Publicaties

Lisa van Baarsel – La Gro
Lisa van Baarsel
Advocaat
ZZP Actueel: Wet VBAR en rechtspraak
Het landschap rondom zzp’ers blijft voortdurend in beweging. Deze veranderingen hebben invloed op de manier waarop de samenwerking wordt vormgegeven en beoordeeld. In deze blogreeks bespreken wij de laatste updates rondom wetgeving en jurisprudentie. Zo bent u als zzp’er én als opdrachtgever op de hoogte en kunt u tijdig inspelen op veranderingen binnen dit dynamische speelveld. Wetsvoorstel Wet VBAR Op 7 juli 2025 is het wetsvoorstel VBAR naar de Tweede Kamer gestuurd. De VBAR is tweeledig: het verduidelijken van de open norm ‘in dienst van’ ex artikel 7:610 lid 1 BW (VBA) en een rechtsvermoeden (R). Verduidelijken ‘in dienst van’ criterium (VBA) Bij het maken van een onderscheid tussen de werknemer en zzp’ers speelt de norm ‘in dienst van’ en centrale rol. Om vast te stellen of daarvan sprake is, wordt een toets aan twee elementen voorgesteld: werken onder werkinhoudelijke en organisatorische sturing (W) en werken voor eigen rekening en risico (Z) Op basis van vijf onderliggende indicaties wordt vervolgens per hoofdelement beoordeeld bij welke van de twee hoofdelementen in de arbeidsrelatie het zwaartepunt ligt. Aan de hand daarvan wordt dan bepaald of er een gezagsrelatie bestaat en of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Memorie van Toelichting geeft ook enkele indicaties, die in de praktijk nog wel eens van belang kunnen zijn. Wordt via een rechtspersoon gecontracteerd, dan is in beginsel sprake van een opdrachtovereenkomst. Daarbij geldt wel dat als de rechtspersoon enkel en alleen is opgericht om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen, dan kan de rechter door deze constructie heen prikken. Verder zouden interim-managers, die voor een paar maanden per jaar bij verschillende klanten regulier managerswerk verrichten tegen een ‘uurtje-factuurtje’ en volgens protocollen van de werkverschaffer werken, werkzaam kunnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Over investeringen die een ondernemer doet, benadrukt de wetgever dat hiervan geen sprake is als men alleen beschikt over een eigen laptop en telefoon. De investeringen moeten dus van een daadwerkelijke omvang zijn, willen deze investeringen een indicatie geven voor het ondernemerschap.   Rechtsvermoeden tarief (R) Het wetsvoorstel kent een rechtsvermoeden ten aanzien van het tarief. Dit tarief is bepaald op € 36. Dit betekent dat in het geval dat een werkende werkzaamheden verricht tegen een lager tarief er wordt vermoed dat de werkzaamheden krachtens arbeidsovereenkomst worden verricht. Het is vervolgens aan de werkverschaffer om dit vermoeden te weerleggen. Update jurisprudentie zzp’er In de rechtspraak is het ook zeker niet stil. In de afgelopen twee maanden heeft de rechter zich meermaals geboden over de vraag of iemand een ‘échte’ zzp’er is of dat diegene kwalificeert als werknemer. Een aantal noemenswaardige uitspraken lichten wij hieronder toe. Geen schijnzelfstandigheid bij sociaal werk Een werkende was als zzp’er werkzaam bij een stichting voor lokaal welzijnswerk. De kantonrechter oordeelt dat de werkrelatie niet als een arbeidsovereenkomst kwalificeerde, maar als een opdrachtrelatie. Belangrijke aanwijzingen daarvoor zijn het tijdelijke karakter van het werk (noodopvang Oekraïners), het initiatief van werkende zelf voor een opdrachtovereenkomst, het uurtarief van € 55,- (hoger dan het salaris van werknemers bij de organisatie), het ontbreken van loonstroken en het sturen van facturen. Ook het ondernemersgedrag van werkende, zoals de inschrijving bij de KvK en het hebben van een website, speelt mee. Een uitgebreide samenvatting van deze uitspraak kunt u vinden in onze eerdere blog.   Vrijwilliger op het tennisveld is ‘echte’ zzp’er   Een scheidsrechter werkte jarenlang voor de KNLTB via een vrijwilligerscontract. De rechter oordeelt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Reden daarvoor is dat de werkende slechts enkele dagen per jaar werkzaam was, hij vrij was om zich aan te melden en hij dit ook weer kon afzeggen. Er was geen verplichte beschikbaarheid, er waren geen vaste werktijden en er was geen gezagsverhouding. Hij werd ook niet betaald via loonstroken en deed het werk naast een andere baan. De werkzaamheden waren niet voldoende ingebed in de organisatie om te spreken van een arbeidsovereenkomst. Beveiliger blijkt werknemer in plaats van zzp’er Een beveiliger was als zzp’er werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht. De rechter oordeelt dat de werkrelatie als een arbeidsovereenkomst kwalificeert. Reden daarvoor is dat de werkende langdurige en op vaste dagen exclusief voor één werkverschaffer werkzaam was. De werkzaamheden en de werkenden waren hiermee ingebed in de organisatie van de werkverschaffer. Dat partijen een modelovereenkomst hadden gebruikt en werkende facturen stuurde naar de werkverschaffer waren onvoldoende om te spreken van zelfstandigheid. Het ondernemingsrisico was daarvoor te weinig. Zelfde situatie, andere stempel? Werkende was aanvankelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Nadien kwamen partijen overeen dat werkende via als zzp’er, via een eigen eenmanszaak, bij werkverschaffer werkzaamheden ging verrichten. Aan de wijze waarop de werkzaamheden door werkende werden verricht, veranderde echter niets. De rechter oordeelt dat de werkrelatie als een arbeidsovereenkomst kwalificeert. Er was sprake van structurele arbeid, inroostering, beperkte vervangbaarheid, inbedding in de organisatie en financiële afhankelijkheid. Er is sprake van een doorlopende arbeidsovereenkomst. Werkverschaffer moet aan werkende loon uitbetalen conform cao.   Service Agreement blijkt onderdeel uitzendconstructie Werkende was via een ‘Service Agreement’ actief voor een offshore-opdrachtgever. Hoewel hij factureerde via zijn onderneming, oordeelt de rechtbank dat feitelijk sprake was van een uitzendovereenkomst. Werkende werd ter beschikking gesteld aan een derde, werkte onder diens gezag, ontving loon en werkte voor een zekere duur. Dat werkende presenteerde zichzelf weliswaar als ondernemer, maar gedroeg zich feitelijk niet zo.    Handvatten voor de praktijk rondom de zzp’er Bovenstaande uitspraken laten zien dat er (helaas) niet één vuistregel is aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een gezagsverhouding en dus van een arbeidsovereenkomst. Dit is telkens afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. De feitelijke situatie is van doorslaggevende betekenis. Daarbij geldt dat hoe meer de werkzaamheden en de werkende zijn ‘ingebed’ in de organisatie van de werkverschaffer, hoe eerder sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat partijen anders met elkaar zijn overeengekomen is niet beslissend. Als de werkende daadwerkelijk zelfstandig werkt en zelf ondernemingsrisico loopt, is sprake van ‘échte’ zelfstandigheid. Het enkele bestaan van een website en/of KvK-inschrijving is daarvoor onvoldoende. Het gaat erom dat de zzp’er actief ‘zzpt’. Dit sluit ook aan bij hetgeen de wetgever met de VBAR voor ogen heeft. Contact Heeft u vragen over schijnzelfstandigheid binnen uw organisatie of wilt u van gedachten wisselen over contracteren met zzp’ers? Neem dan contact op met Lisa van Baarsel, Rose Horstman of een van onze andere arbeidsrecht specialisten. Verwijzing naar uitspraken: Den Haag 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10549 Amsterdam 3 juli 2025 ECLI:NL:RBAMS:2025:4659 Noord-Holland 9 juli 2025 ECLI:NL:RBNHO:2025:7753 Gelderland 1 juli 2025 ECLI:NL:RBGEL:2025:5230; zie in vergelijkbare in Rb. Den Haag 26 juni 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:11473 Rotterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6932
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Van aansluiting tot aanbesteding: recente amendementen van de Wcw
Een meerderheid van de Tweede Kamer stemde op 3 juli 2025 in met de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Na het zomerreces volgt stemming in de Eerste Kamer. In aanvulling op een voorgaande blog waarin de hoofdlijnen van de Wcw worden geschetst, behandelt dit blog een aantal opvallende amendementen die aan het einde van het wetgevingstraject zijn aangenomen. Aansluitregelingen voor VvE’s Een gemeente krijgt in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) een aanwijsbevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar het transport van aardgas na een redelijke termijn van minimaal 8 jaar kan worden beëindigd. VvE’s krijgen de bevoegdheid om in deze aardgasvrije gebieden namens alle leden een aansluitovereenkomst met een warmtebedrijf te sluiten. Het uitgangspunt is dat VvE’s worden aangesloten op het warmtenet, tenzij een vereniging aangeeft hier van af te zien. VvE’s mogen namelijk ook zelf zorgen voor een alternatieve duurzame warmtevoorziening, zoals individuele warmtepompen. Leden van een VvE moeten een besluit gaan nemen over hun toekomstige warmtevoorziening. Er gaat een bezwaartermijn van 2 maanden gelden waarbinnen (individuele) leden kunnen aangeven niet te willen deelnemen aan de collectieve aansluiting. Uitsluiting van deelname vindt alleen plaats indien dit vanuit technisch en financieel perspectief redelijkerwijs mogelijk is. In beginsel zijn individuele leden dus verplicht om mee te werken. De VvE mag de aansluitkosten op een evenredige manier verhalen op alle aangeslotenen. Met deze ingrijpende regelingen wil de wetgever voorkomen dat een gebouw zonder voorziening voor verwarming en warm tapwater komt te zitten. Vrijstelling voor kleine collectieve warmtesystemen buiten warmtekavels Kleine collectieve warmtesystemen en systemen van VvE’s buiten vastgestelde warmtekavels hoeven geen ontheffing aan te vragen voor het leveren van warmte aan hun huurders/leden. De eerder voorgestelde ontheffingsplicht voor dergelijke systemen vervalt daarmee. De ACM oordeelt over de geschiktheid van warmtebedrijven die gebruik willen maken van de vrijstellingsregeling. Een vrijstelling geldt voor 30 jaar en vereist melding bij het college van burgemeester en wethouders en de ACM. De vrijstelling kan vervallen wanneer een klein collectief warmtesysteem het aantal van 1500 aansluitingen overschrijdt. Aanpassing groepsverbod infrastructuurbedrijven In beginsel mogen de beheerders van energiedistributiesystemen niet ook energie produceren, leveren of verhandelen (ook wel het ‘’groepsverbod’’). Door de Wcw kunnen dergelijke infrastructuurbedrijven door deelname in bepaalde typen warmtebedrijven nu toch onder voorwaarden participeren op de markt voor warmtelevering. Ook staat de Wcw toe dat een infrastructuurbedrijf een warmteservicebedrijf vormt samen met een onderneming die actief is als producent of leverancier op de gas en elektriciteitsmarkt. Dit warmteservicebedrijf mag diensten verrichten voor een aangewezen warmtebedrijf, onder meer in het kader van levering, transport en beheer. Op dit moment is er al een markt voor warmteservicebedrijven. Ter bescherming van de marktwerking worden er voorwaarden gesteld aan de toetreding door infrastructuurbedrijven, waaronder een verbod op verplichte dienstafname bij investeringen en een maximale looptijd voor uitbestedingsovereenkomsten. Verder behouden aangewezen warmtebedrijven de regie over leverings- en aansluitovereenkomsten. Een evaluatie na zeven jaar en aanvullend onderzoek moeten verdere beleidsbijsturing mogelijk maken. Overgangsrecht lopende aanbestedingen Op meerdere locaties in Nederland gaan dit jaar aanbestedingsprocedures voor collectieve warmtevoorzieningen van nieuwbouwprojecten van start. De looptijd van deze procedures doorkruist de inwerkingtreding van de Wcw. Ter voorkoming van kosten en vertraging kunnen warmtebedrijven die betrokken zijn bij reeds gestarte aanbestedingsprocedures op grond van een overgangsregeling onder voorwaarden een warmtebedrijf aangewezen worden in een warmtekavel. Deze overgangsregeling ziet in beginsel alleen op vergevorderde aanbestedingsprocedures; de gunningsbeslissing moet uiterlijk 3 maanden na inwerkingtreding van de Wcw worden genomen, waarna nog 3 maanden resteren voor ondertekening. Contact Heeft u vragen over warmtevoorzieningen, warmtebedrijven of de Wet collectieve warmte?  Neem dan contact op met een van onze Energierecht specialisten. Wij denken graag met u mee!
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Nieuwe Energiewetgeving: kansen voor lokaal eigendom en duurzame samenwerking
Actieve deelname van burgers en organisaties aan de energietransitie De energietransitie verandert het energiesysteem van Nederland fundamenteel. Een belangrijk aspect van de transitie is de actieve rol van burgers en organisaties in de energievoorziening. Juridische erkenning van deze rol blijkt onder andere uit Europese richtlijnen, zoals artikel 16 van de Elektriciteitsrichtlijn (2019/944) en artikel 22 van de Richtlijn Hernieuwbare Energie (2018/2001). Lokaal eigendom ontwikkelt zich in de richting van collectiviteit, waarbij omgevingspartijen niet alleen eigenaar zijn (van een deel) van de productie-installatie, maar de opgewekte stroom en warmte ook kunnen delen, opslaan en verkopen. Door slimme toepassingen zijn coöperaties en Smart Energiehubs tegenwoordig gelijktijdig consument en producent van duurzame energie (prosumers) en zij kunnen actief deelnemen aan het energiesysteem door markt-, netwerk- of systeemdiensten te leveren (flexumers). De nieuwe Energiewet en Wet collectieve warmte verankeren de rol van deze energie- en warmtegemeenschappen, in lijn met Europese richtlijnen en de afspraken in het Nederlandse Klimaatakkoord. Juridische kaders en voorwaarden uit de nieuwe Energiewetgeving De definities van energiegemeenschappen en warmtegemeenschap in respectievelijk de Energiewet en de Wet collectieve warmte komen grotendeels overeen. Beide gemeenschappen moeten een juridische entiteit zijn die: ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders activiteiten verricht op de energiemarkt/als warmtebedrijf; als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is; niet is gericht op het maken van winst; en in het geval van een warmtegemeenschap gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron. Verder moeten de statuten van beide typen gemeenschappen open participatie en vrijwillig uittreden mogelijk maken, met de daadwerkelijke zeggenschap in handen van de leden, vennoten of aandeelhouders. Warmtegemeenschappen dienen bovendien stevig lokaal geworteld te zijn. De Energiewet biedt daarnaast ruimte voor energiegemeenschappen om onder bepaalde voorwaarden zelf energie of gas te leveren en te delen zonder vergunning. Governance: maatwerk vereist De keuze voor een bepaalde juridische vormgeving van de gemeenschap vereist maatwerk, omdat het doel en de activiteiten en de bedoeling van de deelnemers doorslaggevend zullen zijn in de uiteindelijke keuze. De Energiewet biedt ruimte voor flexibiliteit in lidmaatschapseisen en stemverdeling wanneer een energiegemeenschap of Smart Energiehub betrokken is bij de ontwikkeling van hernieuwbare energieprojecten. In dit kader zijn de verschillen tussen een BV en een coöperatie relevant. Zo kunnen deze rechtsvormen wezenlijk van elkaar afwijken in zaken als de benoeming van bestuurders, de verdeling van stemrechten, de verplichtingen van leden of aandeelhouders en de bescherming van minderheden. Een warmtegemeenschap houdt zich als warmtebedrijf bezig met het transport en de levering van warmte en de productie of inkoop ten behoeve daarvan. De Wet collectieve warmte staat diverse governanceconstructies toe. De meest eenvoudige optie is om de afnemers van de warmte te organiseren in een coöperatie, die vervolgens volledig eigenaar is van een BV. Deze BV fungeert als warmtebedrijf en sluit o.a. contracten met de aannemers, de financierders en de leveringscontracten met warmte afnemers. Afnemers van de warmte kunnen er ook voor kiezen om als coöperatie deel te nemen in een publiek warmtebedrijf of een publieke een joint-venture. Binnen deze constructie zijn het leveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf afzonderlijke BV’s en deze vormen vervolgens gezamenlijk een integraal warmtebedrijf. Nieuwe kansen voor lokale initiatieven dankzij de nieuwe Energiewetgeving De nieuwe Energiewetgeving bouwt voort op bestaande energiecoöperaties en stimuleert collectief lokaal eigendom. Energie- en warmtegemeenschappen worden voortaan juridisch erkend als producent van duurzame energie en warmte en mogen deze distribueren. Zo wordt de afhankelijkheid van commerciële partijen verkleind en krijgen decentrale overheden meer mogelijkheden om klimaatdoelen te realiseren. Op basis van Europese richtlijnen en de nieuwe wetgeving kunnen ondernemingen, provincies, gemeentes en waterschappen door deelname betrokken raken bij de professionaliseringsslag van energie- en warmtegemeenschappen. Decentrale overheden kunnen ook hun eigen subsidieregeling opzetten. Wel is aandacht voor het staatssteunrecht nodig; vrijstellingen voor steun aan duurzame initiatieven zijn echter beschikbaar. Contact Heeft u vragen over de oprichting en de begeleiding van energie- of warmtegemeenschappen, de staatssteunrechtelijke aspecten van groene initiatieven of over de Energiewetgeving en de Wet collectieve warmte? Neem dan gerust contact op met een van onze Energierecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
WAMCA tegen energieleveranciers
Op 30 juni 2025 heeft de Stichting Eerlijke Handelspraktijken (“SEH”) een procedure gestart op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”). De massaclaim richt zich tegen zes grote energieleveranciers, te weten Vattenfall, Eneco, Essent, Greenchoice, Energiedirect en Budget Thuis. SEH beweert dat deze leveranciers de energietarieven van hun klanten met een variabel energiecontract onrechtmatig tussentijds hebben gewijzigd. De energieleveranciers moeten de getroffen consumenten daarom financieel compenseren voor het verleden, aldus SEH. Achtergrond Energieleveranciers die energie leveren aan consumenten maken allemaal gebruik van dezelfde set algemene voorwaarden bij hun energiecontracten. Deze algemene voorwaarden zijn tot stand gekomen in een breed overleg van de energieleveranciers vertegenwoordigd in Vereniging Energie-Nederland en de Consumentenbond, Vereniging Eigen Huis en – op de achtergrond – de toezichthouder de Autoriteit Consument & Markt. In de algemene voorwaarden staat dat de energieleverancier op bepaalde gronden eenzijdig de leveringstarieven mag wijzigen. Tot voor kort achtte rechtbanken dit prijswijzigingsbeding toelaatbaar, mits consumenten opzeggingsrechten hadden en voldoende informatie ontvingen met betrekking tot de tariefwijziging. Op 25 maart 2025 oordeelde het gerechtshof Amsterdam echter dat Vattenfall het prijswijzigingsbeding oneerlijk heeft toegepast, omdat de energieleverancier haar klant niet duidelijk en begrijpelijk had geïnformeerd en de klant bovendien geen reële opzegmogelijkheid had verschaft. Het gerechtshof veroordeelt Vattenfall daarom tot terugbetaling van het te veel betaalde bedrag als gevolg van de onrechtmatige tariefverhoging. Implicaties van de Vattenfall uitspraak voor energiecontracten Vattenfall is het oneens met het oordeel van het gerechtshof Amsterdam en heeft cassatieberoep ingesteld. De markt kijkt nu uit naar hoe de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam beoordeelt. Het oordeel van de Hoge Raad kan verstrekkende gevolgen hebben voor energieleveranciers. Ook de marktdynamiek kan veranderen, waarbij mogelijk kritisch moet worden gekeken naar de vormgeving en werking van variabele energiecontracten. Het consumentenvertrouwen staat eveneens onder druk door mogelijke reputatieschade. Ten slotte kan juridisch gezien de uitspraak van de Hoge Raad leiden tot scherpere toetsing van contractvoorwaarden in meerdere sectoren. Er staat dus veel op het spel. Verder vervolg Nu SEH een massaclaim heeft gestart, is de vraag of andere partijen als eiser zich bij hun procedure zullen voegen. Hiervoor hebben zij in principe drie maanden. Verder is het niet uitgesloten dat, mocht de Hoge Raad een negatieve uitspraak voor Vattenfall doen, SEH ook andere energieleveranciers in een massaclaim zal betrekken om schadevergoeding namens de klanten van die energieleveranciers te vorderen. Heeft u vragen over de Vattenfall-uitspraak of collectieve acties neem dan contact op met Arnout Koeman of één van onze Energie specialisten.  
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningsluitingen op grond van 13b Opiumwet
Na de uitspraken van 28 augustus 2019, 2 februari 2022 en 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2025 weer een overzichtsuitspraak gedaan over woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Strengere toets? In deze uitspraak zet de Afdeling de uitgangspunten uiteen die door de bestuursrechter worden gehanteerd bij de beoordeling van besluiten van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Op onderdelen lijkt sprake van een strengere toets, bijvoorbeeld op het gebied van tijdsverloop tussen het besluit en de daadwerkelijke sluiting. Op andere onderdelen lijkt eerder sprake van een nuancering, bijvoorbeeld over de vraag hoe het herstel van de openbare orde bij de noodzaak van de sluiting moet worden betrokken. De Afdeling overweegt dat besluiten tot sluiting van woningen op grond van artikel 13b van de Opiumwet doorgaans indringend worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners. Deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vindt (zoals bekend) plaats aan de hand van een beoordeling van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid. In de uitspraak wordt achtereenvolgens ingegaan op de beoordeling van deze aspecten. Geschiktheid Tijdsverloop kan ertoe leiden dat het sluiten van een woning niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met de sluiting worden gediend. De burgemeester moet zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Dit lijkt een strengere toets dan eerder werd gehanteerd. Duidelijk is dat als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, de sluiting ongeschikt is. Als het doel nog kan worden bereikt, moet worden beoordeeld of de sluiting noodzakelijk is. Noodzaak Daartoe dient te worden beoordeeld of het beoogde doel ook kan worden bereikt met een minder ingrijpend middel. De sluiting, een herstelsanctie, strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is geen doel op zich maar het ligt volgens de Afdeling voor de hand dat de burgemeester de effecten van de overtreding van de Opiumwet op de omgeving betrekt bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. In r.o. 10.2 noemt de Afdeling verschillende omstandigheden die van belang kunnen zijn bij de beoordeling of de sluiting noodzakelijk is. Genoemd worden: de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolg en heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. Daarbij mag een onderscheid worden gemaakt tussen hard- en softdrugs; de vraag of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens; de vraag of sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving. Het kan noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit; de vraag of op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken;  de vraag of een woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling. Dit kan relevant zijn met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Als de sluiting geschikt en noodzakelijk is moet de burgemeester zich er ook nog van vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is. Evenwichtigheid De voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester een zwaar gewicht toe te kennen aan mogelijk zeer ingrijpende gevolgen, die een inmenging in het recht van artikel 8 EVRM kunnen vormen. In r.o. 11.2 noemt de Afdeling de volgende omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de evenwichtigheid: de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen; de vraag of de bewoners een bijzondere binding hebben met de woning en wat zijn de gevolgen voor hen van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven; de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn; hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. De burgemeester dient zich er bewust van te zijn dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. de vraag of de huurder door sluiting van de woning op een zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als de burgemeester de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenwichtig vindt, moet hij afzien van sluiting. Wel zou in dat geval overwogen kunnen worden om een last onder dwangsom of een waarschuwing op te leggen. Heeft u vragen over het onderwerp dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar ([email protected]) van La Gro of met een van de andere advocaten van het team Overheid.
Anouk Overvoorde 2 – La Gro
Anouk Overvoorde
Advocaat
Persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming; de conclusie van A-G Wattel
Op 9 juli 2025 verscheen de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel (ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3096) over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Wet open overheid (Woo). Deze bepaling uit de Woo, die ziet op de openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in het kader van formele bestuurlijke besluitvorming, roept in de praktijk de nodige vragen op. Wattel is gevraagd een conclusie te nemen over de uitleg van dit artikel, en met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’. Helaas biedt de conclusie ten aanzien van deze eerste term echter weinig houvast, nu volgens Wattel niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld, aldus de A-G. Artikel 5.2 van de Woo Artikel 5.2 van de Woo bevat een uitzonderingsgrond voor persoonlijke beleidsopvattingen. Met deze uitzonderingsgrond is beoogd ambtenaren en andere betrokkenen bij intern beraad te beschermen tegen het bekend worden van hun bijdrage, om zo te voorkomen dat zij zich in het interne beraad terughoudend opstellen. Het eerste lid bepaalt dat uit documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad in beginsel geen informatie wordt verstrekt over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Het tweede lid biedt bestuursorganen de mogelijkheid om deze informatie met het oog op een goede en democratische bestuursvoering toch te verstrekken; in beginsel in niet tot personen herleidbare vorm. Het derde lid bevat vervolgens een uitzondering voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door bepaalde bestuursorganen, waaronder de minister, het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van een waterschap. Persoonlijke beleidsopvattingen uit deze documenten dienen altijd openbaar te worden gemaakt, tenzij het kunnen voeren van intern beraad daardoor onevenredig wordt geschaad. Dit derde lid is in het artikel opgenomen om specifieke bestuursorganen te dwingen meer transparant te zijn over de verschillende inhoudelijke overwegingen die een rol hebben gespeeld in de bestuurlijke besluitvorming. De zaak: Nunspeet Aanleiding voor de conclusie van Wattel betreft een zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet had geweigerd een ambtelijk memo openbaar te maken. Dit memo bevatte een advies over de zienswijzen die waren ingediend over een ontwerpbestemmingsplan, en was voorgelegd aan de wethouder van (onder meer) ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit memo niet alleen was opgesteld ten behoeve van intern beraad, maar ook ten behoeve van ‘formele bestuurlijke besluitvorming’. Daarom had het college de in dit memo opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar moeten maken, tenzij openbaarmaking het kunnen voeren van intern beraad onevenredig zou schaden, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank had het college onvoldoende gemotiveerd dat dit laatste het geval was. In het hoger beroep tegen deze uitspraak is advocaat-generaal Wattel verzocht een conclusie te nemen over de uitleg van artikel 5.2, derde lid, van de Woo; met name van de termen ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ en ‘tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad’. Wat valt er onder ‘formele bestuurlijke besluitvorming’? Wattel stelt dat er niet in algemene zin kan worden gezegd wanneer sprake is van formele bestuurlijke besluitvorming, en weke documenten dus onder artikel 5.2, derde lid, van de Woo vallen. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Wel geeft hij aan wanneer daarvan géén sprake is: stukken die (nog) niet bedoeld zijn om te worden voorgelegd aan een bestuursorgaan of ambtsdrager ter ondersteuning van een bestuurlijke keuze, vallen in beginsel buiten de reikwijdte van het derde lid. Hetzelfde geldt voor documenten die ‘nog niet rijp’ zijn; die nog circuleren ‘in de fase waarin het besluit nog moet worden genomen’ waarin ‘er de ruimte (moet) zijn om gedachten en concepten uit te wisselen’. Onevenredige schade aan het voeren van intern beraad Of openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen in stukken voor formele bestuurlijke besluitvorming het intern beraad onevenredig schaadt, vergt een concrete belangenafweging. Wattel noemt daarbij vier situaties waarin dit zich in elk geval kan voordoen: Belemmering van het goed functioneren van de overheid; Gevaar voor de eenheid van kabinetsbeleid; Betrokkenheid van derden, bijvoorbeeld bij ambtelijke waardering van onderhandelingsposities; Het risico van persoonlijke beschadiging van ambtenaren. Daarnaast merkt Wattel op dat artikel 5.2, derde lid, de toepassing van andere uitzonderingsgronden uit artikel 5.1 van de Woo niet uitsluit. Ook daar kunnen belangen worden aangetroffen die het belang van intern beraad raken, zoals het belang van het goed functioneren van de overheid (artikel 5.1, tweede lid, onder i) of het voorkomen van onevenredige benadeling (artikel 5.1, vijfde lid). Het beoordelingsschema van Wattel De conclusie bevat ook een beoordelingsschema voor documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad. Dit schema luidt als volgt: Bevat het document persoonlijke beleidsopvattingen? Nee: openbaar maken, tenzij andere uitzonderingsgronden daaraan in de weg staan Ja: is het opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming? Nee: openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen kan geweigerd worden. Ja: openbaar maken in niet tot personen herleidbare vorm tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig geschaad zou worden (of een ander belang bedoeld in artikel 5.1 van de Woo zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarmaking). Toepassing op de zaak In de zaak waarin de conclusie is gevraagd was het ontwerpbestemmingsplan naar aanleiding van het memo van tafel gegaan en was er een herziene versie van het plan opgesteld. Volgens Wattel kwalificeert het memo daarom als een document als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, Woo (een ‘fbb-stuk’). De afweging of openbaarmaking van (delen van) het memo desondanks achterwege kan blijven vanwege onevenredige schade aan het intern beraad, laat Wattel over aan de Afdeling. Hij schetst hiervoor twee benaderingen: een principiële, waarbij het goed functioneren van de overheid c.q. het voorkomen van onevenredige benadeling c.q. voorkoming van onevenredige belemmering van intern juridisch beraad zwaarder kan wegen dan het algemene belang van openbaarmaking, en een meer casuïstische, waarbij zwaarder kan wegen dat openbaarmaking juist in dit geval kan bijdragen aan transparantie en herstel van vertrouwen. Wattel spreekt zelf een lichte voorkeur uit voor de eerste benadering. Vervolg Het is nu aan partijen om te reageren op de conclusie. Daarna doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraak in de zaak waarin deze conclusie is gevraagd.
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Nieuwe Warmtewet in aantocht: warmtekavels en publieke warmtebedrijven
Op 3 juli 2025 is de Wet Collectieve Warmte aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wil de overheid gemeenten meer regie geven in de warmtetransitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2026 en is nog alleen afhankelijk van instemming van de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, onder meer voor de vereiste rechtsvorm van warmtebedrijven en de ruimtelijke inrichting van warmte-exploitatie via zogenoemde ‘warmtekavels’. In deze blog wordt kort geschetst wat partijen kunnen verwachten op dit gebied.    Nieuwe eisen aan warmtebedrijven  Onder de huidige Warmtewet gelden geen specifieke eisen voor de rechtsvorm van warmtebedrijven. De nieuwe wet introduceert echter een belangrijke wijziging: warmtebedrijven die binnen een warmtekavel worden aangewezen, moeten voor minimaal 50% in publieke handen zijn. Dit betekent dat deze bedrijven eigendom moeten zijn van publieke rechtspersonen, zoals gemeenten of provincies, of moeten kwalificeren als een zogeheten warmtegemeenschap — een collectief georganiseerd warmtebedrijf met betrokkenheid van eindgebruikers of andere maatschappelijke partijen.  Ook dienen bovengenoemde bedrijven integrale warmtebedrijven te zijn. Dat betekent dat een warmtebedrijf zich bezighoudt met zowel het transport en de levering van warmte, als de productie of inkoop daarvan.  Als gevolg hiervan zijn veel gemeenten al bezig met het opzetten van een (geheel of gedeeltelijk) publiek warmtebedrijf. Dit kan door een gemeente afzonderlijk worden gedaan, maar ook in samenwerking met andere gemeenten in de vorm van een gezamenlijk warmtebedrijf.    Bij het oprichten van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap komt veel kijken. Zo zijn er verschillende manieren om (het publieke meerderheidsaandeel in) deze rechtspersoon vorm te geven. Ook zijn er eisen die de wet stelt met betrekking tot onder meer het takenpakket van een publiek warmtebedrijf, waarop de Autoriteit Consument en Markt toeziet.  Uitzonderingen en overgangsrecht voor warmtebedrijven Het wetsvoorstel voorziet in enkele uitzonderingen op de eis van een publiek warmtebedrijf. Zo kan een gemeente in bepaalde gevallen – gedurende de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de wet – een warmtebedrijf aanwijzen dat géén publiek meerderheidsbelang heeft of géén warmtegemeenschap is. Ook voor verhuurders, VvE’s en kleine warmtesystemen met minder dan 1.500 verbruikers bestaan uitzonderingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een warmtekoudeopslag (Wko) bij een appartementencomplex of een warmtesysteem gekoppeld aan een buurtinitiatief.  Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering voor de transport en levering van warmte ten behoeve van de industrie en glastuinbouw. De regels van de Wcw zijn dus niet van toepassing op deze warmtenetten.  Ook een leverancier die grotendeels levert aan glastuinbouw of industrie en daarnaast aan een aangewezen warmtebedrijf kan onder omstandigheden beroep doen op een uitzondering. Tussen die onderneming en het warmtebedrijf moet dan een overeenkomst worden gesloten, waarin wordt vastgelegd dat de leverancier kan voldoen aan de wettelijke taken uit de Wcw. Het maximumpercentage van de totale warmtelevering dat in dit geval aan een aangewezen warmtebedrijf mag worden geleverd moet nog nader bepaald worden door de regering.  Warmtekavels  Een andere kernvernieuwing in het wetsvoorstel is de introductie van de warmtekavel. Een warmtekavel is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen één warmtebedrijf het exclusieve recht krijgt om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren.  De wijze waarop een gemeente een warmtekavel afbakent, kan verstrekkende gevolgen hebben. Binnen de kavel kan namelijk in beginsel één warmtebedrijf worden aangewezen. Ook verschillen de eisen voor kleine warmtesystemen afhankelijk van de vraag of een gebied binnen of buiten een kavel ligt. Gemeenten dienen bij de afbakening rekening te houden met de ruimtelijke samenhang en mogelijke ontwikkelingen in aangrenzende gemeenten. Voor zowel gemeenten als warmtebedrijven is het daarom van belang dat deze afbakeningskeuzes zorgvuldig en strategisch worden gemaakt.  Contact  Heeft u vragen over het afbakenen van warmtekavels, het oprichten van publieke warmtebedrijven of warmtegemeenschappen, of over de uitzonderingen op de nieuwe regels? Neem dan gerust contact op met een van onze specialisten op het gebied van Energierecht. 
Dominique Fransen
Dominique Fransen
Advocaat
Kinderrechten bij ontruiming: waar kinderen wonen, is zorg geboden
Op 27 juni 2025 heeft de Procureur-Generaal (hierna: “PG”) bij de Hoge Raad een belangrijke conclusie genomen over de rol van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: “IVRK”) bij ontruiming van huurwoningen waarin minderjarige kinderen wonen (ECLI:NL:PHR:2025:728). In dit artikel worden de belangrijkste onderdelen van de conclusie van de PG besproken die relevant zijn voor verhuurders. Aanleiding Aanleiding was een kortgedingprocedure tussen woningcorporatie Ymere en huurders die betrokken waren bij ernstige strafbare feiten (ECLI:NL:RBNHO:2024:10288). De huurders hadden twee jonge kinderen. De burgemeester zag aanvankelijk af van sluiting van de woning vanwege het belang van de kinderen, maar na herhaalde overtredingen werd alsnog tot sluiting overgegaan. Dit leidde tot een civiele ontruimingsvordering door de woningcorporatie. De rechtbank oordeelde dat Ymere onvoldoende had onderbouwd dat er opvang beschikbaar was voor de kinderen. Omdat ook onvoldoende was gebleken dat hun belangen zichtbaar waren meegewogen, stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Wat adviseert de PG? Juridische toets Centraal staat artikel 3 lid 1 IVRK, dat het volgende bepaalt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging”. Volgens het VN-Kinderrechtencomité heeft deze bepaling drie dimensies (General Comment nr. 14): het kind heeft een eigen recht op belangenafweging, interpretaties van wetgeving moeten kindvriendelijk zijn en de rechter moet actief onderzoeken en motiveren. Bij ontbinding van de huurovereenkomst van woonruimte via de rechter moet art. 6:265 lid 1 BW getoetst worden. In dit artikel is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De afweging die bij de tenzij-clausule moet plaatsvinden, beperkt zich niet tot de in art. 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten; daarbij kunnen alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn. De belangen van het kind moeten daarbij gelet op art. 3 IVRK volgens PG een “eerste overweging” zijn. Dit betekent dat de belangen van het kind actief en zichtbaar moeten worden meegewogen. Dit betekent niet dat de belangen altijd doorslaggevend moeten zijn.  Woningcorporaties De PG wijst erop dat het IVRK direct werkt richting de rechter (“courts of law”), maar óók dat woningcorporaties onder de reikwijdte vallen als “private social welfare institutions”. Verhuurders zoals Ymere worden door de PG dus óók verantwoordelijk gehouden voor het waarborgen van kinderrechten. Conclusie Deze conclusie benadrukt het belang van de belangen van het kind bij ontruimingen van huurwoningen. Het onderstreept dat deze belangen een zelfstandige beoordeling en motivering vereisen binnen het huurrechtelijke juridische ontbinding- en ontruimingskader. Let op: dit is nog slechts een conclusie van de PG. We zijn in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad, die naar verwachting helderheid zal verschaffen over de toepassing van het IVRK in dergelijke gevallen. Wat kunnen verhuurders nu al doen? Onderzoek actief of er minderjarige kinderen in de woning verblijven. Breng de gezinssituatie en eventuele opvangmogelijkheden in kaart. Leg vast wat bekend is over netwerk, hulpverlening en risico’s van dakloosheid. Weeg het belang van het kind zichtbaar mee. Zoek afstemming met de gemeente of hulpverleningsinstanties. Bereid je voor op kritische toetsing door de rechter. Houd rekening met de mogelijkheid dat de rechter de ontruiming verbindt aan voorwaarden over opvang of afziet van ontruiming. Wilt u juridisch advies bij het voorbereiden van een ontruimingsprocedure waarin kinderen betrokken (kunnen) zijn? Ons team Huurrecht denkt graag met u mee.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Consultatie herziening DAEB-staatssteunregels: Een middel tegen de huisvestingscrisis?
Tot en met 31 juli 2025 organiseert de Europese Commissie een consultatie over de herziening van de staatssteunregels voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (“DAEB”). In deze consultatie wenst de Europese Commissie informatie uit de markt te verzamelen over de toepassing van de DAEB-regels en eventuele verbeterpunten. Deze consultatie is met name relevant voor overheidslichamen, aanbieders van sociale huisvesting en ontwikkelaars die betrokken zijn bij woningbouwprojecten en het realiseren van betaalbare huisvesting, aangezien zij regelmatig worden beperkt ten aanzien van de mogelijkheid tot publieke financiering voor deze projecten. De Europese Commissie wenst de DAEB-regels hier op aan te passen, zodat meer woningbouwprojecten binnen de kaders van het staatssteunrecht gerealiseerd kunnen worden. Wat zijn de DAEB-staatssteunregels?  De DAEB-regels bieden een juridisch kader waarbinnen overheden staatssteun mogen verlenen aan organisaties die diensten van algemeen economisch uitvoeren. Dit zijn diensten die van algemeen belang worden geacht binnen de maatschappij maar welke doorgaans niet rendabel zijn, zoals de realisatie sociale woningbouw. Het doel is om te waarborgen dat deze steun niet leidt tot oneerlijke concurrentie binnen de Europese interne markt. De regels bepalen onder welke voorwaarden en tot welk bedrag steun mag worden verleend, zonder voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie. Waarom deze DAEB-regels herzien?  De Europese Commissie ziet de noodzaak om de regels te moderniseren, mede vanwege de aanhoudende huisvestingscrisis binnen de gehele EU. Met de herziening wil de Commissie het voor lidstaten eenvoudiger en sneller maken om steun te verlenen voor betaalbare en energie-efficiënte woningen. Daarnaast worden enkele technische aanpassingen voorgesteld om de toepassing van de regels te verbeteren. Uw input gevraagd  De consultatie biedt overheidslichamen en andere belanghebbenden de kans om hun ervaringen en wensen te delen. Dit is hét moment om knelpunten uit de praktijk aan te kaarten en mee te denken over de toekomst van staatssteun voor woningbouw. Praktische informatie  Periode: 5 juni – 31 juli 2025 Locatie: online Heeft uw organisatie te maken met woningbouwprojecten en staatssteun? Neem deel aan de consultatie door middel van beantwoording van de vragenlijst en draag bij aan betere regels voor betaalbare huisvesting! Indien u daarbij assistentie wenst, of indien u andere staatssteunvragen heeft, aarzel dan niet contact op te nemen met Monika Beck of een van onze andere specialisten.
Gerard Zuidgeest
Gerard Zuidgeest
Advocaat
Update rechtspraak schijnzelfstandigheid: ZZP of loondienst?
De afgelopen maanden schreven wij regelmatig updates over schijnzelfstandigheid en de opheffing van het handhavingsmoratorium door de Belastingdienst. Welke ontwikkelingen zien we inmiddels terug in de rechtspraak? In ieder geval heeft de kantonrechter Leiden recent een uitspraak gedaan waarbij onze cliënt, als opdrachtgever, het gelijk aan haar zijde kreeg. De kantonrechter was van oordeel dat (steeds) sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht en heeft de verzoeken van de opdrachtnemer tot onder andere (door)betaling van loon en de transitievergoeding afgewezen. Stand van zaken rechtspraak schijnzelfstandigheid Sinds 2025 treedt de Belastingdienst weer (licht) handhavend op tegen schijnzelfstandigheid (klik hier voor ons artikel over schijnzelfstandigheid). Daardoor zien we in de rechtspraak ook veel zaken voorbij komen, waarbij zzp’ers het standpunt innemen dat hun opdrachtrelatie schijn is en dat zij in werkelijkheid werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Daardoor kunnen zij (na)betalingen van salaris, vakantiegeld, pensioenrechten en transitievergoedingen vorderen. Wat leren we uit deze uitspraken? Dat de uitkomst spannend blijft! Zoals zo vaak, hangt ook de beantwoording van de kwalificatievraag – zzp of loondienst – af van de weging van alle omstandigheden van het geval. Waar aanvankelijk vaker schijnzelfstandigheid leek te worden vastgesteld en een arbeidsovereenkomst werd aangenomen, lijkt het dat we de laatste tijd weer meer uitspraken zien, waarbij rechters de samenwerking tussen partijen helemaal niet (her)kwalificeren tot een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst van opdracht blijft dan overeind. Er is sprake van echte zelfstandigheid. Beoordeling arbeidsovereenkomst vs. opdracht? Loondienst vs. zzp? In de zaak van onze cliënt moest de kantonrechter eveneens oordelen over de vraag of de samenwerking tussen partijen kwalificeerde als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. De vraag luidde concreet of een sociaal werker daadwerkelijk als zelfstandige functioneerde of vergelijkbaar met een medewerker in loondienst. De sociaal werker vond dat de samenwerking tussen partijen – op enig moment – een arbeidsovereenkomst was geworden. Hij voerde onder andere aan dat hij zijn werktijden moest verantwoorden, met enige regelmaat bedrijfskleding droeg, op de website van de opdrachtgever werd vermeld en een maandelijks vaste vergoeding ontving. De kantonrechter is keurig alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest afgelopen. Na weging van alle omstandigheden heeft de rechter het standpunt van de sociaal werker niet gevolgd en geconcludeerd dat geen sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De rechter oordeelde dat partijen zich bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten), alsmede de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven meer als opdrachtgever en opdrachtnemer hebben gedragen en niet als werkgever en werknemer. De sociaal werker was dus zzp’er en niet te kwalificeren als werknemer, noch op enig moment werknemer geworden. Als belangrijkste argumenten voor de zzp-relatie – en daarmee voor de conclusie dat (steeds) sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht – hebben de volgende omstandigheden een rol gespeeld: De werkzaamheden hadden een tijdelijk karakter; Vrijheid in het bepalen van de dagelijkse werktijden en inhoud van werkzaamheden; Geen volledige inbedding in de organisatie; Voor ziekmelding, deelname aan overleggen en trainingen en kerstgeschenken werd voor de zzp’er een ander beleid gevoerd dan voor werknemers; De schriftelijke overeenkomst is tot stand gekomen op voorstel van de zzp’er via een modelovereenkomst; De zzp’er onderhandelde over zijn tarief en zijn beloning lag ruim boven cao-niveau. Er zijn geen loonstroken verstrekt en geen loonbelasting ingehouden; de zzp’er factureerde namens zijn handelsnaam. De zzp’er profileerde zich extern als zelfstandige door middel van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een eigen website en de vermelding van meerdere opdrachtgevers (tegelijkertijd) op LinkedIn. Eind goed, al goed (voor de opdrachtgever) Als een zzp’er ziek wordt of als een overeenkomst van opdracht eindigt, vormt dit vaak een aanleiding voor een zzp’er om zich plotseling op het standpunt te stellen dat hij of zij eigenlijk als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was. Ineens valt er immers inkomen weg en is er geen wettelijk financieel vangnet. Het (dreigend) einde van de opdrachtovereenkomst vormde ook het startsein voor de zzp’er in onze zaak om een procedure te beginnen. Hier liep het goed af voor onze opdrachtgever. Alle vorderingen van de zzp’er zijn afgewezen. De overeenkomst van opdracht is zonder enige verdere (financiële) verplichtingen van de opdrachtgever rechtsgeldig geëindigd op de einddatum, die de rechter in de zaak als overeengekomen einddatum heeft vastgesteld. De zaak leert ons dat de kwalificatievraag de gemoederen duidelijk blijft bezighouden. Het levert uitgebreide discussies op en vraagt alertheid van opdrachtgevers door op alle fronten – of het nu gaat om contractsluiting of de dagelijkse inrichting van de samenwerking – daadwerkelijke zelfstandigheid te bewaken. Contact Wij realiseren ons dat de praktijk weerbarstig is. Desalniettemin is deze uitspraak een mooie opsteker voor opdrachtgevers. Het laat zien dat door de zzp’er contractuele autonomie te geven en met de kleinste aspecten in de uitvoering van de opdracht rekening te houden, de kwalificatievraag in het voordeel van de opdrachtgever kan worden beslecht. Binnen ons team zijn Angela van der Does-Mekes en Gerard Zuidgeest veelvuldig met dit onderwerp bezig. Heeft u ook vragen en wilt u van gedachten wisselen of de zzp’ers die u inhuurt niet eigenlijk een dienstverband hebben? Neem dan contact met hen op, of met een van onze andere specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Duurzaam bouwen vraagt om heldere afspraken en een integrale visie
Onderstaande is op 27 juni 2025 gepubliceerd in de verdiepingsbijlage bij het FD.  Duurzaam bouwen is meer dan een optelsom van goede bedoelingen en innovatieve technieken. Zeker vanuit juridisch perspectief. In die context speelt ook het belang van heldere afspraken en een weloverwogen integrale visie. Dat klinkt logisch, maar de praktijk blijkt soms weerbarstig.  Van papieren ambitie naar harde afspraken Duurzaam en toekomstbestendig bouwen staat bij veel partijen hoog op de agenda, maar ambitie en uitvoering lopen vaak uiteen. ”We zien te vaak dat inschrijvende partijen aanbestedingen winnen door meer te bieden dan de gestelde duurzaamheidseisen, maar dat de aanbestedende diensten vervolgens nalaten die eisen ook daadwerkelijk in het contract vast te leggen”, stelt Niek Hoogwout, partner bouw- en aanbestedingsrecht bij advocatenkantoor La Gro. Door die omissie komt de vooraf geplande meerwaarde – zoals extra WKO-installaties of circulaire oplossingen – vaak niet tot uitvoering als het project loopt.  Volgens Hoogwout is het de rol van de jurist om die kloof te dichten. ”Of het nu gaat om energieprestatie, materiaalgebruik of CO₂-reductie, het juridische uitgangspunt is eenvoudig: leg afspraken vast en zorg vervolgens dat het contractmanagement op orde is”, merkt hij op. “De uitdaging is om de concrete invulling en meetbaarheid van duurzaamheid juridisch te borgen. Dat vraagt om maatwerk en precisie, zeker bij complexe projecten. Maar in de haast of door onwetendheid wordt het vaak vergeten.  Nieuwe wetgeving, nieuwe kansen – en onzekerheden  De komst van de Omgevingswet biedt gemeenten nieuwe mogelijkheden om duurzaamheid juridisch af te dwingen. “Onder de oude wetgeving stond de goede ruimtelijke ordening centraal. Nu gaat het om de fysieke leefomgeving. Dat begrip is veel breder en omvat ook duurzaamheid. Gemeenten kunnen nu door middel van gebodsbepalingen expliciet eisen stellen op het gebied van duurzaamheid in hun omgevingsplan. Dat opent geheel nieuwe mogelijkheden”, vertelt Coline Norde, Partner bestuurs- en omgevingsrecht, La Gro.  Veel overheden benutten deze nieuwe ruimte en instrumenten (nog) niet, zo signaleert Norde in haar werk voor meer dan twintig overheden. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat? Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde.  Stikstof en netcongestie  De stikstofproblematiek is een veelbesproken hindernis in de bouwwereld. Nieuwe rechtspraak maakt dit niet makkelijker. Bij veel bouwprojecten werd gebruikgemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de stikstofdepositie van de bestaande (vergunde) situatie afgetrokken van de stikstofdepositie van de nieuwe situatie. “Door een wijziging in de rechtspraak eind 2024 zijn de mogelijkheden om intern te salderen beperkt. Dat vereist een nadere motivering, de zogenoemde additionaliteitstoets. Dat maakt het verkrijgen van vergunningen voor nieuwe bouwprojecten een stuk moeilijker”, vertelt Norde.  Naast de stikstofproblematiek is ook netcongestie een grote uitdaging voor nieuwe ontwikkelingen. “Bouwers kunnen in de problemen komen met hun opleverdatum als een nieuw pand niet tijdig aangesloten kan worden op het elektriciteitsnetwerk”, aldus Hoogwout. Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat?  Positieve trends  Toch zijn er ook positieve trends zichtbaar, zoals de toenemende waardering van duurzaamheid in de markt. Hoogwout adviseert aan bedrijven die willen investeren in duurzame gebouwen: kijk verder dan de minimale wettelijke vereisten. “Een gebouw met een BREEAM Excellent-score is niet alleen duurzamer, maar ook waardevaster. Op termijn betaalt dat zich altijd terug, terwijl een duurzaam gebouw ook vandaag al meer rendement oplevert: huurders laten bij vestigingskeuze steeds vaker de kwaliteit en de duurzaamheid van het pand meewegen.”  Norde wijst op de opkomende trend van uitnodigingsplanologie, waarbij overheden zich uitnodigend opstellen tegenover ontwikkelaars. “In het verleden werd gebruik gemaakt van toelatingsplanologie met afgebakende kaders over wat op een locatie mag. Uitnodigingsplanologie biedt veel meer vrijheid voor nieuwe initiatieven en innovatie”, legt Norde uit. Met uitnodigingsplanologie is al geëxperimenteerd op de Binckhorst in de gemeente Den Haag en het Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad. Hoogwout en Norde benadrukken dat een integrale visie en oog voor de bestaande omgeving cruciaal zijn om tot het gewenste eindresultaat te komen. “Je ziet dat duurzame investeringen het meeste effect hebben als ze deel uitmaken van een integrale visie – juridisch, stedenbouwkundig en maatschappelijk”, aldus Hoogwout. 
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Redelijk aangesloten: wachttijden en de Elektriciteitswet
Netbeheerders zijn wettelijk verplicht om eenieder binnen een redelijke termijn aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Een redelijke termijn werd in de Elektriciteitswet 1998 gedefinieerd als 18 weken na de aanvraag hiertoe. Op 29 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich gebogen over deze deadline in een kwestie tussen netbeheerder Enexis en assemblagebedrijf ZT Netherlands en geoordeeld dat deze strijdig is met Europees recht. Het arrest geeft richting, maar vormt ook een duidelijke waarschuwing: wie de aansluitingstermijn als hard recht beschouwde, moet dat standpunt herzien. Wat betekent dit voor netbeheerders, bedrijven én de juridische praktijk? Juridische en maatschappelijke context van aansluittermijnen Volgens de Europese Elektriciteitsrichtlijn (artikel 59 lid 7 sub a Richtlijn 2019/944) mogen alleen onafhankelijke toezichthouders – in Nederland de ACM – aansluitvoorwaarden vaststellen. Deze exclusieve bevoegdheid van regulerende instanties werd door het Europese Hof van Justitie in 2020 en 2021 verduidelijkt. Juridisch gezien betekent dit dat een redelijke termijn voor een aansluiting moet worden vastgelegd in een netcodebesluit van de ACM en niet in een wet in formele zin zoals de Elektriciteitswet 1998. De wettelijke verankering van de 18-wekentermijn voor zowel klein- als grootverbruikers is op 21 februari 2025 geschrapt. In de praktijk was een overschrijding van dit termijn al de norm, dus of de wetswijziging impact heeft op de daadwerkelijke doorlooptijden is nog maar de vraag. Door een structureel tekort aan technici, een groei van het werkpakket en de noodzaak voor steeds complexere netontwerpen was de landelijk gemiddelde levertijd voor een grootverbruik aansluiting in 2020 volgens Enexis ongeveer 45 weken. Enexis versus ZT Netherlands In mei van 2020 vroeg ZT Netherlands na een verhuizing een grootverbruiksaansluiting aan bij netbeheerder Enexis. Vanwege de langere doorlooptijden schakelde ZT zelf dieselaggregaten in om de werkzaamheden voor te zetten. Toen de aansluiting na 25 weken rond was – zeven weken later dan de wettelijke termijn – eiste ZT vergoeding van Enexis. In een tussenvonnis gaf de rechtbank Oost-Brabant ZT gelijk. De termijn was overschreden, dus Enexis handelde onrechtmatig. Het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Enexis werd door de rechtbank opzij geschoven, omdat Enexis voortvarender te werk had kunnen gaan met het voorkomen van schade bij ZT Netherlands. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch draaide het vonnis in hoger beroep volledig terug. De belangrijkste punten: De 18-wekentermijn is in strijd met het Europees recht. Doordat de termijn is vastgelegd in de Elektriciteitswet 1998 en niet in een besluit van de ACM, kan Enexis de termijn juridisch niet laten toetsen – en dat is in strijd met het recht op toegang tot een rechter (artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de EU). De termijn van 25 weken is ‘redelijk’ onder de omstandigheden. Het hof kijkt naar de gemiddelde aansluittermijnen in 2020 (35 weken), het type aansluiting, en de capaciteitsproblemen bij Enexis en oordeelt dat de aansluiting van ZT zelfs relatief snel is verlopen. First come, first served In het slot van het arrest wijdt het Gerechtshof nog een opmerkelijke overweging aan het first come, first served-beleid dat netbeheerders voeren bij het verwerken van openstaande verzoeken. Hierin is een duidelijke lijn te lezen: “First come, first served” is een redelijk en verdedigbaar uitgangspunt, tenzij de aanvrager concreet bewijst dat er sprake is van een uitzonderlijke urgentie. Met die overweging lijkt het Gerechtshof een fundamentele koers te kiezen: de lat voor afwijking van wachtrijbeleid bij aansluitingsverzoeken ligt hoog. Conclusie Het Gerechtshof creëert duidelijkheid omtrent de aansluittermijnen en de mogelijke aansprakelijkheid van netbeheerders. Hoewel het expliciete recht op aansluiting binnen 18 weken niet langer in de Elektriciteitswet 1998 is opgenomen, blijft er wél een wettelijke aansluitplicht bestaan. De beoordeling of een netbeheerder tijdig heeft aangesloten, vindt nu plaats aan de hand van een ‘redelijke termijn’. Wat als redelijk wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Dit arrest behoudt daarmee zijn relevantie, zowel voor aansprakelijkheidskwesties met betrekking tot de periode vóór 2025 als voor toekomstige discussies over netcapaciteit, bijvoorbeeld in het kader van congestie en netuitbreiding. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met het Energie team van La Gro. Wij denken graag met u mee!