Ontwerp zonder titel (14)

Mededinging en EU

Het Team Mededinging en EU bestaat uit ervaren advocaten en biedt diepgaande expertise rondom alle aspecten van het mededingings- en staatssteunrecht. Wij staan overheden, branche-organisaties en ondernemingen bij in Europeesrechtelijke vraagstukken. Dit varieert van juridische advisering bij onduidelijkheden bij toepassing van het recht tot aan bijstand bij een inval en/of handhaving door een toezichthouder (ACM, Europese Commissie, OLAF, Europees Openbaar Ministerie).

Wij hebben ervaring met vaak complexe vraagstukken rondom fusietoezicht, misbruik van machtspositie en staatssteunregels en adviseren u over de best te volgen strategie. Waar nodig staan wij u bij voor zowel nationale rechters, als het Hof van Justitie van de EU. Wij ondersteunen u in contacten en/of procedures met betrokken toezichthouders.  

Binnen het team Europees recht beschikken wij over relevante expertise op onder meer het mededingingsrecht, staatssteunrecht, de wet markt en overheid, het aanbestedingsrecht en het Didam-arrest. Door te werken in multidisciplinaire teams, kunnen wij cliënten integraal adviseren en bijstaan.

ACM-inval

Hiervoor kunt u bij ons terecht

Wij adviseren ondernemingen over de inrichting van distributiekanalen binnen een internationale / Europese setting. Gedacht kan worden aan onder meer distributieovereenkomsten, franchiseovereenkomsten, agentuurovereenkomst. Wij toetsen samenwerkingsafspraken tussen concurrenten, licentie-overeenkomsten, toeleveringsovereenkomsten, onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten, productieovereenkomsten en meer. 

Wij leggen graag aan u uit welke afspraken u wel en niet mag maken. Wij brengen in kaart of de afspraken in uw overeenkomst in overeenstemming zijn met het mededingingsrecht en denken graag mee over de toepassing van uitzonderingsgronden 

Naast het toetsen van overeenkomsten, adviseren wij ondernemingen en brancheverenigingen omtrent compliance met het mededingingsrecht. Wij adviseren omtrent (concurrentiegevoelige) informatie-uitwisseling tussen ondernemingen en/of binnen een branchevereniging, besluiten van een branchevereniging en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen om gedrag te coördineren. Ook staan wij u graag bij het opstellen van compliance-regelingen en/of het geven van cursussen en voorlichting aan uw organisatie en medewerkers om ongeoorloofde afspraken te voorkomen.

Fusies, overnames en joint ventures boven een bepaalde omvang moeten ter goedkeuring aan een mededingingsautoriteit voorgelegd worden. Of goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt, de Europese Commissie of de NZa nodig is, is afhankelijk van de omzet en/of de sector van de bij de fusie of overname betrokken ondernemingen. Wij brengen in kaart of sprake is van een meldingsplichtige concentratie en ondersteunen u bij het doorlopen van de meldingsprocedure. Tegenwoordig vindt onder de Foreign Subsidy Regulation en onder de Wet Vifo toetsing plaats van investeringen in bepaalde sectoren. Ook daarin kunnen wij u adviseren en begeleiden. Ten slotte staan wij ook voor u klaar als u bezwaar wilt maken tegen de fusie of overname van concurrenten. 

Overtreding van de mededingingsregels kan leiden tot hoge boetes, reputatieschade, bestuurdersaansprakelijkheid en schadevergoedingsprocedures. Wij staan voor u klaar als de Autoriteit Consument en Markt (ACM) of andere (Europese) toezichthouders een onderzoek starten naar uw onderneming. Wij brengen de risico’s in kaart en adviseren over de te nemen stappen. Ook begeleiden wij u als u een klacht wilt indienen bij de ACM of Europese Commissie over een concurrent die zijn machtspositie misbruikt en/of over (verboden) kartelafspraken.

Staatssteun kan leiden tot oneerlijke concurrentie doordat de overheid een onderneming bevoordeelt, bijvoorbeeld in de vorm van subsidie, garantie, optie, grondtransactie, geldlening en belastingen. Om die reden is staatsteun in beginsel verboden, tenzij sprake is van een uitzondering. Een overeenkomst in strijd met de staatssteunregels leidt in beginsel tot nietigheid van de afspraken. Dat kan ertoe leiden dat jaren na het sluiten van een overeenkomst, ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan met schade voor alle betrokken partijen. De Europese Commissie controleert in de eerste plaats de uitvoering van staatssteun, maar ook bij de civiele rechter wordt geprocedeerd over (de gevolgen van) onrechtmatige staatssteun.   

Wij helpen nationale en internationale ondernemingen, overheden en instellingen met praktische adviezen over de staatssteunregels. Zo brengen wij voor u in kaart of sprake is van staatssteun, hoe deze binnen de geldende kaders en uitzonderingen kan worden vorm gegeven om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen en of u een voorgenomen steunmaatregel moet melden bij de Europese Commissie. Ook staan wij belanghebbenden bij die worden geschaad door mogelijk ongeoorloofde staatssteun aan concurrenten en/of andere ondernemingen. 

Het doel van de wet Markt en Overheid is om oneerlijke concurrentie door de overheid te voorkomen als zij economische activiteiten uitvoert. De wet omschrijft een aantal gedragsregels waaraan de overheid moet voldoen als zij met ondernemers concurreert. Deze regels gelden voor de Rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, zelfstandige bestuursorganen en samenwerkingsverbanden tussen overheden. Wij helpen overheden met het correct toepassen van deze gedragsregels, advisering over toepassing van uitzonderingen in het algemene belang en staan ondernemers bij als zij vermoeden dat sprake is van oneerlijke concurrentie door de overheid.

Wij adviseren ook over alle overige aspecten van het Europese recht. Gedacht kan worden aan de toepassing en uitleg van verdragen, verordeningen, richtlijnen, mededelingen. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van de dienstenrichtlijn, (Russische) sanctiewetgeving en toepassing op ondernemers, financieel reglement van de Europese Commissie en agentschappen, vrij verkeerbepalingen (werknemers, kapitaal, vestiging, goederen). Wij hebben ervaring met Europese subsidieregels en ruime ervaring met betrokken instanties als de Europese Commissie, OLAF, agentschappen (REA, HaDEA). 

Publicaties

la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Forum shopping in kartelzaken: HvJEU gooit het anker niet zomaar uit
Op 16 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer benadeelden in kartelschadezaken meerdere groepsvennootschappen bij één rechter kunnen dagvaarden. Het arrest is relevant voor ondernemingen die actief zijn binnen internationale concernstructuren, maar ook voor partijen die schade willen verhalen na een mededingingsinbreuk. Centraal staat de zogenoemde ankergedaagde: een verweerder die in Nederland is gevestigd en die wordt gebruikt om ook buitenlandse medeverweerders voor de Nederlandse rechter te brengen. De achtergrond De uitspraak komt voort uit twee Nederlandse procedures bij het gerechtshof Amsterdam. In de eerste zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van het stroomkabelkartel. In de tweede zaak ging het om schadevorderingen naar aanleiding van een Italiaans kartel op de markt voor golfkarton en verpakkingsmateriaal. In beide procedures werden niet alleen vennootschappen gedagvaard die rechtstreeks in een kartelbesluit waren genoemd, maar ook andere groepsvennootschappen. Sommige daarvan waren in Nederland gevestigd en fungeerden als ankergedaagde. De eisers wilden op basis van artikel 8 punt 1 van de Brussel I bis-Verordening alle verweerders gezamenlijk voor de Nederlandse rechter brengen. Die bepaling maakt het mogelijk om meerdere verweerders op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat gezamenlijke behandeling wenselijk is. Het doel daarvan is te voorkomen dat verschillende rechters tegenstrijdige beslissingen nemen. Het oordeel van het HvJEU Het HvJEU oordeelt dat er ook een nauwe band kan bestaan wanneer de ankergedaagde zelf niet in het kartelbesluit als aansprakelijke partij is aangewezen. Beslissend is of er serieuze aanwijzingen zijn dat de ankergedaagde behoort tot dezelfde “onderneming” in mededingingsrechtelijke zin als de entiteiten waaraan de inbreuk is toegerekend. Dat begrip “onderneming” is in het EU-mededingingsrecht ruimer dan de afzonderlijke rechtspersoon. Verschillende vennootschappen binnen een concern kunnen samen één economische eenheid vormen. In dat geval kan aansprakelijkheid voor een kartelinbreuk onder omstandigheden doorwerken binnen de groep. Het HvJEU benadrukt wel dat artikel 8 punt 1 niet kunstmatig mag worden gebruikt. Een eiser mag dus niet een Nederlandse vennootschap zonder reële band met het geschil dagvaarden enkel om buitenlandse partijen naar Nederland te halen. De rechter hoeft bij de bevoegdheidsvraag echter niet al volledig te beoordelen of de vordering tegen de ankergedaagde inhoudelijk zal slagen. Alleen wanneer die vordering kennelijk ongegrond of kunstmatig is, kan dat relevant zijn. Tot slot bevestigt het HvJEU dat artikel 8 punt 1 niet alleen de internationale bevoegdheid aanwijst, maar ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat: het gerecht van de woonplaats van de ankergedaagde. Een nationale verwijzing naar een andere bevoegde rechter binnen dezelfde lidstaat blijft mogelijk, zolang dat de werking van de verordening niet ondermijnt. Belang voor de praktijk Dit arrest versterkt de positie van eisers in kartelschadezaken. Zij krijgen meer ruimte om samenhangende vorderingen tegen verschillende groepsvennootschappen bij één rechter te concentreren, ook als de ankergedaagde niet zelf in het kartelbesluit is genoemd. Voor internationale concerns betekent dit dat groepsstructuren kritisch moeten worden bekeken. Ook vennootschappen die zelf geen geadresseerde zijn van een boetebesluit, kunnen in civiele procedures een rol krijgen wanneer zij deel uitmaken van dezelfde economische eenheid. Het arrest onderstreept daarmee opnieuw het belang van effectieve mededingingsrechtelijke compliance binnen de gehele groep. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of schadevergoedingsacties? Neem contact op met Arnout Koeman, Lennart Hoeksema of één van onze andere Mededinging en EU of Commercial Litigation specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Bencis arrest: Investeringsmaatschappij kan kartelboete niet op portfolio-onderneming verhalen
Op 10 april 2026 wees de Hoge Raad een arrest dat van belang is voor investeringsmaatschappijen en conglomeraten die verschillende dochtermaatschappijen hebben. De centrale vraag luidde of een moedermaatschappij die door de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) is beboet wegens een kartelinbreuk van haar dochter, de betaalde boete op die dochter kan verhalen. Het antwoord van de Hoge Raad is duidelijk, maar bevat een nuance die voor de praktijk van belang is. De zaak Investeringsmaatschappij Bencis hield tussen 2004 en 2011 indirect aandelen in Meneba, een Nederlandse meelfabrikant. Meneba bleek in de periode 2001 tot en met 2007 te hebben deelgenomen aan een kartel van meelfabrikanten, in strijd met artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorganger van de ACM) legde Meneba in 2010 daarom een boete op van 9 miljoen euro. Op 17 juli 2014 besloot de ACM Bencis ook te beboeten. Deze boete volgde nadat Bencis in 2011 haar aandelen in Meneba had verkocht. Aan deze boete lag ten grondslag dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van Meneba, waardoor zij in mededingingsrechtelijke zin één onderneming met haar dochteronderneming Meneba vormde. De boete voor Bencis bedroeg ruim 1,27 miljoen euro. Hoewel Bencis de boete aanvocht, bleef deze zowel bij de bestuursrechter als bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven in stand. Bencis vond het onrechtvaardig dat zij een boete moest betalen voor het gedrag van haar voormalige dochteronderneming en stapte naar de civiele rechter. Zij vorderde van Dossche (de partij die Meneba in 2018 had overgenomen) vergoeding van de aan haar opgelegde boete. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen de vorderingen af. Het hierop ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad eveneens verworpen. Hierna lichten wij dat toe. Het oordeel van de Hoge Raad De Hoge Raad stelde voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Voor zover Bencis haar vordering baseerde op een onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek), oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer ook onrechtmatig is jegens de moedermaatschappij. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld dat de dochter de moeder bewust heeft misleid of haar onkundig heeft gehouden van de inbreuk. Nu Bencis er niet in slaagde dergelijke bijkomende omstandigheden aannemelijk te maken, strandde de vordering uit onrechtmatige daad. Het standpunt van Bencis dat Meneba ongerechtvaardigd was verrijkt ten koste van haar, omdat Meneba een lagere boete had betaald dan het geval zou zijn geweest indien uitsluitend zij was beboet, heeft de Hoge Raad niet inhoudelijk beoordeeld. Het gerechtshof had echter al geoordeeld dat geen sprake was van een ongerechtvaardigde verrijking, welk oordeel in cassatie in stand is gebleven. Conclusie en belang voor de praktijk Dit arrest kan vergaande gevolgen hebben voor investeringsmaatschappijen en andere conglomeraten. Wanneer een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op een dochter, loopt zij het risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor mededingingsovertredingen van die dochter, ook wanneer zij hiervan geen kennis had. Zoals dit arrest benadrukt, is het achteraf verhalen van een opgelegde boete op de dochter daarbij slechts mogelijk als de moedermaatschappij bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de dochter onrechtmatig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door misleiding of het bewust achterhouden van informatie. De les is helder. Investeringsmaatschappijen en conglomeraten doen er goed aan te investeren in voortdurende compliance binnen hun portfolio-ondernemingen. Het uitvoeren van een due diligence onderzoek voorafgaand aan een overname, of het jaarlijks navragen of er wetsovertredingen zijn gepleegd, is op zichzelf onvoldoende om boeteaansprakelijkheid te voorkomen of de boete te verhalen op een dochter. Organisaties die hier nog onvoldoende op inzetten, hebben er baat bij om hun medewerkers en bestuurders gerichte trainingen en opleidingen op het gebied van mededingingsrecht aan te bieden. Een goed ingericht compliance programma vermindert niet alleen het risico op kartelinbreuken, maar versterkt ook de positie van de organisatie in eventuele handhavingsprocedures. Heeft u interesse in compliance trainingen of vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, Noa van den Brink of één van onze andere specialisten op het gebied van mededingingsrecht.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Herverdeling in de zorg: ruimte én grenzen volgens de ACM
De Nederlandse zorgsector staat voor ingrijpende veranderingen. Stijgende zorgkosten, personeelstekorten en de roep om een toekomstbestendig zorglandschap dwingen ziekenhuizen, zorgverleners en zorgverzekeraars om nauwer samen te werken en de zorg her te verdelen. Maar samenwerking in de zorg raakt al snel aan het mededingingsrecht: wanneer zorginstellingen onderling afspraken maken over wie welke zorg levert, kan dat al snel kwalificeren als een verboden marktverdelingsafspraak. De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft hierover recent een brief gepubliceerd, gericht aan de partijen die deelnemen aan de ‘Ronde Tafel Toekomstbestendig zorglandschap door concentratie en spreiding’. Dit is een belangrijk signaal voor alle zorgaanbieders en -verzekeraars die actief zijn in regionale samenwerkingsverbanden. Beschrijving van de brief De ACM constateert dat zorgmarkten sterk in beweging zijn. Zorgpartijen — waaronder patiëntenorganisaties, zorgverleners, ziekenhuizen en zorgverzekeraars — werken gezamenlijk aan een regionaal evenwichtig zorglandschap voor de toekomst. De Ronde Tafel, onder leiding van Zorginstituut Nederland, is het platform waar deze samenwerking gestalte krijgt. De ACM erkent het maatschappelijke belang van deze ontwikkelingen en wil constructief meedenken. Tegelijkertijd benadrukt de toezichthouder dat afspraken over de herverdeling van zorg tussen zorginstellingen moeten worden getoetst aan de mededingingsregels. Dergelijke afspraken kunnen namelijk neerkomen op marktverdelingsafspraken — een van de zwaarste categorieën mededingingsovertredingen onder artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 VWEU. Om partijen rechtszekerheid te bieden, heeft de ACM aangegeven dat zij uit eigen beweging geen onderzoek zal instellen naar regionale zorgsamenwerkingen die de concurrentie mogelijk beperken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: Alle relevante partijen uit de zorgdriehoek van zorgaanbieders (waaronder medisch specialisten en verpleegkundigen), zorgverzekeraars en patiënten zijn betrokken. Welke patiëntvertegenwoordiging betrokken moet zijn, is afhankelijk van de afspraken die gemaakt worden. Afhankelijk van het concrete geval is soms patiëntvertegenwoordiging nodig met specifieke aandoeningsinhoudelijke kennis. Er concrete, meetbare en kenbare doelen zijn gesteld over betaalbare, beschikbare en goede zorg en alle relevante partijen deze afspraken steunen. De ACM stelt daarmee handhavingsprioritering in: zij geeft aan waar haar handhavingsfocus niet op ligt, zonder dat de juridische verbodsnorm vervalt. De informatiebrief dient als leidraad voor partijen om hun samenwerking zo in te richten dat deze binnen de grenzen van het mededingingsrecht blijft. Wat dit betekent voor uw zorgonderneming? Voor zorginstellingen, zorgverzekeraars en andere zorgpartijen heeft dit bericht concrete implicaties: Toetsingsplicht blijft bestaan. De mededeling dat de ACM niet proactief onderzoek doet, ontslaat partijen niet van de verplichting om hun samenwerkingsafspraken zelf te toetsen aan de mededingingsregels. Het verbod op marktverdelingsafspraken blijft onverkort van kracht. Documenteer uw samenwerking zorgvuldig. Leg vast welke doelstellingen ten grondslag liggen aan de samenwerking, welke alternatieven zijn overwogen en welke voordelen voor patiënten worden beoogd. Een gedegen dossier is essentieel bij een eventuele toetsing achteraf. Betrek juridisch advies in een vroeg stadium. Juist bij regionale herverdelingsafspraken — waarbij ziekenhuizen of zorgverleners afspreken wie bepaalde zorgvormen levert — is de grens met verboden marktverdelingsafspraken dun. Vroegtijdig juridisch advies voorkomt kostbare fouten. Maak gebruik van de ACM als gesprekspartner. De ACM geeft expliciet aan mee te willen denken over samenwerkingsmogelijkheden. Informeel overleg met de toezichthouder — of een formeel verzoek om een zienswijze — kan waardevolle duidelijkheid bieden voordat afspraken worden geïmplementeerd. Houd Europese dimensies in het oog. Bij samenwerkingen die de handel tussen EU-lidstaten kunnen beïnvloeden, is ook artikel 101 VWEU van toepassing. Dit is met name relevant voor grensregio’s of bij betrokkenheid van buitenlandse zorgaanbieders. Kortom: de ACM biedt ruimte voor samenwerking in de zorg, maar stelt duidelijke grenzen. Een proactieve en juridisch onderbouwde aanpak is voor iedere zorgpartij die betrokken is bij regionale herverdelingsafspraken onmisbaar. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere mededingingsrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Arnout Koeman of Monika Beck of één van onze andere mededingingsrecht specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
DAEB vrijstellingsbesluit herzien - een oplossing voor de woningnood?
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie de herziene versie van het Vrijstellingsbesluit voor staatssteun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB Vrijstellingsbesluit”) aangenomen. Het DAEB Vrijstellingsbesluit maakt het mogelijk om steun te verlenen voor diensten die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat melding bij de Europese Commissie is vereist. Dit DAEB Vrijstellingsbesluit is nu door de Europese Commissie opgefrist, onder andere met het doel om woningbouw te stimuleren en de huisvestingscrisis tegen te gaan. Wat is er exact gewijzigd? En wat voor gevolgen heeft dit voor u? U leest het in onderstaande blog! Wat is staatssteun?  Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is steun voor diensten van algemeen economisch belang (“DAEB”). Diensten van algemeen economisch belang DAEB’s zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen maar die doorgaans niet rendabel op de markt kunnen worden aangeboden. Er is daarom staatssteun vereist om deze diensten onder de gewenste voorwaarden of kwaliteit voor burgers op de markt aan te kunnen bieden. Dit kan bijvoorbeeld sociale woningbouw of exploitatie van economisch inefficiënte busverbindingen betreffen. Overheden hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid bij het bepalen welke diensten zij als DAEB kwalificeren. Het DAEB Vrijstellingsbesluit De Europese Commissie heeft een aantal instrumenten ontwikkeld op basis waarvan DAEB-steun rechtmatig aan ondernemingen kan worden verleend. Eén van deze instrumenten is het DAEB Vrijstellingsbesluit. Op basis van dit besluit kunnen overheden ondernemingen die zijn belast met het verrichten van een DAEB compensatie geven voor het verrichten van de betreffende DAEB mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er is sprake van een DAEB; De compensatie bedraagt maximaal € 20 miljoen per jaar of valt binnen de andere categorieën DAEB’s die binnen het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit vallen conform art. 2 lid 1 van het Vrijstellingsbesluit;  De periode waarvoor de onderneming wordt belast met de DAEB is niet langer dan 10 jaar;  Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst, oftewel, er mag geen sprake zijn van overcompensatie;  De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren wordt belast met uitvoering van de DAEB in een toewijzingsbesluit waarin de DAEB, het compensatiemechanisme en overige relevante aspecten zoals voorgeschreven in het DAEB Vrijstellingsbesluit worden uitgewerkt; Er wordt voldaan aan de administratieve voorwaarden (controle op overcompensatie, transparantie).   Waarom herzien? De Europese Commissie heeft het een evaluatie verricht naar (de toepassing van) het “oude” Vrijstellingsbesluit in de praktijk. Dit heeft tot de conclusie geleid dat de huidige staatssteunregels onvoldoende handvatten bieden voor lidstaten om de huisvestingscrisis tegen te gaan waar de gehele Europese Unie mee kampt. Ook was het “oude” Vrijstellingsbesluit op bepaalde punten toe aan een actualisatie, verduidelijking en versimpeling van de administratieve voorwaarden. Om die redenen heeft de Europese Commissie een herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit aangenomen waarin ervaringen van het oude besluit, economische veranderingen (waaronder de huisvestingscrisis) en marktontwikkelingen zijn verwerkt. De herziening is onderdeel van het “Europees plan voor betaalbare huisvesting” van de Europese Commissie. DAEB Vrijstellingsbesluit: nieuw vs. oud De Europese Commissie heeft ten aanzien van de volgende onderwerpen de volgende wijzigingen doorgevoerd in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit: Verhoging compensatieplafond Gelet op de inflatie sinds de inwerkingtreding van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit in 2012, heeft de Commissie het algemene compensatieplafond verhoogd. Op basis van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit is het mogelijk om maximaal € 20 miljoen per jaar aan steun toe te kennen onder het algemene compensatieplafond. Onder het “oude” Vrijstellingsbesluit bedroeg dit plafond € 15 miljoen. Sociale en betaalbare huisvesting als DAEB Om de huisvestingscrisis in Europa tegen te gaan, heeft de Europese Commissie de kaders omtrent DAEB-steun voor sociale huisvesting nader uitgewerkt/versoepeld. Daarnaast heeft zij betaalbare huisvesting als steuncategorie toegevoegd. DAEB-steun voor sociale en betaalbare huisvesting is niet gebonden aan het algemene compensatieplafond, en kan dus meer dan € 20 miljoen per jaar bedragen mits dit niet leidt tot overcompensatie. De belangrijkste definities en voorwaarden voor huisvestingssteun heeft de Europese Commissie uitgewerkt in de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit. Een DAEB op het gebied van sociale huisvesting wordt gedefinieerd als een dienst voor kansarme huishoudens of sociaal minder bevoorrechte groepen, met inbegrip van daklozen. DAEB’s voor betaalbare huisvesting hebben voornamelijk betrekking op huishoudens die niet achtergesteld zijn, maar welke door marktontwikkelingen, met name marktfalen, geen toegang hebben tot huisvesting tegen betaalbare voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan starters, ouderen of alleenstaande ouders. In de bijlage bij het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit stelt de Commissie onder andere de volgende voorwaarden (in aanvulling op de algemene voorwaarden van het DAEB Vrijstellingsbesluit) waaraan moet worden voldaan bij het verlenen van steun voor sociale en/of betaalbare huisvesting: Kwaliteits-, milieu- en toegankelijkheidseisen: sociale en betaalbare huisvesting moet van passende kwaliteit en toegankelijkheid zijn, voldoen aan milieunormen en zijn aangepast aan de behoeften van huishoudens. Duur: in principe moeten sociale en betaalbare woningen gedurende ten minste twintig jaar voor dat doel worden gebruikt om te voorkomen dat de gesubsidieerde woningen snel op de commerciële markt worden verkocht. Subsidiabele kosten: in de bijlage is een brede lijst van kosten opgenomen welke in aanmerking komen voor dekking uit DAEB-steun. Ten aanzien van betaalbare huisvesting worden ook eisen gesteld met betrekking tot de prijzen die gehanteerd worden voor de woningen. De moeten op transparante wijze worden vastgesteld en onder de marktprijzen blijven, maar niet lager zijn dan nodig voor het verwezenlijken van de nagestreefde doelstelling. Ook moeten de betreffende woningen daadwerkelijk als betaalbare huisvesting worden gebruikt (en niet als bijvoorbeeld een tweede woning) en moet de toewijzing van de woningen plaatsvinden op basis van open systemen. Nieuwe/gewijzigde steuncategorieën In het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit zijn kritieke geneesmiddelen toegevoegd als mogelijke steuncategorie. Ook zijn de kaders voor luchthavens, luchtverbindingen, maritieme verbindingen met eilanden en havens gewijzigd. Controle op overcompensatie Ten aanzien van controle op overcompensatie heeft de Europese Commissie het regime versoepeld. Onder het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit diende controle op overcompensatie om de drie jaar en aan het einde van de DAEB plaats te vinden. Deze frequentie is in het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit teruggebracht naar controle eens in de vijf jaar. Ook is controle achteraf niet meer vereist indien de steunbegunstigde geen andere activiteiten dan de DAEB uitvoert en wettelijk verplicht is alle winsten in de DAEB te herinvesteren. Rapportage- en transparantieverplichtingen Op grond van het “oude” DAEB Vrijstellingsbesluit gold een tweejaarlijkse rapportageverplichting voor lidstaten. Deze verplichting komt per 2026 te vervallen. De transparantie zal per 2028 gewaarborgd worden door middel van een registratieverplichting. Vanaf 1 januari 2028 zal alle staatssteun onder het DAEB Vrijstellingsbesluit die meer bedraagt dan € 1 miljoen per onderneming, in een centraal register geregistreerd moeten worden binnen 20 werkdagen na steunverlening. Inwerkingtreding Bovengenoemde wijzigingen treden in werking op de twintigste dag na publicatie van het herziene DAEB Vrijstellingsbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie. Praktische impact Hoewel de herziene versie van het DAEB Vrijstellingsbesluit op het eerste gezicht een groot aantal wijzigingen introduceert, blijft de essentie van het besluit in de praktijk grotendeels hetzelfde. De basisprincipes, zoals het vereiste van een toewijzingsbesluit en verbod op overcompensatie, blijven onverminderd van kracht. Deze basisprincipes worden aangevuld met concrete handvatten die overheden kunnen gebruiken om de woningnood op een flexibelere en efficiëntere wijze tegen te gaan. De praktische implicaties zijn vooralsnog beperkt tot het verwerken van de nieuwe kaders voor sociale en betaalbare huisvesting bij het verlenen van steun aan dit type DAEB’s. Overheden zullen ontlast worden van de tweejaarlijkse rapportageverplichting en hoeven minder frequent op overcompensatie te controleren. Per 1 januari 2028 gaat voor steunverleners de verplichting gelden om steunverleningen boven € 1 miljoen per onderneming per DAEB in een centraal register te registeren. In hoeverre deze wijzigingen de oplossing gaan zijn voor de huisvestingscrisis, moet nu in de praktijk gaan blijken. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Collectieve actie tegen Apple in Nederland: hoe de ‘virtuele ruimte’ van de App Store de bevoegde rechter bepaalt
Op dinsdag 2 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) uitspraak gedaan in de zaak van Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Store Claims tegen Apple. In deze zaak stellen de eisers dat Apple haar machtspositie heeft misbruikt door een commissie van 30% in te houden op aankopen die via de App Store plaatsvinden. Volgens de stichtingen hebben gebruikers hierdoor schade geleden. De stichtingen spanden onder de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Acties (“WAMCA”) een zaak aan bij de Rechtbank Amsterdam namens alle benadeelde gebruikers van de Nederlandse App Store. Deze zaak riep echter een belangrijke vraag op: is de Rechtbank Amsterdam wel bevoegd om zich over een dergelijk geschil te buigen, gezien het feit dat de getroffen gebruikers verspreid zijn over Amsterdam en de rest van Nederland? Achtergrond Op basis van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 is een rechter bevoegd kennis te nemen van een geschil wanneer het schadeveroorzakende feit zich binnen zijn jurisdictie heeft voorgedaan of wanneer de schade daar is ingetreden. De Rechtbank Amsterdam oordeelde dat zij internationaal bevoegd was om het geschil tussen de stichtingen en Apple te behandelen. De rechtbank stelde vast dat de misbruikhandelingen van Apple op Nederlands grondgebied plaatsvonden, omdat de App Store specifiek voor de Nederlandse markt is ingericht en in het Nederlands wordt aangeboden. Bovendien trad de schade in Nederland op: de verhoogde prijzen werden daar betaald door gebruikers met een Nederlandse bankrekening. De rechtbank twijfelde echter aan haar territoriale bevoegdheid en stelde daarom prejudiciële vragen aan het HvJEU. In Nederland bevinden zich immers elf arrondissementen waarbinnen verschillende rechtbanken bevoegd zijn. Bij een strikte toepassing van artikel 7 punt 2 van Verordening 1215/2012 kunnen gebruikers die schade in Nederland lijden door het handelen van Apple uitsluitend een vordering indienen bij de rechtbank in het arrondissement waar hun schade is ingetreden (i.e. vaak waar zij wonen). Een dergelijke strikte benadering zou betekenen dat de stichtingen hun collectieve vorderingen bij elf verschillende Nederlandse rechtbanken moeten indienen. De uitspraak Het HvJEU stelde dat de NL App Store en bepaalde apps die daar worden aangeboden specifiek zijn ontworpen voor de Nederlandse markt. Daarnaast is de voertaal van de NL App Store Nederlands. Hierdoor vormt de NL App Store een ‘virtuele ruimte’ die gelijkgesteld kan worden aan het gehele grondgebied van Nederland. De schade die voortvloeide uit aankopen in deze virtuele ruimte trad dan ook op in het gehele grondgebied van Nederland, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de aankoop bevonden. Elke Nederlandse rechtbank die op grond van artikel 7 lid 2 van Verordening 1215/2012 bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, is daarmee dus tevens territoriaal bevoegd om voor alle gebruikers het gehele geschil te beoordelen. Een dergelijke centralisatie van rechtsmacht bij één rechter sluit aan bij de doelstellingen van Verordening 1215/2012, namelijk het verbeteren van de toegang tot de rechter en het voorkomen van parallelle procedures over hetzelfde geschil. Implicaties van het Apple-arrest voor collectieve vorderingen Deze uitspraak vergemakkelijkt de toegang tot de rechter voor exclusieve belangenbehartigers die namens grote groepen personen optreden. Wanneer een representatieve organisatie een collectieve actie start namens een voldoende omschreven groep die aankopen heeft gedaan in een ‘virtuele ruimte’, heeft elke rechtbank in het land waar die ruimte wordt aangeboden rechtsmacht over de gehele collectieve vordering. Heeft u vragen over het hiervoor besproken arrest of collectieve acties? Neem contact op met Arnout Koeman of één van onze WAMCA-specialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Registratieplicht de-minimissteun per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 wijzigt het administratieve regime voor verlenen van reguliere de-minimissteun en de-minimissteun voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB). De kern: de administratieve verplichting verschuift grotendeels van de begunstigde naar de steunverlener. Overheden moeten reguliere en DAEB de-minimissteun vanaf 1 januari 2026 zelf registreren in een centraal register en vooraf controleren of het relevante de-minimisplafond niet wordt overschreden. Dit in tegenstelling tot het huidige systeem waarin wordt gewerkt met een de-minimisverklaring die wordt opgevraagd bij de steunbegunstigde. Benieuwd wat dit voor u gaat betekenen? Wij zetten het voor u uiteen in onderstaande blog. Wat is staatssteun? Het staatssteunrecht is gericht op het beschermen van de mededinging door oneerlijke bevoordeling van bepaalde ondernemingen door overheden te voorkomen. Dit wordt bereikt door middel van het staatssteunverbod uit art. 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Op grond van art. 107 lid 1 VWEU is sprake van staatssteun indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan: De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht; De steun wordt door staatsmiddelen bekostigd; Met de steun ontvangt de onderneming een economisch voordeel dat niet via de commerciële weg zou zijn verkregen (non-marktconformiteit); De steun is selectief: het geldt voor één of enkele onderneming(en) of een specifieke sector/regio; De steun kan de mededinging vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig beïnvloeden (interstatelijk effect). Indien aan alle bovenstaande voorwaarden is voldaan, is de steun verboden, tenzij deze door de Europese Commissie wordt goedgekeurd of een geslaagd beroep kan worden gedaan op een uitzonderingsgrond. Eén van deze uitzonderingsgronden is de-minimissteun. De-minimissteun De de-minimisverordeningen staan toe dat overheden beperkte steunbedragen toekennen zonder meldingsplicht bij de Commissie. Deze bedragen worden te laag geacht om de interne markt te kunnen beïnvloeden. Er zijn vier typen de-minimissteun, met elk een eigen plafond. Elke onderneming mag maximaal dit plafondbedrag aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. De plafonds gelden per onderneming en per lidstaat. Een Nederlandse B.V. kan dus in totaal – van alle Nederlandse overheden samen – maximaal het relevante plafond aan de-minimissteun ontvangen over een periode van drie kalenderjaren. Administratieve verplichting: oud vs. nieuw De drempelbedragen voor reguliere en DAEB de-minimissteun zijn per 1 januari 2024 verhoogd. Met deze verhoging is ook het administratieve regime gemoderniseerd. Deze modernisering vergt een actievere houding van de steunverlener ten opzichte van het huidige systeem en treedt in werking vanaf 1 januari 2026. Huidige systeem Op grond van het huidige systeem kan de-minimissteun worden verleend nadat 1) de begunstigde door de steunverlener schriftelijk of elektronisch in kennis is gesteld van het steunbedrag en van het de-minimiskarakter ervan, waarbij rechtstreeks naar toepasselijke de-minimisverordening wordt verwezen, en 2) de begunstigde een verklaring heeft ingediend over alle de-minimissteun die deze begunstigde gedurende een periode van drie jaar heeft ontvangen. Kortom, een vrij laagdrempelige administratieve verplichting waar geen termijnen aan zijn gekoppeld. Systeem per 1 januari 2026 Per 1 januari 2026 zal informatie over verleende (DAEB en reguliere) de-minimissteun geregistreerd moeten worden in een centraal register (het eAidregister). De informatie dient uiterlijk binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun geregistreerd te worden, en moet minimaal tot 10 jaar na steunverlening in het register zijn opgeslagen. Overheden mogen pas nieuwe de-minimissteun verlenen nadat in het register is gecontroleerd of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. De volgende gegevens dienen geregistreerd te worden: Identificatie van de begunstigde; Het steunbedrag; De toekenningsdatum; De steunverlenende autoriteit; Het steuninstrument; en De betrokken sector op basis van de NACE-classificatie. Gedurende drie jaar na invoering van het register blijft – naast registratie – de “oude” administratieve verplichting gelden. Overheden zullen gedurende die periode naast de registratie tevens de begunstigde schriftelijk of elektronisch in kennis moeten stellen van het steunbedrag en het de-minimiskarakter met verwijzing naar de verordening, alsook een de-minimisverklaring moeten opvragen. Reguliere en DAEB de-minimissteun die vóór 1 januari 2026 is toegekend, valt onder de “oude” administratieve verplichting en hoeft dus niet geregistreerd te worden. Voor de-minimissteun voor de visserij- en aquacultuursector is nog geen registratieplicht aangekondigd. De-minimissteun voor de landbouwsector wordt aan bovenstaande registratieplicht onderworpen per 1 januari 2027. Praktische impact voor overheden Vanaf 1 januari 2026 zijn overheden belast met de registratieplicht voor reguliere en DAEB de-minimissteun. Overheden zullen binnen 20 werkdagen na toekenning van de steun, de steunverlening alsook de nodige gegevens daaromtrent, in het eAidregister moeten registreren. Ook moet voorafgaand aan de verlening van nieuwe de-minimissteun in het register geverifieerd worden of het toepasselijke drempelbedrag niet wordt overschreden. Gedurende drie jaar na invoering van het register, zal ook de huidige administratieve verplichting nog blijven gelden, oftewel zal de steunverlener naast registratie ook een de-minimisverklaring moeten opvragen en de begunstigde in kennis moeten stellen van het steunbedrag en de-minimiskarakter onder verwijzing naar de toepasselijke verordening. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Of heeft u andere staatssteunrechtelijke vragen? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteun specialisten.
Bel: 0172-503 250