Persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming; de conclusie van A-G Wattel
Op 9 juli 2025 verscheen de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel (ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3096) over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Wet open overheid (Woo). Deze bepaling uit de Woo, die ziet op de openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming, roept in de praktijk de nodige vragen op. Wattel is gevraagd een conclusie te nemen over de uitleg van dit artikel, en met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’. Helaas biedt de conclusie ten aanzien van deze eerste term echter weinig houvast, nu volgens Wattel niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld, aldus de A-G.
Artikel 5.2 van de Woo
Artikel 5.2 van de Woo bevat een uitzonderingsgrond voor persoonlijke beleidsopvattingen. Met deze uitzonderingsgrond is beoogd ambtenaren en andere betrokkenen bij intern beraad te beschermen tegen het bekend worden van hun bijdrage, om zo te voorkomen dat zij zich in het interne beraad terughoudend opstellen.
Het eerste lid bepaalt dat uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad in beginsel geen informatie wordt verstrekt over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
Het tweede lid biedt bestuursorganen de mogelijkheid om deze informatie met het oog op een goede en democratische bestuursvoering toch te verstrekken; in beginsel in niet tot personen herleidbare vorm.
Het derde lid bevat vervolgens een uitzondering voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door bepaalde bestuursorganen, waaronder de minister, het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap. Persoonlijke beleidsopvattingen uit deze documenten dienen altijd openbaar te worden gemaakt, tenzij het kunnen voeren van intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad.
Dit derde lid is in het artikel opgenomen om specifieke bestuursorganen te dwingen meer transparant te zijn over de verschillende inhoudelijke overwegingen die een rol hebben gespeeld in de bestuurlijke besluitvorming.
De zaak: Nunspeet
Aanleiding voor de conclusie van Wattel betreft een zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet had geweigerd een ambtelijk memo openbaar te maken. Dit memo bevatte een advies over de zienswijzen die waren ingediend over een ontwerpbestemmingsplan, en was voorgelegd aan de wethouder van (onder meer) ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit memo niet alleen was opgesteld ten behoeve van intern beraad, maar ook ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Daarom had het college de in dit memo opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar moeten maken, tenzij openbaarmaking het kunnen voeren van intern beraad onevenredig zou schaden, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank had het college onvoldoende gemotiveerd dat dit laatste het geval was.
In het hoger beroep tegen deze uitspraak is advocaat-generaal Wattel verzocht een conclusie te nemen over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Woo; met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’.
Wat valt er onder ‘formele bestuurlijke besluitvorming’?
Wattel stelt dat er niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, en weke documenten dus onder artikel 5.2, derde lid, van de Woo vallen. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Wel geeft hij aan wanneer daarvan géén sprake is: stukken die (nog) niet bedoeld zijn om te worden voorgelegd aan een bestuursorgaan of ambtsdrager ter ondersteuning van een bestuurlijke keuze, vallen in beginsel buiten de reikwijdte van het derde lid. Hetzelfde geldt voor documenten die ‘nog niet rijp’ zijn; die nog circuleren ‘in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen’ waarin ‘er de ruimte (moet) zijn om gedachten en concepten uit te wisselen’.
Onevenredige schade aan het voeren van intern beraad
Of openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in stukken voor formele bestuurlijke besluitvorming het intern beraad onevenredig schaadt, vergt een concrete belangenafweging. Wattel noemt daarbij vier situaties waarin dit zich in elk geval kan voordoen:
Belemmering van het goed functioneren van de overheid;
Gevaar voor de eenheid van kabinetsbeleid;
Betrokkenheid van derden, bijvoorbeeld bij ambtelijke waardering van onderhandelingsposities;
Het risico van persoonlijke beschadiging van ambtenaren.
Daarnaast merkt Wattel op dat artikel 5.2, derde lid, de toepassing van andere uitzonderingsgronden uit artikel 5.1 van de Woo niet uitsluit. Ook daar kunnen belangen worden aangetroffen die het belang van intern beraad raken, zoals het belang van het goed functioneren van de overheid (artikel 5.1, tweede lid, onder i) of het voorkomen van onevenredige benadeling (artikel 5.1, vijfde lid).
Het beoordelingsschema van Wattel
De conclusie bevat ook een beoordelingsschema voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dit schema luidt als volgt:
Bevat het document persoonlijke beleidsopvattingen?
Nee: openbaar maken, tenzij andere uitzonderingsgronden daaraan in de weg staan
Ja: is het opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming?
Nee: openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen kan geweigerd worden.
Ja: openbaar maken in niet tot personen herleidbare vorm tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig geschaad zou worden (of een ander belang bedoeld in artikel 5.1 van de Woo zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarmaking).
Toepassing op de zaak
In de zaak waarin de conclusie is gevraagd was het ontwerpbestemmingsplan naar aanleiding van het memo van tafel gegaan en was er een herziene versie van het plan opgesteld. Volgens Wattel kwalificeert het memo daarom als een document als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, Woo (een ‘fbb-stuk’).
De afweging of openbaarmaking van (delen van) het memo desondanks achterwege kan blijven vanwege onevenredige schade aan het intern beraad, laat Wattel over aan de Afdeling. Hij schetst hiervoor twee benaderingen: een principiële, waarbij het goed functioneren van de overheid c.q. het voorkomen van onevenredige benadeling c.q. voorkoming van onevenredige belemmering van intern juridisch beraad zwaarder kan wegen dan het algemene belang van openbaarmaking, en een meer casuïstische, waarbij zwaarder kan wegen dat openbaarmaking juist in dit geval kan bijdragen aan transparantie en herstel van vertrouwen. Wattel spreekt zelf een lichte voorkeur uit voor de eerste benadering.
Vervolg
Het is nu aan partijen om te reageren op de conclusie. Daarna doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraak in de zaak waarin deze conclusie is gevraagd.