10 augustus 2026

Aanneming van werk/bouwrecht: algemene voorwaarden, lekker makkelijk (of toch niet?)

10 augustus 2026

Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam een eerste uitspraak gedaan in een geschil over een door een opdrachtgever niet betaalde aanneemsom (hierna: de opdrachtgever). Aan de orde was de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen partijen en zo ja, of de rechtbank Amsterdam dan de juiste rechtbank is. Die vraag hangt samen met verschillende voorwaarden die volgens partijen van toepassing zijn op de overeenkomst. Afhankelijk van welke voorwaarde van toepassing is, is de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in Utrecht bevoegd om het geschil te beoordelen. 

Waarom algemene voorwaarden?

In de bouw worden vaak algemene voorwaarden gebruikt. Algemene voorwaarden worden gebruikt om, onder andere, tijd te besparen. De gedachte is dat de aannemer dan niet iedere keer allerlei standaard bepalingen opnieuw in de overeenkomst hoeft op te nemen. Bijvoorbeeld waar een geschil aangebracht moet worden als partijen een discussie hebben over uitvoering van de overeenkomst. Voor de opdrachtgever heeft het gebruik van algemene voorwaarden in principe ook voordelen, omdat de afspraken tussen partijen dan – als het meezit – duidelijk worden vastgelegd. Alleen: er zijn in de bouw héél veel algemene voorwaarden gangbaar. En daar ging het in deze zaak mis.

Waar ging de zaak over?

Een particuliere opdrachtgever wilde haar woning laten verbouwen.

Met het oog daarop heeft de opdrachtgeefster een architect ingeschakeld (Now A Design). De architect heeft ten behoeve van de verbouwing een Technische Omschrijving opgesteld met wat er gedaan moest worden. In de Technische Omschrijving heeft de architect verwezen naar de STABU-Standaard 2012. Dat zijn standaard voorwaarden waarin gebruik wordt gemaakt van een vaste standaard indeling voor bepaalde bouwwerkzaamheden. Daarnaast wordt in de STABU verwezen naar de UAV-2012, een andere set algemene voorwaarden met algemene bepalingen over, bijvoorbeeld, wanneer de bouw moet beginnen, de oplevering, eventueel meerwerk en de instantie die geschillen moet beslechten: de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen.

De opdrachtgeefster heeft daarna een aannemer benaderd. Met de aannemer heeft de opdrachtgeefster een (eerste) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ gesloten. In die overeenkomst werd verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Aangegeven werd verder dat, bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken, de overeenkomst prevaleerde.

Op verzoek van de opdrachtgeefster heeft de aannemer daarna een calculatie opgesteld met de prijs voor de verschillende onderdelen van het werk zoals beschreven in de Technische Omschrijving van de architect. In de calculatie werd opnieuw verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Ook werd verwezen naar de Technische Omschrijving van de architect. Daarnaast werd aangegeven dat de ‘UAV 2012 van toepassing’ is.

Partijen zijn vervolgens een (volgende) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ aangegaan, waarin werd verwezen naar de calculatie van de aannemer en naar de Technische Omschrijving van de architect. In de overeenkomst werd verder bepaald dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing waren en dat bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken de overeenkomst prevaleerde.

De aannemer gaat daarna voortvarend aan de slag. Omdat (volgens de aannemer) op enig moment 3 termijnen ad per saldo € 760.985,24 onbetaald waren is de aannemer een procedure begonnen bij de rechtbank Amsterdam.

De opdrachtgeefster voerde daar (‘voor alle weren’) verweer tegen en stelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, omdat partijen de UAV 2012 zouden zijn overeengekomen en dat het geschil daarom moest worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen.

Volgens de aannemer is het arbitraal beding/de geschillenclausule in de UAV 2012 onredelijk bezwarend, omdat de opdrachtgever een particulier is. Bovendien zijn volgende de aannemer haar algemene voorwaarden van toepassing, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd zou zijn (en dus niet de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen).

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Beroep op UAV 2012 onterecht

De rechtbank oordeelt met betrekking tot de bevoegdheid dat de opdrachtgeefster niet heeft aangetoond dat de UAV 2012 van toepassing zijn verklaard op de aannemingsovereenkomsten. In beide aannemingsovereenkomsten worden de UAV 2012 niet van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden van de aannemer worden daar wel in genoemd. Dat de UAV 20012 ook zijn overeengekomen is niet gebleken. Dat in andere stukken wel naar de UAV 2012 wordt verwezen, maakt dat niet anders. Als het de bedoeling van partijen was geweest om (ook) de UAV 2012 van toepassing te verklaren op de aannemingsovereenkomsten, dan had het voor de hand gelegen om dat op te nemen in het artikel in de aannemingsovereenkomst(en) dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden regelt. Daar worden nu alleen de algemene voorwaarden van de aannemer genoemd. De opdrachtgeefster wordt daarom in het ongelijk gesteld in het bevoegdheidsincident.

Rechtbank Amsterdam (ook) onbevoegd?

Daarmee is niet gezegd dat de aannemer het geschil bij de juiste rechtbank heeft aangebracht. De aannemer heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank constateert dat in de door partijen van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de aannemer wordt bepaald dat geschillen tussen partijen, naar keuze van de aannemer, moeten worden voorgelegd aan hetzij de rechtbank Den Haag, dan wel de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Naar verwachting is de rechtbank Amsterdam daardoor (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Partijen moeten zich daarover in het vervolg van de procedure nog uitlaten. De uitkomst daarvan is nog niet bekend.

Belang voor de praktijk

Uit deze uitspraak blijkt maar weer het belang van heldere en duidelijke afspraken tussen partijen. Met duidelijke afspraken kan een zogenaamde ‘battle of forms’ worden voorkomen en was het bevoegdheidsincident bij de rechtbank niet nodig geweest. De architect van de opdrachtgeefster en de aannemer hadden dat kunnen voorzien/voorkomen. De tijd en kosten van het bevoegdheidsincident waren dan niet nodig geweest.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van Aanneming van werk of Bouwrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Bouwrecht.

Auteur
mr. H.N.T. (Niek) Hoogwout

Advocaat & Partner

Deze berichten vindt u mogelijk ook interessant

Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanbestedingsrecht: uitsluiting vanwege ontbrekende informatie
Op 25 juni 2026 heeft de rechtbank Noord-Holland in Kort Geding een uitspraak gedaan over de uitsluiting van een inschrijving bij een aanbesteding van de gemeente Zaanstad (hierna: de gemeente). Geoordeeld werd dat de gemeente de betreffende inschrijver mocht uitsluiten van de aanbesteding, omdat de inschrijver niet voldeed aan de vooraf gestelde geschiktheidseisen. Waar ging de zaak over? De gemeente had eind 2025 – voor zichzelf en een aantal andere gemeentes – een aanbesteding uitgeschreven voor specialistische jeugdhulp. Met het oog daarop had de gemeente een aanbestedingsleidraad opgesteld, waarin de voorwaarden voor deelname aan de opdracht beschreven stonden. Om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht moesten de inschrijvers voldoen aan een aantal geschiktheidseisen. Eén van de geschiktheidseisen was dat de inschrijver een multidisciplinair team had met, o.a., een psycholoog. Daarnaast moest minimaal 80% van de medewerkers van de inschrijver in loondienst zijn bij die inschrijver. Tevens moest aangetoond worden dat in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding op enig moment voor nader omschreven opdrachtgevers een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest waren gedurende een bepaalde minimumperiode. Dat voldaan werd aan de geschiktheidseisen moest bij inschrijving worden aangetoond/onderbouwd. Gegadigden konden vragen stellen over de eisen voorafgaand aan de datum van de inschrijving. Na de uiterste datum voor inschrijving heeft de gemeente één van de inschrijvers, de eiser in het kort geding, om verduidelijking gevraagd om te controleren of de betreffende inschrijver aan de geschiktheidseisen voldeed. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente de inschrijver schriftelijk gemeld dat haar inschrijving uitgesloten werd, omdat die partij geen psychiater in haar team had, niet aangetoond werd dat meer dan 80% van het team in loondienst bij de inschrijver werkte en niet aangetoond werd dat in de aangegeven periode gelijktijdig het vereiste minimumaantal cliënten gehuisvest was bij die inschrijver. De inschrijver is daarop een kort geding begonnen tegen de gemeente. In het kort geding stelt de inschrijver dat zij ten onrechte is uitgesloten en eiste zij o.a. dat haar inschrijving alsnog inhoudelijk beoordeeld zou worden. Volgens de inschrijver had zij maar 3% zzp’ers (lees: 97% van het team in loondienst) en was de eis van een psychiater in loondienst onevenredig en kon zij in de diensten van een psychiater voorzien via derden. Ook tegen andere eisen had zij bezwaren. Wat is het oordeel van de rechtbank? Uitsluiting terecht Ondanks alle ophef is de kern van de discussie simpel. Gevraagd is om een team met, onder andere, een psychiater. Vast staat dat de inschrijver geen psychiater in dienst had, er was enkel een nog niet vervulde vacature. Daarmee voldeed de inschrijver niet aan de geschiktheidseisen. De eis voor een team met een psychiater is volgens de rechter niet disproportioneel. De inschrijver heeft daar geen vragen over gesteld. Dat komt voor haar risico. De inschrijver had ook kunnen inschrijven met de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt, of die psychiater als onderaannemer kunnen opvoeren. Over de andere eisen waar de inschrijver over klaagt zijn ook geen vragen gesteld. Ook dat komt voor risico van de inschrijver. De uitsluiting door de gemeente was daarom terecht. Ten overvloede wordt in de uitspraak nog opgemerkt dat de inschrijver erkend heeft dat in haar inschrijving abusievelijk niet was onderbouwd dat er gedurende de voorgeschreven minimumperiode een minimumaantal cliënten intern bij de inschrijver gehuisvest was. Na de uiterste datum van de aanbesteding kon/mocht de inschrijver dat niet meer aanpassen. Ook daarom was de inschrijving was de uitsluiting terecht. De inschrijver wordt daarom in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de kosten van de procedure. Belang voor de praktijk Als aanbestedende dienst kan je procedures over een aanbesteding niet voorkomen, maar je kan het risico op procedures wel zo veel mogelijk beperken door op voorhand een duidelijke en objectieve beschrijving van de opdracht te verstrekken met heldere eisen en voorwaarden, door gelegenheid te geven om vragen te stellen en door partijen voldoende tijd te geven om in te schrijven op een aanbesteding. Dat was hier het geval, maar voorkwam niet dat een derde toch een kort geding begon. Wellicht had een pauze/overleg moment na de voorlopige gunning, vooruitlopend op de termijn voor instellen van een kort geding, nog kunnen helpen, maar gezien de standpunten van de inschrijver lijkt dat niet aannemelijk. Aanbestedingsrecht is helaas formaliteitenrecht. Dat betekent dat een ogenschijnlijk kleine fout of omissie tot gevolg kan hebben dat je inschrijving ongeldig wordt verklaard of uitgesloten. Zorg daarom als inschrijver dat je je tijdig voorbereidt en dat je goed leest wat de eisen zijn. Als je meent dat eisen niet duidelijk of niet eerlijk zijn, stel daar dan zo snel mogelijk vragen over. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van het Aanbestedingsrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Aanbestedingsrecht.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Let op bij quasi-inbesteding: groepsomzet telt mee voor de 80%-norm
Mag een aanbestedende dienst een opdracht zonder aanbestedingsprocedure gunnen aan een door haar (mede) gecontroleerde entiteit op grond van de inhouse-uitzondering? En wat als die entiteit aan het hoofd staat van een concern waarvan dochterondernemingen commerciële activiteiten op de markt verrichten? Uit een recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) blijkt dat in een dergelijk geval de activiteiten van het concern moeten worden meegewogen, waardoor een beroep op de inhouse-uitzondering kan stranden. De feiten AF is een gemeentelijke afvalverwerker. Zij is de moedermaatschappij van een groep dochtervennootschappen. Een deel daarvan verricht ook commerciële activiteiten op de markt. In 2017 werd Irado, een publieke uitvoeringsorganisatie voor afvalbeheer, aandeelhouder van AF. Sinds 1 januari 2017 liet Irado het huishoudelijk afval uit haar gemeenten door AF verwerken. De BAR-gemeenten (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk) hadden hun afvalbeheer georganiseerd via BAR en werkten tot eind 2019 met verschillende verwerkers, waaronder de commerciële partij AVR. In 2019 besloten de BAR-gemeenten BAR te laten deelnemen in Irado. Daarbij kreeg Irado de taak om hun huishoudelijk restafval in te zamelen. Ter uitvoering van deze opdracht sloot Irado een overeenkomst met AF. Beide opdrachten zijn met een beroep op de inhouse-uitzondering rechtstreeks gegund, zonder aanbestedingsprocedure. AVR verloor daardoor opdrachten. AVR startte daarop een procedure bij de rechtbank Den Haag. Zij stelde dat de overeenkomsten tussen BAR en Irado en tussen Irado en AF niet zonder aanbesteding tot stand hadden mogen komen. Zij vorderde dat de overeenkomsten buiten werking zouden worden gesteld. Ook vorderde zij dat alsnog een aanbestedingsprocedure zou worden gestart. Volgens AVR was namelijk niet voldaan aan het activiteitencriterium voor de inhouse-uitzondering. Het activiteitencriterium Op grond van artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) hoeft een overheidsopdracht niet te worden aanbesteed wanneer de inhouse-uitzondering van toepassing is. Een aanbestedende dienst kan zich daarop echter alleen beroepen als zij over de rechtspersoon aan wie zij de opdracht gunt: Toezicht uitoefent zoals op haar eigen diensten; en Meer dan 80% van de werkzaamheden van de gecontroleerde rechtspersoon bestaat uit taken die worden verricht voor de controlerende aanbestedende diensten; en Er geen directe participatie is van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon. Het vereiste onder ii staat bekend als ‘het activiteitencriterium’. AVR stelde dat aan deze eis niet werd voldaan. AF fungeert namelijk als moedermaatschappij binnen een concern waarin dochtervennootschappen ook commerciële activiteiten op de markt uitvoeren. Als uitsluitend naar de activiteiten van AF zelf wordt gekeken, lijkt zij aan de 80%-drempel te voldoen. Als echter ook de (commerciële) activiteiten van dochtervennootschappen worden meegewogen, wordt die drempel volgens AVR niet gehaald. Dan was het beroep op de inhouse-uitzondering onrechtmatig en had Irado de opdracht moeten aanbesteden. De kernvraag was daarom of bij de toets aan het activiteitencriterium ook rekening moet worden gehouden met de activiteiten van dochterondernemingen binnen de groep.   Het oordeel van het HvJEU en relevantie voor de praktijk De rechtbank Den Haag wees de vorderingen van AVR in eerste instantie af. Zij oordeelde dat de tekst van de Aanbestedingswet geen ruimte bood om bij de toets aan het activiteitencriterium ook de omzet van dochterondernemingen mee te wegen. Dat is volgens de rechtbank alleen anders wanneer een aanbestedende dienst activiteiten bewust bij een dochteronderneming onderbrengt om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. AVR heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, die in dat kader prejudiciële vragen aan het HvJEU stelde. Bij Arrest van 15 januari 2026 heeft het HvJEU de vragen van het Hof Den Haag beantwoord. Volgens het HvJEU moeten bij de toepassing van het activiteitencriterium, naast de activiteiten van de moedermaatschappij, ook de activiteiten van de dochterondernemingen worden betrokken. Die toets mag plaatsvinden op basis van de geconsolideerde groepsomzet van het gehele concern. Anders zou een moedermaatschappij bepaalde werkzaamheden bij dochtermaatschappijen kunnen onderbrengen om zo de aanbestedingsplicht te omzeilen. Een uitleg van het activiteitencriterium waarbij de activiteiten van dochtermaatschappijen buiten beschouwing worden gelaten, staat haaks op een van de doelen van de Aw 2012: het voorkomen van vervalsing van de mededinging. Deze uitspraak betekent dat diensten die gebruik willen maken van de inhouse-uitzondering voortaan eerst moeten nagaan of de gecontroleerde rechtspersoon een moedermaatschappij is binnen een concernstructuur. Is dat het geval, dan moet worden beoordeeld of de 80%-norm ook wordt gehaald wanneer de activiteiten van de dochterondernemingen worden meegenomen. In de praktijk ligt het voor de hand om de naleving van het activiteitencriterium te onderbouwen aan de hand van de geconsolideerde omzet van het concern. Als een aanbestedende dienst deze stappen doorloopt, verkleint hij het risico dat een beroep op de inhouse-uitzondering achteraf onrechtmatig wordt bevonden. Voor een uitgebreidere bespreking van dit arrest en de gevolgen voor de inhouse-uitzondering verwijzen wij graag naar de annotatie van onze collega’s Dewi Britsemmer en Pieter van den Oord in JAAN (JAAN 2026/55 – Meerderheidscriterium bij quasi-inbesteding). Heeft u verder vragen over de inhouse-uitzondering of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Noa van den Brink, Niek Hoogwout, of een van onze andere aanbestedingsspecialisten.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken (deel 2)
In een eerdere blog schreef ik over het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. In datzelfde straatje speelt ook de vraag of dergelijke bedingen jegens consument-opdrachtgevers oneerlijk en/of onredelijk bezwarend zijn. Artikel 16.3 van de AVA 2013 (Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk) regelt de termijn voor aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. In dat artikel wordt bepaald dat rechtsvorderingen vanwege gebreken aan het opgeleverde werk in beginsel binnen 5 jaar (en in geval van ernstige gebreken binnen 10 jaar) na afloop van de onderhoudstermijn (van 30 dagen na de oplevering, zie artikel 9 lid 8 AVA) moeten worden ingesteld, anders vervalt het recht om een procedure te beginnen om herstel of schadevergoeding te vorderen. In de literatuur en rechtspraak speelt al langer de vraag of dergelijke vervalbedingen onredelijk bezwarend of oneerlijk zijn jegens consument-opdrachtgevers. Hierover is recent de conclusie van A-G Valk gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2026:308). Aanleiding voor die conclusie is een cassatie tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof Amsterdam, waarin het hof oordeelde dat het vervalbeding uit artikel 16.3 van de AVA 2013 oneerlijk en onredelijk bezwarend is. Of in algemene zin gezegd kan worden dat dergelijke vervalbedingen jegens consumenten oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn, is geen uitgemaakte zaak. Er bestaat in de literatuur discussie over en ook in de rechtspraak zijn de oordelen hierover niet eenduidig. Voor de bouwpraktijk (in het bijzonder in de relatie aannemer-consument) is dus relevant wat de Hoge Raad hierover zal oordelen. A-G Valk van mening dat diverse klachten uit het cassatiemiddel van de aannemer slagen, dat het vervalbeding in deze toelaatbaar is en dat het arrest van het hof Amsterdam daarom vernietigt moet worden. Opvallend is dat A-G Valk in het advies expliciet benadrukt dat hij daarmee niet wil zeggen dat het onmogelijk is dat vervalbedingen (zoals bijv. ook opgenomen in par. 12 UAV) jegens consumenten als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG – en dus als onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233 onder a BW – moeten worden beschouwd. A-G Valk benadrukt verder dat een rechter die een dergelijk vervalbeding meent terzijde te moeten schuiven zich in elk geval moet realiseren dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak groot zijn zodat de motivering van dergelijke oordelen luistert nauw luistert. Als je het mij vraagt een terecht standpunt nu het terzijde schuiven van vervalbedingen door de rechter in de praktijk zal leiden tot claims tegen aannemers die zij wellicht al niet meer hoefden te verwachten. Veelvuldig gehanteerde algemene voorwaarden in de bouw zouden moeten leiden tot eenduidigheid en niet tot wisselende oordelen en daarmee onzekerheid. Noemenswaardig is nog dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in een andere zaak (nr. 38.068) voorbijging aan een beroep dat werd gedaan op het oordeel van het hof Amsterdam. Reden daarvoor was voor arbiters onder meer dat consumentenorganisaties het vervalbeding bij de totstandkoming daarvan dit niet als onredelijk bezwarend hebben bestempeld. Of de Hoge Raad daar ook zo over denkt is vooralsnog een kwestie van afwachten. In de tussentijd vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact op met een van onze vastgoedspecialisten.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken.
Ben je na verloop van een vervaltermijn écht te laat met een claim wegens verborgen gebreken? In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:540) blijkt dat niet het geval. Dura Vermeer sloot met 58 eigenaren van woningen uit Oegstgeest een aannemingsovereenkomst waarop de SWK Garantie- en waarborgregeling 2014 en de daarbij behorende Algemene Voorwaarden van SWK van toepassing waren. Artikel 15 lid 6 van deze voorwaarden bevat een vervalbeding: stel je niet tijdig een rechtsvordering in vanwege een verborgen gebrek? Dan leidt dat tot niet-ontvankelijkheid en heb je in principe dus pech, maar dat gold voor de 58 woningeigenaren uit Oegstgeest niet. Een rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is op grond van artikel 15 lid 6 niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf jaren na de garantieperiode van zes maanden die geldt na oplevering. De eisers in deze procedure hebben Dura Vermeer gedagvaard en vorderen schadevergoeding vanwege verborgen gebreken. Dura Vermeer stelde zich op het standpunt dat de laatste opleveringen plaatsvonden in november 2018, zodat de garantietermijn in mei 2019 afliep. Omdat niet vóór mei 2024 is gedagvaard, zou de vervaltermijn van vijf jaar zijn verstreken en zouden de vorderingen van eisers niet-ontvankelijk zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. Waarom? Onder meer omdat Dura Vermeer al in 2020/2021 op de hoogte was gebracht van de gebreken en ook bij een groot aantal woningen opnames heeft gedaan. De ratio van contractuele vervaltermijnen is dat klachten over vermeende gebreken binnen een redelijke termijn na ontdekking worden gemeld. In dit geval had Dura Vermeer dus geen belang meer bij een beroep op overschrijding van de vervaltermijn. Een ander belang is ook niet naar voren gebracht. Dus oordeelde de rechtbank: als sprake zou zijn van een schending van de vervaltermijnen, dan zou het beroep hierop door Dura Vermeer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Deze uitspraak bevestigt dat vervalbedingen geen onbeperkte bescherming bieden aan aannemers en dat “te laat” niet altijd daadwerkelijk te laat is. Wat betekent dit in de praktijk? Hoewel vervaltermijnen een belangrijk uitgangspunt blijven, laat deze uitspraak zien dat een claim na verloop van de vervaltermijn niet kan worden uitgesloten. Met name de vraag of een aannemer al eerder op de hoogte was van gebreken kan daarbij een rol spelen. Meer weten over dit onderwerp of benieuwd wat dit voor uw situatie kan betekenen? Neem gerust contact op met één van onze vastgoedspecialisten.
Dewi Britsemmer – La Gro 2-min
Dewi Britsemmer
Advocaat
Pas op met automatische uitsluiting bij aanbestedingen
Hoe worden uitsluitingsgronden vormgegeven in de aanbestedingsstukken? Wordt een inschrijver bij het intreden van een uitsluitingsgrond automatisch uitgesloten, of wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld zijn betrouwbaarheid aan te tonen (self-cleaning) en voert de aanbestedende dienst een proportionaliteitstoets uit? De keuze voor automatische uitsluiting kan grote aanbestedingsrechtelijke gevolgen hebben. Een recent arrest van de Hoge Raad laat zien dat automatische uitsluitingsbedingen de aanbestedende dienst juridisch klem kunnen zetten. Uitsluitingsgronden en de Aanbestedingswet De Aanbestedingswet 2012 (“Aw 2012”) kent twee typen uitsluitingsgronden op basis waarvan een inschrijver van deelname aan een aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten: verplichte en facultatieve uitsluitingsgronden.   Bij Europese aanbestedingsprocedures is een aanbestedende dienst verplicht naar toepasselijkheid van verplichte uitsluitingsgronden te vragen. Facultatieve uitsluitingsgronden zijn daarentegen optioneel: de aanbestedende dienst bepaalt zelf of hij deze van toepassing verklaart en legt dat vast in de aanbestedingsstukken. Een aanbestedende dienst is verplicht om de toepasselijke uitsluitingsgronden gedurende de gehele procedure consequent toe te passen. Indien een uitsluitingsgrond op een inschrijver van toepassing is, dient de aanbestedende dienst die inschrijver uit te sluiten van deelname aan de aanbesteding, tenzij de aanbestedende dienst afziet van uitsluiting op grond van art. 2.87a of art. 2.88 Aw 2012. Art. 2.88 Aw 2012 stelt de aanbestedende dienst in de gelegenheid af te zien van uitsluiting in geval van dwingende redenen van algemeen belang of wanneer dit disproportioneel zou zijn. Op grond van art. 2.87a Aw 2012 moet de inschrijver in geval van toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond de gelegenheid krijgen aan te tonen dat hij adequate maatregelen heeft getroffen. Voor automatische uitsluiting is op grond van de Aw 2012 dan ook geen ruimte. Indien een aanbestedende dienst toch kiest voor automatische uitsluiting, kan dit leiden tot een klempositie voor de aanbestedende dienst. Dat blijkt uit het hierna te bespreken arrest. HR 21 november 2025 (Ministerie van VWS / Connexxion) In dit arrest ging het om een door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (“VWS”) uitgeschreven Europese aanbesteding voor de vervoersdienst Valys. In de aanbestedingsstukken was bepaald dat een inschrijver die onder een uitsluitingsgrond viel, automatisch werd uitgesloten. Eén van de inschrijvers was in het verleden door de NMa (thans ACM) beboet wegens het maken van kartelafspraken. Desondanks besloot VWS de inschrijver niet uit te sluiten en de opdracht aan haar te gunnen. De reden daarvoor was een destijds geldende, dwingende wettelijke bepaling (art. 45 lid 3 Bao). Op grond daarvan moest een aanbestedende dienst voorafgaand aan de uitsluiting toetsen of uitsluiting evenredig was. Connexxion maakte als verliezende inschrijver tegen de gunningsbeslissing bezwaar. De Hoge Raad stelt vast dat de beboete inschrijver op grond van de aanbestedingsstukken automatisch van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure moest worden uitgesloten. Tegelijkertijd gold op grond van dwingend recht dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting een evenredigheidstoets moest uitvoeren, waardoor uitsluiting niet per definitie noodzakelijk was. Indien de aanbestedende dienst zou kiezen voor automatische uitsluiting, handelt hij in strijd met het aanbestedingsrecht; indien hij daarentegen zou besluiten de evenredigheidstoets voorafgaand aan de uitsluiting uit te voeren, handelt hij in strijd met zijn eigen aanbestedingsstukken. Volgens de Hoge Raad komt de aanbestedende dienst daarmee in een klempositie terecht, waarin het de facto onmogelijk is een rechtmatige aanbestedingsprocedure te doorlopen. De zaak is voor verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Wat betekent dit arrest voor de praktijk? Een aanbestedende dienst komt in een klempositie te verkeren wanneer in de aanbestedingsstukken automatische uitsluiting wordt voorgeschreven, terwijl de Aw 2012 juist vereist dat de aanbestedende dienst vóór uitsluiting ruimte laat voor self-cleaning en een proportionaliteitstoets. In een dergelijke situatie kan het gevolg zijn dat een rechtmatige gunning niet langer mogelijk is en dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken. De les is duidelijk: neem geen automatische uitsluitingsbedingen op. Uitsluitingsbedingen dienen zorgvuldig te worden geformuleerd en expliciet ruimte te laten voor de afwegingen zoals opgenomen in de Aw 2012. Heeft u vragen over automatische uitsluitingsbedingen of andere aanbestedingsrechtelijke vraagstukken? Neem dan contact op met Dewi Britsemmer, Noa van den Brink of een van onze overige aanbestedingsspecialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
De DNR 2025 – sneller contracteren door een betere rolverdeling
De bouw- en ontwerppraktijk verandert snel: digitalisering, nieuwe wet- en regelgeving en complexere samenwerkingen vragen om duidelijke afspraken. Daarom hebben brancheverenigingen de Koninklijke Bond van Nederlandse architectenbureaus (BNA) en Koninklijke NLingenieurs in december 2025 de DNR 2025 gemoderniseerd en gestroomlijnd. Waarom deze herziening? Sinds de laatste herziening in 2013 wees de praktijk uit dat de DNR steeds vaker, door voornamelijk opdrachtgevers, werd aangepast of “opengebroken” in onderhandelingen over de contractvorming. Dat kost tijd, verhoogt transactiekosten en maakt risico’s minder voorspelbaar. De DNR 2025 is daarom bedoeld om contractvorming eenvoudiger en sneller te maken, met een set gestroomlijnde algemene voorwaarden, die beter aansluit bij de huidige praktijk. Een greep uit de wijzigingen en toevoegingen Een in het oog springende verduidelijking is hoe de DNR 2025 omgaat met de rol van medewerkers binnen een architecten- of ingenieursbureau. Met het uitsluiten van art. 6:162 BW, 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, bepaalt de DNR 2025 dat de opdracht uitsluitend wordt geacht te zijn verstrekt en aanvaard door het bureau als rechtspersoon, en niet door een individuele medewerker, bestuurder of aandeelhouder. In de DNR 2025 is het beëindigen van een opdracht overzichtelijker gemaakt: de financiële gevolgen zijn nu samengebracht onder één bepaling. De kern is echter onveranderd: zegt de adviseur op zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de opdrachtgever gerechtigd 10% van de verschuldigde vergoeding te verminderen. Wanneer het juist de opdrachtgever is die opzegt zonder- of vanwege een bij hem gelegen grond, is de adviseur op zijn beurt weer gerechtigd om 10% bovenop de verschuldigde vergoeding te vorderen. De DNR 2025 speelt ook zichtbaar in op de digitale realiteit waarin ieder project zich tegenwoordig bevindt en waarbij veel gebruik wordt gemaakt van data, cloudomgevingen en online samenwerking. Privacy en informatiebeveiliging zijn daarom niet langer bijzaak, maar een expliciet onderdeel van de opdracht. Partijen moeten voldoen aan toepasselijke privacywetgeving – waaronder in het bijzonder de AVG – en dienen op grond daarvan de vereiste maatregelen te nemen om persoonsgegevens te beschermen. Tevens wordt de aansprakelijkheid van de adviseur uitgesloten voor schade wegens ‘cyberincidenten’, zoals datalekken of gehackt worden, waartegen hij alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft genomen. Wanneer de adviseur optreedt als kwaliteitswaarborger in de zin van de Wet op kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), bevat de DNR 2025 een specifieke omschrijving van de taken en verantwoordelijkheden die de adviseur in deze rol heeft. De adviseur heeft een onafhankelijke taak om te toetsen en te rapporteren, maar zijn rol staat, publiekrechtelijk, nadrukkelijk níet gelijk aan die van ontwerper, toezichthouder of aannemer. Wat de DNR 2025 ook duidelijk maakt is dat de adviseur geen alleskunner is met oneindige aansprakelijkheid. Zo heeft de adviseur geen verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van publiekrechtelijke toestemmingen en vergunning, noch is hij verantwoordelijk voor de inhoud, kwaliteit of rechtmatigheid van het ontwerp. Kortom, de adviseur-kwaliteitswaarborger draagt verantwoordelijkheid voor zijn eigen werkterrein, niet voor zaken die buiten zijn invloedssfeer liggen. Niets nieuws? Wie denkt dat de DNR 2025 ‘niets nieuws onder de zon’ is, heeft het dus mis. Niet alleen omdat de regeling is gemoderniseerd, maar omdat zij expliciet is ontworpen om beter aan te sluiten bij de bouwpraktijk van vandaag. Wilt u weten wat de DNR 2025 concreet betekent voor uw contracten en projecten? Of heeft u andere vragen over deze voorwaarden? Onze specialisten Bouwrecht denken graag met u mee.