Over Donald

Donald is sinds 2014 werkzaam bij La Gro als advocaat en curator. Hij focust zich op het adviseren van en procederen voor banken en andere financiële instellingen op het brede terrein van financiering en zekerheden. Op dat vlak heeft hij ervaring met procedures bij diverse instanties.

Donald kenmerkt zich door zijn no-nonsense aanpak en doortastendheid.

Specialisaties

  • Financiering en zekerheden 
  • Faillissementsrecht 
  • Ondernemingsrecht

Achtergrond en nevenactiviteiten

  • 2020, Grotius academie, specialisatieopleiding financiering en zekerheden (cum laude) 
  • 2013, Maastricht University (Nederlands recht – afstudeerrichting Privaatrecht)
  • Lid van de Vereniging voor Jonge Insolventierecht Advocaten (JIRA);
  • Lid van de tuchtraad bij de KNLTB.

Recente dossiers

Opsomming van alle werkgebieden, concrete voorbeelden van werkzaamheden en indien mogelijk concrete voorbeelden van recente zaken waaraan de medewerker heeft gewerkt.

  • Begeleiding van financiële instellingen bij Customer Due Diligence (CDD), fraude- en afscheidstrajecten en zo nodig procederen daarover
  • Begeleiden bij het onderhandelen en opstellen van zekerheidsdocumentatie 
  • Adviseren en procederen over krediet- en andere registraties door financiële instellingen
  • Optreden als curator in faillissementen, begeleiden van ondernemingen in financiële moeilijkheden, adviseren over doorstarts/overnames, adviseren en procederen over (de executie van) zekerheden, pauliana en bestuurdersaansprakelijkheid.
  • Adviseren en procederen met betrekking tot verschillende typen (commerciële) contracten.

Publicaties 

  • Noot onder ECLI:NL:RBAMS:2022:4066 in JIN 2022/167
  • Noot onder ECLI:NL:HR:2021:1814 in JIN 2022/27
  • Noot onder ECLI:NL:RBAMS:2021:174 in JIN 2021/83
  • Noot onder ECLI:NL:HR:2020:801 in JIN 2020/97.
  • Noot onder ECLI:NL:HR:2019:1909 in JIN 2020/26.
  • Noot onder ECLI:NL:HR:2017:2901 in JIN 2018/77.
Contactgegevens
Mr. D.S. (Donald) Volleberg

Advocaat

Corporate Advisory & litigation | Insolventie en Herstructurering, Financiering en Zekerheden

Artikelen van Donald Volleberg

Donald Volleberg
Donald Volleberg
Advocaat
Schikking treffen met een schuldenaar? Voorkom onduidelijkheid!
Uit een recent gepubliceerde uitspraak blijkt nog maar eens dat het belangrijk is om aandacht te besteden aan de formulering van een vaststellingsovereenkomst. In deze zaak schikte een bank met een borg, maar kwam de borg deze schikking niet na. Daarop startte de bank een procedure tot betaling van de borgtocht, maar zij trok daarin aan het kortste eind. Hierna leg ik uit wat een schuldeiser kan doen om dit te voorkomen. Schikken met een schuldenaar? Het gaat hier om een veel voorkomende casus, maar met in dit geval een opvallend resultaat. Een bank verstrekt krediet aan een onderneming. Eén van de bestuurders van deze onderneming verstrekt als zekerheid voor dit krediet een borgtocht aan de bank voor maximaal € 75.000,00. De onderneming failleert waarna de bank deze bestuurder aanspreekt tot betaling van de afgegeven borgtocht.  Betaling blijft uit en uiteindelijk gaat de bank over tot aanzegging van de executieveiling van het woonhuis van de bestuurder (tevens borg). Om de executieveiling van het woonhuis te voorkomen, komen de borg en de bank in een vaststellingsovereenkomst overeen dat de borg vóór 21 april 2016 € 50.000,00 aan de bank dient te betalen. Na ontvangst van dit bedrag zal de bank de borg finale kwijting verlenen. Indien de borg niet betaalt, zal volgens deze vaststellingsovereenkomst de bank alsnog gerechtigd zijn om tot executieveiling van het woonhuis van de borg over te gaan. De borg betaalt niet het afgesproken bedrag waarop de bank alsnog overgaat tot executoriale verkoop van de woning. Daarnaast start de bank een procedure tegen de borg waarin zij betaling vordert van de borgtocht van € 75.000,00. Rechtbank wijst de vordering van de bank af De bank baseert haar vordering tot betaling van € 75.000,00 op de oorspronkelijke overeenkomst van borgtocht. De borg doet vervolgens bij wijze van verweer een beroep op de latere vaststellingsovereenkomst, op grond waarvan de borg slechts € 50.000,00 hoefde te betalen. De rechter honoreert het verweer van de borg. De rechter oordeelt dat de nieuwere vaststellingsovereenkomst, de rechtsverhouding tussen partijen bepaalt. Die nieuwe rechtsverhouding bepaalt dat de borg € 50.000,00 diende te betalen. Dat bedrag heeft de borg echter niet betaald. Als de bank had gewenst dat zij in dat geval weer aanspraak kon maken op de oorspronkelijke € 75.000,00 had ze dat kunnen afpreken in de vaststellingsovereenkomst, maar dat heeft de bank niet gedaan aldus de rechtbank. De bank heeft daarnaast uitdrukkelijk in de procedure aangegeven geen aanvullend beroep te (willen) doen op de vaststellingsovereenkomst. Daarom zit er voor de rechtbank niets anders op dan de vordering van de bank volledig af te wijzen. De bank heeft wellicht nog een vordering van € 50.000,00 op grond van de vaststellingsovereenkomst, maar staat na deze procedure vooralsnog met lege handen.   Contact Wat had de bank kunnen doen om deze uitkomst te voorkomen? Enerzijds had zij in de vaststellingsovereenkomst kunnen opnemen dat bij niet tijdige nakoming van de daarin gemaakte afspraken, de oorspronkelijke verplichtingen uit de borgtocht zouden herleven.  Hierdoor zou zij in dat geval alsnog de oorspronkelijke € 75.000,00 op de borg kunnen verhalen. Anderzijds had de bank in de procedure subsidiair een beroep op de vaststellingsovereenkomst kunnen doen. Dan had de rechter mogelijk wel een bedrag van € 50.000,00 toegewezen. Naar ik begreep is er hoger beroep ingesteld, dus wordt wellicht vervolgd. Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Donald Volleberg of een van ons andere specialisten. De uitspraak vindt u hier.   
Donald Volleberg
Donald Volleberg
Advocaat
Valse handtekening, wie moet wat bewijzen?
Een partij eist op basis van een ondertekend document een terugbetaling, maar de wederpartij claimt dat de overeenkomst vervalst is. Wie moet dan bewijzen dat het document geldig of vervalst is? De Hoge Raad boog zich onlangs over deze vraag. Wat speelde er? Eiser maakte aanspraak op terugbetaling van een bedrag wat volgens hem was uitgeleend aan gedaagde. In de procedure die hierop volgde legde eiser, ter onderbouwing van zijn stelling, een twee pagina’s tellende overeenkomst over, waarop enkel op de tweede en laatste pagina handtekeningen waren geplaatst door de beide partijen. Op de eerste pagina van dat stuk staat, kort weergegeven, dat gedaagde een bedrag van € 150.000,00 heeft ontvangen in het kader van een geldlening. Deze geldlening moet in 50 maandelijkse termijnen van € 3.000,00 worden terugbetaald aan eiser. Daarnaast staat er dat er 8% rente per jaar is verschuldigd en dat eiser de lening volledig kan opeisen als een termijn niet op tijd wordt betaald. Gedaagde betwistte dat hij € 150.000,00 heeft geleend van eiser. Hij heeft weliswaar erkend dat de handtekening op de tweede pagina zijn handtekening is, maar stelt dat deze door hem zou zijn geplaatst op een leeg blad dat hoorde bij een andere overeenkomst. De bepalingen over de geldlening zouden volgens gedaagde later pas op die pagina boven zijn handtekening zijn gezet. Hij stelt dus dat het document vals is. Juridisch kader In deze zaak staat centraal of sprake was van een onderhandse akte en op wie de bewijslast rust als de echtheid van de tekst van het stuk wordt betwist. De akte waarop eiser zich heeft beroepen is volgens hem een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv. Een dergelijke onderhandse akte levert namelijk volgens de wet dwingend bewijs op tussen partijen ten aanzien van hetgeen in de akte is opgenomen. Als de echtheid van de handtekening wordt betwist moet degene die zich op de akte beroept, de echtheid van de handtekening bewijzen. Oordeel Hoge Raad De Hoge Raad oordeelt dat de door eiser gepresenteerde overeenkomst, ook al was slechts de tweede en laatste pagina ondertekend, een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv betrof nu deze was ondertekend en de tekst ervan diende tot bewijs. Vervolgens kwam het aan op de vraag hoe met het verweer van gedaagde moest worden omgegaan dat met de akte geknoeid was. In dit geval werd de echtheid van de handtekening dus niet betwist, maar stelde gedaagde dat hij die akte weliswaar ondertekend had, maar dat er later tekst is toegevoegd. De Hoge Raad oordeelt dat in dat geval de bewijslast en het bewijsrisico van die stelling rust bij degene die zich erop beroept dat op een later moment nog tekst aan de akte is toegevoegd, gedaagde dus in dit geval. De Hoge Raad laat wel ruimte voor de rechter om in zulke gevallen op basis van diverse omstandigheden aan te nemen, dat er inderdaad tekst geheel of gedeeltelijk later is toegevoegd. Meer informatie Heeft u vragen hierover of over een verwant onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend telefonisch (via telefoonnummer 071 512 4443) of per e-mail contact op met Panc van Kooij ([email protected]) of Donald Volleberg ([email protected]) van de sectie ondernemingsrecht van La Gro Advocaten.
Donald Volleberg
Donald Volleberg
Advocaat
Curator persoonlijk aansprakelijk voor onderverhuren winkelruimte
November 2018 heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof bekrachtigd dat een curator persoonlijk aansprakelijk is jegens een verhuurder. De curator van de failliete huurder had zonder toestemming van de verhuurder de gehuurde winkelruimte in gebruik gegeven aan een derde. Casus Wat was het geval? De huurder van een winkelruimte gaat failliet en diens curator zegt vervolgens de huur op. Gedurende de opzegperiode verkoopt de curator de activa van de failliete huurder aan een derde. Hierbij stelt de curator deze koper ook in de gelegenheid om de winkelruimte te gebruiken, tegen betaling van een vergoeding. Dat is in strijd met het onderhuurverbod dat (ook) in deze huurovereenkomst was opgenomen. De verhuurder had al kort na het faillissement bij de curator kenbaar gemaakt dat, voor een dergelijk gebruik van de ruimte door een eventuele koper, eerst zijn goedkeuring diende te worden verleend. Desalniettemin stelde de curator het gehuurde aan de (op)koper ter beschikking. De verhuurder laat het er niet bij zitten. Hij stelt dat de handelwijze van de curator onrechtmatig is en tot persoonlijke aansprakelijkheid jegens de verhuurder dient te leiden. Nadat eerder zowel de rechtbank als het Gerechtshof de verhuurder al in het gelijk stelden, doet de Hoge Raad dat nu ook. Arrest Hoge Raad De Hoge Raad oordeelt dat het onderhuurverbod een voortdurende verplichting (tot nalaten) is die (ook) op de curator rust en zelfs moet worden aangemerkt als een tot de curator gerichte regel. Handelen in strijd met dergelijke tot de curator gerichte regels, kan (sneller) tot persoonlijke aansprakelijkheid van de curator leiden. In dit geval zal daarbij een rol hebben gespeeld dat de verhuurder van meet af aan bij de curator te kennen had gegeven dat het gehuurde niet zonder zijn toestemming mocht worden onderverhuurd. De curator heeft de winkelruimte evenwel in gebruik gegeven aan de opkoper en daarvoor bovendien een vergoeding ontvangen die anders de verhuurder zou hebben ontvangen. Al met al een principieel oordeel van de Hoge Raad over een vaker door curatoren gehanteerde constructie. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mr. Donald Volleberg van de sectie insolventierecht via [email protected] of 0172-503250.
Donald Volleberg
Donald Volleberg
Advocaat
Executoriale verkoop van verpande aandelen
Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in geval van een executoriale verkoop van verpande aandelen niet alleen de statutaire blokkeringsregeling in acht dient te worden genomen (dat staat ook met zoveel woorden in de wet), maar ook de algemene regeling omtrent de executie van pandrechten blijft gelden. De pandhouder werd in feitelijke instanties bijgestaan door onze kantoorgenoot mr. Panc van Kooij. Algemeen Een pandrecht is een zekerheidsrecht dat onder andere gevestigd kan worden op aandelen. Een pandhouder heeft het recht van parate executie. Dat betekent dat de pandhouder in geval van verzuim van de pandgever, zonder dat hij daartoe een executoriale titel nodig heeft, de verpande aandelen te gelde kan maken. De executie van verpande goederen, waaronder aandelen, vindt in beginsel plaats door openbare verkoop. Dat levert echter niet in alle gevallen de hoogst mogelijke opbrengst op, en daarom geeft de wet het volgende alternatief. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het verpande goed zal worden verkocht op een van de openbare verkoop afwijkende wijze. Bij een pandrecht op aandelen speelt de bijzondere omstandigheid dat in de statuten van de betreffende vennootschap een blokkeringsregeling kan zijn opgenomen die (doorgaans) bepaalt wanneer, hoe en aan wie de aandelen moeten worden aangeboden bij een voorgenomen verkoop. De wet bepaalt dat de pandhouder gehouden is tot naleving van een statutaire blokkeringsregeling bij de verkoop van de aandelen door de pandhouder. Het is de vraag of een pandhouder die executeert met inachtneming van een statutaire blokkeringsregeling, daarnaast nog – op grond van de algemene executieregeling zoals hierboven omschreven – toestemming van de voorzieningenrechter nodig heeft voor een andere wijze van verkoop. Oordeel Hoge Raad Conform het standpunt van de pandhouder oordeelt de Hoge Raad dat bij executoriale verkoop van de verpande aandelen door een pandhouder niet alleen de toepasselijke statutaire blokkeringsregeling in acht genomen dient te worden, maar ook de hierboven beschreven algemene regeling. Executie door openbare verkoop van de aandelen zal veelal niet werkbaar zijn. Om die reden zal volgens de Hoge Raad – conform de wettelijke regeling inzake de executie van verpande goederen – toestemming van de voorzieningenrechter moeten worden gevraagd voor een afwijkende wijze van verkoop. Een toewijzende beschikking van de voorzieningenrechter zal niet in strijd mogen komen met de statutaire blokkeringsregeling, behoudens het geval dat de blokkeringsregeling door de rechter buiten toepassing is verklaard. Het is van belang om ervoor zorg te dragen dat een executoriale verkoop conform de daarvoor geldende vereisten plaatsvindt, vanwege de gevolgen die daaraan zijn verbonden. Een van de gevolgen van executoriale verkoop is namelijk dat lager gerangschikte pandrechten (of andere beperkte rechten zoals beslagen) tenietgaan. Bij een normale verkoop blijven deze rechten in stand, en dat heeft uiteraard een nadelig effect op de prijs van de aandelen. In de onderhavige zaak heeft de pandhouder met toestemming van de voorzieningenrechter kunnen verkopen aan een medeaandeelhouder (de blokkeringsregeling kon worden nageleefd) en is een tweede pandrecht vervallen doordat zulks het gevolg is van een executieverkoop. Vermeldenswaardig is nog dat het Gerechtshof de pandhouder eerder al in het gelijk had gesteld. Alleen de in eerste instantie oordelende voorzieningenrechter meende dat de pandhouder zonder diens toestemming kon verkopen. Conclusie Heeft u vragen over de executie van verpande aandelen (of overige goederen) of over een verwant onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend telefonisch (via telefoonnummer 0172-503250) of per e-mail contact op met Panc van Kooij ([email protected]) of Donald Volleberg ([email protected]) van de sectie ondernemingsrecht van La Gro Advocaten.
Bel: 0172-503 250