Publicaties

Rachel de Jong – La Gro
Rachel de Jong
Advocaat
Online contracteren met consumenten: vergeet de informatieverplichting niet!
Ondernemers opgelet: sluit u online overeenkomsten met consumenten? Dan heeft u waarschijnlijk te maken met een ‘overeenkomst op afstand’. Dit brengt voor de ondernemer strenge informatieverplichtingen met zich mee. Uit recente uitspraken blijkt dat ondernemers zich vaak niet bewust zijn van deze wettelijke informatieverplichting, wat grote financiële gevolgen kan hebben. Zo kan het ertoe leiden dat een consument niets hoeft te betalen voor de geleverde diensten. Hieronder leest u wat u minimaal moet regelen en waar het in de praktijk vaak misgaat. Wanneer is sprake van een overeenkomst op afstand? Een overeenkomst op afstand is een overeenkomst die tussen ondernemer en consument wordt gesloten zonder gelijktijdige persoonlijke aanwezigheid, en waarbij tot het moment van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer middelen voor communicatie op afstand (art. 6:230g lid 1e BW). Een overeenkomst wordt ook als overeenkomst op afstand beschouwd wanneer de consument de verkoopruimte wel heeft bezocht, maar daar enkel informatie over de goederen en/of diensten heeft vergaard, waarna de onderhandeling over – en het sluiten van de overeenkomst op afstand plaatsvinden. Of sprake is van een overeenkomst op afstand is, onder andere, afhankelijk van of de overeenkomst in persoon is besproken. Dit blijkt onder andere uit twee uitspraken uit 2024, die beiden gaan over een overeenkomst tussen een kinderdagverblijf en een ouder. In beide gevallen is de ouder op het kinderdagverblijf geweest voor een rondleiding en een kennismakingsgesprek. In beide gevallen komt de overeenkomst een aantal dagen later op digitale wijze tot stand. In de ene zaak wordt geoordeeld dat géén sprake was van een overeenkomst op afstand, omdat tijdens de rondleiding de overeenkomst en algemene voorwaarden inhoudelijk waren doorgenomen (ECLI:NL:GHDHA:2024:836). In de andere zaak was het wél een overeenkomst op afstand, omdat op de locatie van het kinderdagverblijf niet over de overeenkomst was gesproken en alles vervolgens online was afgewikkeld (ECLI:NL:RBNHO:2024:13499). Doorslaggevend was in deze gevallen dus of de overeenkomst in persoon was besproken vóór het sluiten van de overeenkomst. Welke informatieverplichtingen gelden voor de ondernemer? Bij een overeenkomst van afstand rusten specifieke informatieverplichtingen op de ondernemer (art. 6:230m lid 1 en 6:230v lid 3 BW). De rechter zal ambtshalve toetsen of aan deze informatieverplichtingen is voldaan.   Zo dient de ondernemer de consument bijvoorbeeld te informeren over: de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten; de identiteit en het adres (+ contactgegevens) van de ondernemer; de totale prijs van de zaken of diensten; de door te berekenen kosten voor het sluiten van de overeenkomst op afstand (bijv. administratiekosten); de wijze en termijn van betaling en levering; de duur van de overeenkomst; het recht en de wijze van ontbinding (herroepingsrecht); en diens rechten bij non-conformiteit. Naast de verplichting om bovenstaande informatie te verschaffen, schrijft de wet ook voor op welke wijze deze informatie moet worden verschaft. De informatie moet aan de consument worden verschaft op een manier die passend is voor het gebruikte communicatiemiddel (art. 6:230m lid 3 BW). Zo kan in een webshop de informatie op een andere manier getoond worden dan bijvoorbeeld via een e-mail of portal. Cruciaal is dat de essentiële informatie in duidelijke en begrijpelijke taal wordt verstrekt. Voorts geldt voor specifieke informatie (zoals de totale prijs van de zaken of diensten, de duur van de overeenkomst en de verplichtingen voor de consument) dat deze vlak vóór het sluiten van de overeenkomst op een duidelijk en in het oog springende manier moet worden getoond aan de consument (6:230v lid 2 BW). Kort na het sluiten van de overeenkomst moet de verschafte informatie worden bevestigd op een ‘duurzame gegevensdrager’, wat inhoudt dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen inzien en bewaren, bijvoorbeeld een e-mail of pdf. Daarbij geldt wel dat ook voorafgaand aan de overeenkomst deze informatie moet zijn verschaft en dat de ondernemer de consument expliciet en concreet moet wijzen op waar die informatie staat. Het enkel opnemen van de essentiële voorwaarden in de algemene voorwaarden of op de website van de ondernemer is niet voldoende. Sancties bij schending informatieverplichting Bij een voldoende ernstige schending van de informatieplichten moet de rechter een sanctie toepassen, zo volgt uit de wet en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en de Hoge Raad. De sancties die worden toegepast zijn niet mals en kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de ondernemer. Voor enkele verplichtingen zijn specifieke sancties opgenomen in de wet: Is de consument niet op onmisbare wijze geïnformeerd over de betalingsverplichting die het plaatsen van de bestelling tot gevolg heeft, dan is de overeenkomst vernietigbaar. Kosten die niet vooraf duidelijk zijn vermeld, zoals kosten van terugzending, is de consument niet verschuldigd. Is niet voldaan aan de verplichting om een consument te informeren over diens herroepingsrecht van veertien dagen, wordt de termijn van herroeping verlengd. De consument krijgt dan vanaf het moment dat alle benodigde informatie is verstrekt, alsnog een termijn van veertien dagen, waarbij geldt dat de totale termijn maximaal verlengd wordt tot een periode van één jaar (art. 6:230o lid 2 BW). Als binnen de verlengde herroepingstermijn de overeenkomst wordt herroepen, is de consument geen vergoeding verschuldigd voor de geleverde diensten of voor de waardevermindering van het geleverde goed. In de zaak van het kinderdagverblijf waren de ouders niet gewezen op het herroepingsrecht. Tot een jaar na het sluiten van de overeenkomsten konden de ouders de overeenkomst nog herroepen. Als gevolg van de herroeping waren zij voor de geleverde diensten voor de duur van bijna een jaar geen kosten verschuldigd. Oftewel: de ouders hoefden niet te betalen voor de opvang van hun kinderen en het kinderdagverblijf heeft bijna een jaar lang ‘gratis’ diensten geleverd, omdat zij bij het sluiten van de overeenkomst niet aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan. Wanneer de bovenstaande specifieke wettelijke sancties niet worden toegepast of de overige informatieplichten zijn geschonden, geldt dat rechters als sanctie de overeenkomst (gedeeltelijke) kunnen vernietigen, met substantiële vermindering van de hoofdsom. De rechtbanken in Nederland hebben hiervoor de Richtlijn Sanctiemodel Informatieplichten opgesteld. Daaruit blijkt hoe meer essentiële informatieplichten zijn geschonden, hoe meer de hoofdsom kan worden verminderd, met ten minste 20% vanaf één schending, en ten hoogste 60% bij meer dan drie schendingen. Aanbevelingen Als ondernemer is het van belang in kaart te brengen via welke kanalen u contracteert en of daarbij sprake is van een overeenkomst op afstand. Let daarbij op dat ook wanneer consumenten op locatie zijn geweest, alsnog sprake kan zijn van een overeenkomst op afstand. De ondernemer dient op te hoogte te zijn van de informatieverplichtingen die gelden bij een dergelijke overeenkomst en hoe de informatie duidelijk en volledig aan de consument kan worden verschaft, want de sancties zijn fors. Om te zorgen dat het naleven van informatieverplichtingen bij een overeenkomst op afstand in orde is, zou bijvoorbeeld het bestelproces gestandaardiseerd kunnen worden, of kan een standaard set aan documenten opgesteld worden die een consument ontvangt bij het aangaan van de overeenkomst. Heeft u vragen over dit onderwerp, twijfelt u of u op de juiste manier aan de informatieverplichting voldoet of wilt u advies over het standaardiseren van uw bestelproces? Neem dan contact op met Rachel de Jong, Sophie ten Broecke of één van onze andere specialisten uit het team Commerciële Contracten.
Annemiek Varkevisser 2 – La Gro
Annemiek Varkevisser
Advocaat
Vakantiedagen na 2 jaar ziekte: risico’s voor werkgevers
Werkgevers opgelet: waarschijnlijk ook opbouw van vakantiedagen na twee jaar ziekte! De wet: de opbouw van vakantiedagen is gekoppeld aan recht op loon In artikel 7:634 BW wordt de opbouw van vakantiedagen gekoppeld aan het recht op loon, dus stopt het loon, dan stopt ook de opbouw van vakantiedagen (tenzij specifieke regeling). Voor een zieke werknemer geldt een loondoorbetalingsverplichting van 104 weken. Na 104 weken is er in beginsel geen recht meer op loon en dus ook geen opbouw van vakantiedagen meer. Zo wordt dit nu ook in de praktijk toegepast. Europees Recht Het Europees Recht hanteert echter een andere maatstaf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie koppelt wettelijke vakantierechten aan het verrichten van arbeid. Daarbij mag geen onderscheid worden gemaakt tussen werknemers die wel werken en werknemers die (wegens ziekte) niet werken. In de literatuur werd daarom al betoogd dat de Nederlandse koppeling aan loon in strijd is met het Europese recht. De Hoge Raad heeft zich hier tot op heden nog niet over uitgelaten. Rechtbank Gelderland: wél opbouw vakantiedagen na twee jaar ziekte De rechtbank Gelderland heeft nu in lijn met het Europese recht geoordeeld over de vraag of een werknemer na twee jaar ziekte vakantiedagen opbouwt, ook al werd geen loon meer betaald. De kantonrechter merkt op dat in de literatuur meermaals is aangegeven dat artikel 7:634 BW in strijd is met artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88/EG en met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hoewel de rechter niet richtlijnconform mag uitleggen als dat contra legem (in strijd met de wet) zou zijn, biedt artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitkomst in geschillen tussen particulieren. De kantonrechter overweegt dat als het nationaal recht niet is te verenigen met het Handvest, de rechter het nationale artikel buiten toepassing moet laten. Het gevolg? Artikel 7:634 BW blijft in dit geval buiten toepassing. De opbouw van wettelijke vakantiedagen loopt door tijdens de volledige ziekteperiode, ook na twee jaar ziekte en ook zonder loonaanspraak. In deze zaak moest de werkgever de niet-genoten wettelijke vakantiedagen uitbetalen tot het einde van het dienstverband. Gevolgen voor de praktijk Gezegd zou kunnen worden dat dit slechts één uitspraak is van de kantonrechter, maar wij verwachten dat in een eventueel hoger beroep en uiteindelijk door de Hoge Raad hetzelfde zal worden geoordeeld. De kans is dus groot dat dit de nieuwe praktijk zal worden. De vraag is dan vervolgens hoever de gevolgen strekken. In deze uitspraak ging het om een zieke werknemer, maar niet uitgesloten is dat dit ook gaat gelden bij een werknemer die onbetaald verlof geniet of onbetaald ouderschapsverlof opneemt. Daarnaast speelt ook het voornemen van de regering om de compensatieregeling voor de transitievergoeding af te schaffen voor grotere werkgevers. Het is de vraag of de werkgever na de afschaffing nog verplicht is om mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband onder uitbetaling van de transitievergoeding (de Xella-verplichting). Vóór de inwerkingtreding van de compensatieregeling was het namelijk vaste rechtspraak dat het slapend houden van het dienstverband niet snel in strijd met het goed werkgeverschap was. Onduidelijk is of dat straks weer de regel wordt. Als de opbouw van vakantiedagen doorloopt als de loonbetalingsplicht is geëindigd zal het slapend houden van het dienstverband voor de werkgever een stuk onaantrekkelijker worden. Voor de werknemer zal het juist ‘voordelig’ worden om (af) te wachten en niet meer – kort na de 104 weken – actief om beëindiging van het dienstverband te vragen: doorbetaling van de wettelijke vakantiedagen levert de werknemer jaarlijks ongeveer een maandsalaris op. Tips voor de werkgever Hoewel dit nog geen wet of vaste rechtspraak is, adviseren wij u wel om hierop vooruit te lopen. Het is voor u als werkgever belangrijk om te proberen de arbeidsovereenkomst zo dicht mogelijk op de 104 weken termijn te beëindigen, om een oplopende transitievergoeding én saldo vakantiedagen te voorkomen. In dat kader de volgende tips: Ga ruim op tijd met uw werknemer in gesprek over een mogelijke beëindiging met wederzijds goedvinden, zodat uw werknemer voldoende tijd heeft om daarover na te denken. De uitbetaling van de transitievergoeding zal voor veel werknemers aantrekkelijk blijven; bij een slapend dienstverband vindt die betaling (nog) niet plaats. Neem in de beëindigingsovereenkomst met uw werknemer het concrete saldo openstaande vakantiedagen op en een bepaling rondom finale kwijting. Dan kan de werknemer niet later met terugwerkende kracht nog vakantiedagen over de periode na 104 weken ziekte vorderen. Indien de werknemer niet wenst mee te werken met een beëindigingsregeling of bijvoorbeeld de WIA-beslissing wil afwachten, adviseren wij om snel – dus ruim voor het einde van de 104 weken – een UWV-procedure te starten. Daarmee voorkomt u dat de arbeidsovereenkomst (veel) langer doorloopt. Contact Heeft u vragen over vakantie en langdurige ziekte of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Annemiek Varkevisser, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrechtspecialisten.
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
Van fraude naar voortgezet dienstverband: hoe ontslag niet altijd standhoudt
Een werknemer die fraude pleegt, kan reden zijn voor ontslag op staande voet. Alternatief kan zijn om aan de werknemer een ‘kale’ vaststellingsovereenkomst aan te bieden of de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst te laten opzeggen. Dit laatste is niet altijd zonder risico. Een werknemer kan daarop soms met succes terugkomen met als gevolg dat het ontslag van tafel gaat en de arbeidsovereenkomst voortduurt. Illustratief daarvoor is een recente zaak van de rechtbank in Limburg. Wat speelde er in deze fraudezaak? Een assistent-filiaalmanager van een Health & Beauty-winkel nam zonder toestemming geschenken mee. Toen dit aan het licht kwam, bood werkgever haar een verklaring aan waarin zij zelf haar arbeidsovereenkomst opzegde. Werkneemster tekende, maar kwam daar later op terug. Ze stelde dat ze handelde onder druk en in een emotionele bui, en eiste haar baan terug. Oordeel kantonrechter over de opzegging De kantonrechter vernietigde de opzegging: werkneemster zat ten tijde van het tekenen in een medisch traject, was psychisch kwetsbaar en handelde niet uit vrije wil. Omdat zij niet zelf het initiatief nam tot ontslag en werkgever onvoldoende had onderzocht of het haar werkelijke intentie was, mocht werkgever er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat werkneemster haar wil op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst was gericht, aldus de kantonrechter. Les voor de praktijk Werkgever kwam van een koude kermis thuis: door de vernietigde opzegging blijft de arbeidsovereenkomst in stand. Doordat er inmiddels ruim vier maanden was verstreken, kon een rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens fraude niet langer meer door werkgever worden gegeven. De arbeidsovereenkomst blijft dus van kracht en werkgever moet werkneemster tewerkstellen en het (achterstallige) loon betalen.  Tip voor werkgevers bij fraude Overweeg je een ontslag op staande voet te geven, maar wil je een alternatief aanbieden? Ga bij een ontslagverklaring dan zorgvuldig te werk: controleer of werknemer zich ervan bewust is dat hij zelf de arbeidsovereenkomst eindigt en ook bekend is met de gevolgen daarvan (geen uitkering wegens verwijtbare werkeloosheid). Of overweeg het geven van een voorwaardelijk ontslag op staande voet. Het ontslag wordt dan gegeven onder de voorwaarde dat werknemer niet binnen een heel korte tijd instemt met een beëindigingsovereenkomst en/of hij of zij deze instemming intrekt. Stemt werknemer niet in en/of trekt hij of zij die instemming later in, dan wordt het ontslag op staande voet onvoorwaardelijk en is de arbeidsovereenkomst alsnog geëindigd. Zo waarborg je de juridische zekerheid, ook als de werknemer later op zijn of haar beslissing terugkomt.   Contact Heeft u vragen over ontslag op staande voet of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Rose Horstman  of een van onze andere Arbeidsrecht specialisten.  Vindplaatsen: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:6470
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Advies Internationaal Gerechtshof: niet naleving klimaatafspraken kan leiden tot negatieve gevolgen voor ondernemingen en overheden
Op 23 juli 2025 heeft het Internationaal Gerechtshof een baanbrekend advies gegeven over de internationaalrechtelijke verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering en niet naleving van klimaatafspraken. In deze bijdrage bespreken wij de kern van het advies en de mogelijke impact ervan op de nationale en internationale rechtspraak over klimaataansprakelijkheid van ondernemingen en staten. Aanleiding: de oproep van Vanuatu Het initiatief voor deze procedure kwam van de eilandstaat Vanuatu, die door de stijgende zeespiegel en extreme weersomstandigheden wordt bedreigd. Op 29 maart 2023 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 77/276 aan, waarin het Internationaal Gerechtshof werd verzocht om een advies te geven over (kortgezegd) de volgende vragen: Wat zijn de verplichtingen van staten onder internationaal recht met betrekking tot klimaatverandering die door de mens veroorzaakt is? Wat zijn de juridische gevolgen voor staten die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan het klimaat en andere delen van het milieu waarvan toekomstige generaties en bepaalde staten de gevolgen van ondervinden? Wat is de inhoud van het advies over de niet naleving van klimaatafspraken? Het Internationaal Gerechtshof bevestigt dat staten verplicht zijn het klimaat te beschermen. Deze verplichtingen vloeien voort uit het VN-Handvest, het VN-Klimaatverdrag, het Parijsakkoord, de rechten erkend in de Universele Verklaring van de rechten van de Mens, het internationaal gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen. Het Internationaal Gerechtshof kwalificeert deze verplichtingen als erga omnes. Dit betekent dat deze verplichtingen voor iedere staat gelden. Ook staten die geen partij zijn bij de klimaatverdragen kunnen dus gehouden zijn tot het nemen van effectieve maatregelen ter beperking van klimaatverandering. Bovendien geldt een verplichting tot samenwerking tussen staten en moeten zij elkaar ondersteunen. Opvallend is het oordeel over aansprakelijkheid: staten die hun klimaatverplichtingen niet nakomen en daardoor schade veroorzaken, kunnen gehouden zijn die schade volledig te vergoeden. Een staat die onvoldoende maatregelen neemt ter reductie van zijn CO2-uitstoot kan dus in theorie aansprakelijk zijn jegens een ander land dat schade daarvan ondervindt. Hierbij geldt wel een complexe causaliteitsdrempel. Wat is de juridische betekenis? Niet bindend, wél invloedrijk Hoewel het advies niet bindend is, is de juridische en politieke impact ervan potentieel groot. Wereldwijd lopen er momenteel duizenden rechtszaken over klimaatverandering, waaronder ook een aantal in Nederland. Denk onder meer aan de procedure van Milieudefensie tegen ING en het lopende cassatieberoep in de zaak van Milieudefensie tegen Shell. Het advies van het Internationaal Gerechtshof houdt in dat niet-naleving van internationale klimaatafspraken concrete gevolgen moet krijgen. Dit sluit aan bij een trend in de Nederlandse rechtspraak, waarin internationale klimaatafspraken concrete verplichtingen voor ondernemingen en de Staat met zich meebrengen. Zo oordeelde het Gerechtshof Den Haag in de Shell-zaak bijvoorbeeld dat internationale klimaatafspraken bijdragen aan een verplichting voor ondernemingen als Shell om hun uitstoot van CO2-emissies te verminderen. Ook de reductieverplichting die de Hoge Raad in het Urgenda-arrest aan de Staat oplegde werd mede op basis van internationale klimaatafspraken onderbouwd. In de procedure tegen ING, waarin nog geen inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, doet Milieudefensie in haar dagvaarding tevens een beroep op zulke afspraken. Het is dus niet uitgesloten dat het niet-bindende oordeel van het Internationaal Gerechtshof een rol gaat spelen in toekomstige klimaatzaken tegen banken, andere ondernemingen en overheden, zowel in Nederland als daarbuiten. Meer weten? Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u sparren over de gevolgen van het oordeel van het Hof? Neem dan contact op met het Energie team of het Climate Litigation-team van La Gro. Wij denken graag met u mee.
Kimberly Meijs – La Gro
Kimberly Meijs
Advocaat
Wat de transparantieplicht in de AI-verordening betekent voor de journalistiek
Recent publiceerde het NRC een artikel over de AI-worsteling van de journalistiek.[1] Daarin werd besproken hoe vier grote Vlaamse tijdschriften artikelen hadden laten genereren door AI zonder dit te melden aan de lezers. Zo werden meer dan de helft van de in 2025 gepubliceerde artikelen in het tijdschrift Elle geschreven door verzonnen auteurs met AI-gegenereerde profielfoto’s. [2] Ook werden eerder AI-gegenereerde boekenlijsten gepubliceerd, waar niet-bestaande boeken op bleken te staan. ​     ​ Al kan nuttig zijn in de journalistiek, bijvoorbeeld om het redactionele proces van de journalist te verrijken. De journalistiek is echter ook gebaseerd op vertrouwen. Een deel van dit vertrouwen is gebaseerd op de mogelijkheid om de bron van informatie te identificeren. Door de opkomst van AI komt dit steeds meer onder druk te staan. Zoals omschreven in overweging 133 van de AI-verordening: ‘De brede beschikbaarheid en toenemende capaciteit van deze systemen hebben een aanzienlijke impact op de integriteit van en het vertrouwen in het informatie-ecosysteem, waardoor nieuwe risico’s op desinformatie en manipulatie op grote schaal, fraude, imitatie en consumentenbedrog ontstaan.’ Wanneer media AI inzetten om teksten te genereren, zonder duidelijk te maken dat een computeralgoritme daaraan heeft bijgedragen, ontstaat het risico dat de herkomst van het nieuws onduidelijk wordt. In deze bijdrage zal om die reden worden stilgestaan bij de transparantieverplichtingen uit de AI-verordening die op dergelijk gebruik van AI van toepassing zijn. Een vraag die centraal staat is of deze de risico’s die gepaard gaan met het gebruik van AI in journalistiek voldoende ondervangen of dat er wellicht meer specifiek beleid is vereist. Wat houdt de transparantieverplichtingen van de AI-verordening in? De AI-verordening is op 12 juli 2024 formeel vastgesteld en vormt het eerste uitgebreide wettelijke kader binnen de EU voor het gebruik van kunstmatige intelligentie.[3] De verordening classificeert AI-systemen op basis van risico en legt verplichtingen op aan zowel aanbieders als gebruikersverantwoordelijken. Een aanbieder van een AI-systeem is de partij die het AI-model voor algemene doeleinden ontwikkelt of laat ontiwkkelen en dat systeem of model in de handel brengt of het AI-systeem in gebruik stelt onder eigen naam of merk. Een gebruikersverantwoordelijke is daarentegen de partij die een AI-systeem onder eigen verantwoordelijkheid gebruikt, tenzij het AI-systeem wordt gebruitk in het kader van een persoonlijke niet-beroepsactiviteit. Journalisten zullen in veel gevallen kwalificeren als gebruikersverantwoordelijke. Onderzoek laat zien dat hun lezers het belangrijk vinden om te beschikken over de bron van informatie van een nieuwsartikel dat zij lezen. Zij voelen zich mogelijk gemanipuleerd wanneer zij hierover niet geïnformeerd zijn.[4] Dit sluit aan bij de stelling van de Nederlandse Vereniging voor Journalistiek, dat vertrouwen de kern van journalistiek is. Hierop sluit aan dat het een journalist op grond van de NVJ-code verantwoordelijk is voor de juistheid en controleerbaarheid van de feiten. Het publiceren van onjuiste informatie kan leiden tot een klacht bij de Raad voor de Journalistiek. Als een klacht gegrond wordt verklaard, wordt van het medium verwacht dat het de uitspraak publiceert, met mogelijke reputatieschade tot gevolg. Deze bijdrage richt zich op de transparantieverplichtingen voor gebruikersverantwoordelijken van generatieve AI-systemen, zoals tekst- en beeldgeneratoren en haar effecitiviteit ter voorkoming van desinofrmatie.  Met betrekking tot AI-gegenereerde tekst bepaalt artikel 50 lid 4 van de AI-verordening het volgende: ‘Gebruikersverantwoordelijken van een AI-systeem dat tekst genereert of bewerkt die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang, maken bekend dat de tekst kunstmatig is gegenereerd of bewerkt. Deze verplichting is echter niet van toepassing wanneer het gebruik bij wet is toegestaan om strafbare feiten op te sporen, te voorkomen, te onderzoeken of te vervolgen of wanneer de door AI gegenereerde content een proces van menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan en wanneer een natuurlijke of rechtspersoon redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de bekendmaking van de content.’ Het niet vermelden van het gebruik van AI, wanneer de uitzondering niet van toepassing is, wordt in artikel 99 van de AI verordening beboet met hoogstens EUR 15 miljoen of 3% van de jaaromzet. Wat is een aangelegenheid van algemeen belang? Een van de eerste vragen die deze bepaling oproept is wanneer sprake is van tekst die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang. Ieder geschreven artikel kan het publiek informeren over aangelegenheden van algemeen belang. Aangenomen is dat het betrekking heeft op aangelegenheden die eenieder aangaan. Wanneer daarvan gesproken kan worden is erg contextafhankelijk. Zo kan een artikel dat pas na verloop van tijd het algemeen belang werk ook worden geacht het publiek te informeren. Wat zijn de uitzonderingen? twee cumulatieve voorwaarden In beginsel dient bij het gebruik van AI voor tekstgeneratie in nieuwsberichten, waarvan wordt verondersteld dat deze het publiek informeren over een aangelegenheid van algemeen belang, te worden vermeld dat AI is gebruikt. Er is één belangrijke uitzondering, waarin twee cumulatieve vereisten zijn verbonden. De verplichting tot vermelding is niet van toepassing wanneer is voldaan aan de volgende twee cumulatieve vereisten: (i) de AI-     gegenereerde content een proces van menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan en (ii) wanneer een natuurlijke of rechtspersoon verantwoordelijkheid draagt voor de bekendmaking van de content. Ook deze vereisten roepen vragen op. Is het voldoende dat een tekst door een journalist wordt nagelezen? Of moet de tekst ook daadwerkelijk worden herschreven? Piasecki e.a. gingen er in hun eerdere bijdrage vanuit dat dit vereiste moet worden geïnterpreteerd als het vereist redigeren en herschrijven van door AI gegenereerde teksten.[5] Visser en Klopper wijzen in een andere richting: zij gaan ervan uit dat: de uitzondering in veel gevallen van toepassing zal zijn, omdat de meeste nieuwsberichten onderhevig zullen zijn aan ten minste enige mate van redactionele controle.[6] Gezien de bedoeling om desinformatie te voorkomen lijkt mij het vooralsnog aannemelijk dat niet direct is bedoeld dat teksten volledig dienen te worden geredigeerd, maar dat gebruikersverantwoordelijken niet klakkeloos de informatie uit een AI-gegenereerde tekst moeten overnemen. Die redenering lijkt meer aan te sluiten bij de toepassing van de uitzondering door Klopper en Visser. Met andere woorden, de uitzondering voor nieuwsberichten zal veelal kunnen worden gebruikt omdat de drempel voor redactionele controle en verantwoordelijkheid relatief laag is. Hoewel de transparantieverplichting de lezer in dit geval van informatie over AI gebruik heeft willen voorzien, lijkt de formulering van de uitzondering ervoor te zorgen dat AI-gegenereerde teksten alsnog zonder vermelding kunnen worden gebruikt, zo lang zij maar enigszins zijn nagelopen.  Om die reden kan de effectiviteit van dit instrument tegen mogelijke hallucinaties in AI-gegenereerde teksten in nieuwsberichten twijfel worden getrokken. De AI-verordening noemt de stimulans voor het opstellen van praktijkcodes om doeltreffende uitvoering van de verplichtingen met betrekking tot het opsporen en het aanmerken van kunstmatig gegenereerde of gemanipuleerde content te vergemakkelijken.[7] Ook zal de Commissie nog richtsnoeren over de praktische implicaties van de transparantieverplichtingen uit artikel 50 AI-verordening publiceren.[8] Dit biedt hopelijk meer duidelijkheid over de bedoeling van de transparantieverplichting en de invulling van de genoemde menselijke toetsing en redactionele controle. Conclusie en aanbeveling Concluderend, biedt de AI‑verordening met artikel 50 een kader voor transparantie in de journalistiek. Enerzijds verplicht zij tot duidelijkheid over AI‑gebruik in nieuwsartikelen, anderzijds laat de uitzondering van vermelding bij ‘redactionele controle en redactionele verantwoordelijkheid’ ruimte voor interpretatie. Hierdoor zouden nieuwsberichten ongewijzigd kunnen blijven verschijnen zonder expliciete vermelding van AI-gebruik. Deze ambiguïteit ondermijnt het doel van de AI-verordening om desinformatie, hallucinaties en misleiding tegen te gaan, waardoor de effectiviteit van de transparantieverplichting in nieuwsberichten onzeker is. Om de beoogde integriteit van en het vertrouwen in het informatie-ecosysteem te waarborgen bieden de aangekondigde richtsnoeren mogelijk soelaas. Om praktische missers te voorkomen is het raadzaam voor nieuwsaanbieders om duidelijk beleid op te stellen voor het gebruik van AI-gegenereerde tekst. Voor nieuwsaanbieders luidt het huidige advies:       integreer de transparantieverplichting in het redactiebeleid en wees proactief om verspreiding van desinformatie te voorkomen. Enkele aanbevelingen: Houd redactionele controle: laat journalisten een AI-gegenereerde tekst altijd nalezen en zonodig herschijven. Stel hiervoor duidelijke richtlijnen op: leg in redactieprotocollen vast hoe en wanneer AI-tools mogen worden ingezet. Transparantie in de tekst: maak expliciet bekend wanneer een onderdeel van een artikel door AI is gegenereerd. Doe dit met een korte vermelding of een disclaimer bij het artikel. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp, of wilt u als redactie of organisatie beter voorbereid zijn op de juridische en praktische gevolgen van de AI-verordening? Aarzel dan niet om contact op te nemen met Kimberly Meijs of een van onze andere data en privacy specialisten. Referenties [1] M. Reiniers, ‘De AI-worsteling van de journalistiek: ‘De menselijke journalist is echt nodig’ NRC. [2] Buytaert e.a., ‘ Sophie Vermeulen bestaat niet, maar schreef wel 403 artikels voor magazine Elle, blijkt uit onderzoek van VRT NWS’ VRT NEWS. [3] Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 300/2008, (EU) nr. 167/2013, (EU) nr. 168/2013, (EU) 2018/858, (EU) 2018/1139 en (EU) 2019/2144, en de Richtlijnen 2014/90/EU, (EU) 2016/797 en (EU) 2020/1828 (verordening artificiële intelligentie). [4] Piasecki e.a., ‘AI-generated journalism: Do the transparency provisions in the AI Act give news readers what they hope for?’  Internet Policy Review, Volume 13, Issue 4. [5] Piasecki e.a., ‘AI-generated journalism: Do the transparency provisions in the AI Act give news readers what they hope for?’  Internet Policy Review, Volume 13, Issue 4. [6] J. Klopper & D. Visser, ‘Vermelding gebruik AI bij AI-gegenereerde content’, Bb 2024/51. [7] Artikel 50 lid 7 AI-verordening. [8] Artikel 96 AI-verordening.
Jan Baas 2
Jan Baas
Advocaat
Nieuwe EU-regels voor politieke reclame: aanbieders van reclamediensten opgelet!
Bent u actief in marketing, communicatie, media of biedt u online reclamediensten aan? Of bent u als organisatie of politieke partij betrokken bij het inkopen van reclame? Dan krijgt u vanaf 10 oktober 2025 te maken met de nieuwe Europese Verordening 2024/900 over transparantie en gerichte politieke reclame. Deze regels brengen niet alleen nieuwe verplichtingen met zich mee, maar ook aanzienlijke risico’s bij niet-naleving. In dit blog leggen wij uit wat deze verordening voor uw organisatie betekent en hoe u zich hierop kunt voorbereiden. Wat is politieke reclame volgens de verordening? De verordening hanteert een brede definitie van politieke reclame. Politiek reclame omvat alle communicatie die de publieke opinie wil beïnvloeden rond verkiezingen of politieke thema’s, ook als deze niet van politieke partijen afkomstig is. De verplichtingen kunnen dus ook gelden voor maatschappelijke organisaties, bedrijven of lobbygroepen. Verplichtingen voor aanbieders en uitgevers van reclamediensten De nieuwe regels zijn van toepassing op alle partijen die politieke reclame aanbieden of inkopen, dus zowel aanbieders als opdrachtgevers. Aanbieders van reclamediensten – van online platforms tot mediabureaus – moeten voortaan onder andere: Navragen of een advertentie politieke reclame is, wie de opdrachtgever is, wie zeggenschap heeft over de opdrachtgever, waar financiering vandaan komt en andere informatie opvragen die van belang is om aan de verordening te voldoen; De verkregen informatie vastleggen; Redelijke maatregelen nemen om te controleren of de opgave van de opdrachtgever klopt; Transparantie bieden over politieke advertenties die via hun platform lopen; Voorzien in een mechanisme door middel waarvan niet-naleving van de verordening kan worden gemeld. Aanbieders mogen niet discrimineren op basis van de verblijfplaats of plaats van vestiging van de opdrachtgever. In de laatste drie maanden voorafgaand aan een verkiezing mogen politieke reclamediensten in verband met die verkiezingen echter niet worden verricht voor opdrachtgevers van buiten de Europese Unie. Ook dit moeten de aanbieders navragen bij hun opdrachtgevers. Wat betekent dit voor opdrachtgevers? Opdrachtgevers zijn verplicht om bij elke reclame-uiting aan te geven of het politieke reclame betreft en volledig transparant te zijn over financiering en doelstellingen. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot sancties. Bovendien moeten opdrachtgevers rekening houden met strengere transparantie-eisen, zoals het vermelden van de financiering en de doelstellingen van de campagne. Verwerking van persoonsgegevens en targeting Wat is targeting bij politieke reclame? Targeting houdt in dat politieke reclame specifiek wordt gericht op bepaalde groepen of individuen. Dit gebeurt bijvoorbeeld op basis van hun online gedrag, locatie of demografische gegevens. Targeting mag in het kader van politieke reclame alleen als daarvoor toestemming is gegeven. Ook mogen alleen persoonsgegevens worden gebruikt die de verwerkingsverantwoordelijke zelf van de betrokkene heeft verkregen, en dus geen data van derden. Deze regels gelden in het algemeen voor technieken voor de aanlevering van reclameboodschappen rondom politieke reclame die gepaard gaan met de verwerking van persoonsgegevens. Als de verwerkingsverantwoordelijke met redelijke zekerheid weet dat de betrokkene jonger is dan 17, mogen geen persoonsgegevens worden verwerkt voor het aanbieden van politieke reclame. Transparantie en verantwoording bij targeting Aanbieders en uitgevers van reclamediensten moeten zich houden aan strenge accountability- en transparantieverplichtingen. Zo moeten zij een intern beleid vaststellen en bewaren; registers bijhouden; en duidelijk maken welke criteria zijn gebruikt voor de selectie van doelgroepen en welke persoonsgegevens daarbij zijn verwerkt. Het is in principe verboden om bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals politieke opvattingen, religie of etniciteit, te gebruiken voor targeting of versterking. Dit mag alleen als er aan zeer strikte voorwaarden wordt voldaan en uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Gevolgen bij niet-naleving In Nederland wordt het toezicht op de verordening uitgeoefend door de Autoriteit Persoonsgegevens. De AP krijgt ruime handhavingsbevoegdheden. Overtredingen van de regels rondom politieke reclame kunnen leiden tot hoge boetes, reputatieschade en zelfs een verbod op het aanbieden van reclamediensten. Het is dus zaak om tijdig compliant te zijn. Wat moet u nu doen? Het is van belang om tijdig, vóór 10 oktober 2025, uw processen en contracten aan te passen aan de nieuwe regels. Denk er daarbij aan dat de komende Tweede Kamerverkiezingen op 25 oktober zijn. De nieuwe regels zijn dus van toepassing op het staartje van de campagne. Uitingen in het kader van deze campagne zullen al aan de nieuwe regels moeten voldoen. Hoe kunnen wij u helpen? De implementatie van deze verordening vraagt om juridische, technische en organisatorische aanpassingen. Ons kantoor heeft ruime ervaring met dit soort regelgeving en helpt u graag bij: Het beoordelen van uw huidige processen; Het opstellen of aanpassen van interne procedures en contracten; Training van uw medewerkers; Begeleiden bij toezicht en handhaving. Wilt u weten wat deze regels concreet voor uw organisatie betekenen? Neem dan contact op met Jan Baas of een collega van het Team Data & Privacy. Zij helpen u graag verder!
Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
ZZP Actueel: Wet VBAR en rechtspraak
Het landschap rondom zzp’ers blijft voortdurend in beweging. Deze veranderingen hebben invloed op de manier waarop de samenwerking wordt vormgegeven en beoordeeld. In deze blogreeks bespreken wij de laatste updates rondom wetgeving en jurisprudentie. Zo bent u als zzp’er én als opdrachtgever op de hoogte en kunt u tijdig inspelen op veranderingen binnen dit dynamische speelveld. Wetsvoorstel Wet VBAR Op 7 juli 2025 is het wetsvoorstel VBAR naar de Tweede Kamer gestuurd. De VBAR is tweeledig: het verduidelijken van de open norm ‘in dienst van’ ex artikel 7:610 lid 1 BW (VBA) en een rechtsvermoeden (R). Verduidelijken ‘in dienst van’ criterium (VBA) Bij het maken van een onderscheid tussen de werknemer en zzp’ers speelt de norm ‘in dienst van’ en centrale rol. Om vast te stellen of daarvan sprake is, wordt een toets aan twee elementen voorgesteld: werken onder werkinhoudelijke en organisatorische sturing (W) en werken voor eigen rekening en risico (Z) Op basis van vijf onderliggende indicaties wordt vervolgens per hoofdelement beoordeeld bij welke van de twee hoofdelementen in de arbeidsrelatie het zwaartepunt ligt. Aan de hand daarvan wordt dan bepaald of er een gezagsrelatie bestaat en of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Memorie van Toelichting geeft ook enkele indicaties, die in de praktijk nog wel eens van belang kunnen zijn. Wordt via een rechtspersoon gecontracteerd, dan is in beginsel sprake van een opdrachtovereenkomst. Daarbij geldt wel dat als de rechtspersoon enkel en alleen is opgericht om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen, dan kan de rechter door deze constructie heen prikken. Verder zouden interim-managers, die voor een paar maanden per jaar bij verschillende klanten regulier managerswerk verrichten tegen een ‘uurtje-factuurtje’ en volgens protocollen van de werkverschaffer werken, werkzaam kunnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Over investeringen die een ondernemer doet, benadrukt de wetgever dat hiervan geen sprake is als men alleen beschikt over een eigen laptop en telefoon. De investeringen moeten dus van een daadwerkelijke omvang zijn, willen deze investeringen een indicatie geven voor het ondernemerschap.   Rechtsvermoeden tarief (R) Het wetsvoorstel kent een rechtsvermoeden ten aanzien van het tarief. Dit tarief is bepaald op € 36. Dit betekent dat in het geval dat een werkende werkzaamheden verricht tegen een lager tarief er wordt vermoed dat de werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst worden verricht. Het is vervolgens aan de werkverschaffer om dit vermoeden te weerleggen. Update jurisprudentie zzp’er In de rechtspraak is het ook zeker niet stil. In de afgelopen twee maanden heeft de rechter zich meermaals geboden over de vraag of iemand een ‘échte’ zzp’er is of dat diegene kwalificeert als werknemer. Een aantal noemenswaardige uitspraken lichten wij hieronder toe. Geen schijnzelfstandigheid bij sociaal werk Een werkende was als zzp’er werkzaam bij een stichting voor lokaal welzijnswerk. De kantonrechter oordeelt dat de werkrelatie niet als een arbeidsovereenkomst kwalificeerde, maar als een opdrachtrelatie. Belangrijke aanwijzingen daarvoor zijn het tijdelijke karakter van het werk (noodopvang Oekraïners), het initiatief van werkende zelf voor een opdrachtovereenkomst, het uurtarief van € 55,- (hoger dan het salaris van werknemers bij de organisatie), het ontbreken van loonstroken en het sturen van facturen. Ook het ondernemersgedrag van werkende, zoals de inschrijving bij de KvK en het hebben van een website, speelt mee. Een uitgebreide samenvatting van deze uitspraak kunt u vinden in onze eerdere blog.   Vrijwilliger op het tennisveld is ‘echte’ zzp’er   Een scheidsrechter werkte jarenlang voor de KNLTB via een vrijwilligerscontract. De rechter oordeelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Reden daarvoor is dat de werkende slechts enkele dagen per jaar werkzaam was, hij vrij was om zich aan te melden en hij dit ook weer kon afzeggen. Er was geen verplichte beschikbaarheid, er waren geen vaste werktijden en er was geen gezagsverhouding. Hij werd ook niet betaald via loonstroken en deed het werk naast een andere baan. De werkzaamheden waren niet voldoende ingebed in de organisatie om te spreken van een arbeidsovereenkomst. Beveiliger blijkt werknemer in plaats van zzp’er Een beveiliger was als zzp’er werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht. De rechter oordeelt dat de werkrelatie als een arbeidsovereenkomst kwalificeert. Reden daarvoor is dat de werkende langdurige en op vaste dagen exclusief voor één werkverschaffer werkzaam was. De werkzaamheden en de werkenden waren hiermee ingebed in de organisatie van de werkverschaffer. Dat partijen een modelovereenkomst hadden gebruikt en werkende facturen stuurde naar de werkverschaffer waren onvoldoende om te spreken van zelfstandigheid. Het ondernemingsrisico was daarvoor te weinig. Zelfde situatie, andere stempel? Werkende was aanvankelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Nadien kwamen partijen overeen dat werkende via als zzp’er, via een eigen eenmanszaak, bij werkverschaffer werkzaamheden ging verrichten. Aan de wijze waarop de werkzaamheden door werkende werden verricht, veranderde echter niets. De rechter oordeelt dat de werkrelatie als een arbeidsovereenkomst kwalificeert. Er was sprake van structurele arbeid, inroostering, beperkte vervangbaarheid, inbedding in de organisatie en financiële afhankelijkheid. Er is sprake van een doorlopende arbeidsovereenkomst. Werkverschaffer moet aan werkende loon uitbetalen conform cao.   Service Agreement blijkt onderdeel uitzendconstructie Werkende was via een ‘Service Agreement’ actief voor een offshore-opdrachtgever. Hoewel hij factureerde via zijn onderneming, oordeelt de rechtbank dat feitelijk sprake was van een uitzendovereenkomst. Werkende werd ter beschikking gesteld aan een derde, werkte onder diens gezag, ontving loon en werkte voor een zekere duur. Dat werkende presenteerde zichzelf weliswaar als ondernemer, maar gedroeg zich feitelijk niet zo.    Handvatten voor de praktijk rondom de zzp’er Bovenstaande uitspraken laten zien dat er (helaas) niet één vuistregel is aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een gezagsverhouding en dus van een arbeidsovereenkomst. Dit is telkens afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. De feitelijke situatie is van doorslaggevende betekenis. Daarbij geldt dat hoe meer de werkzaamheden en de werkende zijn ‘ingebed’ in de organisatie van de werkverschaffer, hoe eerder sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat partijen anders met elkaar zijn overeengekomen is niet beslissend. Als de werkende daadwerkelijk zelfstandig werkt en zelf ondernemingsrisico loopt, is sprake van ‘échte’ zelfstandigheid. Het enkele bestaan van een website en/of KvK-inschrijving is daarvoor onvoldoende. Het gaat erom dat de zzp’er actief ‘zzpt’. Dit sluit ook aan bij hetgeen de wetgever met de VBAR voor ogen heeft. Contact Heeft u vragen over schijnzelfstandigheid binnen uw organisatie of wilt u van gedachten wisselen over contracteren met zzp’ers? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrecht specialisten. Verwijzing naar uitspraken: Den Haag 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10549 Amsterdam 3 juli 2025 ECLI:NL:RBAMS:2025:4659 Noord-Holland 9 juli 2025 ECLI:NL:RBNHO:2025:7753 Gelderland 1 juli 2025 ECLI:NL:RBGEL:2025:5230; zie in vergelijkbare in Rb. Den Haag 26 juni 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:11473 Rotterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6932
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Van aansluiting tot aanbesteding: recente amendementen van de Wcw
Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde op 3 juli 2025 in met de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Na het zomerreces volgt stemming in de Eerste Kamer. In aanvulling op een voorgaande blog waarin de hoofdlijnen van de Wcw worden geschetst, behandelt dit blog een aantal opvallende amendementen die aan het einde van het wetgevingstraject zijn aangenomen. Aansluitregelingen voor VvE’s Een gemeente krijgt in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) een aanwijsbevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar het transport van aardgas na een redelijke termijn van minimaal 8 jaar kan worden beëindigd. VvE’s krijgen de bevoegdheid om in deze aardgasvrije gebieden namens alle leden een aansluitovereenkomst met een warmtebedrijf te sluiten. Het uitgangspunt is dat VvE’s worden aangesloten op het warmtenet, tenzij een vereniging aangeeft hier van af te zien. VvE’s mogen namelijk ook zelf zorgen voor een alternatieve duurzame warmtevoorziening, zoals individuele warmtepompen. Leden van een VvE moeten een besluit gaan nemen over hun toekomstige warmtevoorziening. Er gaat een bezwaartermijn van 2 maanden gelden waarbinnen (individuele) leden kunnen aangeven niet te willen deelnemen aan de collectieve aansluiting. Uitsluiting van deelname vindt alleen plaats indien dit vanuit technisch en financieel perspectief redelijkerwijs mogelijk is. In beginsel zijn individuele leden dus verplicht om mee te werken. De VvE mag de aansluitkosten op een evenredige manier verhalen op alle aangeslotenen. Met deze ingrijpende regelingen wil de wetgever voorkomen dat een gebouw zonder voorziening voor verwarming en warm tapwater komt te zitten. Vrijstelling voor kleine collectieve warmtesystemen buiten warmtekavels Kleine collectieve warmtesystemen en systemen van VvE’s buiten vastgestelde warmtekavels hoeven geen ontheffing aan te vragen voor het leveren van warmte aan hun huurders/leden. De eerder voorgestelde ontheffingsplicht voor dergelijke systemen vervalt daarmee. De ACM oordeelt over de geschiktheid van warmtebedrijven die gebruik willen maken van de vrijstellingsregeling. Een vrijstelling geldt voor 30 jaar en vereist melding bij het college van burgemeester en wethouders en de ACM. De vrijstelling kan vervallen wanneer een klein collectief warmtesysteem het aantal van 1500 aansluitingen overschrijdt. Aanpassing groepsverbod infrastructuurbedrijven In beginsel mogen de beheerders van energiedistributiesystemen niet ook energie produceren, leveren of verhandelen (ook wel het ‘’groepsverbod’’). Door de Wcw kunnen dergelijke infrastructuurbedrijven door deelname in bepaalde typen warmtebedrijven nu toch onder voorwaarden participeren op de markt voor warmtelevering. Ook staat de Wcw toe dat een infrastructuurbedrijf een warmteservicebedrijf vormt samen met een onderneming die actief is als producent of leverancier op de gas en elektriciteitsmarkt. Dit warmteservicebedrijf mag diensten verrichten voor een aangewezen warmtebedrijf, onder meer in het kader van levering, transport en beheer. Op dit moment is er al een markt voor warmteservicebedrijven. Ter bescherming van de marktwerking worden er voorwaarden gesteld aan de toetreding door infrastructuurbedrijven, waaronder een verbod op verplichte dienstafname bij investeringen en een maximale looptijd voor uitbestedingsovereenkomsten. Verder behouden aangewezen warmtebedrijven de regie over leverings- en aansluitovereenkomsten. Een evaluatie na zeven jaar en aanvullend onderzoek moeten verdere beleidsbijsturing mogelijk maken. Overgangsrecht lopende aanbestedingen Op meerdere locaties in Nederland gaan dit jaar aanbestedingsprocedures voor collectieve warmtevoorzieningen van nieuwbouwprojecten van start. De looptijd van deze procedures doorkruist de inwerkingtreding van de Wcw. Ter voorkoming van kosten en vertraging kunnen warmtebedrijven die betrokken zijn bij reeds gestarte aanbestedingsprocedures op grond van een overgangsregeling onder voorwaarden een warmtebedrijf aangewezen worden in een warmtekavel. Deze overgangsregeling ziet in beginsel alleen op vergevorderde aanbestedingsprocedures; de gunningsbeslissing moet uiterlijk 3 maanden na inwerkingtreding van de Wcw worden genomen, waarna nog 3 maanden resteren voor ondertekening. Contact Heeft u vragen over warmtevoorzieningen, warmtebedrijven of de Wet collectieve warmte?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten. Wij denken graag met u mee!
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Nieuwe Energiewetgeving: kansen voor lokaal eigendom en duurzame samenwerking
Actieve deelname van burgers en organisaties aan de energietransitie De energietransitie verandert het energiesysteem van Nederland fundamenteel. Een belangrijk aspect van de transitie is de actieve rol van burgers en organisaties in de energievoorziening. Juridische erkenning van deze rol blijkt onder andere uit Europese richtlijnen, zoals artikel 16 van de Elektriciteitsrichtlijn (2019/944) en artikel 22 van de Richtlijn Hernieuwbare Energie (2018/2001). Lokaal eigendom ontwikkelt zich in de richting van collectiviteit, waarbij omgevingspartijen niet alleen eigenaar zijn (van een deel) van de productie-installatie, maar de opgewekte stroom en warmte ook kunnen delen, opslaan en verkopen. Door slimme toepassingen zijn coöperaties en Smart Energiehubs tegenwoordig gelijktijdig consument en producent van duurzame energie (prosumers) en zij kunnen actief deelnemen aan het energiesysteem door markt-, netwerk- of systeemdiensten te leveren (flexumers). De nieuwe Energiewet en Wet collectieve warmte verankeren de rol van deze energie- en warmtegemeenschappen, in lijn met Europese richtlijnen en de afspraken in het Nederlandse Klimaatakkoord. Juridische kaders en voorwaarden uit de nieuwe Energiewetgeving De definities van energiegemeenschappen en warmtegemeenschap in respectievelijk de Energiewet en de Wet collectieve warmte komen grotendeels overeen. Beide gemeenschappen moeten een juridische entiteit zijn die: ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders activiteiten verricht op de energiemarkt/als warmtebedrijf; als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is; niet is gericht op het maken van winst; en in het geval van een warmtegemeenschap gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron. Verder moeten de statuten van beide typen gemeenschappen open participatie en vrijwillig uittreden mogelijk maken, met de daadwerkelijke zeggenschap in handen van de leden, vennoten of aandeelhouders. Warmtegemeenschappen dienen bovendien stevig lokaal geworteld te zijn. De Energiewet biedt daarnaast ruimte voor energiegemeenschappen om onder bepaalde voorwaarden zelf energie of gas te leveren en te delen zonder vergunning. Governance: maatwerk vereist De keuze voor een bepaalde juridische vormgeving van de gemeenschap vereist maatwerk, omdat het doel en de activiteiten en de bedoeling van de deelnemers doorslaggevend zullen zijn in de uiteindelijke keuze. De Energiewet biedt ruimte voor flexibiliteit in lidmaatschapseisen en stemverdeling wanneer een energiegemeenschap of Smart Energiehub betrokken is bij de ontwikkeling van hernieuwbare energieprojecten. In dit kader zijn de verschillen tussen een BV en een coöperatie relevant. Zo kunnen deze rechtsvormen wezenlijk van elkaar afwijken in zaken als de benoeming van bestuurders, de verdeling van stemrechten, de verplichtingen van leden of aandeelhouders en de bescherming van minderheden. Een warmtegemeenschap houdt zich als warmtebedrijf bezig met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop ten behoeve daarvan. De Wet collectieve warmte staat diverse governanceconstructies toe. De meest eenvoudige optie is om de afnemers van de warmte te organiseren in een coöperatie, die vervolgens volledig eigenaar is van een BV. Deze BV fungeert als warmtebedrijf en sluit o.a. contracten met de aannemers, de financierders en de leveringscontracten met warmte afnemers. Afnemers van de warmte kunnen er ook voor kiezen om als coöperatie deel te nemen in een publiek warmtebedrijf of een publieke een joint-venture. Binnen deze constructie zijn het leveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf afzonderlijke BV’s en deze vormen vervolgens gezamenlijk een integraal warmtebedrijf. Nieuwe kansen voor lokale initiatieven dankzij de nieuwe Energiewetgeving De nieuwe Energiewetgeving bouwt voort op bestaande energiecoöperaties en stimuleert collectief lokaal eigendom. Energie- en warmtegemeenschappen worden voortaan juridisch erkend als producent van duurzame energie en warmte en mogen deze distribueren. Zo wordt de afhankelijkheid van commerciële partijen verkleind en krijgen decentrale overheden meer mogelijkheden om klimaatdoelen te realiseren. Op basis van Europese richtlijnen en de nieuwe wetgeving kunnen ondernemingen, provincies, gemeentes en waterschappen door deelname betrokken raken bij de professionaliseringsslag van energie- en warmtegemeenschappen. Decentrale overheden kunnen ook hun eigen subsidieregeling opzetten. Wel is aandacht voor het staatssteunrecht nodig; vrijstellingen voor steun aan duurzame initiatieven zijn echter beschikbaar. Contact Heeft u vragen over de oprichting en de begeleiding van energie- of warmtegemeenschappen, de staatssteunrechtelijke aspecten van groene initiatieven of over de Energiewetgeving en de Wet collectieve warmte? Neem dan gerust contact op met een van onze Energierecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA tegen energieleveranciers
Op 30 juni 2025 heeft de Stichting Eerlijke Handelspraktijken (“SEH”) een procedure gestart op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”). De massaclaim richt zich tegen zes grote energieleveranciers, te weten Vattenfall, Eneco, Essent, Greenchoice, Energiedirect en Budget Thuis. SEH beweert dat deze leveranciers de energietarieven van hun klanten met een variabel energiecontract onrechtmatig tussentijds hebben gewijzigd. De energieleveranciers moeten de getroffen consumenten daarom financieel compenseren voor het verleden, aldus SEH. Achtergrond Energieleveranciers die energie leveren aan consumenten maken allemaal gebruik van dezelfde set algemene voorwaarden bij hun energiecontracten. Deze algemene voorwaarden zijn tot stand gekomen in een breed overleg van de energieleveranciers vertegenwoordigd in Vereniging Energie-Nederland en de Consumentenbond, Vereniging Eigen Huis en – op de achtergrond – de toezichthouder de Autoriteit Consument & Markt. In de algemene voorwaarden staat dat de energieleverancier op bepaalde gronden eenzijdig de leveringstarieven mag wijzigen. Tot voor kort achtte rechtbanken dit prijswijzigingsbeding toelaatbaar, mits consumenten opzeggingsrechten hadden en voldoende informatie ontvingen met betrekking tot de tariefwijziging. Op 25 maart 2025 oordeelde het gerechtshof Amsterdam echter dat Vattenfall het prijswijzigingsbeding oneerlijk heeft toegepast, omdat de energieleverancier haar klant niet duidelijk en begrijpelijk had geïnformeerd en de klant bovendien geen reële opzegmogelijkheid had verschaft. Het gerechtshof veroordeelt Vattenfall daarom tot terugbetaling van het te veel betaalde bedrag als gevolg van de onrechtmatige tariefverhoging. Implicaties van de Vattenfall uitspraak voor energiecontracten Vattenfall is het oneens met het oordeel van het gerechtshof Amsterdam en heeft cassatieberoep ingesteld. De markt kijkt nu uit naar hoe de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam beoordeelt. Het oordeel van de Hoge Raad kan verstrekkende gevolgen hebben voor energieleveranciers. Ook de marktdynamiek kan veranderen, waarbij mogelijk kritisch moet worden gekeken naar de vormgeving en werking van variabele energiecontracten. Het consumentenvertrouwen staat eveneens onder druk door mogelijke reputatieschade. Ten slotte kan juridisch gezien de uitspraak van de Hoge Raad leiden tot scherpere toetsing van contractvoorwaarden in meerdere sectoren. Er staat dus veel op het spel. Verder vervolg Nu SEH een massaclaim heeft gestart, is de vraag of andere partijen als eiser zich bij hun procedure zullen voegen. Hiervoor hebben zij in principe drie maanden. Verder is het niet uitgesloten dat, mocht de Hoge Raad een negatieve uitspraak voor Vattenfall doen, SEH ook andere energieleveranciers in een massaclaim zal betrekken om schadevergoeding namens de klanten van die energieleveranciers te vorderen. Heeft u vragen over de Vattenfall-uitspraak of collectieve acties neem dan contact op met Arnout Koeman of één van onze Energie specialisten.  
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningsluitingen op grond van 13b Opiumwet
Na de uitspraken van 28 augustus 2019, 2 februari 2022 en 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2025 weer een overzichtsuitspraak gedaan over woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Strengere toets? In deze uitspraak zet de Afdeling de uitgangspunten uiteen die door de bestuursrechter worden gehanteerd bij de beoordeling van besluiten van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Op onderdelen lijkt sprake van een strengere toets, bijvoorbeeld op het gebied van tijdsverloop tussen het besluit en de daadwerkelijke sluiting. Op andere onderdelen lijkt eerder sprake van een nuancering, bijvoorbeeld over de vraag hoe het herstel van de openbare orde bij de noodzaak van de sluiting moet worden betrokken. De Afdeling overweegt dat besluiten tot sluiting van woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners. Deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vindt (zoals bekend) plaats aan de hand van een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. In de uitspraak wordt achtereenvolgens ingegaan op de beoordeling van deze aspecten. Geschiktheid Tijdsverloop kan ertoe leiden dat het sluiten van een woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met de sluiting worden gediend. De burgemeester moet zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Dit lijkt een strengere toets dan eerder werd gehanteerd. Duidelijk is dat als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, de sluiting ongeschikt is. Als het doel nog kan worden bereikt, moet worden beoordeeld of de sluiting noodzakelijk is. Noodzaak Daartoe dient te worden beoordeeld of het beoogde doel ook kan worden bereikt met een minder ingrijpend middel. De sluiting, een herstelsanctie, strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is geen doel op zich maar het ligt volgens de Afdeling voor de hand dat de burgemeester de effecten van de overtreding van de Opiumwet op de omgeving betrekt bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. In r.o. 10.2 noemt de Afdeling verschillende omstandigheden die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. Genoemd worden: de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolg en heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Daarbij mag een onderscheid worden gemaakt tussen hard- en softdrugs; de vraag of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens; de vraag of sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving. Het kan noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit; de vraag of op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken;  de vraag of een woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling. Dit kan relevant zijn met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Als de sluiting geschikt en noodzakelijk is moet de burgemeester zich er ook nog van vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Evenwichtigheid De voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester een zwaar gewicht toe te kennen aan mogelijk zeer ingrijpende gevolgen, die een inmenging in het recht van artikel 8 EVRM kunnen vormen. In r.o. 11.2 noemt de Afdeling de volgende omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de evenwichtigheid: de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen; de vraag of de bewoners een bijzondere binding hebben met de woning en wat zijn de gevolgen voor hen van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven; de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn; hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. De burgemeester dient zich er bewust van te zijn dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. de vraag of de huurder door sluiting van de woning op een zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenwichtig vindt, moet hij afzien van sluiting. Wel zou in dat geval overwogen kunnen worden om een last onder dwangsom of een waarschuwing op te leggen. Heeft u vragen over het onderwerp dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar ([email protected]) van La Gro of met een van de andere advocaten van het team Overheid.
Anouk Overvoorde 2 – La Gro
Anouk Overvoorde
Advocaat
Persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming; de conclusie van A-G Wattel
Op 9 juli 2025 verscheen de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel (ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3096) over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Wet open overheid (Woo). Deze bepaling uit de Woo, die ziet op de openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming, roept in de praktijk de nodige vragen op. Wattel is gevraagd een conclusie te nemen over de uitleg van dit artikel, en met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’. Helaas biedt de conclusie ten aanzien van deze eerste term echter weinig houvast, nu volgens Wattel niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld, aldus de A-G. Artikel 5.2 van de Woo Artikel 5.2 van de Woo bevat een uitzonderingsgrond voor persoonlijke beleidsopvattingen. Met deze uitzonderingsgrond is beoogd ambtenaren en andere betrokkenen bij intern beraad te beschermen tegen het bekend worden van hun bijdrage, om zo te voorkomen dat zij zich in het interne beraad terughoudend opstellen. Het eerste lid bepaalt dat uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad in beginsel geen informatie wordt verstrekt over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het tweede lid biedt bestuursorganen de mogelijkheid om deze informatie met het oog op een goede en democratische bestuursvoering toch te verstrekken; in beginsel in niet tot personen herleidbare vorm. Het derde lid bevat vervolgens een uitzondering voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door bepaalde bestuursorganen, waaronder de minister, het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap. Persoonlijke beleidsopvattingen uit deze documenten dienen altijd openbaar te worden gemaakt, tenzij het kunnen voeren van intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Dit derde lid is in het artikel opgenomen om specifieke bestuursorganen te dwingen meer transparant te zijn over de verschillende inhoudelijke overwegingen die een rol hebben gespeeld in de bestuurlijke besluitvorming. De zaak: Nunspeet Aanleiding voor de conclusie van Wattel betreft een zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet had geweigerd een ambtelijk memo openbaar te maken. Dit memo bevatte een advies over de zienswijzen die waren ingediend over een ontwerpbestemmingsplan, en was voorgelegd aan de wethouder van (onder meer) ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit memo niet alleen was opgesteld ten behoeve van intern beraad, maar ook ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Daarom had het college de in dit memo opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar moeten maken, tenzij openbaarmaking het kunnen voeren van intern beraad onevenredig zou schaden, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank had het college onvoldoende gemotiveerd dat dit laatste het geval was. In het hoger beroep tegen deze uitspraak is advocaat-generaal Wattel verzocht een conclusie te nemen over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Woo; met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’. Wat valt er onder ‘formele bestuurlijke besluitvorming’? Wattel stelt dat er niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, en weke documenten dus onder artikel 5.2, derde lid, van de Woo vallen. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Wel geeft hij aan wanneer daarvan géén sprake is: stukken die (nog) niet bedoeld zijn om te worden voorgelegd aan een bestuursorgaan of ambtsdrager ter ondersteuning van een bestuurlijke keuze, vallen in beginsel buiten de reikwijdte van het derde lid. Hetzelfde geldt voor documenten die ‘nog niet rijp’ zijn; die nog circuleren ‘in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen’ waarin ‘er de ruimte (moet) zijn om gedachten en concepten uit te wisselen’. Onevenredige schade aan het voeren van intern beraad Of openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in stukken voor formele bestuurlijke besluitvorming het intern beraad onevenredig schaadt, vergt een concrete belangenafweging. Wattel noemt daarbij vier situaties waarin dit zich in elk geval kan voordoen: Belemmering van het goed functioneren van de overheid; Gevaar voor de eenheid van kabinetsbeleid; Betrokkenheid van derden, bijvoorbeeld bij ambtelijke waardering van onderhandelingsposities; Het risico van persoonlijke beschadiging van ambtenaren. Daarnaast merkt Wattel op dat artikel 5.2, derde lid, de toepassing van andere uitzonderingsgronden uit artikel 5.1 van de Woo niet uitsluit. Ook daar kunnen belangen worden aangetroffen die het belang van intern beraad raken, zoals het belang van het goed functioneren van de overheid (artikel 5.1, tweede lid, onder i) of het voorkomen van onevenredige benadeling (artikel 5.1, vijfde lid). Het beoordelingsschema van Wattel De conclusie bevat ook een beoordelingsschema voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dit schema luidt als volgt: Bevat het document persoonlijke beleidsopvattingen? Nee: openbaar maken, tenzij andere uitzonderingsgronden daaraan in de weg staan Ja: is het opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming? Nee: openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen kan geweigerd worden. Ja: openbaar maken in niet tot personen herleidbare vorm tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig geschaad zou worden (of een ander belang bedoeld in artikel 5.1 van de Woo zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarmaking). Toepassing op de zaak In de zaak waarin de conclusie is gevraagd was het ontwerpbestemmingsplan naar aanleiding van het memo van tafel gegaan en was er een herziene versie van het plan opgesteld. Volgens Wattel kwalificeert het memo daarom als een document als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, Woo (een ‘fbb-stuk’). De afweging of openbaarmaking van (delen van) het memo desondanks achterwege kan blijven vanwege onevenredige schade aan het intern beraad, laat Wattel over aan de Afdeling. Hij schetst hiervoor twee benaderingen: een principiële, waarbij het goed functioneren van de overheid c.q. het voorkomen van onevenredige benadeling c.q. voorkoming van onevenredige belemmering van intern juridisch beraad zwaarder kan wegen dan het algemene belang van openbaarmaking, en een meer casuïstische, waarbij zwaarder kan wegen dat openbaarmaking juist in dit geval kan bijdragen aan transparantie en herstel van vertrouwen. Wattel spreekt zelf een lichte voorkeur uit voor de eerste benadering. Vervolg Het is nu aan partijen om te reageren op de conclusie. Daarna doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraak in de zaak waarin deze conclusie is gevraagd.