14 mei 2025

Dealercontracten Stellantis: geen uniforme formule, geen franchise!

14 mei 2025

Kwalificeren de overeenkomsten die fabrikant Stellantis met dealers en reparateurs van verschillende automerken (waaronder Citroën, Opel, DS en Peugeot) sloot als franchiseovereenkomsten? Deze vraag stond centraal in een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam. Deze kwalificatie kan grote gevolgen hebben voor de wettelijke bescherming die de autodealers en reparateurs in dit geval toekomt. Het hof beantwoordt de vraag, net zoals de rechtbank, afwijzend: er is geen sprake van een uniforme formule, dus geen franchiseovereenkomst.

Wat is een franchiseovereenkomst?

De franchiseovereenkomst is een bijzondere overeenkomst die sinds 2021 wordt geregeld in de Wet franchise. De Wet franchise beoogt de franchisenemers als zwakkere partij te beschermen. Dit uit zich in de uitgebreide informatieverplichting die nu op franchisegevers rust en aanzienlijke rechten, zoals instemmingsrechten, die franchisenemers toekomen. Om deze wettelijke bescherming te krijgen, moet de overeenkomst kwalificeren als franchiseovereenkomst. Daarbij moet volgens de wet (artikel 7:911 BW) aan de volgende elementen worden voldaan:

Het moet gaan om een overeenkomst waarbij de franchisegever aan de franchisenemer:

  • tegen vergoeding;
  • het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor;
  • de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten.

Hoewel partijen in deze zaak de overeenkomsten als ‘distributieovereenkomst’ hadden bestempeld, gaat het bij de kwalificatie niet om de benaming of titel die partijen voor hun overeenkomst hanteren, maar om de concrete invulling van de overeenkomst door partijen.  

Kernpunt: de franchiseformule

De kern van franchise is dat de franchisegever een franchiseformule heeft en hij franchisenemer het recht geeft en de verplichting oplegt om hun onderneming te exploiteren volgens deze franchiseformule. Kenmerkend voor de franchiseformule is dat deze bepalend is voor de uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen. Een franchiseformule omvat in ieder geval: een handelsmerk, model of handelsnaam, huisstijl of tekening en knowhow.

Hof Amsterdam: geen franchiseformule

In deze zaak heeft Stellantis in de overeenkomsten aan de dealers het niet-exclusieve recht toegekend om tegen bepaalde voorwaarden nieuwe voertuigen van de merken Opel, Peugeot, DS en Citroën te verkopen, waarbij de dealers aan allerlei eisen moeten voldoen, waaronder eisen voor de inkoop en verkoop van de producten en werkprocessen. Voor de reparateurs geldt dat zij als ‘erkend’ reparateur garantie-, onderhouds- , en reparatiewerkzaamheden mochten uitvoeren.

Het Hof sluit niet uit dat er dealers tussen zitten die het dealerschap uitoefenen conform voorschriften van Stellantis en hun bedrijf exploiteren conform een zekere uniforme uitstraling, maar dat met name bij een aantal grote dealers hier geen sprake van is. De grote dealers zijn (regionaal) bekend om hun eigen naam en reputatie en opereren voor hun klanten met een eigen identiteit die ze presenteren op hun websites. Deze identiteit is niet primair verbonden met – of afhankelijk van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald merk van Stellantis. Ook zijn er dealers die dealerschappen hebben buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis. Het gaat deze bedrijven niet zozeer om een bepaalde formule die ze willen exploiteren, maar om de auto’s en accessoires die zij willen verkopen, aldus het hof. Het hof concludeert dat er geen sprake is van franchiseovereenkomsten, vanwege het gebrek aan een uniforme franchiseformule. Dit geldt voor zowel de overeenkomsten met de dealers, als reparateurs.

Selectieve distributie

Het Hof kwalificeert de overeenkomsten als selectieve distributieovereenkomsten. Stellantis stelt namelijk criteria vast voor de selectie van de distributeurs (dealers en reparateurs), waaronder de verplichting om specialisten in dienst te nemen, bepaalde voorraadvereisten en de service na verkoop te verrichten volgens bepaalde normen.

Een groot verschil tussen distributie en franchise is dat distributieovereenkomsten niet wettelijk worden geregeld. Daardoor komen distributeurs dus niet dezelfde wettelijke bescherming toe als franchisenemers.

De kwalificatie van overeenkomsten kan dus grote invloed hebben op de onderlinge rechten en verplichtingen en de mate van bescherming die de wet jou biedt. Heb je vragen over jouw franchise- of distributieovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke.

Auteur
mr. S.A. (Sophie) ten Broecke

Advocaat

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is?
De Hoge Raad heeft op 17 juli 2026 arrest gewezen in een zaak over een mislukte investering in agrarische projecten in Canada (ECLI:NL:HR:2026:1298). In cassatie ging het vooral over de devolutieve werking van het hoger beroep. In feitelijke instanties speelde de vraag of er gebruik was gemaakt van een volmacht met valse handtekeningen. In haar bijdrage voor het tijdschrift ‘Bedrijfsjuridische berichten’ gaat Mariëlle Broekman in op de bewijsrechtelijke gevolgen van een betwiste handtekening. De volledige digitale versie kan gevonden worden op InView (Bedrijfsjuridische berichten, Wie moet bewijzen dat een (elektronische) handtekening (niet) vals is? | InView Essential). Meer weten over (elektronische) handtekeningen en hoe de daarmee samenhangende (bewijsrechtelijke) risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje
Na meer dan 40 jaar wordt de richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn 85/374/EEG) met ingang van 9 december 2026 ingetrokken. Zij blijft van toepassing op producten die vóór die datum in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Maar daarna gaat de nieuwe richtlijn inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten (Richtlijn (EU) 2024/2853) gelden. In hun bijdrage voor het online ledenmagazine van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen bespreken Mariëlle Broekman en Rachel de Jong de belangrijkste veranderingen. De digitale versie met werkende hyperlinks kan gevonden worden via Artikel | NGB extra – La Gro – Productaansprakelijkheid in een nieuw jasje. Meer weten over productaansprakelijkheid en hoe de daarmee samenhangende risico’s beperkt kunnen worden? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA-uitspraak Hoge Raad: representativiteit vereist echte steun van de achterban
Op 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de collectieve actie van Stichting The Privacy Collective (“TPC”) tegen Oracle en Salesforce . De uitspraak is van belang voor iedere partij die te maken krijgt met een collectieve actie op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”), en in het bijzonder voor de vraag wanneer een belangenorganisatie voldoende representatief is om schadevergoeding te kunnen vorderen namens een grote groep gedupeerden. De achtergrond De procedure gaat over het misbruik van persoonsgegevens van tien miljoen Nederlandse internetgebruikers. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht en hoofdelijke schadevergoeding van Oracle en Salesforce van 5 miljard euro, ofwel 500 euro per persoon, wegens gestelde privacyschendingen bij het plaatsen van cookies en het opbouwen van gebruikersprofielen voor gerichte reclame. De rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde dat vonnis, verklaarde TPC alsnog ontvankelijk en wees de zaak terug naar de rechtbank. De Partijen bij de procedure gingen hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad De ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in de WAMCA wordt ex nunc getoetst De Hoge Raad bevestigt dat de rechter in hoger beroep de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een WAMCA-procedure beoordeelt naar de toestand op het moment van zijn beslissing, en niet naar het moment van dagvaarding. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat het hoger beroep strekt tot een nieuwe behandeling van de zaak naar de actuele stand van zaken. Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van de WAMCA biedt aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Een “niet te verwaarlozen” achterban is niet genoeg Het kernpunt van het arrest betreft de invulling van het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het hof had geoordeeld dat voldoende is dat “een niet te verwaarlozen aantal personen” de actie steunt. De Hoge Raad verwerpt die maatstaf: de rechter dient te beoordelen of de collectieve vordering de steun heeft van “een voldoende groot deel van de totale groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt”. Een getalsmatig criterium kent de WAMCA niet, maar indicaties zijn onder meer het aantal aangesloten leden of het aantal personen dat zich actief heeft aangemeld, en of de aangesloten personen een evenwichtige afspiegeling vormen van de totale groep. Steun van andere maatschappelijke organisaties mag wél worden meegewogen bij de beoordeling of aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan. Het hof had bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom anonieme “likes” op de website van TPC aantoonden dat de steun daadwerkelijk van gedupeerden afkomstig was, terwijl Oracle en Salesforce dit gemotiveerd hadden betwist. De toetsing van artikel 80 en artikel 82 AVG mag worden uitgesteld tot de inhoudelijke beoordeling De Hoge Raad oordeelt dat de AVG niet vereist dat het opdrachtvereiste van artikel 80 lid 1 AVG in samenhang met artikel 82 AVG steeds al in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure wordt beoordeeld. Het hof mocht deze vraag, evenals de andere onderdelen van artikel 80 AVG, uitstellen tot de inhoudelijke fase van de procedure. Er bestaat geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU op dit punt. Uitzondering op het verbod van terugverwijzing naar de vorige instantie Ten slotte aanvaardt de Hoge Raad een uitzondering op de hoofdregel dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak niet mag terugverwijzen naar de rechter in eerste instantie. In het bijzondere, uit twee fasen bestaande systeem van de WAMCA geldt dat wanneer het hof een ten onrechte gegeven niet-ontvankelijkverklaring vernietigt, het de zaak wél mag terugwijzen naar de rechtbank, omdat de eerste rechter op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen. Conclusie Omdat de klachten over de representativiteitstoets slagen, vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2024 en 24 september 2024 in beide zaken en verwijst hij het geding naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Belang voor de praktijk Dit arrest scherpt de drempel voor collectieve schadevergoedingsacties aan. Belangenorganisaties kunnen niet langer volstaan met het aantonen van “enige” steun binnen hun achterban; zij zullen concreet en cijfermatig moeten onderbouwen dat een substantieel deel van de groep waarvoor zij opkomen, de actie daadwerkelijk steunt — zeker wanneer schadevergoeding wordt gevorderd voor een zeer omvangrijke en diffuse groep. Anonieme steunbetuigingen (zoals ‘likes’) volstaan niet zonder nadere onderbouwing dat deze van de beweerde gedupeerden zelf afkomstig zijn. Daarbij bevestigt de Hoge Raad wel dat het toegestaan is om de steun van andere belangorganisaties te betrekken bij de beoordeling of aan de representativiteitseis is voldaan. Voor gedaagden in WAMCA-procedures biedt de uitspraak een concreet aangrijpingspunt om de representativiteit van eisende belangenorganisaties (verder) te betwisten, met name in zaken met een grote en generieke achterban en aanzienlijke gevorderde bedragen. Tegelijk bevestigt de Hoge Raad dat AVG-specifieke ontvankelijkheidsvragen niet dwingend al in de ontvankelijkheidsfase hoeven te worden beslecht, wat de proceseconomie in complexe privacygerelateerde massaclaims ten goede kan komen. Ten slotte biedt de Hoge Raad nu expliciet de mogelijkheid voor eisers om gebreken op het gebied van representativiteit te repareren tijdens de hoger beroepsprocedure: de toetsing van dit vereiste dient namelijk ex nunc plaats te vinden. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere WAMCA-specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Verrekening met een verjaarde vordering
Verrekening is een handig instrument om overbodige betalingshandelingen te voorkomen. Daarnaast biedt verrekening een vorm van zekerheid en kan het een effectief verweermiddel zijn tegen een vordering van een wederpartij. In sommige gevallen kan zelfs verrekend worden met een vordering die al verjaard is. Daarover gaat het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:93). In hun bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2026/21) bespreken Mariëlle Broekman en Gerben Hoijtink dit arrest en gaan zij in op mogelijkheden om contractueel af te wijken van de wettelijke regelingen van verrekening en verjaring. Meer weten over verrekening? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Gerben Hoijtink of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Pieter van Deurzen 1
Pieter van Deurzen
Advocaat
Vergoeding bij beëindiging franchiseovereenkomst
Gerechtshof Amsterdam, 27 januari 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:178) Op 27 januari 2026 deed het Gerechtshof Amsterdam uitspraak in een zaak tussen Tommy Hilfiger en haar voormalige franchisenemer Denim Group (ECLI:NL:GHAMS:2026:178). Tommy Hilfiger heeft na ruim 20 jaar de franchiseovereenkomst met haar Slovaakse franchisenemer beëindigd in augustus 2022 omdat de franchisenemer volgens haar niet langer aan bepaalde voorwaarden voldeed. In geding is welke voorwaarden op dat moment golden, of daar al dan niet aan werd voldaan en of Tommy Hilfiger de duurovereenkomst kon beëindigen zonder de franchisenemer een schadevergoeding aan te bieden.   De rechtbank heeft geoordeeld dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en de vordering van de Slovaakse franchisenemer afgewezen. Tommy Hilfigers tegenvordering tot betaling van een rekening voor een op de algemene voorwaarden gebaseerde vergoeding wegens het annuleren van bestellingen, is toegewezen. Het oordeel van de rechtbank dat Tommy Hilfiger de overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd en dat zij aanspraak kan maken op betaling van een rekening wegens het annuleren van bestellingen, houdt in hoger beroep geen stand. Het hof komt tot een ander oordeel. Hoewel de contractuele looptijden van de franchiseovereenkomsten waren verstreken en de relatie daardoor in beginsel opzegbaar was, kon beëindiging niet zonder meer en zonder vergoeding plaatsvinden. Het hof oordeelde dat Tommy Hilfiger aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door de manier waarop zij de samenwerking heeft beëindigd. Dat de contracten formeel waren uitgelopen en de relatie daarmee in principe opzegbaar was, maakte dat niet anders. Een abrupte beëindiging zonder enige vergoeding was in dit geval niet toegestaan. Doorslaggevend daarbij was dat Tommy Hilfiger na het aflopen van de overeenkomsten erop bleef aandringen dat Denim Group de financiële verplichtingen bleef nakomen, maar tegelijkertijd naliet om duidelijk te maken dat de samenwerking inmiddels juridisch was voortgezet als een overeenkomst voor onbepaalde tijd die onmiddellijk opzegbaar was. Door deze onduidelijkheid te laten bestaan, creëerde Tommy Hilfiger zelf een situatie die zij nu niet op de franchisenemer kan afwentelen. Volgens het hof diende de opzegging dan ook te worden beoordeeld aan de hand van redelijkheid en billijkheid, in lijn met het Leen Bakker-arrest uit 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1709; Leen Bakker, m.n. rov. 3.2 en 3.3).   Het hof merkte verder op dat de onderneming gaandeweg werd uitgehold doordat winkels gefaseerd werden gesloten, waarna de franchisegever met opvolgende franchisenemers verder kon op dezelfde locaties. Daarbij is ook winkelpersoneel overgenomen. Het hof oordeelt dat de wijze waarop Tommy Hilfiger de langjarige franchiseovereenkomst heeft beëindigd zonder enige vorm van schadevergoeding aan te bieden in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Tommy Hilfiger is daarom schadeplichtig.  In het bedrag, dat in totaal neerkomt op € 600.000,00 is tevens een vergoeding voor goodwill begrepen. Dit arrest bevestigt dat franchisegevers bij de beëindiging van een langdurige relatie die zij feitelijk laten voortduren, zich niet steeds succesvol kunnen beroepen op het formele einde van de contractstermijn. Het aanbieden van enige vorm van (schade)vergoeding kan verplicht zijn.