd nieuwe bevoegdheden en verplichtingen, waaronder het vaststellen van zogeheten ‘warmtekavels’, waarvoor zij vervolgens een warmtebedrijf aanwijzen. Dit warmtebedrijf moet in beginsel een publiek meerderheidsbelang hebben. Daardoor wordt het voor gemeenten relevant om zelf, al dan niet samen met andere partijen, warmtebedrijven op te richten (zie ook onze eerdere blog over publiek aandeelhouderschap en de rol van marktpartijen onder de Wcw). De Wgiw: Instrumenten voor gemeentelijke regie Op grond van de Wgiw kan het college in een programma beslissen over de verduurzamingsstrategie voor de gebouwde omgeving (aardgasvrij). Vervolgens kan de gemeenteraad het omgevingsplan wijzigen. Meer concreet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen terzake het uitsluiten van het gebruik van gas als warmtevoorziening binnen een (warmtetransitie)gebied, voor zover die locatie in een (verplicht) warmteprogramma is opgenomen (artikel 5.131a Bkl). Daarvoor wordt onder omstandigheden het verbod op “het aan regels binden van het transporteren en het leveren van gas in het belang van de energievoorziening door de gemeenteraad” (artikel 62 Gaswet, artikel 6.8 Energiewet) buiten toepassing verklaard.   Het warmteprogramma: richtinggevend en zelfbindend Het begint echter met het hiervoor genoemde verplichte warmteprogramma. De Wgiw wijzigt (artikel 3.6 van) de Omgevingswet, waardoor het warmteprogramma een van de verplichte programma’s wordt die een gemeente moet opstellen. Als gezegd moeten gemeenten uiterlijk op 31 december 2027 een warmteprogramma vaststellen (artikel 10.19a1 Ob). Dat programma moet vervolgens elke vijf jaar worden geactualiseerd. Het warmteprogramma is gericht op verduurzaming van de warmtevoorziening van bestaande gebouwen en, voor zover relevant, de energievoorziening voor milieubelastende activiteiten. De gemeente dient in het warmteprogramma per wijk het tijdspad voor verduurzaming te beschrijven en de verschillende warmtealternatieven in beeld te brengen. Instructieregels in dit verband zijn opgenomen in artikel 4.32 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het is in onze ogen van cruciaal belang om in aanmerking te nemen dat het warmteprogramma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en dat het alleen het college zelf bindt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Er is echter geen juridische koppeling tussen bijvoorbeeld het warmteprogramma en de door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie. Het is niet zo dat een omgevingsvisie moet worden aangepast als een programma wordt gewijzigd of dat een onderwerp in een omgevingsvisie aan de orde moet komen, voordat een programma kan worden opgesteld of andere instrumenten kunnen worden ingezet. Ook is de gemeenteraad bij vaststelling van het omgevingsplan als uitgangspunt niet gebonden aan het programma, vanwege het karakter daarvan. Tóch kan de gemeenteraad geen (warmtetransitie)gebied in een omgevingsplan aanwijzen als het college van burgemeester en wethouders dit niet eerder in een programma heeft opgenomen. Kortom, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hebben elkaar hard nodig als het gaat om de warmtetransitie. Hoewel het college het programma vaststelt, is afstemming met de gemeenteraad zinvol. De raad kan vooraf geïnformeerd worden, om advies gevraagd worden, of betrokken worden via de omgevingsvisie door daarin de hoofdlijnen van het programma op te nemen. Dit voorkomt problemen bij de aanwijzing van transitiegebieden in omgevingsplannen. Conclusie De Wcw en de Wgiw geven gemeenten een centrale rol in de warmtetransitie. Met het warmteprogramma als beleidsmatig instrument kunnen gemeenten gericht sturen op de verduurzaming van de lokale warmtevoorziening. Tijdige voorbereiding en goede afstemming binnen de gemeente zijn cruciaal om de transitie succesvol te laten verlopen. Contact Wil je meer weten over de Wcw, Wgiw of het warmteprogramma? Neem contact op met Marije van der Hoek, Matti Smit, Michelle de Rijke of een van onze andere energie specialisten.
Update Franchise #2 FEBO vs. franchisenemer: postcontractuele franchiseverplichtingen
Op  19 november 2025 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een conflict tussen FEBO en de voormalig franchisenemer van de FEBO-vestiging in Zwolle. De zaak laat duidelijk zien hoe postcontractuele verplichtingen in franchiseovereenkomsten kunnen uitwerken – ook wanneer een franchiseovereenkomst “van rechtswege” eindigt. Achtergrond De relatie tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer stond al onder spanning nadat was ontdekt dat in de vestiging frites werden verkocht die niet van FEBO afkomstig waren. Daarmee werd de franchiseformule geschonden. FEBO stelde daarop “verscherpt toezicht” in. De franchiseovereenkomst liep tot 30 april 2025. FEBO bood verlenging aan, maar onder voorwaarden vanwege het eerdere toezicht. De franchisenemer weigerde en gaf aan zelfstandig verder te willen gaan op dezelfde locatie. FEBO stelde daarop dat de franchisenemer verplicht was de onderneming – inclusief de huurovereenkomst – aan FEBO aan te bieden, zoals in het contract was vastgelegd. De franchisenemer weigerde dat, waarop FEBO een kort geding startte. Gelden de postcontractuele verplichtingen ook bij een “van rechtswege” einde? De franchisenemer voerde aan dat de verplichtingen alleen golden wanneer de franchiseovereenkomst werd “beëindigd”, niet wanneer deze van rechtswege eindigt. De voorzieningenrechter ging daar niet in mee. Het maakt juridisch geen verschil hoe de overeenkomst eindigt. De contractuele verplichtingen na afloop blijven gelden. Dat betekende dat FEBO aanspraak kon maken op overname van de vestiging, conform de overeengekomen procedure voor waardebepaling door een onafhankelijke deskundige. Wat besliste de rechter? De rechtbank oordeelde onder meer dat de franchisenemer de onderneming en de huurovereenkomst aan FEBO moest aanbieden volgens de franchiseovereenkomst en dat een waardebepaling moest worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige en de franchisenemer moest volledig meewerken aan deze waardebepaling. De franchisenemer vorderde dat FEBO verplicht zou worden tot voortzetting van leveringen en gebruik van merkuitingen. Deze vordering werd afgewezen. Conclusie Deze uitspraak onderstreept dat franchisenemers alert moeten zijn op de afspraken die gelden na afloop van een franchiseovereenkomst. Veel contracten bevatten bepalingen over overname, goodwill en overdracht van de huurlocatie. Die verplichtingen kunnen ver strekkende gevolgen hebben – zoals het verplicht moeten afstaan van de onderneming. De zaak tussen FEBO en de Zwolse franchisenemer toont dat het cruciaal is dat beide partijen de postcontractuele afspraken kennen én naleven. Voor franchisenemers kan een onjuiste inschatting van deze verplichtingen leiden tot hoge dwangsommen en verlies van de onderneming. Voor franchisegevers bevestigt dit vonnis dat zorgvuldig opgestelde overeenkomsten standhouden, ook wanneer een franchisenemer een andere koers wil varen.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Collectieve actie tegen Apple in Nederland: hoe de ‘virtuele ruimte’ van de App Store de bevoegde rechter bepaalt
Op dinsdag 2 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) uitspraak gedaan in de zaak van Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Store Claims tegen Apple. In deze zaak stellen de eisers dat Apple haar machtspositie heeft misbruikt door een commissie van 30% in te houden op aankopen die via de App Store plaatsvinden. Volgens de stichtingen hebben gebruikers hierdoor schade geleden. De stichtingen spanden onder de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (“WAMCA”) een zaak aan bij de Rechtbank Amsterdam namens alle benadeelde gebruikers van de Nederlandse App Store. Deze zaak riep echter een belangrijke vraag op: is de Rechtbank Amsterdam wel bevoegd om zich over een dergelijk geschil te buigen, gezien het feit dat de getroffen gebruikers verspreid zijn over Amsterdam en de rest van Nederland? Achtergrond Op basis van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 is een rechter bevoegd kennis te nemen van een geschil wanneer het schadeveroorzakende feit zich binnen zijn jurisdictie heeft voorgedaan of wanneer de schade daar is ingetreden. De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat zij internationaal bevoegd was om het geschil tussen de stichtingen en Apple te behandelen. De rechtbank stelde vast dat de misbruikhandelingen van Apple op Nederlands grondgebied plaatsvonden, omdat de App Store specifiek voor de Nederlandse markt is ingericht en in het Nederlands wordt aangeboden. Bovendien trad de schade in Nederland op: de verhoogde prijzen werden daar betaald door gebruikers met een Nederlandse bankrekening. De rechtbank twijfelde echter aan haar territoriale bevoegdheid en stelde daarom prejudiciële vragen aan het HvJEU. In Nederland bevinden zich immers elf arrondissementen waarbinnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn. Bij een strikte toepassing van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 kunnen gebruikers die schade in Nederland lijden door het handelen van Apple uitsluitend een vordering indienen bij de rechtbank in het arrondissement waar hun schade is ingetreden (i.e. vaak waar zij wonen). Een dergelijke strikte benadering zou betekenen dat de stichtingen hun collectieve vorderingen bij elf verschillende Nederlandse rechtbanken moeten indienen. De uitspraak Het HvJEU stelde dat de NL App Store en bepaalde apps die daar worden aangeboden specifiek zijn ontworpen voor de Nederlandse markt. Daarnaast is de voertaal van de NL App Store Nederlands. Hierdoor vormt de NL App Store een ‘virtuele ruimte’ die gelijkgesteld kan worden aan het gehele grondgebied van Nederland. De schade die voortvloeide uit aankopen in deze virtuele ruimte trad dan ook op in het gehele grondgebied van Nederland, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de aankoop bevonden. Elke Nederlandse rechtbank die op grond van artikel 7 lid 2 van Verordening 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, is daarmee dus tevens territoriaal bevoegd om voor alle gebruikers het gehele geschil te beoordelen. Een dergelijke centralisatie van rechtsmacht bij één rechter sluit aan bij de doelstellingen van Verordening 1215/2012, namelijk het verbeteren van de toegang tot de rechter en het voorkomen van parallelle procedures over hetzelfde geschil. Implicaties van het Apple-arrest voor collectieve vorderingen Deze uitspraak vergemakkelijkt de toegang tot de rechter voor exclusieve belangenbehartigers die namens grote groepen personen optreden. Wanneer een representatieve organisatie een collectieve actie start namens een voldoende omschreven groep die aankopen heeft gedaan in een ‘virtuele ruimte’, heeft elke rechtbank in het land waar die ruimte wordt aangeboden rechtsmacht over de gehele collectieve vordering. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman of één van onze WAMCA-specialisten.