Agri en Overheid-min

Omgevingsrecht

Het omgevingsrecht is onderdeel van het bestuursrecht dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving. Dit rechtsgebied omvat veel verschillende onderwerpen, zoals ruimtelijke ordening, milieubescherming en het verlenen van vergunningen voor bouwprojecten. Bij La Gro helpen wij zowel overheden als bedrijven om hun weg te vinden in de ingewikkelde wet- en regelgeving die hierbij hoort. La Gro biedt ondersteuning bij het maken van omgevingsplannen of bij het afwijken van omgevingsplannen door middel van omgevingsvergunningen. 

Onze ervaring met omgevingsrecht

Advocaten sinds 1902

Al sinds 1902 staat La Gro partijen bij in het omgevingsrecht, zowel lokale overheden als partijen die de overheden op dit gebied tegenkomen. Als huisadvocaat van verschillende lokale overheden, ontwikkelaars en andere partijen hebben wij langdurige samenwerkingen opgebouwd en talloze zaken succesvol afgerond. Vanuit deze sterke basis helpen we u graag verder. 

Specialisten én full-service

Ons team van omgevingsrechtadvocaten bestaat uit specialisten die diepgaande kennis hebben van alle facetten van dit rechtsgebied, waaronder het ruimtelijk ordeningsrecht, milieurecht, natuurbeschermingsrecht en het bouwrecht. Dankzij onze full-service dienstverlening, kunnen wij, wanneer nodig, in multidisciplinaire teams werken en zo onze expertise uitbreiden met specialisten uit andere relevante rechtsgebieden zoals bouwrecht en onteigeningsrecht.   

Onze werkwijze

Duurzame samenwerking

Wij streven naar langdurige en duurzame relaties met onze cliënten en bieden onze cliënten meer dan juridisch advies en bijstand; wij zijn een juridische partner. Wij denken verder dan de juridische analyse en houden rekening met de politieke en maatschappelijke context. Wij zoeken pragmatisch en creatief naar een oplossing voor ieder project. 

Efficiëntie door persoonlijk contact

Wij hanteren korte lijnen en kennen laagdrempelig, persoonlijk contact. Dit bevordert de werkrelatie en zorgt voor een efficiënt werkproces. Door ons vroegtijdig te betrekken, kunnen we juridische procedures met de bijbehorende kosten zoveel mogelijk voorkomen.

Bel: 0172-503 250

Publicaties

Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Geen leges bij aanvraag tot vaststellen bestemmingsplan
Op 2 juni 2026 heeft de belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het heffen van leges bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan niet mogelijk is (ECLI:NL:GHARL:2026:3647). Waar gaat de zaak over? De belanghebbende in deze zaak heeft in 2021 bij de gemeente Doetinchem een verzoek ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor een bepaald perceel. Hij beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming en een woning met bijgebouwen te realiseren. Op grond van de Legesverordening 2021 heeft de heffingsambtenaar daarvoor leges van € 16.477,- in rekening gebracht. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.   Wat oordeelt het hof? Het hof overweegt dat op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet leges kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Naar het oordeel van het hof gaat het bij het vaststellen van een bestemmingsplan rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Daarom houdt het vaststellen van een bestemmingsplan, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, volgens het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Hoewel indirect sprake is van een particulier belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan met betrekking tot gronden die (gedeeltelijk) in eigendom zijn bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding. Nu geen sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk.  Wat betekent dit voor de praktijk? Hoewel deze zaak ziet op legesheffing bij een aanvraag tot vaststellen van een bestemmingsplan onder de Wet ruimtelijke ordening, is de uitspraak ook relevant voor aanvragen tot wijzigen van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het belastingrecht en/of het omgevingsrecht? Neem dan contact op met Joanne de Bruijn, Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Toets aan de Dienstenrichtlijn bij wijziging naar schaarse vergunningen
Op 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:823) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de omzetting van ligplaatsvergunningen in Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Hierin wordt ingegaan op de grondslag van deze besluiten en de op grond van de Dienstenrichtlijn benodigde motivering van deze besluiten.  Achtergrond: relatie met de uitspraak van 25 september 2024 over exploitatievergunningen De uitspraak hangt nauw samen met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3732) en de daaraan voorafgaande uitspraken van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2488) en 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:160). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had destijds een maximumaantal exploitatievergunningen voor passagiersvervoer over de Amsterdamse binnenwateren vastgesteld op 550 en de eerder voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen gewijzigd naar bepaalde tijd. Het college beriep zich daarbij op de Dienstenrichtlijn: als het aantal vergunningen door een dwingende reden van algemeen belang wordt beperkt, mag een vergunning niet voor onbepaalde duur worden verleend. De Afdeling oordeelde dat het college in beginsel bevoegd was om volumebeleid vast te stellen en vergunningen te wijzigen ter uitvoering van de Dienstenrichtlijn, maar dat de invulling en motivering van het volumebeleid tekortschoten. Met name was onvoldoende gemotiveerd dat het beleid geschikt en noodzakelijk was in het licht van de Dienstenrichtlijn. De hoger beroepen waren daarom gegrond; gevolg was dat de exploitatievergunningen weer voor onbepaalde tijd golden. Na deze uitspraak kondigde het college een vergunningenstop af voor nieuwe exploitatievergunningen. Uitspraak van 25 februari 2026: ligplaatsvergunningen De uitspraak van 25 februari 2026 ligt in het verlengde hiervan. Naast de exploitatievergunningen heeft het college ook de ligplaatsvergunningen die voor onbepaalde tijd zijn verleend, gewijzigd naar ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. Het college heeft zich bij de wijzigingsbesluiten gebaseerd op de Verordening op het binnenwater (hierna: Vob). Hierin is geregeld dat het college een vergunning kan wijzigen, onder meer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten (art. 2.2.6 lid 1 onder b Vob). In de bijbehorende beleidsregels is opgenomen dat alleen ligplaatsvergunningen voor bedrijfsvaartuigen met een exploitatievergunning voor bepaalde tijd worden gewijzigd, en dat de einddatum aansluit bij de looptijd van die exploitatievergunning. Grondslag om de exploitatievergunningen te wijzigen Op het moment dat het college het besluit op het bezwaar nam, had het college de exploitatievergunningen van de passagiersvaartuigen gewijzigd van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd. Maar door de Afdelingsuitspraak van 25 september 2024 gelden die exploitatievergunningen voor deze partijen weer als exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd. Daarmee kan die wijziging niet worden aangemerkt als een relevante “verandering van omstandigheden of inzichten”, nu de wijziging immers niet meer geldt. Ook is daarmee niet voldaan aan de beleidsregels, omdat het geen exploitatievergunningen voor bepaalde tijd meer betreft. De wijziging van de ligplaatsvergunningen kan daarmee niet leiden tot wijziging van de exploitatievergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. Het college heeft daarnaast betoogd dat er een verandering in omstandigheden en inzichten bestaat omdat een ligplaatsvergunning een schaarse vergunning is en de Dienstenrichtlijn verplicht tot het wijzigen van de ligplaatsvergunningen in een vergunning voor bepaalde tijd. De Afdeling oordeelt dat onduidelijk is waarom dit onder gewijzigde omstandigheden en inzichten valt. Ook dit kan daarom niet leiden tot wijziging van de ligplaatsvergunningen op grond van artikel 2.2.6 lid 1 onder b Vob. De Afdeling overweegt hiertoe dat in de Vob ook een expliciete grondslag was opgenomen om een vergunning te wijzigen als dit noodzakelijk is ter uitvoering van wettelijke, Europeesrechtelijke of andere internationale verplichtingen. Uit de toelichting blijkt dat hiermee expliciet ook de Dienstenwet en -richtlijn worden bedoeld. Daarom had het college voor deze grondslag moeten kiezen om de ligplaatsvergunningen te wijzigen als het daaraan de Dienstenrichtlijn ten grondslag wilde leggen en niet voor de grondslag die ziet op verandering van omstandigheden of inzichten. Dienstenrichtlijn Tot slot oordeelt de Afdeling anders dan de rechtbank dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is. Het verbod om zonder ligplaatsvergunning met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen (art. 2.3.6 Vob) ziet naar zijn aard op dienstverrichters en niet op particulieren. De vergunningsvoorwaarden verschillen bovendien van die voor woonboten en pleziervaartuigen; zo vereist art. 2.3.6 lid 5 Vob dat de activiteiten watergebonden zijn en dat benodigde andere vergunningen zijn verleend. Dit betekent dat het college bij een beslissing op een aanvraag om een ligplaatsvergunning voor een bedrijfsvaartuig de Dienstenrichtlijn moet toepassen. Het college heeft dat niet gedaan. Het is niet duidelijk geworden waarom het aantal ligplaatsen het maximum vormt en waarom het college niet meer ligplaatsen ter beschikking kan stellen of kan realiseren. Dit moet in het licht van de Dienstenrichtlijn worden gemotiveerd en dat is niet gebeurd. Verder blijkt uit de motivering van het college niet of onvoldoende waarom de wijziging van het beleid over de ligplaatsvergunningen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om het stedelijk milieu te beschermen en het binnenwater te ordenen. Gelet hierop moet het college in een nieuw besluit ingaan op de vraag waarom de wijzigingsbesluiten al dan niet in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en het besluit op bezwaar, en draagt het college op om binnen 18 weken een nieuw besluit te nemen. Conclusie Op grond van artikel 11 van de Dienstenrichtlijn heeft een aan een dienstverrichter verleende vergunning geen beperkte geldigheidsduur, tenzij in gevallen waar het aantal beschikbare vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Als sprake is van dergelijke dwingende redenen van algemeen belang, moet vervolgens worden gemotiveerd waarom de maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn. Kort gezegd blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling hoe belangrijk het is dat een bestuursorgaan per stap goed motiveert dat en waarom hiervan sprake is. Heeft u vragen over welke omstandigheden als dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden beschouwd en over de motivering van de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregelen? Wij denken graag met u mee. U kunt contact op nemen met Coline Norde, Annelot van der Spek of één van de andere specialisten van ons team Bestuursrecht.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Duurzaam bouwen vraagt om heldere afspraken en een integrale visie
Onderstaande is op 27 juni 2025 gepubliceerd in de verdiepingsbijlage bij het FD.  Duurzaam bouwen is meer dan een optelsom van goede bedoelingen en innovatieve technieken. Zeker vanuit juridisch perspectief. In die context speelt ook het belang van heldere afspraken en een weloverwogen integrale visie. Dat klinkt logisch, maar de praktijk blijkt soms weerbarstig.  Van papieren ambitie naar harde afspraken Duurzaam en toekomstbestendig bouwen staat bij veel partijen hoog op de agenda, maar ambitie en uitvoering lopen vaak uiteen. ”We zien te vaak dat inschrijvende partijen aanbestedingen winnen door meer te bieden dan de gestelde duurzaamheidseisen, maar dat de aanbestedende diensten vervolgens nalaten die eisen ook daadwerkelijk in het contract vast te leggen”, stelt Niek Hoogwout, partner bouw- en aanbestedingsrecht bij advocatenkantoor La Gro. Door die omissie komt de vooraf geplande meerwaarde – zoals extra WKO-installaties of circulaire oplossingen – vaak niet tot uitvoering als het project loopt.  Volgens Hoogwout is het de rol van de jurist om die kloof te dichten. ”Of het nu gaat om energieprestatie, materiaalgebruik of CO₂-reductie, het juridische uitgangspunt is eenvoudig: leg afspraken vast en zorg vervolgens dat het contractmanagement op orde is”, merkt hij op. “De uitdaging is om de concrete invulling en meetbaarheid van duurzaamheid juridisch te borgen. Dat vraagt om maatwerk en precisie, zeker bij complexe projecten. Maar in de haast of door onwetendheid wordt het vaak vergeten.  Nieuwe wetgeving, nieuwe kansen – en onzekerheden  De komst van de Omgevingswet biedt gemeenten nieuwe mogelijkheden om duurzaamheid juridisch af te dwingen. “Onder de oude wetgeving stond de goede ruimtelijke ordening centraal. Nu gaat het om de fysieke leefomgeving. Dat begrip is veel breder en omvat ook duurzaamheid. Gemeenten kunnen nu door middel van gebodsbepalingen expliciet eisen stellen op het gebied van duurzaamheid in hun omgevingsplan. Dat opent geheel nieuwe mogelijkheden”, vertelt Coline Norde, Partner bestuurs- en omgevingsrecht, La Gro.  Veel overheden benutten deze nieuwe ruimte en instrumenten (nog) niet, zo signaleert Norde in haar werk voor meer dan twintig overheden. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat? Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde.  Stikstof en netcongestie  De stikstofproblematiek is een veelbesproken hindernis in de bouwwereld. Nieuwe rechtspraak maakt dit niet makkelijker. Bij veel bouwprojecten werd gebruikgemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de stikstofdepositie van de bestaande (vergunde) situatie afgetrokken van de stikstofdepositie van de nieuwe situatie. “Door een wijziging in de rechtspraak eind 2024 zijn de mogelijkheden om intern te salderen beperkt. Dat vereist een nadere motivering, de zogenoemde additionaliteitstoets. Dat maakt het verkrijgen van vergunningen voor nieuwe bouwprojecten een stuk moeilijker”, vertelt Norde.  Naast de stikstofproblematiek is ook netcongestie een grote uitdaging voor nieuwe ontwikkelingen. “Bouwers kunnen in de problemen komen met hun opleverdatum als een nieuw pand niet tijdig aangesloten kan worden op het elektriciteitsnetwerk”, aldus Hoogwout. Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat?  Positieve trends  Toch zijn er ook positieve trends zichtbaar, zoals de toenemende waardering van duurzaamheid in de markt. Hoogwout adviseert aan bedrijven die willen investeren in duurzame gebouwen: kijk verder dan de minimale wettelijke vereisten. “Een gebouw met een BREEAM Excellent-score is niet alleen duurzamer, maar ook waardevaster. Op termijn betaalt dat zich altijd terug, terwijl een duurzaam gebouw ook vandaag al meer rendement oplevert: huurders laten bij vestigingskeuze steeds vaker de kwaliteit en de duurzaamheid van het pand meewegen.”  Norde wijst op de opkomende trend van uitnodigingsplanologie, waarbij overheden zich uitnodigend opstellen tegenover ontwikkelaars. “In het verleden werd gebruik gemaakt van toelatingsplanologie met afgebakende kaders over wat op een locatie mag. Uitnodigingsplanologie biedt veel meer vrijheid voor nieuwe initiatieven en innovatie”, legt Norde uit. Met uitnodigingsplanologie is al geëxperimenteerd op de Binckhorst in de gemeente Den Haag en het Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad. Hoogwout en Norde benadrukken dat een integrale visie en oog voor de bestaande omgeving cruciaal zijn om tot het gewenste eindresultaat te komen. “Je ziet dat duurzame investeringen het meeste effect hebben als ze deel uitmaken van een integrale visie – juridisch, stedenbouwkundig en maatschappelijk”, aldus Hoogwout. 
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Eerste uitspraak over wijzigingssystematiek omgevingsplan
Op 30 april 2025 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een uitspraak gedaan die inzicht biedt in hoe de omgevingsrechtelijke praktijk er de komende jaren uit zal zien (ECLI:NL:RVS:2025:1928). De uitspraak betreft een besluit tot wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam en biedt een voorbeeld van de uitdagingen waar alle gemeenten in Nederland mee te maken krijgen. Gemeenten hebben namelijk tot eind 2031 de tijd om de regels van de zogenoemde bruidsschat te laten vervallen en het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe definitieve omgevingsplan. Waar gaat de uitspraak over? Vanaf 1 januari 2024 bestaat het omgevingsplan van gemeenten uit een tijdelijk deel, ook wel het omgevingsplan van rechtswege genoemd. Dit tijdelijke deel bevat onder andere geldende bestemmingsplannen en de zogenoemde bruidsschat, een verzameling regels die automatisch onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Met de invoering van de Omgevingswet zijn bepaalde regels van het Rijk overgedragen aan gemeenten. Om gemeenten de tijd te geven deze regels goed te verwerken, zijn deze bepalingen voorlopig opgenomen in de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van elke gemeente. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten de bevoegdheid om deze regels binnen hun omgevingsplan aan te passen. In de uitspraak van de Afdeling gaat het om het “Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling”. Met dit besluit wordt voorzien in een eerste wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam. Enerzijds worden een aantal regels uit de bruidsschat, al dan niet gewijzigd, verplaatst naar andere hoofdstukken in het Omgevingsplan. Anderzijds wordt een groot aantal regels opgenomen in het nieuwe deel van het Omgevingsplan, waarmee de komende jaren bestaande bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten kunnen worden vervangen. Hoe ziet het wijzigingsbesluit eruit? Opmerkelijk is de structuur die de gemeente Amsterdam voor dit besluit heeft gekozen. Voor de regels in het nieuwe deel moet onderscheid worden gemaakt tussen ruimtelijke regels die met het besluit tot wijziging direct overal zijn gaan gelden en ruimtelijke regels die nog nergens van toepassing zijn. De ruimtelijke regels die nog nergens van toepassing zijn, hebben een geografisch werkingsgebied van slechts een vierkante millimeter in het IJmeer. Dit betekent in feite dat deze regels nog nergens gelden. Het voordeel hiervan is dat deze regels, die geschikt zijn voor herhaalde toepassing, kunnenworden gebruikt om de vele honderden ruimtelijke plannen in Amsterdam te vervangen. Om deze regels in de toekomst op een andere locatie te laten gelden, hoeft bij toekomstige besluiten tot wijziging van het Omgevingsplan alleen het geografisch werkingsgebied ervan te worden aangepast. Ook voor de ruimtelijke regels die direct overal zijn gaan gelden, is iets opmerkelijks te constateren. Het komt voor dat een bestemmingsplan regels bevat over hetzelfde onderwerp als de nieuwe ruimtelijke regels, wat kan leiden tot tegenstrijdigheden. In verschillende artikelen van het Omgevingsplan wordt daarom verwezen naar het begrip ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan’, waarmee met name een bestemmingsplan wordt bedoeld. Deze besluiten blijven deel uitmaken van het tijdelijke deel totdat ze door nieuwe regels worden vervangen via een besluit tot wijziging van het Omgevingsplan. In het Omgevingsplan wordt vervolgens aangegeven dat dit deel nog geldt met de aanduiding ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel nog niet vervallen’. Indien dat het geval is, wordt in het Omgevingsplan verduidelijkt wat de situatie is: zo kan het nieuwe deel niet van toepassing zijn, of wordt er een voorrangsregeling opgenomen. Er zijn ook regels en regelonderdelen waarvan is bepaald dat de daarin opgenomen regels uitsluitend gelden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel vervallen’. Wat oordeelt de Afdeling? Het beroep van appellant in de zaak bij de Afdeling richtte zich op de vrees voor nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van zijn panden als gevolg van de wijziging van het Omgevingsplan. De Afdeling stelt vast dat aan de betreffende panden de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ is toegekend. Uit de planregels volgt dat de planregel waar de vrees van appellant uit voortkomt, ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’, niet van toepassing is. Nu de planregel niet van toepassing is, kan appellant hier ook geen beperkingen van ondervinden. Daarnaast wordt ingegaan op een andere bijzondere constructie. Appellant wijst op een planregel met betrekking tot parkeren, die in beginsel van toepassing is op zijn panden. Er is echter ook een voorrangsbepaling opgenomen in het Omgevingsplan. Deze bepaalt dat, indien de geldende bestemmingsplannen verwijzen naar gemeentelijke parkeernormen die afwijken van de normen in het Omgevingsplan, de normen uit de bestemmingsplannen blijven gelden. Pas wanneer de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ wordt verwijderd voor de betreffende panden, zullen de normen uit het Omgevingsplan van toepassing worden. Dit kan alleen met een wijziging van het Omgevingsplan, waartegen door appellant beroep kan worden aangetekend. Het beroep van appellant wordt daarmee ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Conclusie Dit wijzigingsbesluit illustreert hoe gemeenten stapsgewijs kunnen toewerken naar een volledig geharmoniseerd omgevingsplan, een proces dat uiterlijk in 2031 voltooid moet zijn. Tegelijkertijd laat de uitspraak zien dat dit proces juridisch en inhoudelijk complex kan zijn. Heeft u vragen over deze uitspraak of advies nodig bij het omzetten van het omgevingsplan? Neem gerust contact op met Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht!
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Salderen bij parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van een bouwplan geldt in beginsel dat parkeerbehoefte van de bestaande situatie in mindering wordt gebracht op de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie. Dit wordt ook wel salderen genoemd. In de uitspraak van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1313) oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat ook wanneer het parkeerbeleid van de gemeente salderen niet expliciet toestaat of zelfs uitsluit, bij het bepalen van de parkeerbehoefte alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan ten opzichte van de bestaande parkeerbehoefte. Hierna ga ik nader in op de aspecten die relevant zijn voor het salderen bij parkeren. Bestaand parkeertekort blijft buiten beschouwing Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten bij saldering van parkeerbehoefte. Dit houdt in dat alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de behoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte van de bestaande situatie. Objectieve vaststelling bestaande parkeerbehoefte nodig De bestaande parkeerbehoefte moet voor saldering in zekere mate objectief kunnen worden vastgesteld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van eerdere vergunningen, maar ook door andere feiten en omstandigheden. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2189). In dat concrete geval werd de parkeerbehoefte van de bestaande situatie vastgesteld op basis van het bedrijfsvloeroppervlak en de geldende parkeernorm.   Leegstand niet relevant voor salderen In de uitspraak van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1574) heeft de Afdeling expliciet overwogen dat leegstand van een pand gedurende een zekere periode niet relevant is voor de vraag of gesaldeerd kan worden. Dit betekent dat een pand dat al enige tijd leegstaat nog steeds een parkeerbehoefte kan hebben die in mindering kan worden gebracht op de parkeerbehoefte van een nieuw bouwplan. Uiteraard geldt ook bij leegstand dat de parkeerbehoefte van de vorige functie objectief moet kunnen worden vastgesteld. Invloed parkeerbeleid Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 blijkt dat ook wanneer het parkeerbeleid van de gemeente salderen niet expliciet toestaat of zelfs uitsluit, bij het bepalen van de parkeerbehoefte alleen rekening moet worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan ten opzichte van de bestaande parkeerbehoefte. Dit behoeft echter nog niet te betekenen dat het parkeerbeleid geen enkele invloed op de mogelijkheden van salderen kan hebben. Uit de uitspraak van 15 mei 2019 lijkt te volgen dat in parkeerbeleid grenzen kunnen worden gesteld in geval van salderen bij leegstand, bijvoorbeeld door daarin op te nemen dat bij leegstand langer dan drie jaar niet meer gesaldeerd mag worden. Piekmoment In de uitspraak van 26 maart 2025 heeft de Afdeling voorts overwogen dat er bij salderen eveneens moet worden bezien of de bestaande parkeerbehoefte niet op hetzelfde moment van de dag ontstaat als de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie. Naar mijn mening geldt dit met name in de gevallen dat niet op eigenterrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Contact Heeft u vragen over het berekenen van de parkeerbehoefte bij omgevingsvergunningen of in het kader van het wijzigen van het Omgevingsplan? Neem dan contact op met Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Reinout Oudijk 1
Reinout Oudijk
Advocaat
Een procedeerverbod tegen een omgevingsvergunning?
Voor veel ontwikkelaars en overheden is het herkenbaar: een partij die (soms meermaals) bezwaar en/of beroep instelt tegen een omgevingsplan en/of omgevingsvergunning. Op 11 april 2025 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de (on)mogelijkheden om via de civiele rechter op te treden tegen zulke bestuursrechtelijke procedures. De belangrijkste lessen van dit arrest – en tips voor de praktijk bij gebiedsontwikkeling – zijn: Ontwikkelaars kunnen bij de civiele rechter een procedeerverbod tegen bestuursrechtelijke procedures vorderen. De kans dat zo’n procedeerverbod slaagt omdat een bepaalde partij misbruik van recht maakt door keer op keer op te komen tegen bestuursrechtelijke besluiten, is zeer klein. Zorg voor een goed vergunningstraject: hoe beter de onderbouwing, hoe kleiner de kans op een succesvol bezwaar. Wees voorbereid op procedures: neem vertragingen door bezwaar en/of beroep mee in de planning. Casus: woningbouwproject Weespersluis In de gemeente Weesp wordt door een ontwikkelaar in fases een nieuwe woonwijk aangelegd. Een stichting die onder andere natuurbehoud tot doel heeft voert al jaren procedures tegen besluiten over de aanleg van deze woonwijk (17 procedures in totaal). De stichting heeft bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een gedeelte van de woningen. Volgens de stichting vereiste het exploitatieplan een gelijktijdige en parallelle ontwikkeling van groen- en woonvoorzieningen en werd daaraan in dit geval niet voldaan. Voor de ontwikkelaar was de maat na deze nieuwste bestuursrechtelijke rechtsgang vol. Zij vorderde bij de civiele rechter in kort geding een gebod om het beroep tegen de beslissing op bezwaar in te trekken. Volgens de ontwikkelaar was sprake van misbruik van (proces)recht en werd daardoor onrechtmatig gehandeld door de stichting. Oordeel hof en Hoge Raad De Hoge Raad stelt voorop dat in dit geval de ontwikkelaar bij de civiele rechter een gebod tot intrekking van de bestuursrechtelijke procedure kan vorderen, omdat de bestuursrechter niet zo’n verbod kan opleggen en ook niet kan worden voorzien in een beëindiging van de bestuursrechtelijke procedure op korte termijn. Het hof oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de stichting tegen beter weten in een evident kansloos beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter. Dit wordt door de Hoge Raad bevestigd. Ook van misbruik van (proces)recht is geen sprake. Volgens de Hoge Raad had het hof voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie dat het belang van de ontwikkelaar zodanig onevenredig wordt geschaad dat de stichting in redelijkheid haar bevoegdheid niet kon uitoefenen. Bij dit oordeel benadrukt de Hoge Raad de uitoefening van een grondrecht door de stichting. Bovendien is het algemeen bekend dat tegen verleende omgevingsvergunningen bestuursrechtelijke procedures kunnen worden gevoerd waarmee onzekerheid gepaard gaat. Het door de stichting ingestelde beroep schaadt de ontwikkelaar dus niet onevenredig. Contact Wilt u meer weten over het voorkomen van bestuursrechtelijke procedures tegen verleende omgevingsvergunningen? Neem dan contact op met Reinout Oudijk of Rosalie Geurtsen.