Publicaties

Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
De impact van de Toegankelijkheidsrichtlijn
Sinds 28 juni 2025 gelden in Nederland nieuwe regels voor de digitale toegankelijkheid van producten en online diensten. Door de invoering van de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn (European Accessibility Act) zijn nu ook commerciële organisaties, zoals banken, e-commercebedrijven, transport- en communicatiebedrijven, verplicht hun digitale producten en diensten toegankelijk te maken volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG)-richtlijnen. Hierdoor moeten veel meer bedrijven hun websites en apps aanpassen om een inclusieve gebruikerservaring te bieden zodanig dat deze zelfstandig te gebruiken zijn, zonder hulp van derden. Voorheen gold deze verplichting alleen voor overheidsinstellingen op basis van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid. Commerciële organisaties waren tot nu toe uitgezonderd, maar dat is met de komst van de Toegankelijkheidsrichtlijn dus veranderd. Nederland heeft de richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Toegankelijke Producten en Diensten. Over de Toegankelijkheidsrichtijn zijn recent nog vragen gesteld in de Tweede Kamer. Toepassingsbereik De richtlijn heeft een breed toepassingsbereik en is van toepassing op verschillende producten en diensten van private partijen, waaronder die van financiële instellingen. Denk aan betaalterminals, geldautomaten, bankdiensten voor consumenten zoals internetbankieren, en e-handelsdiensten zoals het online openen van een spaarrekening of het afsluiten van een verzekering. Banken en andere dienstverleners moeten hun producten en diensten zo ontwerpen dat iedereen ze kan gebruiken. Dit houdt in dat informatie via meerdere zintuigen beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld zowel in geschreven tekst en als gesproken uitleg. Websites en apps moeten goed bruikbaar zijn met schermlezers en spraakherkenning. Betaalautomaten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking, bijvoorbeeld door spraakondersteuning. Consumenten moeten daarnaast hun bankzaken ook offline kunnen regelen, telefonisch of fysiek aan de balie. Alle informatie moet bovendien begrijpelijk zijn en geschreven op maximaal B2-taalniveau. Overgangsperiode en uitzonderingen Voor bestaande producten en diensten geldt een overgangsperiode tot 2030. Kleine ondernemers met minder dan tien medewerkers en een jaaromzet van maximaal twee miljoen euro zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Er zijn uitzonderingen mogelijk als aanpassing een onevenredige last oplevert of de aard van het product fundamenteel verandert, mits dit goed wordt onderbouwd. De richtlijn geldt niet voor dienstverlening tussen bedrijven onderling. Toezicht en handhaving De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt specifiek toezicht op financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders en kredietverstrekkers. Dit betekent dat de AFM erop toeziet dat deze diensten toegankelijk zijn voor alle consumenten, inclusief de ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Het uitgangspunt is dat consumenten deze financiële diensten zelfstandig en zonder hulp van derden moeten kunnen afsluiten. Dit sluit aan bij de boodschap van de AFM tijdens de Week Van De Toegankelijkheid (6 t/m 12 oktober 2025), waarin wordt benadrukt dat financiële producten en diensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn.   In Nederland zijn daarnaast de Autoriteit Consument & Markt (ACM), Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI), het Commissariaat voor de Media (CvdM) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het toezicht op andere sectoren.  Als de toezichthouder ontdekt dat een product of dienst niet voldoet aan de regels uit de richtlijn, dan moet het bedrijf onverwijld passende corrigerende maatregelen treffen. De toezichthouder bepaalt binnen welke termijn dit moet gebeuren, afhankelijk van hoe ernstig het probleem is. Als een bedrijf niet op tijd de juiste maatregelen neemt om een probleem met een product of dienst op te lossen, mag een toezichthouder ingrijpen. Zij mag dan passende voorlopige maatregelen treffen, zoals het opleggen van een boete om het betreffende product te verbieden, te beperken of het product zelfs helemaal uit de handel halen.  Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Donald Volleberg, Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten. 
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update Franchise #1: Kort geding: Albert Heijn moet instemming franchisenemers vragen voor “Maaltijd Thuis”
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 juli 2025 een belangrijk vonnis gewezen in een kort geding tussen de Vereniging van Albert Heijn-franchisenemers en Albert Heijn Franchising B.V. (AHF). Centraal stonden de rechten van franchisenemers onder de Wet franchise en de toepassing van het instemmingsrecht bij het exploiteren van een afgeleide formule. Maaltijd Thuis is afgeleide formule – instemming verplicht AHF heeft in 2022 het concept Maaltijd Thuis geïntroduceerd: een bezorgservice voor kant-en-klaarmaaltijden onder het merk Albert Heijn. In een eerder vonnis van 8 januari 2025 is al voor recht verklaard dat Maaltijd Thuis moet worden aangemerkt als een afgeleide formule in de zin van artikel 7:911 BW. Daarom moet AHF voorafgaand aan exploitatie de instemming van franchisenemers verkrijgen. Ondanks dat oordeel ging AHF door met exploitatie zonder toestemming, waarop de franchisenemers een kort geding aanspanden. Afstemmingsleer: naleving tussenvonnis verplicht De voorzieningenrechter benadrukt dat een verklaring voor recht bindend is, ook in afwachting van hoger beroep. De zogenoemde afstemmingsleer verplicht de kortgedingrechter om het oordeel van de bodemrechter te volgen, tenzij sprake is van een duidelijke feitelijke of juridische misslag — en daarvan was geen sprake. Verbod en dwangsom Het verbod werd toegewezen. AHF moet de exploitatie van Maaltijd Thuis onder het AH-merk staken totdat instemming is verkregen. Hiervoor krijgt AHF een termijn van vier weken om passende maatregelen te treffen. Bij overtreding geldt een dwangsom van € 25.000 per dag, met een maximum van € 1.000.000. Belang voor de franchisepraktijk Dit vonnis bevestigt opnieuw dat het instemmingsrecht uit de Wet franchise: een preventieve werking heeft niet afhankelijk is van een drempel voor omzetderving (als daarover geen afspraken zijn gemaakt) onverkort geldt, zelfs wanneer een franchisegever van mening is dat de impact gering is Franchisegevers die nieuwe verkoopkanalen of aanvullende formules willen lanceren onder hetzelfde merk, doen er dus goed aan het instemmingsproces tijdig en zorgvuldig te doorlopen. Conclusie Deze uitspraak versterkt de positie van franchisenemers en onderstreept dat franchisegevers — ook tijdens lopende procedures — niet mogen handelen in strijd met eerder vastgestelde franchisebescherming.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
Nieuwe wetgeving voor de jeugdzorg: Wat betekent dit voor jeugdhulpaanbieders?
Op 7 oktober 2025 is het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (hierna: Wvbj) aangenomen door de Eerste Kamer. De Wvbj beoogt (hoog)specialistische jeugdzorg toekomstbestendiger te maken door de beschikbaarheid voor kinderen en gezinnen te verbeteren. In dit artikel leest u wat de gevolgen zijn van de nieuwe wet voor jeugdhulpaanbieders. De Jeugdautoriteit (JA) uitte in 2024 opnieuw haar zorgen over de continuïteit van de jeugdzorg. Al sinds 2019 signaleren verschillende organisaties dat jeugdhulpaanbieders het zwaar hebben door personeelstekorten en toenemende kosten. Om gezamenlijk de problematiek in de jeugdzorg aan te pakken hebben het Rijk en de gemeenten medio 2023 de Hervormingsagenda Jeugd ondertekend. De Wvbj vormt een belangrijk onderdeel van die agenda. Toepassingsbereik van de Wvbj De Wvbj richt zich met name op de verbetering van (hoog)specialistische jeugdzorg. Onder specialistische jeugdzorg wordt in de wet kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering verstaan. Deze zorg wordt geleverd door zogenoemde gecertificeerde instellingen. Daarnaast vallen ook andere vormen van jeugdhulp onder de term specialistische jeugdzorg. Dit betreft jeugdzorg die moeilijk op lokaal niveau te organiseren is vanwege de beperkte vraag en de complexiteit van de problematiek. Ook de term ‘beschikbaarheid’ wordt breed ingevuld. Het gaat bijvoorbeeld om  de vraag naar jeugdzorg, de aansluiting van de vraag op het aanbod en de mate  waarin gemeenten en Jeugdregio’s erin slagen om de benodigde zorg tijdig te verschaffen. Regionale samenwerking Het overkoepelende thema van de Wvbj is regionale samenwerking door gemeenten. De Wvbj verplicht gemeenten om regionaal samen te werken bij de inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg. Er worden Jeugdregio’s aangesteld, bestaande uit verschillende gemeenten. De Jeugdregio’s zijn onder meer belast met het regionaal contracteren van verschillende jeugdhulpvormen en de bijbehorende administratieve processen. Voor kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering zal bovenregionale afstemming plaatsvinden. Gecertificeerde instellingen werken dus met meerdere Jeugdregio’s. Tot slot worden bepaalde vormen van jeugdzorg op landelijk niveau ingekocht. Voor de landelijke inkoop geldt dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (“VNG”) overeenkomsten sluit met jeugdhulpaanbieders. De VNG bedingt ten behoeve van de gemeenten de jeugdhulpvormen die op landelijk niveau worden ingekocht. Dit betreft jeugdhulpvormen die zeer complex van aard zijn waarvan en waar individuele gemeenten en regio’s zeer weinig gebruik van maken. Al deze maatregelen moeten leiden tot meer uniformiteit in het aanbod. Governance en financiële transparantie Naast de regionale samenwerking introduceert de Wvbj nieuwe verplichtingen voor de governance en stelt aanvullende eisen aan de financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Ten aanzien van de governance verplicht de Wvbj jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om een onafhankelijke interne toezichthouder te hebben. Deze verplichting geldt voor jeugdhulpaanbieders die met meer dan tien jeugdhulpverleners jeugdhulp doen verlenen, ongeacht de rechtsvorm. De toezichthoudende taak kan worden vervuld door een raad van commissarissen of een raad van toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld, waarbij in ieder geval wordt bepaald dat de toezichthouder moet bestaan uit ten minste 3 natuurlijke personen.   Naast de al bestaande verplichting voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om jaarlijks de begroting, de balans en de resultatenrekening openbaar te maken, verplicht de Wvbj nu ook tot het openbaar maken van de jaarverantwoording. Deze verplichting biedt financiële transparantie en geldt voor alle jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.   Toezicht door de NZa Onder de Wvbj heeft de Nederlandse Zorg autoriteit (“NZa”) een toezichthoudende taak om de doelstellingen van de Wvbj te bewaken. De taken van de huidige Jeugdautoriteit worden door de NZa overgenomen. De voorgestelde rol voor de NZa op het terrein van jeugdzorg is gericht op drie kerntaken: het doen van stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg, vroegsignalering van risico’s en toezicht op de financiële verplichtingen. Praktische tips De Wvbj brengt ingrijpende veranderingen met zich op het gebied van contractering en governance voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. De regionaal gecontracteerde zorg zal na inwerkingtreding van de wet via de aangestelde Jeugdregio verlopen. Om te voldoen aan de nieuwe governance-eisen is het voor jeugdhulpaanbieders raadzaam om de organisatie hier tijdig op voor te bereiden. Zorg voor een onafhankelijke interne toezichthouder die bestaat uit ten minste drie natuurlijke personen. Verder is het aan te raden om de jaarverantwoording orde te brengen, zodat deze na inwerkingtreding van de wet tijdig openbaar gemaakt kan worden. Contact Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Michelle Collins, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Duurovereenkomsten en opzegtermijnen: tijdig contracten herzien is cruciaal!
Werk je al jaren samen met een vaste partij en heb je bij aanvang van de samenwerking een duurovereenkomst opgesteld? Dan is het verstandig om deze overeenkomst eens kritisch tegen het licht te houden. Past de overeenkomst nog bij de huidige situatie, of is de overeenkomst inmiddels achterhaald? Een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:763) onderstreept het belang van het tijdig herzien van overeenkomsten. Sophie ten Broecke en Pieter van Deurzen schreven een annotatie bij het genoemde arrest (JIN 2025/89), waarin zij de rol van de redelijkheid en billijkheid bij duurovereenkomsten toelichten. Waar ging de zaak over? Twee transportbedrijven werkten jarenlang samen met pakketvervoerder DPD. De samenwerking werd steeds intensiever, maar de contracten bleven ongewijzigd. Aan het begin van de samenwerking zijn partijen een opzegtermijn van slechts één maand overeengekomen. Na verloop van tijd breidden de samenwerkingen steeds meer uit en werden de transportbedrijven steeds afhankelijker van hun werkzaamheden voor DPD. Na samenwerkingen van respectievelijk acht en 11 jaar zegt DPD de overeenkomsten op, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand. De transportbedrijven stellen zich op het standpunt dat deze opzegtermijn niet meer redelijk is, gezien de lange en geïntensiveerde samenwerking. Partijen leggen het geschil voor aan de rechter. Het gerechtshof past de contractuele opzegtermijn van één maand aan en acht een langere opzegtermijn van drie maanden redelijk, gelet op de toegenomen omvang van de samenwerking sinds het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad fluit het hof terug. Het hof past namelijk een verkeerde wettelijke maatstaf toe. De Hoge Raad overweegt dat een contractuele opzegtermijn niet zomaar kan worden aangepast via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan een contractuele regeling niet terzijde stellen volgens de Hoge Raad. Om een contractuele bepaling terzijde te stellen moet je immers een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). In dat geval geldt het onaanvaardbaarheidscriterium. Het hof had dus moeten toetsen of de contractuele opzegtermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit is een zwaar criterium waar het hof niet aan voorbij had mogen gaan. Rechters moeten terughoudend omgaan met het terzijde stellen van een contractuele regeling, dus dat maakt het des te belangrijker om overeenkomsten tussentijds te beoordelen. Waarom is deze uitspraak zo belangrijk? Bedrijven werken vaak langdurig samen, waarbij de samenwerking kan veranderen of intensiveren. Het is dan essentieel om te controleren of de contractuele afspraken nog aansluiten bij de huidige situatie. Anders loop je het risico dat je bij de beëindiging van de samenwerking vastzit aan een opzegtermijn die geen recht doet aan de huidige situatie en die de rechter niet zomaar kan aanpassen. Dit arrest illustreert dat het niet herzien van overeenkomsten kan leiden tot nadelige gevolgen; de oorspronkelijke contractuele regeling blijft van kracht. Goed contractmanagement is daarom essentieel. Praktische lessen voor ondernemers Contracten zijn leidend: de contractuele opzegtermijn blijft in beginsel van kracht, ook bij een veranderende of geïntensiveerde samenwerking; Herzie contracten tijdig: evalueer periodiek of de afspraken nog passen bij de huidige situatie; Voorkom verrassingen: laat je adviseren, want een rechter kan de contractuele afspraken niet altijd corrigeren. Contact Wil je een duurovereenkomst laten beoordelen of aanpassen, of heb je advies nodig over de opzegging van een duurovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke, Pieter van Deurzen of een van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Wetsvoorstel loontransparantie mannen en vrouwen
Uit (niet-gecorrigeerde) cijfers van het CBS blijkt dat vrouwen in Nederland in 2024 gemiddeld nog steeds 10,5 procent minder per uur verdienen dan mannen voor gelijk of gelijkwaardig werk, hoewel dit verschil in 2010 nog 19 procent bedroeg.   De Europese Richtlijn loontransparantie (Richtlijn (EU) 2023/970) is in 2023 vastgesteld met het doel loongelijkheid te bevorderen. Met het Wetsvoorstel implementatie loontransparantie mannen en vrouwen (verder: het “Wetsvoorstel”), gepubliceerd op 26 maart 2025, stelt de regering voor om de voornoemde richtlijn zuiver (dus één op één) te implementeren.   Het is de bedoeling dat het Wetsvoorstel op 1 januari 2027 in werking treedt. Wat de gevolgen zijn voor werkgevers, leest u in dit artikel.  Wat gaat gelden voor alle werkgevers door het Wetsvoorstel?   Loonstructuren met objectieve criteria   Om te beginnen verplicht het wetsvoorstel werkgevers en uitzendbureaus om een transparante loonstructuur te hanteren. Dat moet de transparantie vergroten en loonverschillen tegengaan. Is er geen cao-beloningsstructuur, dan moet de werkgever de loonstructuur zelf vaststellen. Als er een ondernemingsraad is, moet diens instemming bij die vaststelling ook worden verkregen.   De loonstructuur moet worden gebaseerd op objectieve criteria zoals vaardigheden, inspanningen, verantwoordelijkheden en arbeidsomstandigheden. Ook opleiding en soft skills kunnen worden meegenomen. Voor werkgevers die er niet goed uit komen, heeft het ministerie van SZW toegezegd hulpmiddelen ter beschikking te stellen.  Aan de hand van de loonstructuur kan worden vastgesteld welke functies van gelijke waarde zijn en dus gelijk moeten worden beloond. Het kan dus zijn dat verschillende functies hetzelfde worden gewaardeerd.   Werknemers kunnen informatie opvragen  Werknemers en uitzendkrachten krijgen het recht om schriftelijk informatie op te vragen. Zij mogen vragen naar hun eigen loonniveau en naar het gemiddelde loonniveau binnen gelijkwaardige functiegroepen, uitgesplitst naar geslacht. De wetgever vindt dit verenigbaar met de AVG, ook als de informatie herleidbaar is naar individuele werknemers. Werkgevers moeten hun personeel elk jaar informeren over dit recht en uitleggen hoe zij hiervan gebruik kunnen maken.  Verplichtingen tijdens de sollicitatie   Het Wetsvoorstel verplicht werkgevers en uitzendbureaus om vóór loononderhandelingen het startsalaris of de salarisschaal te vermelden; dat kan al in de vacaturetekst. Vragen naar de salarisgeschiedenis van sollicitanten wordt verboden.  Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 50 werknemers of meer?  Voor werkgevers die 50 werknemers of meer in dienst hebben, gaat tijdens de sollicitatie ook de verplichting gelden om openheid te geven over het beleid voor loonvorming en loonontwikkeling.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 100 tot 150 werknemers?  De werkgever met tussen de 100 en 150 werknemers zal iedere drie jaar aan zijn werknemers en de ondernemingsraad moeten rapporteren over loonverschillen binnen functiecategorieën. Zo’n rapportage is echter niet openbaar. De ondernemingsraad beoordeelt vooraf de evaluatiemethode en juistheid van de rapportage. De eerste rapportage moet er op 7 juni 2030 liggen.   Loonverschillen zijn niet altijd ongerechtvaardigd: objectieve factoren zoals ervaring, opleiding of arbeidsmarkt kunnen een rol spelen. Als uit de voornoemde rapportage verschillen volgen (hoe klein ook), dan is het aan de werkgever om per werknemer goed te motiveren of sprake is van een objectieve en genderneutrale rechtvaardigingsgrond. Als een dergelijke rechtvaardigingsgrond er niet is, dan moet de werkgever binnen een redelijke termijn maatregelen nemen om deze verschillen op te heffen. De ondernemingsraad moet met deze maatregelen instemmen.   Is het loonverschil voor gelijkwaardig werk 5% of meer en wordt dit niet binnen zes maanden opgelost? Dan moet de werkgever een diepgaand onderzoek doen naar de oorzaken en een plan van aanpak opstellen waarin oplossingen voor het loonverschil zijn uitgewerkt. Ook hiervoor is instemming van de ondernemingsraad vereist.   Eventuele loonverschillen moeten ook gerapporteerd worden aan een nieuw op te richten monitoringsorgaan. De rapportage toont het gemiddelde en mediane verschil tussen mannen en vrouwen, zowel voor basisloon als aanvullende beloning; een deel hiervan wordt openbaar op een landelijke website.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 150 tot 250 werknemers?  Voor werkgevers met tussen de 150 en 250 werknemers geldt al het voorgaande, met dien verstande dat de eerste rapportage aan werknemers en de ondernemingsraad er (naar verwachting) op 7 juni 2028 moet liggen.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met meer dan 250 werknemers?  Voor werkgevers met tussen de 150 en 250 werknemers geldt al het voorgaande, met dien verstande dat de eerste rapportage aan werknemers en de ondernemingsraad er op 7 juni 2027 moet liggen én dat die rapportage ook jaarlijks moet plaatsvinden.   Waarom is naleving van de regels uit het Wetsvoorstel van belang?  Als een loonverschil bestaat én de transparantie- of rapportageverplichtingen niet is nageleefd, geldt er een vermoeden van loondiscriminatie. De werkgever moet dan aantonen dat er geen sprake is van discriminatie. Dit vermoeden vervalt alleen als de werkgever bewijst dat de overtreding duidelijk onopzettelijk en beperkt was. Op dat moment verschuift de bewijslast naar de werknemer.   De Nederlandse Arbeidsinspectie zal toezicht houden op de juiste naleving van bovengenoemde verplichten. Bij een overtreding kan de inspectie per schending een waarschuwing en/of boete opleggen en dat kan ook openbaar gemaakt worden.  Praktische tips   Werkgevers doen er goed aan om zo snel mogelijk voor te sorteren op de nieuwe toekomstige verplichtingen, bijvoorbeeld door nieuwe loonstructuren op te stellen en/of bestaande te herzien, na te denken over een duidelijke interne procedure voor het opvragen van looninformatie door werknemers. Verder is het raadzaam om zo snel mogelijk in kaart te brengen of er mogelijk ongerechtvaardigde loonverschillen binnen de organisatie bestaan, zodat deze over een langere termijn zo nodig aangepakt kunnen worden om te voorkomen dat uw bedrijf negatief in de publiciteit komt. Werkgevers die niet voldoen aan de plicht om een ondernemingsraad in te stellen, doen er goed aan om alsnog een ondernemingsraad in te stellen, anders riskeren ze (mogelijk kostbare) vertraging bij de uitvoering van de wet.   Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over het Wetsvoorstel? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.       
Kirsten Hoogendam – La Gro
Kirsten Hoogendam
Advocaat
Oneerlijke bedingen: is schrappen de oplossing?
De jurisprudentie over oneerlijke bedingen ontwikkelt zich in hoog tempo. Zo ook voor huurovereenkomsten. De gevolgen hiervan zijn voor verhuurders nog niet volledig te overzien. Het uitgangspunt is duidelijk: wanneer een beding als oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna “de Richtlijn”, wordt aangemerkt, wordt het buiten toepassing gelaten. Dat heeft in veel gevallen als gevolg dat de verhuurder ook niet meer kan terugvallen op een vergelijkbare wettelijke regeling. Dit kan vergaande consequenties hebben, bijvoorbeeld bij bepalingen over huurprijsaanpassingen, maar ook bij het verhalen van kosten door de verhuurder. De rechtspraak heeft recentelijk twee ontwikkelingen laten zien: een prejudiciële beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Hoewel het definitieve antwoord op de prejudiciële vraag nog even op zich laat wachten, biedt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voorzichtig hoop aan verhuurders. In dit artikel bespreken wij de ontwikkelingen en de mogelijkheden voor verhuurders om een oneerlijk beding preventief te schrappen, zodat een verhuurder alsnog een beroep kan doen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Wanneer is een beding oneerlijk? Een beding, waarover niet is onderhandeld en dat geen kernbeding is, is oneerlijk als het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Voor deze beoordeling wordt de positie van de consument vergeleken met een situatie waarin het beding niet zou zijn opgenomen en dus de wet zou gelden. Bij aanzienlijke verslechtering van de positie van de consument wordt het beding als oneerlijk aangemerkt, met vernietiging van het beding als sanctie. Oneerlijk proceskostenbeding Recentelijk heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook een proceskostenbeding, die valt onder de Richtlijn en waarbij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van de huurder komen, oneerlijk is (zie HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820). Zonder een dergelijk proceskostenbeding zou een (overwegend) in het ongelijk gestelde huurder, op basis van de vergelijkbare wettelijke regeling alsnog worden veroordeeld in de proceskosten. Het verschil is dat de hoogte van een ‘normale’ proceskostenveroordeling in de regel aanzienlijk lager zal zijn dan de werkelijke proceskosten van de verhuurder. Dit maakt het proceskostenbeding oneerlijk. De Richtlijn bepaalt dat een oneerlijk beding de consument niet kan binden. Doordat geen beroep kan worden gedaan op het beding, kan er een leemte ontstaan in de overeenkomst. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een verhuurder, na vernietiging van een oneerlijk beding, in beginsel niet terugvallen op vergelijkbare wettelijke bepalingen. In dat kader heeft de Hoge Raad door middel van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gevraagd of dit ook het geval is bij een oneerlijk proceskostenbeding. De vraag is dus of na vernietiging van een proceskostenbeding mag worden teruggevallen op de ‘normale’ wettelijke regeling van een proceskostenveroordeling. Het antwoord op de vraag is nog niet bekend, maar de gevolgen kunnen groot zijn. In een groot deel van de huurovereenkomsten in Nederland is een oneerlijk beding opgenomen over de vergoeding van proceskosten. In de standaard ROZ-bepalingen staat namelijk een vergelijkbare (oneerlijke) bepaling als de bepaling die de Hoge Raad als onredelijk heeft bestempeld. Een relevante vraag is dus wat verhuurders nu kunnen doen om deze negatieve gevolgen te voorkomen. Het schrappen van oneerlijke bedingen In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan mogelijk een oplossing voor de verhuurders worden gelezen. Op 15 juli 2025 heeft zij geoordeeld dat de verhuurder alsnog een beroep op de vergelijkbare wettelijke regeling toekwam, nadat zij preventief oneerlijke bedingen had geschrapt (zie Rb. Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5033). In deze zaak had de woningcorporatie aan de huurder per e-mail aangeboden om preventief oneerlijke bedingen te schrappen uit de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Een reactie van de huurder bleef uit. De rechtbank oordeelde desondanks dat het in deze kwestie redelijk was om terug te vallen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Daardoor kon de verhuurder in dit geval alsnog een beroep doen op de wet. Preventieve schrapping was dus zelfs mogelijk zonder expliciete instemming van de huurder. Onduidelijk is hoe andere rechters zullen oordelen over de handelswijze van het preventief schrappen van oneerlijke bedingen. Vanuit de literatuur klinken kritische geluiden. Terugvallen op de nationale wet zou namelijk niet in lijn zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Van een definitieve doorbraak is vooralsnog dus geen sprake. Heeft u vragen over dit onderwerp, wilt u van gedachten wisselen of heeft u hulp nodig bij het opstellen van algemene voorwaarden? Neem dan contact op met Kirsten Hoogendam of een van de andere Huurrechtspecialisten.
Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Online contracteren met consumenten: vergeet de informatieverplichting niet!
Ondernemers opgelet: sluit u online overeenkomsten met consumenten? Dan heeft u waarschijnlijk te maken met een ‘overeenkomst op afstand’. Dit brengt voor de ondernemer strenge informatieverplichtingen met zich mee. Uit recente uitspraken blijkt dat ondernemers zich vaak niet bewust zijn van deze wettelijke informatieverplichting, wat grote financiële gevolgen kan hebben. Zo kan het ertoe leiden dat een consument niets hoeft te betalen voor de geleverde diensten. Hieronder leest u wat u minimaal moet regelen en waar het in de praktijk vaak misgaat. Wanneer is sprake van een overeenkomst op afstand? Een overeenkomst op afstand is een overeenkomst die tussen ondernemer en consument wordt gesloten zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid, en waarbij tot het moment van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand (art. 6:230g lid 1e BW). Een overeenkomst wordt ook als overeenkomst op afstand beschouwd wanneer de consument de verkoopruimte wel heeft bezocht, maar daar enkel informatie over de goederen en/of diensten heeft vergaard, waarna de onderhandeling over – en het sluiten van de overeenkomst op afstand plaatsvinden. Of sprake is van een overeenkomst op afstand is, onder andere, afhankelijk van of de overeenkomst in persoon is besproken. Dit blijkt onder andere uit twee uitspraken uit 2024, die beiden gaan over een overeenkomst tussen een kinderdagverblijf en een ouder. In beide gevallen is de ouder op het kinderdagverblijf geweest voor een rondleiding en een kennismakingsgesprek. In beide gevallen komt de overeenkomst een aantal dagen later op digitale wijze tot stand. In de ene zaak wordt geoordeeld dat géén sprake was van een overeenkomst op afstand, omdat tijdens de rondleiding de overeenkomst en algemene voorwaarden inhoudelijk waren doorgenomen (ECLI:NL:GHDHA:2024:836). In de andere zaak was het wél een overeenkomst op afstand, omdat op de locatie van het kinderdagverblijf niet over de overeenkomst was gesproken en alles vervolgens online was afgewikkeld (ECLI:NL:RBNHO:2024:13499). Doorslaggevend was in deze gevallen dus of de overeenkomst in persoon was besproken vóór het sluiten van de overeenkomst. Welke informatieverplichtingen gelden voor de ondernemer? Bij een overeenkomst van afstand rusten specifieke informatieverplichtingen op de ondernemer (art. 6:230m lid 1 en 6:230v lid 3 BW). De rechter zal ambtshalve toetsen of aan deze informatieverplichtingen is voldaan.   Zo dient de ondernemer de consument bijvoorbeeld te informeren over: de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten; de identiteit en het adres (+ contactgegevens) van de ondernemer; de totale prijs van de zaken of diensten; de door te berekenen kosten voor het sluiten van de overeenkomst op afstand (bijv. administratiekosten); de wijze en termijn van betaling en levering; de duur van de overeenkomst; het recht en de wijze van ontbinding (herroepingsrecht); en diens rechten bij non-conformiteit. Naast de verplichting om bovenstaande informatie te verschaffen, schrijft de wet ook voor op welke wijze deze informatie moet worden verschaft. De informatie moet aan de consument worden verschaft op een manier die passend is voor het gebruikte communicatiemiddel (art. 6:230m lid 3 BW). Zo kan in een webshop de informatie op een andere manier getoond worden dan bijvoorbeeld via een e-mail of portal. Cruciaal is dat de essentiële informatie in duidelijke en begrijpelijke taal wordt verstrekt. Voorts geldt voor specifieke informatie (zoals de totale prijs van de zaken of diensten, de duur van de overeenkomst en de verplichtingen voor de consument) dat deze vlak vóór het sluiten van de overeenkomst op een duidelijk en in het oog springende manier moet worden getoond aan de consument (6:230v lid 2 BW). Kort na het sluiten van de overeenkomst moet de verschafte informatie worden bevestigd op een ‘duurzame gegevensdrager’, wat inhoudt dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen inzien en bewaren, bijvoorbeeld een e-mail of pdf. Daarbij geldt wel dat ook voorafgaand aan de overeenkomst deze informatie moet zijn verschaft en dat de ondernemer de consument expliciet en concreet moet wijzen op waar die informatie staat. Het enkel opnemen van de essentiële voorwaarden in de algemene voorwaarden of op de website van de ondernemer is niet voldoende. Sancties bij schending informatieverplichting Bij een voldoende ernstige schending van de informatieplichten moet de rechter een sanctie toepassen, zo volgt uit de wet en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad. De sancties die worden toegepast zijn niet mals en kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de ondernemer. Voor enkele verplichtingen zijn specifieke sancties opgenomen in de wet: Is de consument niet op onmisbare wijze geïnformeerd over de betalingsverplichting die het plaatsen van de bestelling tot gevolg heeft, dan is de overeenkomst vernietigbaar. Kosten die niet vooraf duidelijk zijn vermeld, zoals kosten van terugzending, is de consument niet verschuldigd. Is niet voldaan aan de verplichting om een consument te informeren over diens herroepingsrecht van veertien dagen, wordt de termijn van herroeping verlengd. De consument krijgt dan vanaf het moment dat alle benodigde informatie is verstrekt, alsnog een termijn van veertien dagen, waarbij geldt dat de totale termijn maximaal verlengd wordt tot een periode van één jaar (art. 6:230o lid 2 BW). Als binnen de verlengde herroepingstermijn de overeenkomst wordt herroepen, is de consument geen vergoeding verschuldigd voor de geleverde diensten of voor de waardevermindering van het geleverde goed. In de zaak van het kinderdagverblijf waren de ouders niet gewezen op het herroepingsrecht. Tot een jaar na het sluiten van de overeenkomsten konden de ouders de overeenkomst nog herroepen. Als gevolg van de herroeping waren zij voor de geleverde diensten voor de duur van bijna een jaar geen kosten verschuldigd. Oftewel: de ouders hoefden niet te betalen voor de opvang van hun kinderen en het kinderdagverblijf heeft bijna een jaar lang ‘gratis’ diensten geleverd, omdat zij bij het sluiten van de overeenkomst niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan. Wanneer de bovenstaande specifieke wettelijke sancties niet worden toegepast of de overige informatieplichten zijn geschonden, geldt dat rechters als sanctie de overeenkomst (gedeeltelijke) kunnen vernietigen, met substantiële vermindering van de hoofdsom. De rechtbanken in Nederland hebben hiervoor de Richtlijn Sanctiemodel Informatieplichten opgesteld. Daaruit blijkt hoe meer essentiële informatieplichten zijn geschonden, hoe meer de hoofdsom kan worden verminderd, met ten minste 20% vanaf één schending, en ten hoogste 60% bij meer dan drie schendingen. Aanbevelingen Als ondernemer is het van belang in kaart te brengen via welke kanalen u contracteert en of daarbij sprake is van een overeenkomst op afstand. Let daarbij op dat ook wanneer consumenten op locatie zijn geweest, alsnog sprake kan zijn van een overeenkomst op afstand. De ondernemer dient op te hoogte te zijn van de informatieverplichtingen die gelden bij een dergelijke overeenkomst en hoe de informatie duidelijk en volledig aan de consument kan worden verschaft, want de sancties zijn fors. Om te zorgen dat het naleven van informatieverplichtingen bij een overeenkomst op afstand in orde is, zou bijvoorbeeld het bestelproces gestandaardiseerd kunnen worden, of kan een standaard set aan documenten opgesteld worden die een consument ontvangt bij het aangaan van de overeenkomst. Heeft u vragen over dit onderwerp, twijfelt u of u op de juiste manier aan de informatieverplichting voldoet of wilt u advies over het standaardiseren van uw bestelproces? Neem dan contact op met Rachel de Jong, Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Annemiek Varkevisser
Annemiek Varkevisser
Advocaat
Vakantiedagen na 2 jaar ziekte: risico’s voor werkgevers
Werkgevers opgelet: waarschijnlijk ook opbouw van vakantiedagen na twee jaar ziekte! De wet: de opbouw van vakantiedagen is gekoppeld aan recht op loon In artikel 7:634 BW wordt de opbouw van vakantiedagen gekoppeld aan het recht op loon, dus stopt het loon, dan stopt ook de opbouw van vakantiedagen (tenzij specifieke regeling). Voor een zieke werknemer geldt een loondoorbetalingsverplichting van 104 weken. Na 104 weken is er in beginsel geen recht meer op loon en dus ook geen opbouw van vakantiedagen meer. Zo wordt dit nu ook in de praktijk toegepast. Europees Recht Het Europees Recht hanteert echter een andere maatstaf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie koppelt wettelijke vakantierechten aan het verrichten van arbeid. Daarbij mag geen onderscheid worden gemaakt tussen werknemers die wel werken en werknemers die (wegens ziekte) niet werken. In de literatuur werd daarom al betoogd dat de Nederlandse koppeling aan loon in strijd is met het Europese recht. De Hoge Raad heeft zich hier tot op heden nog niet over uitgelaten. Rechtbank Gelderland: wél opbouw vakantiedagen na twee jaar ziekte De rechtbank Gelderland heeft nu in lijn met het Europese recht geoordeeld over de vraag of een werknemer na twee jaar ziekte vakantiedagen opbouwt, ook al werd geen loon meer betaald. De kantonrechter merkt op dat in de literatuur meermaals is aangegeven dat artikel 7:634 BW in strijd is met artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88/EG en met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hoewel de rechter niet richtlijnconform mag uitleggen als dat contra legem (in strijd met de wet) zou zijn, biedt artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitkomst in geschillen tussen particulieren. De kantonrechter overweegt dat als het nationaal recht niet is te verenigen met het Handvest, de rechter het nationale artikel buiten toepassing moet laten. Het gevolg? Artikel 7:634 BW blijft in dit geval buiten toepassing. De opbouw van wettelijke vakantiedagen loopt door tijdens de volledige ziekteperiode, ook na twee jaar ziekte en ook zonder loonaanspraak. In deze zaak moest de werkgever de niet-genoten wettelijke vakantiedagen uitbetalen tot het einde van het dienstverband. Gevolgen voor de praktijk Gezegd zou kunnen worden dat dit slechts één uitspraak is van de kantonrechter, maar wij verwachten dat in een eventueel hoger beroep en uiteindelijk door de Hoge Raad hetzelfde zal worden geoordeeld. De kans is dus groot dat dit de nieuwe praktijk zal worden. De vraag is dan vervolgens hoever de gevolgen strekken. In deze uitspraak ging het om een zieke werknemer, maar niet uitgesloten is dat dit ook gaat gelden bij een werknemer die onbetaald verlof geniet of onbetaald ouderschapsverlof opneemt. Daarnaast speelt ook het voornemen van de regering om de compensatieregeling voor de transitievergoeding af te schaffen voor grotere werkgevers. Het is de vraag of de werkgever na de afschaffing nog verplicht is om mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband onder uitbetaling van de transitievergoeding (de Xella-verplichting). Vóór de inwerkingtreding van de compensatieregeling was het namelijk vaste rechtspraak dat het slapend houden van het dienstverband niet snel in strijd met het goed werkgeverschap was. Onduidelijk is of dat straks weer de regel wordt. Als de opbouw van vakantiedagen doorloopt als de loonbetalingsplicht is geëindigd zal het slapend houden van het dienstverband voor de werkgever een stuk onaantrekkelijker worden. Voor de werknemer zal het juist ‘voordelig’ worden om (af) te wachten en niet meer – kort na de 104 weken – actief om beëindiging van het dienstverband te vragen: doorbetaling van de wettelijke vakantiedagen levert de werknemer jaarlijks ongeveer een maandsalaris op. Tips voor de werkgever Hoewel dit nog geen wet of vaste rechtspraak is, adviseren wij u wel om hierop vooruit te lopen. Het is voor u als werkgever belangrijk om te proberen de arbeidsovereenkomst zo dicht mogelijk op de 104 weken termijn te beëindigen, om een oplopende transitievergoeding én saldo vakantiedagen te voorkomen. In dat kader de volgende tips: Ga ruim op tijd met uw werknemer in gesprek over een mogelijke beëindiging met wederzijds goedvinden, zodat uw werknemer voldoende tijd heeft om daarover na te denken. De uitbetaling van de transitievergoeding zal voor veel werknemers aantrekkelijk blijven; bij een slapend dienstverband vindt die betaling (nog) niet plaats. Neem in de beëindigingsovereenkomst met uw werknemer het concrete saldo openstaande vakantiedagen op en een bepaling rondom finale kwijting. Dan kan de werknemer niet later met terugwerkende kracht nog vakantiedagen over de periode na 104 weken ziekte vorderen. Indien de werknemer niet wenst mee te werken met een beëindigingsregeling of bijvoorbeeld de WIA-beslissing wil afwachten, adviseren wij om snel – dus ruim voor het einde van de 104 weken – een UWV-procedure te starten. Daarmee voorkomt u dat de arbeidsovereenkomst (veel) langer doorloopt. Contact Heeft u vragen over vakantie en langdurige ziekte of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Annemiek Varkevisser, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Van fraude naar voortgezet dienstverband: hoe ontslag niet altijd standhoudt
Een werknemer die fraude pleegt, kan reden zijn voor ontslag op staande voet. Alternatief kan zijn om aan de werknemer een ‘kale’ vaststellingsovereenkomst aan te bieden of de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst te laten opzeggen. Dit laatste is niet altijd zonder risico. Een werknemer kan daarop soms met succes terugkomen met als gevolg dat het ontslag van tafel gaat en de arbeidsovereenkomst voortduurt. Illustratief daarvoor is een recente zaak van de rechtbank in Limburg. Wat speelde er in deze fraudezaak? Een assistent-filiaalmanager van een Health & Beauty-winkel nam zonder toestemming geschenken mee. Toen dit aan het licht kwam, bood werkgever haar een verklaring aan waarin zij zelf haar arbeidsovereenkomst opzegde. Werkneemster tekende, maar kwam daar later op terug. Ze stelde dat ze handelde onder druk en in een emotionele bui, en eiste haar baan terug. Oordeel kantonrechter over de opzegging De kantonrechter vernietigde de opzegging: werkneemster zat ten tijde van het tekenen in een medisch traject, was psychisch kwetsbaar en handelde niet uit vrije wil. Omdat zij niet zelf het initiatief nam tot ontslag en werkgever onvoldoende had onderzocht of het haar werkelijke intentie was, mocht werkgever er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat werkneemster haar wil op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst was gericht, aldus de kantonrechter. Les voor de praktijk Werkgever kwam van een koude kermis thuis: door de vernietigde opzegging blijft de arbeidsovereenkomst in stand. Doordat er inmiddels ruim vier maanden was verstreken, kon een rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens fraude niet langer meer door werkgever worden gegeven. De arbeidsovereenkomst blijft dus van kracht en werkgever moet werkneemster tewerkstellen en het (achterstallige) loon betalen.  Tip voor werkgevers bij fraude Overweeg je een ontslag op staande voet te geven, maar wil je een alternatief aanbieden? Ga bij een ontslagverklaring dan zorgvuldig te werk: controleer of werknemer zich ervan bewust is dat hij zelf de arbeidsovereenkomst eindigt en ook bekend is met de gevolgen daarvan (geen uitkering wegens verwijtbare werkeloosheid). Of overweeg het geven van een voorwaardelijk ontslag op staande voet. Het ontslag wordt dan gegeven onder de voorwaarde dat werknemer niet binnen een heel korte tijd instemt met een beëindigingsovereenkomst en/of hij of zij deze instemming intrekt. Stemt werknemer niet in en/of trekt hij of zij die instemming later in, dan wordt het ontslag op staande voet onvoorwaardelijk en is de arbeidsovereenkomst alsnog geëindigd. Zo waarborg je de juridische zekerheid, ook als de werknemer later op zijn of haar beslissing terugkomt.   Contact Heeft u vragen over ontslag op staande voet of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Rose Horstman  of een van onze andere Arbeidsrecht specialisten.  Vindplaatsen: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:6470
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Advies Internationaal Gerechtshof: niet naleving klimaatafspraken kan leiden tot negatieve gevolgen voor ondernemingen en overheden
Op 23 juli 2025 heeft het Internationaal Gerechtshof een baanbrekend advies gegeven over de internationaalrechtelijke verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering en niet naleving van klimaatafspraken. In deze bijdrage bespreken wij de kern van het advies en de mogelijke impact ervan op de nationale en internationale rechtspraak over klimaataansprakelijkheid van ondernemingen en staten. Aanleiding: de oproep van Vanuatu Het initiatief voor deze procedure kwam van de eilandstaat Vanuatu, die door de stijgende zeespiegel en extreme weersomstandigheden wordt bedreigd. Op 29 maart 2023 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 77/276 aan, waarin het Internationaal Gerechtshof werd verzocht om een advies te geven over (kortgezegd) de volgende vragen: Wat zijn de verplichtingen van staten onder internationaal recht met betrekking tot klimaatverandering die door de mens veroorzaakt is? Wat zijn de juridische gevolgen voor staten die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan het klimaat en andere delen van het milieu waarvan toekomstige generaties en bepaalde staten de gevolgen van ondervinden? Wat is de inhoud van het advies over de niet naleving van klimaatafspraken? Het Internationaal Gerechtshof bevestigt dat staten verplicht zijn het klimaat te beschermen. Deze verplichtingen vloeien voort uit het VN-Handvest, het VN-Klimaatverdrag, het Parijsakkoord, de rechten erkend in de Universele Verklaring van de rechten van de Mens, het internationaal gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen. Het Internationaal Gerechtshof kwalificeert deze verplichtingen als erga omnes. Dit betekent dat deze verplichtingen voor iedere staat gelden. Ook staten die geen partij zijn bij de klimaatverdragen kunnen dus gehouden zijn tot het nemen van effectieve maatregelen ter beperking van klimaatverandering. Bovendien geldt een verplichting tot samenwerking tussen staten en moeten zij elkaar ondersteunen. Opvallend is het oordeel over aansprakelijkheid: staten die hun klimaatverplichtingen niet nakomen en daardoor schade veroorzaken, kunnen gehouden zijn die schade volledig te vergoeden. Een staat die onvoldoende maatregelen neemt ter reductie van zijn CO2-uitstoot kan dus in theorie aansprakelijk zijn jegens een ander land dat schade daarvan ondervindt. Hierbij geldt wel een complexe causaliteitsdrempel. Wat is de juridische betekenis? Niet bindend, wél invloedrijk Hoewel het advies niet bindend is, is de juridische en politieke impact ervan potentieel groot. Wereldwijd lopen er momenteel duizenden rechtszaken over klimaatverandering, waaronder ook een aantal in Nederland. Denk onder meer aan de procedure van Milieudefensie tegen ING en het lopende cassatieberoep in de zaak van Milieudefensie tegen Shell. Het advies van het Internationaal Gerechtshof houdt in dat niet-naleving van internationale klimaatafspraken concrete gevolgen moet krijgen. Dit sluit aan bij een trend in de Nederlandse rechtspraak, waarin internationale klimaatafspraken concrete verplichtingen voor ondernemingen en de Staat met zich meebrengen. Zo oordeelde het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak bijvoorbeeld dat internationale klimaatafspraken bijdragen aan een verplichting voor ondernemingen als Shell om hun uitstoot van CO2-emissies te verminderen. Ook de reductieverplichting die de Hoge Raad in het Urgenda-arrest aan de Staat oplegde werd mede op basis van internationale klimaatafspraken onderbouwd. In de procedure tegen ING, waarin nog geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, doet Milieudefensie in haar dagvaarding tevens een beroep op zulke afspraken. Het is dus niet uitgesloten dat het niet-bindende oordeel van het Internationaal Gerechtshof een rol gaat spelen in toekomstige klimaatzaken tegen banken, andere ondernemingen en overheden, zowel in Nederland als daarbuiten. Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u sparren over de gevolgen van het oordeel van het Hof? Neem dan contact op met het Energie team of het Climate Litigation-team van La Gro. Wij denken graag met u mee.
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Wat de transparantieplicht in de AI-verordening betekent voor de journalistiek
Recent publiceerde het NRC een artikel over de AI-worsteling van de journalistiek.[1] Daarin werd besproken hoe vier grote Vlaamse tijdschriften artikelen hadden laten genereren door AI zonder dit te melden aan de lezers. Zo werden meer dan de helft van de in 2025 gepubliceerde artikelen in het tijdschrift Elle geschreven door verzonnen auteurs met AI-gegenereerde profielfoto’s. [2] Ook werden eerder AI-gegenereerde boekenlijsten gepubliceerd, waar niet-bestaande boeken op bleken te staan. ​     ​ Al kan nuttig zijn in de journalistiek, bijvoorbeeld om het redactionele proces van de journalist te verrijken. De journalistiek is echter ook gebaseerd op vertrouwen. Een deel van dit vertrouwen is gebaseerd op de mogelijkheid om de bron van informatie te identificeren. Door de opkomst van AI komt dit steeds meer onder druk te staan. Zoals omschreven in overweging 133 van de AI-verordening: ‘De brede beschikbaarheid en toenemende capaciteit van deze systemen hebben een aanzienlijke impact op de integriteit van en het vertrouwen in het informatie-ecosysteem, waardoor nieuwe risico’s op desinformatie en manipulatie op grote schaal, fraude, imitatie en consumentenbedrog ontstaan.’ Wanneer media AI inzetten om teksten te genereren, zonder duidelijk te maken dat een computeralgoritme daaraan heeft bijgedragen, ontstaat het risico dat de herkomst van het nieuws onduidelijk wordt. In deze bijdrage zal om die reden worden stilgestaan bij de transparantieverplichtingen uit de AI-verordening die op dergelijk gebruik van AI van toepassing zijn. Een vraag die centraal staat is of deze de risico’s die gepaard gaan met het gebruik van AI in journalistiek voldoende ondervangen of dat er wellicht meer specifiek beleid is vereist. Wat houdt de transparantieverplichtingen van de AI-verordening in? De AI-verordening is op 12 juli 2024 formeel vastgesteld en vormt het eerste uitgebreide wettelijke kader binnen de EU voor het gebruik van kunstmatige intelligentie.[3] De verordening classificeert AI-systemen op basis van risico en legt verplichtingen op aan zowel aanbieders als gebruikersverantwoordelijken. Een aanbieder van een AI-systeem is de partij die het AI-model voor algemene doeleinden ontwikkelt of laat ontiwkkelen en dat systeem of model in de handel brengt of het AI-systeem in gebruik stelt onder eigen naam of merk. Een gebruikersverantwoordelijke is daarentegen de partij die een AI-systeem onder eigen verantwoordelijkheid gebruikt, tenzij het AI-systeem wordt gebruitk in het kader van een persoonlijke niet-beroepsactiviteit. Journalisten zullen in veel gevallen kwalificeren als gebruikersverantwoordelijke. Onderzoek laat zien dat hun lezers het belangrijk vinden om te beschikken over de bron van informatie van een nieuwsartikel dat zij lezen. Zij voelen zich mogelijk gemanipuleerd wanneer zij hierover niet geïnformeerd zijn.[4] Dit sluit aan bij de stelling van de Nederlandse Vereniging voor Journalistiek, dat vertrouwen de kern van journalistiek is. Hierop sluit aan dat het een journalist op grond van de NVJ-code verantwoordelijk is voor de juistheid en controleerbaarheid van de feiten. Het publiceren van onjuiste informatie kan leiden tot een klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Als een klacht gegrond wordt verklaard, wordt van het medium verwacht dat het de uitspraak publiceert, met mogelijke reputatieschade tot gevolg. Deze bijdrage richt zich op de transparantieverplichtingen voor gebruikersverantwoordelijken van generatieve AI-systemen, zoals tekst- en beeldgeneratoren en haar effecitiviteit ter voorkoming van desinofrmatie.  Met betrekking tot AI-gegenereerde tekst bepaalt artikel 50 lid 4 van de AI-verordening het volgende: ‘Gebruikersverantwoordelijken van een AI-systeem dat tekst genereert of bewerkt die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang, maken bekend dat de tekst kunstmatig is gegenereerd of bewerkt. Deze verplichting is echter niet van toepassing wanneer het gebruik bij wet is toegestaan om strafbare feiten op te sporen, te voorkomen, te onderzoeken of te vervolgen of wanneer de door AI gegenereerde content een proces van menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan en wanneer een natuurlijke of rechtspersoon redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de bekendmaking van de content.’ Het niet vermelden van het gebruik van AI, wanneer de uitzondering niet van toepassing is, wordt in artikel 99 van de AI verordening beboet met hoogstens EUR 15 miljoen of 3% van de jaaromzet. Wat is een aangelegenheid van algemeen belang? Een van de eerste vragen die deze bepaling oproept is wanneer sprake is van tekst die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang. Ieder geschreven artikel kan het publiek informeren over aangelegenheden van algemeen belang. Aangenomen is dat het betrekking heeft op aangelegenheden die eenieder aangaan. Wanneer daarvan gesproken kan worden is erg contextafhankelijk. Zo kan een artikel dat pas na verloop van tijd het algemeen belang werk ook worden geacht het publiek te informeren. Wat zijn de uitzonderingen? twee cumulatieve voorwaarden In beginsel dient bij het gebruik van AI voor tekstgeneratie in nieuwsberichten, waarvan wordt verondersteld dat deze het publiek informeren over een aangelegenheid van algemeen belang, te worden vermeld dat AI is gebruikt. Er is één belangrijke uitzondering, waarin twee cumulatieve vereisten zijn verbonden. De verplichting tot vermelding is niet van toepassing wanneer is voldaan aan de volgende twee cumulatieve vereisten: (i) de AI-     gegenereerde content een proces van menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan en (ii) wanneer een natuurlijke of rechtspersoon verantwoordelijkheid draagt voor de bekendmaking van de content. Ook deze vereisten roepen vragen op. Is het voldoende dat een tekst door een journalist wordt nagelezen? Of moet de tekst ook daadwerkelijk worden herschreven? Piasecki e.a. gingen er in hun eerdere bijdrage vanuit dat dit vereiste moet worden geïnterpreteerd als het vereist redigeren en herschrijven van door AI gegenereerde teksten.[5] Visser en Klopper wijzen in een andere richting: zij gaan ervan uit dat: de uitzondering in veel gevallen van toepassing zal zijn, omdat de meeste nieuwsberichten onderhevig zullen zijn aan ten minste enige mate van redactionele controle.[6] Gezien de bedoeling om desinformatie te voorkomen lijkt mij het vooralsnog aannemelijk dat niet direct is bedoeld dat teksten volledig dienen te worden geredigeerd, maar dat gebruikersverantwoordelijken niet klakkeloos de informatie uit een AI-gegenereerde tekst moeten overnemen. Die redenering lijkt meer aan te sluiten bij de toepassing van de uitzondering door Klopper en Visser. Met andere woorden, de uitzondering voor nieuwsberichten zal veelal kunnen worden gebruikt omdat de drempel voor redactionele controle en verantwoordelijkheid relatief laag is. Hoewel de transparantieverplichting de lezer in dit geval van informatie over AI gebruik heeft willen voorzien, lijkt de formulering van de uitzondering ervoor te zorgen dat AI-gegenereerde teksten alsnog zonder vermelding kunnen worden gebruikt, zo lang zij maar enigszins zijn nagelopen.  Om die reden kan de effectiviteit van dit instrument tegen mogelijke hallucinaties in AI-gegenereerde teksten in nieuwsberichten twijfel worden getrokken. De AI-verordening noemt de stimulans voor het opstellen van praktijkcodes om doeltreffende uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot het opsporen en het aanmerken van kunstmatig gegenereerde of gemanipuleerde content te vergemakkelijken.[7] Ook zal de Commissie nog richtsnoeren over de praktische implicaties van de transparantieverplichtingen uit artikel 50 AI-verordening publiceren.[8] Dit biedt hopelijk meer duidelijkheid over de bedoeling van de transparantieverplichting en de invulling van de genoemde menselijke toetsing en redactionele controle. Conclusie en aanbeveling Concluderend, biedt de AI‑verordening met artikel 50 een kader voor transparantie in de journalistiek. Enerzijds verplicht zij tot duidelijkheid over AI‑gebruik in nieuwsartikelen, anderzijds laat de uitzondering van vermelding bij ‘redactionele controle en redactionele verantwoordelijkheid’ ruimte voor interpretatie. Hierdoor zouden nieuwsberichten ongewijzigd kunnen blijven verschijnen zonder expliciete vermelding van AI-gebruik. Deze ambiguïteit ondermijnt het doel van de AI-verordening om desinformatie, hallucinaties en misleiding tegen te gaan, waardoor de effectiviteit van de transparantieverplichting in nieuwsberichten onzeker is. Om de beoogde integriteit van en het vertrouwen in het informatie-ecosysteem te waarborgen bieden de aangekondigde richtsnoeren mogelijk soelaas. Om praktische missers te voorkomen is het raadzaam voor nieuwsaanbieders om duidelijk beleid op te stellen voor het gebruik van AI-gegenereerde tekst. Voor nieuwsaanbieders luidt het huidige advies:       integreer de transparantieverplichting in het redactiebeleid en wees proactief om verspreiding van desinformatie te voorkomen. Enkele aanbevelingen: Houd redactionele controle: laat journalisten een AI-gegenereerde tekst altijd nalezen en zonodig herschijven. Stel hiervoor duidelijke richtlijnen op: leg in redactieprotocollen vast hoe en wanneer AI-tools mogen worden ingezet. Transparantie in de tekst: maak expliciet bekend wanneer een onderdeel van een artikel door AI is gegenereerd. Doe dit met een korte vermelding of een disclaimer bij het artikel. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp, of wilt u als redactie of organisatie beter voorbereid zijn op de juridische en praktische gevolgen van de AI-verordening? Aarzel dan niet om contact op te nemen met Kimberly Meijs of een van onze andere data en privacy specialisten. Referenties [1] M. Reiniers, ‘De AI-worsteling van de journalistiek: ‘De menselijke journalist is echt nodig’ NRC. [2] Buytaert e.a., ‘ Sophie Vermeulen bestaat niet, maar schreef wel 403 artikels voor magazine Elle, blijkt uit onderzoek van VRT NWS’ VRT NEWS. [3] Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie). [4] Piasecki e.a., ‘AI-generated journalism: Do the transparency provisions in the AI Act give news readers what they hope for?’  Internet Policy Review, Volume 13, Issue 4. [5] Piasecki e.a., ‘AI-generated journalism: Do the transparency provisions in the AI Act give news readers what they hope for?’  Internet Policy Review, Volume 13, Issue 4. [6] J. Klopper & D. Visser, ‘Vermelding gebruik AI bij AI-gegenereerde content’, Bb 2024/51. [7] Artikel 50 lid 7 AI-verordening. [8] Artikel 96 AI-verordening.
Jan Baas 2
Jan Baas
Advocaat
Nieuwe EU-regels voor politieke reclame: aanbieders van reclamediensten opgelet!
Bent u actief in marketing, communicatie, media of biedt u online reclamediensten aan? Of bent u als organisatie of politieke partij betrokken bij het inkopen van reclame? Dan krijgt u vanaf 10 oktober 2025 te maken met de nieuwe Europese Verordening 2024/900 over transparantie en gerichte politieke reclame. Deze regels brengen niet alleen nieuwe verplichtingen met zich mee, maar ook aanzienlijke risico’s bij niet-naleving. In dit blog leggen wij uit wat deze verordening voor uw organisatie betekent en hoe u zich hierop kunt voorbereiden. Wat is politieke reclame volgens de verordening? De verordening hanteert een brede definitie van politieke reclame. Politiek reclame omvat alle communicatie die de publieke opinie wil beïnvloeden rond verkiezingen of politieke thema’s, ook als deze niet van politieke partijen afkomstig is. De verplichtingen kunnen dus ook gelden voor maatschappelijke organisaties, bedrijven of lobbygroepen. Verplichtingen voor aanbieders en uitgevers van reclamediensten De nieuwe regels zijn van toepassing op alle partijen die politieke reclame aanbieden of inkopen, dus zowel aanbieders als opdrachtgevers. Aanbieders van reclamediensten – van online platforms tot mediabureaus – moeten voortaan onder andere: Navragen of een advertentie politieke reclame is, wie de opdrachtgever is, wie zeggenschap heeft over de opdrachtgever, waar financiering vandaan komt en andere informatie opvragen die van belang is om aan de verordening te voldoen; De verkregen informatie vastleggen; Redelijke maatregelen nemen om te controleren of de opgave van de opdrachtgever klopt; Transparantie bieden over politieke advertenties die via hun platform lopen; Voorzien in een mechanisme door middel waarvan niet-naleving van de verordening kan worden gemeld. Aanbieders mogen niet discrimineren op basis van de verblijfplaats of plaats van vestiging van de opdrachtgever. In de laatste drie maanden voorafgaand aan een verkiezing mogen politieke reclamediensten in verband met die verkiezingen echter niet worden verricht voor opdrachtgevers van buiten de Europese Unie. Ook dit moeten de aanbieders navragen bij hun opdrachtgevers. Wat betekent dit voor opdrachtgevers? Opdrachtgevers zijn verplicht om bij elke reclame-uiting aan te geven of het politieke reclame betreft en volledig transparant te zijn over financiering en doelstellingen. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot sancties. Bovendien moeten opdrachtgevers rekening houden met strengere transparantie-eisen, zoals het vermelden van de financiering en de doelstellingen van de campagne. Verwerking van persoonsgegevens en targeting Wat is targeting bij politieke reclame? Targeting houdt in dat politieke reclame specifiek wordt gericht op bepaalde groepen of individuen. Dit gebeurt bijvoorbeeld op basis van hun online gedrag, locatie of demografische gegevens. Targeting mag in het kader van politieke reclame alleen als daarvoor toestemming is gegeven. Ook mogen alleen persoonsgegevens worden gebruikt die de verwerkingsverantwoordelijke zelf van de betrokkene heeft verkregen, en dus geen data van derden. Deze regels gelden in het algemeen voor technieken voor de aanlevering van reclameboodschappen rondom politieke reclame die gepaard gaan met de verwerking van persoonsgegevens. Als de verwerkingsverantwoordelijke met redelijke zekerheid weet dat de betrokkene jonger is dan 17, mogen geen persoonsgegevens worden verwerkt voor het aanbieden van politieke reclame. Transparantie en verantwoording bij targeting Aanbieders en uitgevers van reclamediensten moeten zich houden aan strenge accountability- en transparantieverplichtingen. Zo moeten zij een intern beleid vaststellen en bewaren; registers bijhouden; en duidelijk maken welke criteria zijn gebruikt voor de selectie van doelgroepen en welke persoonsgegevens daarbij zijn verwerkt. Het is in principe verboden om bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals politieke opvattingen, religie of etniciteit, te gebruiken voor targeting of versterking. Dit mag alleen als er aan zeer strikte voorwaarden wordt voldaan en uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Gevolgen bij niet-naleving In Nederland wordt het toezicht op de verordening uitgeoefend door de Autoriteit Persoonsgegevens. De AP krijgt ruime handhavingsbevoegdheden. Overtredingen van de regels rondom politieke reclame kunnen leiden tot hoge boetes, reputatieschade en zelfs een verbod op het aanbieden van reclamediensten. Het is dus zaak om tijdig compliant te zijn. Wat moet u nu doen? Het is van belang om tijdig, vóór 10 oktober 2025, uw processen en contracten aan te passen aan de nieuwe regels. Denk er daarbij aan dat de komende Tweede Kamerverkiezingen op 25 oktober zijn. De nieuwe regels zijn dus van toepassing op het staartje van de campagne. Uitingen in het kader van deze campagne zullen al aan de nieuwe regels moeten voldoen. Hoe kunnen wij u helpen? De implementatie van deze verordening vraagt om juridische, technische en organisatorische aanpassingen. Ons kantoor heeft ruime ervaring met dit soort regelgeving en helpt u graag bij: Het beoordelen van uw huidige processen; Het opstellen of aanpassen van interne procedures en contracten; Training van uw medewerkers; Begeleiden bij toezicht en handhaving. Wilt u weten wat deze regels concreet voor uw organisatie betekenen? Neem dan contact op met Jan Baas of een collega van het Team Data & Privacy. Zij helpen u graag verder!