Publicaties

Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Disfunctionerende werknemer? Dit moet u regelen voor een succesvol ontslag
Een werknemer die niet goed functioneert, kan niet zomaar worden ontslagen. Ook niet als targets achterblijven of de werkgever al langere tijd ontevreden is. Dat blijkt opnieuw uit een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over IBM: een verbetertraject moet concreet, persoonlijk en toetsbaar zijn. Disfunctioneren kan een redelijke grond voor ontslag zijn. Daarvoor moet de werkgever volgens vaste rechtspraak tijdig duidelijk maken dat sprake is van disfunctioneren, concreet benoemen wat er niet goed gaat en de werknemer een serieuze en reële kans geven het functioneren te verbeteren. In de praktijk vertaalt dat zich meestal in een verbeterplan of Performance Improvement Plan (PIP) voor een periode van drie tot zes maanden. Targets niet halen is niet automatisch disfunctioneren In de zaak bij het Gerechtshof Amsterdam ging het om een werknemer in een salesfunctie. Hij had zijn commerciële targets niet gehaald: over 2023 realiseerde hij 66% van zijn target en over 2024 slechts 41%. De werkgever startte daarop twee PIP’s. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren. In hoger beroep oordeelde het hof anders. Het enkele feit dat een werknemer in een salesfunctie zijn targets niet haalt, betekent niet zonder meer dat sprake is van disfunctioneren. Ook in een commerciële functie moet de werkgever concreet maken welk handelen of nalaten voor verbetering in aanmerking komt. Volstaan met algemene verwijzingen naar tegenvallende resultaten is onvoldoende. De werkgever had dat naar het oordeel van het hof nagelaten. Een verbeterplan moet persoonlijk en concreet zijn Volgens het hof schoten de PIP’s tekort. De plannen waren grotendeels generiek opgesteld en kwamen inhoudelijk overeen met PIP’s van andere werknemers. Daarmee sloten zij onvoldoende aan bij de concrete situatie van deze werknemer. Een goed verbeterplan is geen standaarddocument. Voor de werknemer moet aan de hand van praktijkvoorbeelden duidelijk zijn: wat er concreet niet goed gaat; welk resultaat van hem wordt verwacht en wat hij daarvoor moet doen; welke begeleiding of ondersteuning hij daarbij van de werkgever krijgt; wanneer wordt geëvalueerd en wanneer sprake is van voldoende verbetering. Algemene formuleringen zoals “beter communiceren”, “meer leiderschap tonen” of “meer omzet realiseren” zijn daarvoor onvoldoende, zo bevestigt ook deze uitspraak. Hoewel de werkgever een zekere beoordelingsvrijheid heeft bij het beoordelen van het functioneren van een werknemer – en de rechter zich bij de beoordeling daarvan terughoudend dient op te stellen door niet op de stoel van de werkgever te gaan zitten – laat recente rechtspraak een duidelijke tendens zien: rechters toetsen het verbeterplan streng(er). Leg tussentijdse evaluaties schriftelijk vast De werkgever stelde dat tijdens het verbetertraject coachingsgesprekken en tweewekelijkse gesprekken hadden plaatsgevonden. De werknemer betwistte echter dat het verbetertraject daarin inhoudelijk was besproken. Het hof rekende de werkgever aan dat van die gesprekken geen duidelijke schriftelijke vastlegging bestond. Opvallend is dat het hof daarbij betrekt dat de werkgever een grote en professionele organisatie is. Van zo’n werkgever mag worden verwacht dat tussentijdse evaluaties schriftelijk worden vastgelegd en met de werknemer worden gedeeld. Dat roept de vraag op of die lat voor kleine werkgevers minder hoog ligt. In de praktijk is schriftelijke vastlegging echter ook voor hen verstandig: het voorkomt discussie achteraf en de werknemer weet steeds waar hij staat. Vergeet herplaatsing niet Een mislukt verbetertraject betekent nog niet automatisch dat ontslag mogelijk is. De werkgever moet ook onderzoeken of herplaatsing in een passende functie mogelijk is, eventueel met scholing. Ook dat ging bij deze werkgever mis. Het hof oordeelde dat het onvoldoende was dat tijdens het verbetertraject een andere salesfunctie was genoemd. De werkgever had geen afzonderlijk herplaatsingsgesprek gevoerd en onvoldoende onderzocht welke passende functies binnen het concern beschikbaar waren. Omdat geen sprake was van een voldragen ontslaggrond en niet aan het herplaatsingsvereiste was voldaan, kende het hof de werknemer een billijke vergoeding toe van € 20.000 bruto. Wat betekent dit voor de praktijk? Werkgevers doen er goed aan om bij disfunctioneren niet te lang te wachten en het traject direct goed in te richten. Dat betekent concreet: benoem expliciet dat sprake is van disfunctioneren, maak het verbeterplan SMART en zorg dat evaluaties schriftelijk worden bevestigd. Is het functioneren na afloop nog steeds onvoldoende? Onderzoek dan afzonderlijk en aantoonbaar of herplaatsing mogelijk is. Sla die stap niet over. Contact Heeft u vragen over disfunctioneren, verbetertrajecten of herplaatsing? Of wilt u een verbeterplan laten toetsen voordat u een traject start? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Bencis arrest: Investeringsmaatschappij kan kartelboete niet op portfolio-onderneming verhalen
Op 10 april 2026 wees de Hoge Raad een arrest dat van belang is voor investeringsmaatschappijen en conglomeraten die verschillende dochtermaatschappijen hebben. De centrale vraag luidde of een moedermaatschappij die door de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) is beboet wegens een kartelinbreuk van haar dochter, de betaalde boete op die dochter kan verhalen. Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk, maar bevat een nuance die voor de praktijk van belang is. De zaak Investeringsmaatschappij Bencis hield tussen 2004 en 2011 indirect aandelen in Meneba, een Nederlandse meelfabrikant. Meneba bleek in de periode 2001 tot en met 2007 te hebben deelgenomen aan een kartel van meelfabrikanten, in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorganger van de ACM) legde Meneba in 2010 daarom een boete op van 9 miljoen euro. Op 17 juli 2014 besloot de ACM Bencis ook te beboeten. Deze boete volgde nadat Bencis in 2011 haar aandelen in Meneba had verkocht. Aan deze boete lag ten grondslag dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van Meneba, waardoor zij in mededingingsrechtelijke zin één onderneming met haar dochteronderneming Meneba vormde. De boete voor Bencis bedroeg ruim 1,27 miljoen euro. Hoewel Bencis de boete aanvocht, bleef deze zowel bij de bestuursrechter als bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in stand. Bencis vond het onrechtvaardig dat zij een boete moest betalen voor het gedrag van haar voormalige dochteronderneming en stapte naar de civiele rechter. Zij vorderde van Dossche (de partij die Meneba in 2018 had overgenomen) vergoeding van de aan haar opgelegde boete. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hierop ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad eveneens verworpen. Hierna lichten wij dat toe. Het oordeel van de Hoge Raad De Hoge Raad stelde voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover Bencis haar vordering baseerde op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer ook onrechtmatig is jegens de moedermaatschappij. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat de dochter de moeder bewust heeft misleid of haar onkundig heeft gehouden van de inbreuk. Nu Bencis er niet in slaagde dergelijke bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, strandde de vordering uit onrechtmatige daad. Het standpunt van Bencis dat Meneba ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van haar, omdat Meneba een lagere boete had betaald dan het geval zou zijn geweest indien uitsluitend zij was beboet, heeft de Hoge Raad niet inhoudelijk beoordeeld. Het gerechtshof had echter al geoordeeld dat geen sprake was van een ongerechtvaardigde verrijking, welk oordeel in cassatie in stand is gebleven. Conclusie en belang voor de praktijk Dit arrest kan vergaande gevolgen hebben voor investeringsmaatschappijen en andere conglomeraten. Wanneer een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op een dochter, loopt zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor mededingingsovertredingen van die dochter, ook wanneer zij hiervan geen kennis had. Zoals dit arrest benadrukt, is het achteraf verhalen van een opgelegde boete op de dochter daarbij slechts mogelijk als de moedermaatschappij bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door misleiding of het bewust achterhouden van informatie. De les is helder. Investeringsmaatschappijen en conglomeraten doen er goed aan te investeren in voortdurende compliance binnen hun portfolio-ondernemingen. Het uitvoeren van een due diligence onderzoek voorafgaand aan een overname, of het jaarlijks navragen of er wetsovertredingen zijn gepleegd, is op zichzelf onvoldoende om boeteaansprakelijkheid te voorkomen of de boete te verhalen op een dochter. Organisaties die hier nog onvoldoende op inzetten, hebben er baat bij om hun medewerkers en bestuurders gerichte trainingen en opleidingen op het gebied van mededingingsrecht aan te bieden. Een goed ingericht compliance programma vermindert niet alleen het risico op kartelinbreuken, maar versterkt ook de positie van de organisatie in eventuele handhavingsprocedures. Heeft u interesse in compliance trainingen of vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, Noa van den Brink of één van onze andere specialisten op het gebied van mededingingsrecht.
Marije van der Hoek – La Gro
Marije van der Hoek
Advocaat
Netcongestie en woningbouw: Wie krijgt voorrang?
Woningbouwprojecten dreigen vast te lopen op de wachtlijst van de netbeheerder. ​Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruikers. Vanaf dat moment wordt het prioriteringskader, op basis waarvan bepaalde maatschappelijke functies voorrang krijgen bij het toekennen van een aansluiting op het elektriciteitsnet (systeem)[1] en transportcapaciteit, ook voor woningbouwprojecten relevant. Woningbouwprojecten krijgen voorrang boven de meeste andere functies, maar dat is geen garantie op een aansluiting.   Binnen de categorie “basisbehoeften”, waartoe woningbouwprojecten behoren, is de volgorde van binnenkomst van een aanvraag voor transportcapaciteit bepalend. Gemeenten kunnen tot 10 jaar vooruit transportcapaciteit aanvragen. Een projectontwikkelaar kan dit pas zodra er een omgevingsvergunning is.     Voor het reserveren van transportcapaciteit wordt nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten dan ook cruciaal. Dat zal naar verwachting veel extra werk voor gemeenten opleveren.    Het prioriteringskader   Aansluitingen op het elektriciteitsnet (systeem) en transportcapaciteit worden toegekend door de distributiesysteembeheerders (DSB’s) en transmissiesysteembeheerders (TSB’s), voor inwerkingtreding van de Energiewet aangeduid als (regionale respectievelijk landelijke) netbeheerders.     Voorheen werd transportcapaciteit toegekend op basis van het non-discriminatiebeginsel. Dit betekende dat transportcapaciteit werd toegekend op volgorde van binnenkomst van het verzoek: het first come, first served-principe. Dit leek eerlijk, maar leidde soms tot vreemde situaties. Zo kon een pretpark voorrang krijgen op een ziekenhuis, alleen omdat het verzoek eerder binnen was.   Om te voorkomen dat maatschappelijke functies door een gebrek aan transportcapaciteit in de knel komen, heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in 2024 een prioriteringskader geïntroduceerd. Het prioriteringskader bepaalt welke partijen met prioriteit een aansluiting kunnen krijgen. Sinds 1 januari 2026 geldt het nieuwe (nader onderbouwde) prioriteringskader (hierna: “het Prioriteringskader”).[2]  In gebieden met netcongestie kunnen door het Prioriteringskader sommige organisaties, voorrang aanvragen bij het toekennen van transportcapaciteit door de DSB en TSB. Het gaat om drie categorieën, waaraan voorrang moet worden verleend in onderstaande volgorde:   congestieverzachters, die ervoor dienen te zorgen dat  extra transportcapaciteit beschikbaar komt op het elektriciteitsnet voor andere partijen;  veiligheid, waaronder bijvoorbeeld elektriciteitsinfrastructuur, gezondheidszorg en openbare drinkwatervoorziening; basisbehoeften, zoals woningen, onderwijs en openbaar vervoer.[3]   Woningbouwprojecten   Tot nu toe kwamen alleen grootverbruikers (aansluiting groter dan 3×80 ampère) in de wachtrij voor de toekenning van transportcapaciteit. Voor kleinverbruikers werd door de DSB’s en TSB’s capaciteit gereserveerd. Daardoor konden zij vrijwel altijd worden aangesloten. Per 1 juli 2026 stopt het automatisch reserveren van capaciteit voor kleinverbruik. Vanaf dat moment wordt transportcapaciteit toegewezen op basis van maatschappelijke prioriteit – ongeacht of het om klein- of grootverbruik gaat. Woningbouwprojecten staan in categorie (3) van het prioriteringskader en komen dus achter congestieverzachters en veiligheid.   Op dit moment wordt door ontwikkelaars van woningbouwprojecten en lokale overheden, voor zover mogelijk, geprobeerd om voor 1 juli 2026 (gebundeld) transportcapaciteit aan te vragen, om zo nog gebruik te kunnen maken van de gereserveerde transportcapaciteit. Volgens het gebruikelijke aanvraagproces dient daartoe een adres te zijn toegekend aan woningen.   Na 1 juli a.s. geldt voor woningbouwprojecten in categorie 3 van het prioriteringskader dat de volgorde van binnenkomst van het verzoek voor transportcapaciteit bepalend is voor de plaats in de wachtrij. Dit betekent dat ook dan zo spoedig mogelijk capaciteit moet worden aangevraagd, voor zover mogelijk.   Vanaf 1 oktober a.s. kunnen gemeenten (via het loket ‘Eerder aanvragen’) al vroeg in het planproces transportcapaciteit voor woningbouw aanvragen. Dit kan tot 10 jaar vooruit. De exacte werkwijze staat nog niet vast en wordt momenteel uitgewerkt.   Ontwikkelaars hebben die mogelijkheid niet: zij kunnen geen transportcapaciteit vooruit reserveren en pas een aanvraag indienen zodra een omgevingsvergunning is verleend.    Na 1 oktober a.s. wordt van gemeenten verwacht dat zij al (proactief) vroeg in het planproces (middels een verklaring door of namens het college van burgemeester en wethouders) transportcapaciteit aanvragen en contracteren, nog voordat een ontwikkelaar definitief in beeld is. De gemeente krijgt daarmee meer kans op de toekenning van transportcapaciteit voor een toekomstig project en kan deze later aan een ontwikkelaar overdragen. Voor ontwikkelaars zonder via de gemeente gereserveerde transportcapaciteit geldt dat (voor vergunningverlening) nauwe samenwerking tussen ontwikkelaars en gemeenten cruciaal is. Dit alles zal naar verwachting een behoorlijke hoeveelheid werk voor gemeenten opleveren.    Conclusie  De strijd om aansluiting op het elektriciteitsnet wordt steeds strategischer. Ontwikkelaars van woningbouwprojecten moeten creatief zijn en goed op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen. Ook is er voor lokale overheden (weer) een nieuwe rol weggelegd. Het prioriteringskader biedt niet alleen de beoogde duidelijkheid, maar ook nieuwe uitdagingen voor zowel gemeenten als ontwikkelaars. Eén ding is zeker: wie het slim aanpakt, maakt meer kans op een aansluiting.  Wil je weten wat dit voor jouw project betekent? Neem gerust contact op met onze specialisten van Team Energie bij La Gro.  Referenties [1] Het begrip ‘net’ is per 1 januari 2026 in de nieuwe Energiewet vervangen door het begrip ‘systeem’. Ten behoeve van de leesbaarheid hanteren wij in dit blog de term ‘net’. [2] Het prioriteringskader van 2024 is op 11 maart 2025 vernietigd in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Het CBb oordeelde dat het vaststellen van een prioriteringskader weliswaar binnen de bevoegdheid van de ACM viel, maar dat het onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, doordat een zelfstandige, deugdelijk onderbouwde belangenafweging voor de gekozen categorieën en functies ontbrak. Het CBb liet het bestaande kader nog gelden tot 1 januari 2026 om de ACM de gelegenheid te geven dit te herstellen, waarna de ACM per 1 januari 2026 een nieuw prioriteringskader heeft vastgesteld. Dit nieuwe kader is vervolgens opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit (de opvolger van de ‘Netcode’). [3] Art. 7.22, derde lid, Systeemcode elektriciteit 2026.
Anouk Overvoorde 2 – La Gro
Anouk Overvoorde
Advocaat
Advies aan wethouder: openbaar op grond van de Woo?
Het uitgangspunt bij de openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) is dat persoonlijke beleidsopvattingen uit documenten voor intern beraad niet openbaar worden gemaakt. Maar als sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, ligt dat anders. Wanneer is daar sprake van? En wat betekent dat voor de praktijk? Persoonlijke beleidsopvattingen Volgens de Woo wordt onder persoonlijke beleidsopvattingen verstaan: ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen daarvan of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter. Bij de openbaarmaking van documenten voor intern beraad op grond van de Woo, worden de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in beginsel niet geopenbaard. Formele bestuurlijke besluitvorming Artikel 5.2, derde lid, van de Woo bevat een uitzondering op dit uitgangspunt ten aanzien van documenten die zijn opgesteld ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Uit deze documenten worden persoonlijke beleidsopvattingen wél verstrekt, zij het in geanonimiseerde vorm, tenzij dit het intern beraad onevenredig schaadt. Wanneer is daarvan sprake? Uit de conclusie van A-G Wattel van 9 juli 2025 volgt dat de volgende documenten in ieder geval niet zijn opgesteld voor formele bestuurlijke besluitvorming: Documenten die niet of nog niet zijn bedoeld om aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan voor te leggen voor een keuze uit mogelijkheden van bestuurlijk handelen of nalaten bij de taakuitoefening door die ambtsdrager of dat bestuursorgaan; Documenten die nog niet rijp zijn (concepten); Documenten die nog circuleren in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen waarin er de ruimte moet zijn om gedachten en concepten uit te wisselen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat daarbij een rol kan spelen of een document daadwerkelijk aan de ambtsdrager of het bestuursorgaan is voorgelegd, maar dat dit niet doorslaggevend is.  Uitspraak Afdeling 8 april 2026 Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2026. In deze zaak ging het om een voorstel aan een wethouder. Het college kon in dit geval niet achterhalen of en hoe het document intern was gedeeld en stelde zelf dat het om een concept ging. Omdat niet duidelijk was of het document aan de wethouder was voorgelegd, beoordeelde de Afdeling aan de hand van de vorm en inhoud van het document of aannemelijk was dat het document ten behoeve van formeel bestuurlijke besluitvorming aan de wethouder is voorgelegd of daarvoor rijp was. Uit het document bleek niet dat het een concept betrof. Het was gericht aan de wethouder, voorzien van een datum en bevatte een concreet voorstel en beslispunt. Op basis daarvan komt de Afdeling tot de conclusie dat sprake was van een document ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming. Het college kon openbaarmaking van de persoonlijke beleidsopvattingen in dit document daarom niet zonder meer weigeren. Deze moeten in geanonimiseerde vorm worden verstrekt, tenzij het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Omdat het college dat laatste niet had beoordeeld, was het besluit volgens de Afdeling ondeugdelijk gemotiveerd. Gevolgen voor de praktijk Als een document naar vorm en inhoud klaar is om aan een ambtsdrager te worden voorgelegd – ook als niet (met zekerheid) kan worden gesteld dat dat ook is gebeurd – heeft dit dus tot gevolg dat de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet herleidbare vorm openbaar dienen te worden gemaakt. Dit is slechts anders indien gemotiveerd kan worden gesteld dat het intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Heeft u vragen over de toepassing van de uitzonderingsgronden uit de Woo? Neem dan contact op met Anouk Overvoorde of een van onze andere Woo-specialisten.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken.
Ben je na verloop van een vervaltermijn écht te laat met een claim wegens verborgen gebreken? In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:540) blijkt dat niet het geval. Dura Vermeer sloot met 58 eigenaren van woningen uit Oegstgeest een aannemingsovereenkomst waarop de SWK Garantie- en waarborgregeling 2014 en de daarbij behorende Algemene Voorwaarden van SWK van toepassing waren. Artikel 15 lid 6 van deze voorwaarden bevat een vervalbeding: stel je niet tijdig een rechtsvordering in vanwege een verborgen gebrek? Dan leidt dat tot niet-ontvankelijkheid en heb je in principe dus pech, maar dat gold voor de 58 woningeigenaren uit Oegstgeest niet. Een rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is op grond van artikel 15 lid 6 niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf jaren na de garantieperiode van zes maanden die geldt na oplevering. De eisers in deze procedure hebben Dura Vermeer gedagvaard en vorderen schadevergoeding vanwege verborgen gebreken. Dura Vermeer stelde zich op het standpunt dat de laatste opleveringen plaatsvonden in november 2018, zodat de garantietermijn in mei 2019 afliep. Omdat niet vóór mei 2024 is gedagvaard, zou de vervaltermijn van vijf jaar zijn verstreken en zouden de vorderingen van eisers niet-ontvankelijk zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. Waarom? Onder meer omdat Dura Vermeer al in 2020/2021 op de hoogte was gebracht van de gebreken en ook bij een groot aantal woningen opnames heeft gedaan. De ratio van contractuele vervaltermijnen is dat klachten over vermeende gebreken binnen een redelijke termijn na ontdekking worden gemeld. In dit geval had Dura Vermeer dus geen belang meer bij een beroep op overschrijding van de vervaltermijn. Een ander belang is ook niet naar voren gebracht. Dus oordeelde de rechtbank: als sprake zou zijn van een schending van de vervaltermijnen, dan zou het beroep hierop door Dura Vermeer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Deze uitspraak bevestigt dat vervalbedingen geen onbeperkte bescherming bieden aan aannemers en dat “te laat” niet altijd daadwerkelijk te laat is. Wat betekent dit in de praktijk? Hoewel vervaltermijnen een belangrijk uitgangspunt blijven, laat deze uitspraak zien dat een claim na verloop van de vervaltermijn niet kan worden uitgesloten. Met name de vraag of een aannemer al eerder op de hoogte was van gebreken kan daarbij een rol spelen. Meer weten over dit onderwerp of benieuwd wat dit voor uw situatie kan betekenen? Neem gerust contact op met één van onze vastgoedspecialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
Thomas Timmers – La Gro
Thomas Timmers
Advocaat
Franchise Update #7 – Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst
Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.   De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel. Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).   Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen. Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.
La Gro – Rose Horstman
Rose Horstman
Advocaat
Opbouw vakantiedagen tijdens een slapend dienstverband: duidelijkheid in zicht!
Het houdt de gemoederen in arbeidsrechtland al enig tijd bezig: bestaat bij een zogenaamd slapend dienstverband een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon? Tegenstrijdige kaders: Nederlandse wet en Europees Recht De Nederlandse wet koppelt het opbouwen van vakantiedagen aan het loon. De opbouw van vakantiedagen stopt dus wanneer de wachttijd van 104 weken eindigt. Het Europese Recht hanteert een andere maatstaf en koppelt vakantiedagen niet aan het loon maar aan arbeid, inclusief arbeidsongeschiktheid. Op grond daarvan zouden zieke werknemers, ook ná die 104 weken, recht hebben op volledige opbouw van vakantiedagen. Dat de verschillende kaders leiden tot onduidelijkheid blijkt uit de tegenstrijdige uitspraken over de opbouw van vakantiedagen na de einde wachttijd.  Geen opbouw van vakantiedagen ná einde wachttijd In de uitspraken waarin de rechter oordeelt dat de werknemer geen vakantiedagen opbouwt na einde wachttijd wordt onder meer gerefereerd aan de recuperatiefunctie van vakantie. Na afloop van de wachttijd zou de werknemer geen (re-integratie)verplichtingen meer hebben en daardoor zou de vakantie zijn functie van herstel en rust verliezen. In deze uitspraken wijzen rechters ook op het feit dat werknemers met een slapend dienstverband een WIA-uitkering of WW-uitkering ontvangen, waarin recht bestaat op vakantiedagen met behoud van uitkering. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen bij de werkgever zou opbouwen, dan is dat dus dubbelop. Wél opbouw van vakantiedagen ná einde wachttijd In een eerdere blog wezen wij al op de uitspraak van de rechtbank Gelderland waar de kantonrechter oordeelde dat het nationale recht niet te verenigen is met artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarin is bepaald dat iedere werknemer recht heeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De rechter oordeelde dat artikel 7:634 BW daarom buiten toepassing moest worden gelaten. De werkgever eindigde in deze zaak met een veroordeling van de betaling van de tijdens het slapende dienstverband opgebouwde vakantiedagen. Prejudiciële vragen Hoge Raad – wachten op een antwoord Op 2 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam bovengenoemde wisselvallige rechtspraak en onduidelijkheid onderschreven. De rechtbank overweegt dat procedures in de toekomst wisselvallig zullen blijven zonder uitsluitsel door de Hoge Raad op de vraag of vakantiedagen opgebouwd worden tijdens een slapend dienstverband. De rechtbank is daarom voornemens om een prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Hoewel het dus nog even zal duren is er voor werkgevers zicht op duidelijkheid over de opbouw van vakantiedagen na de einde wachttijd. Contact Heeft u vragen over vakantie en langdurige ziekte of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Annemiek Varkevisser, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Concurrentie van werknemers? Creatief contracteren helpt!
Uitdiensttreding van een werknemer kan heel vervelend zijn, zeker in een krappe arbeidsmarkt, en al helemaal als de werknemer overstapt naar een concurrent. Veel werkgevers werken daarom met een non-concurrentie- of een relatiebeding. Zo’n beding kan door een rechter worden gematigd of vernietigd, bijvoorbeeld als het ontoereikend was gemotiveerd. Geregeld blijft een werkgever met lege(re) handen achter.    Naar verwachting wordt het gebruik van een non-concurrentiebeding bovendien nog lastiger door de aanstaande Wet modernisering concurrentiebeding. Daarover schreven wij al deze blog. Recent kwam een creatief beding aan de orde in een recent gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. In het contract van de werknemer was vastgelegd dat een deel van zijn bonus pas twee jaar na de opbouw tot uitbetaling zou komen en dan slechts als hij op dat moment niet in dienst van een concurrent was getreden. Vervolgens trad de werknemer na beëindiging van het dienstverband toch in dienst treedt bij een concurrent en ontstond er een juridische discussie: is deze bepaling niet eigenlijk een concurrentiebeding, want het beperkt de mogelijkheden van de werknemer om ergens in dienst te treden? Moet het beding daarom worden getoetst aan de wettelijke voorwaarden en kan de rechter daarom het beding matigen of vernietigen? De rechter vindt van niet: weliswaar is sprake van een financiële prikkel om ergens niet in dienst te treden, maar de vrijheid om dat te doen wordt niet aangetast. Het beding blijft in stand; de werknemer krijgt het restant van bonus niet. Mogelijk maakt één zwaluw nog geen zomer maar het inbouwen van financiële prikkels kan werknemers helpen om keuzes te maken voor het vervolg van diens carrière. Zeker bij contracten voor bepaalde tijd – waar de mogelijkheden voor het rechtsgeldig bedingen van een concurrentie- of relatiebeding zeer beperkt zijn – is het inbouwen van een prikkel het overwegen waard.   Ook als u geen bonusregeling hanteert, zijn creatieve contractuele clausules mogelijk. Bent u benieuwd geworden naar de mogelijkheden? Neem dan vooral contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere specialisten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Toets aan de Dienstenrichtlijn bij wijziging naar schaarse vergunningen
Op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:823) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de omzetting van ligplaatsvergunningen in Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Hierin wordt ingegaan op de grondslag van deze besluiten en de op grond van de Dienstenrichtlijn benodigde motivering van deze besluiten.  Achtergrond: relatie met de uitspraak van 25 september 2024 over exploitatievergunningen De uitspraak hangt nauw samen met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) en de daaraan voorafgaande uitspraken van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2488) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had destijds een maximumaantal exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over de Amsterdamse binnenwateren vastgesteld op 550 en de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen gewijzigd naar bepaalde tijd. Het college beriep zich daarbij op de Dienstenrichtlijn: als het aantal vergunningen door een dwingende reden van algemeen belang wordt beperkt, mag een vergunning niet voor onbepaalde duur worden verleend. De Afdeling oordeelde dat het college in beginsel bevoegd was om volumebeleid vast te stellen en vergunningen te wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn, maar dat de invulling en motivering van het volumebeleid tekortschoten. Met name was onvoldoende gemotiveerd dat het beleid geschikt en noodzakelijk was in het licht van de Dienstenrichtlijn. De hoger beroepen waren daarom gegrond; gevolg was dat de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd golden. Na deze uitspraak kondigde het college een vergunningenstop af voor nieuwe exploitatievergunningen. Uitspraak van 25 februari 2026: ligplaatsvergunningen De uitspraak van 25 februari 2026 ligt in het verlengde hiervan. Naast de exploitatievergunningen heeft het college ook de ligplaatsvergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend, gewijzigd naar ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Het college heeft zich bij de wijzigingsbesluiten gebaseerd op de Verordening op het binnenwater (hierna: Vob). Hierin is geregeld dat het college een vergunning kan wijzigen, onder meer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten (art. 2.2.6 lid 1 onder b Vob). In de bijbehorende beleidsregels is opgenomen dat alleen ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen met een exploitatievergunning voor bepaalde tijd worden gewijzigd, en dat de einddatum aansluit bij de looptijd van die exploitatievergunning. Grondslag om de exploitatievergunningen te wijzigen Op het moment dat het college het besluit op het bezwaar nam, had het college de exploitatievergunningen van de passagiersvaartuigen gewijzigd van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Maar door de Afdelingsuitspraak van 25 september 2024 gelden die exploitatievergunningen voor deze partijen weer als exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee kan die wijziging niet worden aangemerkt als een relevante “verandering van omstandigheden of inzichten”, nu de wijziging immers niet meer geldt. Ook is daarmee niet voldaan aan de beleidsregels, omdat het geen exploitatievergunningen voor bepaalde tijd meer betreft. De wijziging van de ligplaatsvergunningen kan daarmee niet leiden tot wijziging van de exploitatievergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. Het college heeft daarnaast betoogd dat er een verandering in omstandigheden en inzichten bestaat omdat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Dienstenrichtlijn verplicht tot het wijzigen van de ligplaatsvergunningen in een vergunning voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat onduidelijk is waarom dit onder gewijzigde omstandigheden en inzichten valt. Ook dit kan daarom niet leiden tot wijziging van de ligplaatsvergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. De Afdeling overweegt hiertoe dat in de Vob ook een expliciete grondslag was opgenomen om een vergunning te wijzigen als dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee expliciet ook de Dienstenwet en -richtlijn worden bedoeld. Daarom had het college voor deze grondslag moeten kiezen om de ligplaatsvergunningen te wijzigen als het daaraan de Dienstenrichtlijn ten grondslag wilde leggen en niet voor de grondslag die ziet op verandering van omstandigheden of inzichten. Dienstenrichtlijn Tot slot oordeelt de Afdeling anders dan de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Het verbod om zonder ligplaatsvergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen (art. 2.3.6 Vob) ziet naar zijn aard op dienstverrichters en niet op particulieren. De vergunningsvoorwaarden verschillen bovendien van die voor woonboten en pleziervaartuigen; zo vereist art. 2.3.6 lid 5 Vob dat de activiteiten watergebonden zijn en dat benodigde andere vergunningen zijn verleend. Dit betekent dat het college bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn moet toepassen. Het college heeft dat niet gedaan. Het is niet duidelijk geworden waarom het aantal ligplaatsen het maximum vormt en waarom het college niet meer ligplaatsen ter beschikking kan stellen of kan realiseren. Dit moet in het licht van de Dienstenrichtlijn worden gemotiveerd en dat is niet gebeurd. Verder blijkt uit de motivering van het college niet of onvoldoende waarom de wijziging van het beleid over de ligplaatsvergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het stedelijk milieu te beschermen en het binnenwater te ordenen. Gelet hierop moet het college in een nieuw besluit ingaan op de vraag waarom de wijzigingsbesluiten al dan niet in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op om binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen. Conclusie Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Als sprake is van dergelijke dwingende redenen van algemeen belang, moet vervolgens worden gemotiveerd waarom de maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn. Kort gezegd blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling hoe belangrijk het is dat een bestuursorgaan per stap goed motiveert dat en waarom hiervan sprake is. Heeft u vragen over welke omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden beschouwd en over de motivering van de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregelen? Wij denken graag met u mee. U kunt contact op nemen met Coline Norde, Annelot van der Spek of één van de andere specialisten van ons team Bestuursrecht.