Publicaties

Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Een stevig publiek stempel op de warmtesector na inwerkingtreding van de Wcw
Op 9 december 2025 is het voorstel voor de Wet collectieve warmte (Wcw) aangenomen door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel beoogt een nieuwe ordening voor productie, transport en levering van warmte, ter vervanging van de huidige Warmtewet. In eerdere blogs schreven wij al over de Wcw, recente amendementen en over warmtegemeenschappen.  De Wcw neemt als uitgangspunt dat gemeenten een warmtebedrijf voor een afgebakend gebied – de warmtekavel – aanwijzen. Dit aangewezen warmtebedrijf wordt vervolgens belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren. In het voorstel voor de Wcw is het voorschrift opgenomen dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoals een gemeente, een provincie of het rijk. Er rust dus een stevig publiek stempel op de (nieuwe) warmtesector. Dat publieke stempel is in een brief van 10 oktober 2025 aan de Tweede Kamer extra benadrukt, doordat het kabinet daarin aankondigt dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) als publieke (minderheids)aandeelhouder met maximaal 40% van de aandelen, naast bijvoorbeeld een gemeente, kan deelnemen in een warmtebedrijf. Deze ontwikkeling – de beoogde rijksdeelname via EBN – geeft ons aanleiding om in dit blog de juridische implicaties van publiek aandeelhouderschap in warmtebedrijven nader te bespreken en na te gaan welke rollen marktpartijen in het warmtebedrijf, naast de publieke meerderheidsaandeelhouder, die bijvoorbeeld kan bestaan uit een combinatie van een gemeente en EBN, nog zouden kunnen spelen. Is er naast de publieke partijen nog wel plaats voor deze marktpartijen in de (nieuwe) warmtemarkt? Stand van zaken Wcw De Wcw vervangt de huidige Warmtewet en is onderdeel van de bredere energietransitie en het streven naar een klimaatneutraal Nederland in 2050. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen. Dit moet gebeuren door publieke regievoering, waarbij duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid worden gewaarborgd. Voordat de wet in werking kan treden moet nog een aantal stappen worden genomen. Voor een groot aantal wetsartikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ook het Besluit collectieve warmte (Bcw) en een ministeriele regeling zijn afgerond en in werking kunnen treden. In de brief van 10 oktober 2025 staat dat het Bcw naar verwachting eind dit jaar aan de ACM wordt voorgelegd en daarna medio 2026 aan de Raad van State. Ook schrijft de Wcw een voorhangprocedure voor bij de Tweede en Eerste Kamer over de tariefregulering voor collectieve warmtevoorzieningen en kleine collectieve warmtesystemen. Naar verwachting nemen deze stappen voor het Bcw en de ministeriële regeling het grootste deel van 2026 in beslag. Dit betekent dat er nog geen definitieve datum geldt voor de inwerkingtreding van een groot aantal artikelen in de Wcw. Warmtebedrijven en publiek aandeelhouderschap Het uitgangspunt van de Wcw is dat de gemeente een specifiek geografisch gebied, aangeduid als de warmtekavel, aanwijst. Vervolgens wijst zij volgens een gereguleerde aanwijzingsprocedure een warmtebedrijf aan, dat wordt belast met het alleenrecht (en de plicht) om een collectieve warmtevoorziening (bijvoorbeeld een (stads)warmtenet) aan te leggen en te exploiteren. Het aangewezen warmtebedrijf wordt binnen een warmtekavel verantwoordelijk voor de continuïteit en kwaliteit van de collectieve warmtevoorziening en de daarvoor noodzakelijke productie, inkoop, transport en levering van warmte. Door één bedrijf integraal verantwoordelijk te maken voor de volledige warmteketen, wordt het toezicht eenvoudiger en krijgen verbruikers betere bescherming, zo blijkt uit de toelichting op de Wcw (Memorie van Toelichting). De Wcw neemt als belangrijk ander uitgangspunt dat een gemeente alleen een warmtebedrijf kan aanwijzen waarbij een meerderheidsbelang in handen is van één of meerdere publieke partijen. Private partijen kunnen daarbij in de hoofdzaak geen doorslaggevende zeggenschap hebben in het warmtebedrijf. Het vereiste van een publiek meerderheidsbelang houdt in dat meer dan 50% van de aandelen in het warmtebedrijf direct of indirect berusten bij het rijk, een provincie, een gemeente of een ander openbaar lichaam. Ter rechtvaardiging van een publiek meerderheidsbelang wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat een publieke aandeelhouder in staat is om in het publieke belang te handelen, snel en tijdig in te spelen op mogelijke veranderingen in de markt en dat het publieke aandeelhouderschap ertoe leidt dat langlopende en risicovolle investeringen makkelijker doorgang zullen vinden. Nationale deelneming via EBN Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van de gemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Uit nader onderzoek blijkt echter dat van diezelfde gemeenten niet kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om zelfstandig de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te kunnen verkrijgen. Om die reden heeft het Kabinet in een brief op 10 oktober 2025 aangekondigd dat direct vanaf de inwerkingtreding van de Wcw een nog op te richten dochteronderneming van Energie Beheer Nederland (EBN) wordt aangewezen als nationale deelneming. EBN kan (ook) als een minderheidsdeelneming participeren in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld naast de gemeentelijke aandeelhouder.  De brief van 10 oktober 2025 licht toe dat alleen op een goede manier invulling kan worden gegeven aan het verplichte publieke meerderheidsbelang in een warmtebedrijf als overheden, waaronder een gemeente, voldoende publieke uitvoeringskracht hebben. Hiermee wordt bedoeld dat zij zowel financieel als organisatorisch in staat moeten zijn het publieke aandeelhouderschap in een meerderheidspositie binnen het warmtebedrijf op zich te nemen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet van lokale overheden, zoals de gemeente, kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking – de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf te verkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden, zoals de gemeente, nog aan voldoende expertise. Daarom acht het kabinet betrokkenheid van het rijk noodzakelijk, via EBN. EBN kan als minderheidsdeelneming in het warmtebedrijf voor maximaal 40% van de aandelen naast de andere (lokale) overheden participeren in het warmtebedrijf. Het kabinet trekt vanuit het Klimaatfonds €87 miljoen uit voor de opstartfase van de nationale deelneming vanuit EBN, met nog eens €137 miljoen in reserve. Voorlopig is het afwachten wat de rol van EBN precies wordt. Er moet eerst nog een nader governance plan worden opgesteld voor de op te zetten dochteronderneming die daadwerkelijk namens EBN gaat participeren. Dat plan onderzoekt of de taken (vennootschapsrechtelijk) passen bij EBN. Ook wordt bekeken hoe het rijk als (indirect) aandeelhouder (via EBN) effectief invloed kan uitoefenen. Via de nationale deelneming kan de overheid namelijk niet alleen bijdragen aan publieke doelen, maar ook zorgen dat middelen doelmatig worden ingezet, ontwikkelingen bij warmtebedrijven volgen en – waar nodig – bijsturen op strategie en investeringen om de financiële positie gezond te houden. Het ligt in de lijn der verwachting dat EBN in dat kader ook onderzoek doet naar mogelijkheden om bestaande warmtebedrijven over te nemen. Hebben marktpartijen nog een rol? De Wcw markeert, zo blijkt uit het voorgaande, een publieke regie en stevige publieke bemoeienis bij de exploitatie van een warmtebedrijf. De vraag dringt zich op welke rol marktpartijen dan nog kunnen én willen spelen, nu ervan uit mag worden gegaan dat de eis van de publieke meerderheidsaandeelhouder een afschrikwerkend effect kan hebben op de (investerings)rol van (bestaande) private warmtebedrijven. Hoewel vaststaat dat de regulering van de warmtesector verandert, zien wij toch nog kansen. Allereerst biedt het overgangsrecht in de Wcw kansen voor bestaande private warmtebedrijven om nog minimaal 14 jaar, maximaal 30 jaar te blijven exploiteren. Daarnaast bestaat tijdelijk (voor de periode van 10 jaar na inwerkingtreding) ruimte om alsnog voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een privaat warmtebedrijf toe te staan, onder bepaalde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat er (nog) geen belangstelling voor warmtelevering op de warmtekavel wordt verwacht. Verder kunnen private warmtebedrijven onder de Wcw – al dan niet met een ontheffing of vrijstelling – toch bepaalde nieuwe en bestaande activiteiten (blijven) uitoefenen. Zij kunnen bijvoorbeeld warmte blijven leveren aan “kleine” collectieve warmtesystemen (maximaal 1500 verbruikers). Ook kunnen private marktpartijen – in aanneming van het overwegend publieke warmtebedrijf – actief zijn als leveringsbedrijf of infra-beheerder en/of als minderheidsaandeelhouder of samenwerkingspartner zonder doorslaggevende zeggenschap in het warmtebedrijf of een warmte joint-venture participeren. Het kunnen vervullen van een passende rol blijft echter juridisch maatwerk, wij denken daarover graag met u mee. Contact Heeft u vragen over collectieve warmtesystemen, warmtebedrijven en/of de veranderingen als gevolg van de Wcw?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten.
La Gro – Pieter van den Oord
Pieter van den Oord
Advocaat
La Gro adviseert KS Energy Systems bij overname MORRENsystems en MORRENsolar
KS Energy Systems heeft MORRENsystems en MORRENsolar overgenomen. Met deze strategische stap voegt KS Energy Systems een gerenommeerde specialist in zonnecarports toe aan de organisatie. Door de bundeling van kennis, ontwerpen en productiefaciliteiten kan KS Energy Systems opdrachtgevers in binnen- en buitenland een nog completer pakket aan oplossingen voor zonnecarports (solarcarports) bieden. La Gro heeft KS Energy Systems juridisch begeleid bij deze transactie. KS Energy Systems, opgericht in 2024 en gevestigd in Alphen aan den Rijn, is gespecialiseerd in het ontwerpen, construeren, produceren en monteren van zonnecarportconstructies. Met de overname verstevigt KS Energy Systems zijn positie als fabrikant van zonnecarportconstructies en versterkt het zijn marktpositie in duurzame overkappingen en solarcarports. Versterking positie in de markt voor zonnecarports MORRENsystems en MORRENsolar zijn de afgelopen jaren uitgegroeid tot gevestigde namen in de markt voor zonnecarports. Hun ervaring, ontwerpen en ontwerprechten worden geïntegreerd in het productportfolio van KS Energy Systems. Lopende projecten worden gecontinueerd en klanten blijven op de vertrouwde wijze bediend. Tegelijkertijd zorgt de samenwerking voor meer schaalgrootte, een hogere productiecapaciteit, kortere doorlooptijden en verdere professionalisering. De overname vindt plaats in een periode van sterk groeiende vraag naar solarcarports. Steeds meer bedrijven en instellingen zoeken duurzame alternatieven wanneer daken vol of ongeschikt zijn voor zonnepanelen. Door de krachtenbundeling ontstaat een sterker platform dat klanten in binnen- en buitenland bedient met innovatieve en schaalbare oplossingen voor zonnecarports. De juridische advisering, onderhandelingen en vastlegging van de afspraken in de contractsdocumentatie zijn namens KS Energy Systems uitgevoerd door Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel en Tahir Bodha. Contact Voor meer vragen kunt u contact opnemen met Pieter van den Oord, Reinoud van Ginkel, of een van onze andere specialisten van team fusies & overnames. Zij staan u graag te woord.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
De nieuwe RVU-regeling: wat betekent dit voor u als werkgever?
De uitwerking van het nieuwe RVU-akkoord (‘Gezond naar pensioen’) is afgerond en vastgelegd in de herziene handreiking Regeling Vervroegde Uittreding. De gewijzigde RVU-regeling treedt per 1 januari 2026 in werking. Wat houdt de RVU-regeling ook alweer in, wat wijzigt er nu precies per 1 januari 2026 en wat betekent dit voor u als werkgever? Wat houdt de RVU-regeling in?  Werkgevers kunnen een RVU-uitkering toekennen aan werknemers die zich binnen 36 maanden van hun AOW-leeftijd bevinden. Over het deel van de uitkering dat binnen de RVU-drempelvrijstelling valt (in 2025: € 2.273 bruto per maand) hoeft de werkgever geen pseudo-eindheffing, ook wel de RVU-heffing, af te dragen. Op deze manier krijgen werknemers met fysiek of mentaal zwaar werk — voor wie gezond doorwerken tot de AOW-leeftijd niet haalbaar is — de mogelijkheid om eerder uit te treden. Wordt een hogere uitkering verstrekt dan de drempelvrijstelling, dan is de werkgever over het meerdere wel de RVU-heffing verschuldigd. Wat wijzigt er per 1 januari 2026? De RVU-regeling wordt per 1 januari 2026 voortgezet. Wel wijzigt een aantal onderdelen: De drempelvrijstelling wordt structureel voortgezet De RVU-drempelvrijstelling blijft gelden. Deze vrijstelling was tijdelijk, maar wordt vanaf 2026 structureel. De drempelvrijstelling is gebaseerd op de netto AOW. Dat blijft hetzelfde. De RVU-drempelvrijstelling wijzigt dus niet. Nieuw is wel dat in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld voor werknemers in knellende situaties met een laag inkomen of weinig aanvullend pensioen, de RVU-uitkering met € 300 bruto per maand mag worden verhoogd. Het doel hiervan is om extra financiële ruimte te bieden aan werknemers die niet meer gezond kunnen doorwerken, maar voor wie het vrijgestelde drempelbedrag onvoldoende is om met vervroegd pensioen te gaan. In de meeste gevallen zou het drempelbedrag echter voldoende mogelijkheid moeten bieden om eerder met pensioen te gaan. De voorwaarden bij cao om de RVU in te zetten worden strikter De RVU-regeling moet aan strengere eisen voldoen en mag niet ‘zomaar’ meer bij iedere werknemer die 36 maanden voor de AOW-leeftijd zit worden toegepast. De regeling moet: een helder omschreven doelgroep omvatten, die regelmatig wordt herzien; gelden voor specifiek ontworpen voor functies die kwalificeren als zwaar werk, vastgesteld aan de hand van objectieve maatstaven; aansluiten op het bestaande beleid rondom duurzame inzetbaarheid binnen de organisatie van de werkgever; ter validering worden voorgelegd aan de TNO, die optreedt als onafhankelijke toetsende instantie. Werkgevers en/of werkgeversorganisaties, die vanaf 1 januari 2026 de RVU-regeling wensen toe te passen c.q. voort te zetten, zullen hun regeling moeten aanpassen aan bovenstaande vereisten. De RVU-heffing wordt verhoogd Vanaf 2026 wordt de RVU-heffing stapsgewijs verhoogd van 52% naar 65%. Hulp en toezicht door TNO De TNO krijgt de rol van ‘expertisecentrum zwaar werk’. In deze rol zal TNO vanaf 1 januari 2026 ondersteuning bieden bij cao-afspraken in de afbakening van de RVU-doelgroep. Hiertoe heeft TNO een kader geformuleerd voor werkgevers met objectieve criteria om belastende functies of werkzaamheden te kunnen identificeren. Wat betekent dit voor u als werkgever? Als u de RVU-regeling in 2026 wilt blijven toepassen of opnieuw wilt invoeren, moet uw regeling voldoen aan de nieuwe, striktere criteria. Dit vereist mogelijk een herziening van de cao-afspraken, beleid rond duurzame inzetbaarheid en onderbouwing van welke functies als zwaar werk kunnen worden beschouwd. Begin tijdig met het in kaart brengen van zwaar werk binnen uw organisatie, zorg voor een afgebakende werknemersgroep en laat deze valideren door de TNO. Controleer ook of de cao een gewijzigde regeling heeft en/of stel hierover vragen bij cao-partijen. Dit voorkomt vertraging en zorgt dat u vanaf 2026 compliant bent met de aangescherpte eisen. Vragen? Wilt u weten wat deze wijzigingen betekenen voor uw organisatie of sector? Of heeft u naar aanleiding van dit blog aanvullende vragen? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Dunia Caillette of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
Winstuitkeringsverbod medisch specialistische zorg op de schop
Op 22 oktober 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat het winstuitkeringsverbod in strijd is met het Europees Recht. Deze uitspraak zet de juridische houdbaarheid van het winstuitkeringsverbod onder druk en heeft mogelijk gevolgen voor de financiering van zorginstellingen. Achtergrond In 2021 vroeg Radiology Holland B.V. (Radiology) een toelating aan onder de Wet toelating Zorginstellingen. Daarvoor is toestemming van de minister nodig. Oprichter en enig bestuurder van Radiology is een Belgische radioloog. De eigenaar was voornemens zijn diensten ook in Nederland te gaan verlenen. De minister voor Langdurige Zorg en Sport (thans Volksgezondheid, Welzijn en Sport) weigerde echter de aanvraag van Radiology om te worden toegelaten als zorginstelling. Volgens de minister bevatten de statuten namelijk onvoldoende waarborgen dat Radiology geen winstoogmerk heeft. De eigenaar van Radiology ontkende dat ook niet. Radiology betoogde daarentegen dat het verbod van winstoogmerk in strijd is met de vrijheid van vestiging en de vrijheid van kapitaal, zoals bepaald in artikel 49 en artikel 63 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Dit was dan ook de vraag die centraal stond in de procedure bij de ABRvS. Oordeel ABRvS De ABRvS oordeelde dat de vrijheden van vestiging en kapitaal niet absoluut zijn. De kwaliteit en toegankelijkheid van de gezondheidszorg kunnen een dwingende reden van algemeen belang vormen, die een beperking van deze vrijheden kunnen rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten beperkingen van deze vrijheden dan wel rechtvaardig, geschikt en evenredig zijn. Volgens de ABRvS is daarvan in deze situatie geen sprake, zodat het winstverbod in strijd is met de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). Reden daarvoor is dat de minister het winstverbod niet coherent en consistent heeft toegepast. Het winstverbod geldt voor intramurale zorg, dat wil zeggen zorg in ziekenhuizen, waar de zorg vaak complex is. Voor extramurale zorg, zorg buiten het ziekenhuis, geldt echter geen winstverbod. De minister is er kennelijk van uitgegaan dat radiologische zorg overwegend complex is en daarom onder het winstoogmerk verbod valt. Radiologische zorg omvat volgens de ABRvS echter ook relatief eenvoudige zorg. De minister motiveert niet waarom radiologische zorg complex is waardoor het winstverbod geldt. Voor een medisch specialist, die als zelfstandige in een ziekenhuis werkt, geldt bovendien geen winstuitkeringsverbod. De minister heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken hoe en waarom “de privaatrechtelijke relatie tussen ziekenhuis en specialist relevant is voor de complexiteit, kwaliteit of toegankelijkheid”, aldus de ABRvS. De ABRvS komt dan ook tot de conclusie dat er geen gerechtvaardigde reden is om Radiology niet toe te laten tot de Nederlandse zorg markt. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen. Gevolgen voor de praktijk Het oordeel van de ABRvS werpt de vraag op of het winstuitkeringsverbod nog stand kan houden. De minister van VWS is aan zet: om het winstverbod te kunnen behouden, zal hij duidelijk moeten maken hoe dat verbod consistent en coherent kan worden toegepast. Dit zal ook invloed hebben op het wetsvoorstel voor de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, waarin het winstverbod is aangescherpt en wordt opgenomen in de Wet marktordening gezondheidszorg. Contact Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Michelle Collins, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Registratieplicht de-minimissteun per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 wijzigt het administratieve regime voor verlenen van reguliere de-minimissteun en de-minimissteun voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB). De kern: de administratieve verplichting verschuift grotendeels van de begunstigde naar de steunverlener. Overheden moeten reguliere en DAEB de-minimissteun vanaf 1 januari 2026 zelf registreren in een centraal register en vooraf controleren of het relevante de-minimisplafond niet wordt overschreden. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem waarin wordt gewerkt met een de-minimisverklaring die wordt opgevraagd bij de steunbegunstigde. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Wij zetten het voor u uiteen in onderstaande blog. Wat is staatssteun? Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is de-minimissteun. De-minimissteun De de-minimisverordeningen staan toe dat overheden beperkte steunbedragen toekennen zonder meldingsplicht bij de Commissie. Deze bedragen worden te laag geacht om de interne markt te kunnen beïnvloeden. Er zijn vier typen de-minimissteun, met elk een eigen plafond. Elke onderneming mag maximaal dit plafondbedrag aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. De plafonds gelden per onderneming en per lidstaat. Een Nederlandse B.V. kan dus in totaal – van alle Nederlandse overheden samen – maximaal het relevante plafond aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. Administratieve verplichting: oud vs. nieuw De drempelbedragen voor reguliere en DAEB de-minimissteun zijn per 1 januari 2024 verhoogd. Met deze verhoging is ook het administratieve regime gemoderniseerd. Deze modernisering vergt een actievere houding van de steunverlener ten opzichte van het huidige systeem en treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Huidige systeem Op grond van het huidige systeem kan de-minimissteun worden verleend nadat 1) de begunstigde door de steunverlener schriftelijk of elektronisch in kennis is gesteld van het steunbedrag en van het de-minimiskarakter ervan, waarbij rechtstreeks naar toepasselijke de-minimisverordening wordt verwezen, en 2) de begunstigde een verklaring heeft ingediend over alle de-minimissteun die deze begunstigde gedurende een periode van drie jaar heeft ontvangen. Kortom, een vrij laagdrempelige administratieve verplichting waar geen termijnen aan zijn gekoppeld. Systeem per 1 januari 2026 Per 1 januari 2026 zal informatie over verleende (DAEB en reguliere) de-minimissteun geregistreerd moeten worden in een centraal register (het eAidregister). De informatie dient uiterlijk binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun geregistreerd te worden, en moet minimaal tot 10 jaar na steunverlening in het register zijn opgeslagen. Overheden mogen pas nieuwe de-minimissteun verlenen nadat in het register is gecontroleerd of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. De volgende gegevens dienen geregistreerd te worden: Identificatie van de begunstigde; Het steunbedrag; De toekenningsdatum; De steunverlenende autoriteit; Het steuninstrument; en De betrokken sector op basis van de NACE-classificatie. Gedurende drie jaar na invoering van het register blijft – naast registratie – de “oude” administratieve verplichting gelden. Overheden zullen gedurende die periode naast de registratie tevens de begunstigde schriftelijk of elektronisch in kennis moeten stellen van het steunbedrag en het de-minimiskarakter met verwijzing naar de verordening, alsook een de-minimisverklaring moeten opvragen. Reguliere en DAEB de-minimissteun die vóór 1 januari 2026 is toegekend, valt onder de “oude” administratieve verplichting en hoeft dus niet geregistreerd te worden. Voor de-minimissteun voor de visserij- en aquacultuursector is nog geen registratieplicht aangekondigd. De-minimissteun voor de landbouwsector wordt aan bovenstaande registratieplicht onderworpen per 1 januari 2027. Praktische impact voor overheden Vanaf 1 januari 2026 zijn overheden belast met de registratieplicht voor reguliere en DAEB de-minimissteun. Overheden zullen binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun, de steunverlening alsook de nodige gegevens daaromtrent, in het eAidregister moeten registreren. Ook moet voorafgaand aan de verlening van nieuwe de-minimissteun in het register geverifieerd worden of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. Gedurende drie jaar na invoering van het register, zal ook de huidige administratieve verplichting nog blijven gelden, oftewel zal de steunverlener naast registratie ook een de-minimisverklaring moeten opvragen en de begunstigde in kennis moeten stellen van het steunbedrag en de-minimiskarakter onder verwijzing naar de toepasselijke verordening. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
De impact van de Toegankelijkheidsrichtlijn
Sinds 28 juni 2025 gelden in Nederland nieuwe regels voor de digitale toegankelijkheid van producten en online diensten. Door de invoering van de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn (European Accessibility Act) zijn nu ook commerciële organisaties, zoals banken, e-commercebedrijven, transport- en communicatiebedrijven, verplicht hun digitale producten en diensten toegankelijk te maken volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG)-richtlijnen. Hierdoor moeten veel meer bedrijven hun websites en apps aanpassen om een inclusieve gebruikerservaring te bieden zodanig dat deze zelfstandig te gebruiken zijn, zonder hulp van derden. Voorheen gold deze verplichting alleen voor overheidsinstellingen op basis van het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid. Commerciële organisaties waren tot nu toe uitgezonderd, maar dat is met de komst van de Toegankelijkheidsrichtlijn dus veranderd. Nederland heeft de richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Toegankelijke Producten en Diensten. Over de Toegankelijkheidsrichtijn zijn recent nog vragen gesteld in de Tweede Kamer. Toepassingsbereik De richtlijn heeft een breed toepassingsbereik en is van toepassing op verschillende producten en diensten van private partijen, waaronder die van financiële instellingen. Denk aan betaalterminals, geldautomaten, bankdiensten voor consumenten zoals internetbankieren, en e-handelsdiensten zoals het online openen van een spaarrekening of het afsluiten van een verzekering. Banken en andere dienstverleners moeten hun producten en diensten zo ontwerpen dat iedereen ze kan gebruiken. Dit houdt in dat informatie via meerdere zintuigen beschikbaar moet zijn, bijvoorbeeld zowel in geschreven tekst en als gesproken uitleg. Websites en apps moeten goed bruikbaar zijn met schermlezers en spraakherkenning. Betaalautomaten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een visuele beperking, bijvoorbeeld door spraakondersteuning. Consumenten moeten daarnaast hun bankzaken ook offline kunnen regelen, telefonisch of fysiek aan de balie. Alle informatie moet bovendien begrijpelijk zijn en geschreven op maximaal B2-taalniveau. Overgangsperiode en uitzonderingen Voor bestaande producten en diensten geldt een overgangsperiode tot 2030. Kleine ondernemers met minder dan tien medewerkers en een jaaromzet van maximaal twee miljoen euro zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Er zijn uitzonderingen mogelijk als aanpassing een onevenredige last oplevert of de aard van het product fundamenteel verandert, mits dit goed wordt onderbouwd. De richtlijn geldt niet voor dienstverlening tussen bedrijven onderling. Toezicht en handhaving De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt specifiek toezicht op financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, vermogensbeheerders en kredietverstrekkers. Dit betekent dat de AFM erop toeziet dat deze diensten toegankelijk zijn voor alle consumenten, inclusief de ruim 2 miljoen mensen met een beperking in Nederland. Het uitgangspunt is dat consumenten deze financiële diensten zelfstandig en zonder hulp van derden moeten kunnen afsluiten. Dit sluit aan bij de boodschap van de AFM tijdens de Week Van De Toegankelijkheid (6 t/m 12 oktober 2025), waarin wordt benadrukt dat financiële producten en diensten voor iedereen toegankelijk moeten zijn.   In Nederland zijn daarnaast de Autoriteit Consument & Markt (ACM), Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI), het Commissariaat voor de Media (CvdM) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het toezicht op andere sectoren.  Als de toezichthouder ontdekt dat een product of dienst niet voldoet aan de regels uit de richtlijn, dan moet het bedrijf onverwijld passende corrigerende maatregelen treffen. De toezichthouder bepaalt binnen welke termijn dit moet gebeuren, afhankelijk van hoe ernstig het probleem is. Als een bedrijf niet op tijd de juiste maatregelen neemt om een probleem met een product of dienst op te lossen, mag een toezichthouder ingrijpen. Zij mag dan passende voorlopige maatregelen treffen, zoals het opleggen van een boete om het betreffende product te verbieden, te beperken of het product zelfs helemaal uit de handel halen.  Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Donald Volleberg, Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten. 
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Update Franchise #1: Kort geding: Albert Heijn moet instemming franchisenemers vragen voor “Maaltijd Thuis”
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 8 juli 2025 een belangrijk vonnis gewezen in een kort geding tussen de Vereniging van Albert Heijn-franchisenemers en Albert Heijn Franchising B.V. (AHF). Centraal stonden de rechten van franchisenemers onder de Wet franchise en de toepassing van het instemmingsrecht bij het exploiteren van een afgeleide formule. Maaltijd Thuis is afgeleide formule – instemming verplicht AHF heeft in 2022 het concept Maaltijd Thuis geïntroduceerd: een bezorgservice voor kant-en-klaarmaaltijden onder het merk Albert Heijn. In een eerder vonnis van 8 januari 2025 is al voor recht verklaard dat Maaltijd Thuis moet worden aangemerkt als een afgeleide formule in de zin van artikel 7:911 BW. Daarom moet AHF voorafgaand aan exploitatie de instemming van franchisenemers verkrijgen. Ondanks dat oordeel ging AHF door met exploitatie zonder toestemming, waarop de franchisenemers een kort geding aanspanden. Afstemmingsleer: naleving tussenvonnis verplicht De voorzieningenrechter benadrukt dat een verklaring voor recht bindend is, ook in afwachting van hoger beroep. De zogenoemde afstemmingsleer verplicht de kortgedingrechter om het oordeel van de bodemrechter te volgen, tenzij sprake is van een duidelijke feitelijke of juridische misslag — en daarvan was geen sprake. Verbod en dwangsom Het verbod werd toegewezen. AHF moet de exploitatie van Maaltijd Thuis onder het AH-merk staken totdat instemming is verkregen. Hiervoor krijgt AHF een termijn van vier weken om passende maatregelen te treffen. Bij overtreding geldt een dwangsom van € 25.000 per dag, met een maximum van € 1.000.000. Belang voor de franchisepraktijk Dit vonnis bevestigt opnieuw dat het instemmingsrecht uit de Wet franchise: een preventieve werking heeft niet afhankelijk is van een drempel voor omzetderving (als daarover geen afspraken zijn gemaakt) onverkort geldt, zelfs wanneer een franchisegever van mening is dat de impact gering is Franchisegevers die nieuwe verkoopkanalen of aanvullende formules willen lanceren onder hetzelfde merk, doen er dus goed aan het instemmingsproces tijdig en zorgvuldig te doorlopen. Conclusie Deze uitspraak versterkt de positie van franchisenemers en onderstreept dat franchisegevers — ook tijdens lopende procedures — niet mogen handelen in strijd met eerder vastgestelde franchisebescherming.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
Nieuwe wetgeving voor de jeugdzorg: Wat betekent dit voor jeugdhulpaanbieders?
Op 7 oktober 2025 is het wetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (hierna: Wvbj) aangenomen door de Eerste Kamer. De Wvbj beoogt (hoog)specialistische jeugdzorg toekomstbestendiger te maken door de beschikbaarheid voor kinderen en gezinnen te verbeteren. In dit artikel leest u wat de gevolgen zijn van de nieuwe wet voor jeugdhulpaanbieders. De Jeugdautoriteit (JA) uitte in 2024 opnieuw haar zorgen over de continuïteit van de jeugdzorg. Al sinds 2019 signaleren verschillende organisaties dat jeugdhulpaanbieders het zwaar hebben door personeelstekorten en toenemende kosten. Om gezamenlijk de problematiek in de jeugdzorg aan te pakken hebben het Rijk en de gemeenten medio 2023 de Hervormingsagenda Jeugd ondertekend. De Wvbj vormt een belangrijk onderdeel van die agenda. Toepassingsbereik van de Wvbj De Wvbj richt zich met name op de verbetering van (hoog)specialistische jeugdzorg. Onder specialistische jeugdzorg wordt in de wet kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering verstaan. Deze zorg wordt geleverd door zogenoemde gecertificeerde instellingen. Daarnaast vallen ook andere vormen van jeugdhulp onder de term specialistische jeugdzorg. Dit betreft jeugdzorg die moeilijk op lokaal niveau te organiseren is vanwege de beperkte vraag en de complexiteit van de problematiek. Ook de term ‘beschikbaarheid’ wordt breed ingevuld. Het gaat bijvoorbeeld om  de vraag naar jeugdzorg, de aansluiting van de vraag op het aanbod en de mate  waarin gemeenten en Jeugdregio’s erin slagen om de benodigde zorg tijdig te verschaffen. Regionale samenwerking Het overkoepelende thema van de Wvbj is regionale samenwerking door gemeenten. De Wvbj verplicht gemeenten om regionaal samen te werken bij de inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg. Er worden Jeugdregio’s aangesteld, bestaande uit verschillende gemeenten. De Jeugdregio’s zijn onder meer belast met het regionaal contracteren van verschillende jeugdhulpvormen en de bijbehorende administratieve processen. Voor kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering zal bovenregionale afstemming plaatsvinden. Gecertificeerde instellingen werken dus met meerdere Jeugdregio’s. Tot slot worden bepaalde vormen van jeugdzorg op landelijk niveau ingekocht. Voor de landelijke inkoop geldt dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (“VNG”) overeenkomsten sluit met jeugdhulpaanbieders. De VNG bedingt ten behoeve van de gemeenten de jeugdhulpvormen die op landelijk niveau worden ingekocht. Dit betreft jeugdhulpvormen die zeer complex van aard zijn waarvan en waar individuele gemeenten en regio’s zeer weinig gebruik van maken. Al deze maatregelen moeten leiden tot meer uniformiteit in het aanbod. Governance en financiële transparantie Naast de regionale samenwerking introduceert de Wvbj nieuwe verplichtingen voor de governance en stelt aanvullende eisen aan de financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Ten aanzien van de governance verplicht de Wvbj jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om een onafhankelijke interne toezichthouder te hebben. Deze verplichting geldt voor jeugdhulpaanbieders die met meer dan tien jeugdhulpverleners jeugdhulp doen verlenen, ongeacht de rechtsvorm. De toezichthoudende taak kan worden vervuld door een raad van commissarissen of een raad van toezicht. Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld, waarbij in ieder geval wordt bepaald dat de toezichthouder moet bestaan uit ten minste 3 natuurlijke personen.   Naast de al bestaande verplichting voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om jaarlijks de begroting, de balans en de resultatenrekening openbaar te maken, verplicht de Wvbj nu ook tot het openbaar maken van de jaarverantwoording. Deze verplichting biedt financiële transparantie en geldt voor alle jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.   Toezicht door de NZa Onder de Wvbj heeft de Nederlandse Zorg autoriteit (“NZa”) een toezichthoudende taak om de doelstellingen van de Wvbj te bewaken. De taken van de huidige Jeugdautoriteit worden door de NZa overgenomen. De voorgestelde rol voor de NZa op het terrein van jeugdzorg is gericht op drie kerntaken: het doen van stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg, vroegsignalering van risico’s en toezicht op de financiële verplichtingen. Praktische tips De Wvbj brengt ingrijpende veranderingen met zich op het gebied van contractering en governance voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. De regionaal gecontracteerde zorg zal na inwerkingtreding van de wet via de aangestelde Jeugdregio verlopen. Om te voldoen aan de nieuwe governance-eisen is het voor jeugdhulpaanbieders raadzaam om de organisatie hier tijdig op voor te bereiden. Zorg voor een onafhankelijke interne toezichthouder die bestaat uit ten minste drie natuurlijke personen. Verder is het aan te raden om de jaarverantwoording orde te brengen, zodat deze na inwerkingtreding van de wet tijdig openbaar gemaakt kan worden. Contact Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg of heeft u andere vragen? Neem dan contact op met Michelle Collins, Dunia Caillette of een van onze andere specialisten.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Duurovereenkomsten en opzegtermijnen: tijdig contracten herzien is cruciaal!
Werk je al jaren samen met een vaste partij en heb je bij aanvang van de samenwerking een duurovereenkomst opgesteld? Dan is het verstandig om deze overeenkomst eens kritisch tegen het licht te houden. Past de overeenkomst nog bij de huidige situatie, of is de overeenkomst inmiddels achterhaald? Een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:763) onderstreept het belang van het tijdig herzien van overeenkomsten. Sophie ten Broecke en Pieter van Deurzen schreven een annotatie bij het genoemde arrest (JIN 2025/89), waarin zij de rol van de redelijkheid en billijkheid bij duurovereenkomsten toelichten. Waar ging de zaak over? Twee transportbedrijven werkten jarenlang samen met pakketvervoerder DPD. De samenwerking werd steeds intensiever, maar de contracten bleven ongewijzigd. Aan het begin van de samenwerking zijn partijen een opzegtermijn van slechts één maand overeengekomen. Na verloop van tijd breidden de samenwerkingen steeds meer uit en werden de transportbedrijven steeds afhankelijker van hun werkzaamheden voor DPD. Na samenwerkingen van respectievelijk acht en 11 jaar zegt DPD de overeenkomsten op, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand. De transportbedrijven stellen zich op het standpunt dat deze opzegtermijn niet meer redelijk is, gezien de lange en geïntensiveerde samenwerking. Partijen leggen het geschil voor aan de rechter. Het gerechtshof past de contractuele opzegtermijn van één maand aan en acht een langere opzegtermijn van drie maanden redelijk, gelet op de toegenomen omvang van de samenwerking sinds het sluiten van de overeenkomst. De Hoge Raad fluit het hof terug. Het hof past namelijk een verkeerde wettelijke maatstaf toe. De Hoge Raad overweegt dat een contractuele opzegtermijn niet zomaar kan worden aangepast via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan een contractuele regeling niet terzijde stellen volgens de Hoge Raad. Om een contractuele bepaling terzijde te stellen moet je immers een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). In dat geval geldt het onaanvaardbaarheidscriterium. Het hof had dus moeten toetsen of de contractuele opzegtermijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit is een zwaar criterium waar het hof niet aan voorbij had mogen gaan. Rechters moeten terughoudend omgaan met het terzijde stellen van een contractuele regeling, dus dat maakt het des te belangrijker om overeenkomsten tussentijds te beoordelen. Waarom is deze uitspraak zo belangrijk? Bedrijven werken vaak langdurig samen, waarbij de samenwerking kan veranderen of intensiveren. Het is dan essentieel om te controleren of de contractuele afspraken nog aansluiten bij de huidige situatie. Anders loop je het risico dat je bij de beëindiging van de samenwerking vastzit aan een opzegtermijn die geen recht doet aan de huidige situatie en die de rechter niet zomaar kan aanpassen. Dit arrest illustreert dat het niet herzien van overeenkomsten kan leiden tot nadelige gevolgen; de oorspronkelijke contractuele regeling blijft van kracht. Goed contractmanagement is daarom essentieel. Praktische lessen voor ondernemers Contracten zijn leidend: de contractuele opzegtermijn blijft in beginsel van kracht, ook bij een veranderende of geïntensiveerde samenwerking; Herzie contracten tijdig: evalueer periodiek of de afspraken nog passen bij de huidige situatie; Voorkom verrassingen: laat je adviseren, want een rechter kan de contractuele afspraken niet altijd corrigeren. Contact Wil je een duurovereenkomst laten beoordelen of aanpassen, of heb je advies nodig over de opzegging van een duurovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke, Pieter van Deurzen of een van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Wetsvoorstel loontransparantie mannen en vrouwen
Uit (niet-gecorrigeerde) cijfers van het CBS blijkt dat vrouwen in Nederland in 2024 gemiddeld nog steeds 10,5 procent minder per uur verdienen dan mannen voor gelijk of gelijkwaardig werk, hoewel dit verschil in 2010 nog 19 procent bedroeg.   De Europese Richtlijn loontransparantie (Richtlijn (EU) 2023/970) is in 2023 vastgesteld met het doel loongelijkheid te bevorderen. Met het Wetsvoorstel implementatie loontransparantie mannen en vrouwen (verder: het “Wetsvoorstel”), gepubliceerd op 26 maart 2025, stelt de regering voor om de voornoemde richtlijn zuiver (dus één op één) te implementeren.   Het is de bedoeling dat het Wetsvoorstel op 1 januari 2027 in werking treedt. Wat de gevolgen zijn voor werkgevers, leest u in dit artikel.  Wat gaat gelden voor alle werkgevers door het Wetsvoorstel?   Loonstructuren met objectieve criteria   Om te beginnen verplicht het wetsvoorstel werkgevers en uitzendbureaus om een transparante loonstructuur te hanteren. Dat moet de transparantie vergroten en loonverschillen tegengaan. Is er geen cao-beloningsstructuur, dan moet de werkgever de loonstructuur zelf vaststellen. Als er een ondernemingsraad is, moet diens instemming bij die vaststelling ook worden verkregen.   De loonstructuur moet worden gebaseerd op objectieve criteria zoals vaardigheden, inspanningen, verantwoordelijkheden en arbeidsomstandigheden. Ook opleiding en soft skills kunnen worden meegenomen. Voor werkgevers die er niet goed uit komen, heeft het ministerie van SZW toegezegd hulpmiddelen ter beschikking te stellen.  Aan de hand van de loonstructuur kan worden vastgesteld welke functies van gelijke waarde zijn en dus gelijk moeten worden beloond. Het kan dus zijn dat verschillende functies hetzelfde worden gewaardeerd.   Werknemers kunnen informatie opvragen  Werknemers en uitzendkrachten krijgen het recht om schriftelijk informatie op te vragen. Zij mogen vragen naar hun eigen loonniveau en naar het gemiddelde loonniveau binnen gelijkwaardige functiegroepen, uitgesplitst naar geslacht. De wetgever vindt dit verenigbaar met de AVG, ook als de informatie herleidbaar is naar individuele werknemers. Werkgevers moeten hun personeel elk jaar informeren over dit recht en uitleggen hoe zij hiervan gebruik kunnen maken.  Verplichtingen tijdens de sollicitatie   Het Wetsvoorstel verplicht werkgevers en uitzendbureaus om vóór loononderhandelingen het startsalaris of de salarisschaal te vermelden; dat kan al in de vacaturetekst. Vragen naar de salarisgeschiedenis van sollicitanten wordt verboden.  Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 50 werknemers of meer?  Voor werkgevers die 50 werknemers of meer in dienst hebben, gaat tijdens de sollicitatie ook de verplichting gelden om openheid te geven over het beleid voor loonvorming en loonontwikkeling.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 100 tot 150 werknemers?  De werkgever met tussen de 100 en 150 werknemers zal iedere drie jaar aan zijn werknemers en de ondernemingsraad moeten rapporteren over loonverschillen binnen functiecategorieën. Zo’n rapportage is echter niet openbaar. De ondernemingsraad beoordeelt vooraf de evaluatiemethode en juistheid van de rapportage. De eerste rapportage moet er op 7 juni 2030 liggen.   Loonverschillen zijn niet altijd ongerechtvaardigd: objectieve factoren zoals ervaring, opleiding of arbeidsmarkt kunnen een rol spelen. Als uit de voornoemde rapportage verschillen volgen (hoe klein ook), dan is het aan de werkgever om per werknemer goed te motiveren of sprake is van een objectieve en genderneutrale rechtvaardigingsgrond. Als een dergelijke rechtvaardigingsgrond er niet is, dan moet de werkgever binnen een redelijke termijn maatregelen nemen om deze verschillen op te heffen. De ondernemingsraad moet met deze maatregelen instemmen.   Is het loonverschil voor gelijkwaardig werk 5% of meer en wordt dit niet binnen zes maanden opgelost? Dan moet de werkgever een diepgaand onderzoek doen naar de oorzaken en een plan van aanpak opstellen waarin oplossingen voor het loonverschil zijn uitgewerkt. Ook hiervoor is instemming van de ondernemingsraad vereist.   Eventuele loonverschillen moeten ook gerapporteerd worden aan een nieuw op te richten monitoringsorgaan. De rapportage toont het gemiddelde en mediane verschil tussen mannen en vrouwen, zowel voor basisloon als aanvullende beloning; een deel hiervan wordt openbaar op een landelijke website.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met 150 tot 250 werknemers?  Voor werkgevers met tussen de 150 en 250 werknemers geldt al het voorgaande, met dien verstande dat de eerste rapportage aan werknemers en de ondernemingsraad er (naar verwachting) op 7 juni 2028 moet liggen.   Wat gaat verder gelden voor werkgevers met meer dan 250 werknemers?  Voor werkgevers met tussen de 150 en 250 werknemers geldt al het voorgaande, met dien verstande dat de eerste rapportage aan werknemers en de ondernemingsraad er op 7 juni 2027 moet liggen én dat die rapportage ook jaarlijks moet plaatsvinden.   Waarom is naleving van de regels uit het Wetsvoorstel van belang?  Als een loonverschil bestaat én de transparantie- of rapportageverplichtingen niet is nageleefd, geldt er een vermoeden van loondiscriminatie. De werkgever moet dan aantonen dat er geen sprake is van discriminatie. Dit vermoeden vervalt alleen als de werkgever bewijst dat de overtreding duidelijk onopzettelijk en beperkt was. Op dat moment verschuift de bewijslast naar de werknemer.   De Nederlandse Arbeidsinspectie zal toezicht houden op de juiste naleving van bovengenoemde verplichten. Bij een overtreding kan de inspectie per schending een waarschuwing en/of boete opleggen en dat kan ook openbaar gemaakt worden.  Praktische tips   Werkgevers doen er goed aan om zo snel mogelijk voor te sorteren op de nieuwe toekomstige verplichtingen, bijvoorbeeld door nieuwe loonstructuren op te stellen en/of bestaande te herzien, na te denken over een duidelijke interne procedure voor het opvragen van looninformatie door werknemers. Verder is het raadzaam om zo snel mogelijk in kaart te brengen of er mogelijk ongerechtvaardigde loonverschillen binnen de organisatie bestaan, zodat deze over een langere termijn zo nodig aangepakt kunnen worden om te voorkomen dat uw bedrijf negatief in de publiciteit komt. Werkgevers die niet voldoen aan de plicht om een ondernemingsraad in te stellen, doen er goed aan om alsnog een ondernemingsraad in te stellen, anders riskeren ze (mogelijk kostbare) vertraging bij de uitvoering van de wet.   Contact  Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen over het Wetsvoorstel? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.       
Kirsten Hoogendam – La Gro
Kirsten Hoogendam
Advocaat
Oneerlijke bedingen: is schrappen de oplossing?
De jurisprudentie over oneerlijke bedingen ontwikkelt zich in hoog tempo. Zo ook voor huurovereenkomsten. De gevolgen hiervan zijn voor verhuurders nog niet volledig te overzien. Het uitgangspunt is duidelijk: wanneer een beding als oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna “de Richtlijn”, wordt aangemerkt, wordt het buiten toepassing gelaten. Dat heeft in veel gevallen als gevolg dat de verhuurder ook niet meer kan terugvallen op een vergelijkbare wettelijke regeling. Dit kan vergaande consequenties hebben, bijvoorbeeld bij bepalingen over huurprijsaanpassingen, maar ook bij het verhalen van kosten door de verhuurder. De rechtspraak heeft recentelijk twee ontwikkelingen laten zien: een prejudiciële beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Hoewel het definitieve antwoord op de prejudiciële vraag nog even op zich laat wachten, biedt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voorzichtig hoop aan verhuurders. In dit artikel bespreken wij de ontwikkelingen en de mogelijkheden voor verhuurders om een oneerlijk beding preventief te schrappen, zodat een verhuurder alsnog een beroep kan doen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Wanneer is een beding oneerlijk? Een beding, waarover niet is onderhandeld en dat geen kernbeding is, is oneerlijk als het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Voor deze beoordeling wordt de positie van de consument vergeleken met een situatie waarin het beding niet zou zijn opgenomen en dus de wet zou gelden. Bij aanzienlijke verslechtering van de positie van de consument wordt het beding als oneerlijk aangemerkt, met vernietiging van het beding als sanctie. Oneerlijk proceskostenbeding Recentelijk heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook een proceskostenbeding, die valt onder de Richtlijn en waarbij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van de huurder komen, oneerlijk is (zie HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820). Zonder een dergelijk proceskostenbeding zou een (overwegend) in het ongelijk gestelde huurder, op basis van de vergelijkbare wettelijke regeling alsnog worden veroordeeld in de proceskosten. Het verschil is dat de hoogte van een ‘normale’ proceskostenveroordeling in de regel aanzienlijk lager zal zijn dan de werkelijke proceskosten van de verhuurder. Dit maakt het proceskostenbeding oneerlijk. De Richtlijn bepaalt dat een oneerlijk beding de consument niet kan binden. Doordat geen beroep kan worden gedaan op het beding, kan er een leemte ontstaan in de overeenkomst. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een verhuurder, na vernietiging van een oneerlijk beding, in beginsel niet terugvallen op vergelijkbare wettelijke bepalingen. In dat kader heeft de Hoge Raad door middel van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gevraagd of dit ook het geval is bij een oneerlijk proceskostenbeding. De vraag is dus of na vernietiging van een proceskostenbeding mag worden teruggevallen op de ‘normale’ wettelijke regeling van een proceskostenveroordeling. Het antwoord op de vraag is nog niet bekend, maar de gevolgen kunnen groot zijn. In een groot deel van de huurovereenkomsten in Nederland is een oneerlijk beding opgenomen over de vergoeding van proceskosten. In de standaard ROZ-bepalingen staat namelijk een vergelijkbare (oneerlijke) bepaling als de bepaling die de Hoge Raad als onredelijk heeft bestempeld. Een relevante vraag is dus wat verhuurders nu kunnen doen om deze negatieve gevolgen te voorkomen. Het schrappen van oneerlijke bedingen In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan mogelijk een oplossing voor de verhuurders worden gelezen. Op 15 juli 2025 heeft zij geoordeeld dat de verhuurder alsnog een beroep op de vergelijkbare wettelijke regeling toekwam, nadat zij preventief oneerlijke bedingen had geschrapt (zie Rb. Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5033). In deze zaak had de woningcorporatie aan de huurder per e-mail aangeboden om preventief oneerlijke bedingen te schrappen uit de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Een reactie van de huurder bleef uit. De rechtbank oordeelde desondanks dat het in deze kwestie redelijk was om terug te vallen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Daardoor kon de verhuurder in dit geval alsnog een beroep doen op de wet. Preventieve schrapping was dus zelfs mogelijk zonder expliciete instemming van de huurder. Onduidelijk is hoe andere rechters zullen oordelen over de handelswijze van het preventief schrappen van oneerlijke bedingen. Vanuit de literatuur klinken kritische geluiden. Terugvallen op de nationale wet zou namelijk niet in lijn zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Van een definitieve doorbraak is vooralsnog dus geen sprake. Heeft u vragen over dit onderwerp, wilt u van gedachten wisselen of heeft u hulp nodig bij het opstellen van algemene voorwaarden? Neem dan contact op met Kirsten Hoogendam of een van de andere Huurrechtspecialisten.