Publicaties

Pieter Frölich 1
Pieter Frölich
Advocaat
De juiste rechtsvorm kiezen: waar moet je op letten?
Als ondernemer heb je bij de start van je bedrijf de keuze uit verschillende rechtsvormen, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof) of besloten vennootschap (BV). Die keuze heeft grote gevolgen voor bijvoorbeeld je aansprakelijkheid, belastingplicht en groeimogelijkheden. In deze blog zet ik de belangrijkste overwegingen voor je op een rij. Wat is een rechtsvorm? Een onderneming is een organisatie waarin kapitaal, arbeid en leiding samenkomen met als doel het maken van winst. De rechtsvorm is de juridische jas waarin dat gebeurt. Zo kun je dezelfde onderneming drijven als een vof (met twee vennoten) of als BV (met twee DGA’s). In het ene geval is een overeenkomst tussen de vennoten voldoende om de samenwerking af te trappen. In het andere geval zijn een notariële oprichtingsakte en statuten vereist en een managementovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst sterk aan te bevelen. Veel ondernemers starten eenvoudig Veel startende ondernemers kiezen – bewust of onbewust – voor een eenmanszaak of vof. Deze rechtsvormen zijn makkelijk en snel op te richten, bieden starters fiscale voordelen en zijn al met al minder complex dan bijvoorbeeld een BV. Een onderneming ontwikkelt zich continu. Daardoor kan ook de vorm waarin de onderneming het beste tot zijn recht komt veranderen. Zo kan een toename van activiteiten, omzet, wist, personeel, of financieringsbehoefte meebrengen dat het verstandiger wordt om over te stappen naar een BV. Vier belangrijke drivers die dit omslagpunt beïnvloeden worden hierna kort behandeld: risicobeheersing, financiën (fiscaliteit), administratieve lasten en groeipotentieel. Risico’s Qua (financiële) bedrijfsrisico’s is een belangrijke eigenschap dat een ZZP’er (eenmanszaak) of vennoot (vof) ook met zijn privévermogen aansprakelijk is voor zakelijke schulden. Door een toename van de activiteiten, oftewel groei, zal vanzelf ook de blootstelling aan risico’s toenemen. Als het punt is bereikt waarop de privémiddelen onvoldoende zijn om de zakelijke risico’s af te dekken dan komt een persoonlijk faillissement akelig dichtbij. De oplossing hiervoor is om tijdig over te stappen naar een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid, zoals de BV. Rechtspersoonlijkheid brengt mee dat niet de ondernemer zelf maar zijn BV instaat voor alle zakelijke schulden. Aansprakelijkheid van de ondernemer zelf komt bij wijze van uitzondering pas om de hoek kijken bij fraude of onverantwoordelijke risico’s. Fiscale voordelen Wat betreft de financiën is van belang dat een eenmanszaak of vof fiscaal transparant is. Dat wil zeggen dat de fiscus voor de winstbelasting dwars door de rechtsvorm heen kijkt naar de achterliggende ondernemer(s). Zij betalen belasting over de winst via box 1 (inkomen uit werk en woning) op basis van het bekende progressieve tarief (variërend tussen de 35,82% en 49,50%, cijfers 2025). Voor ondernemers zijn er extra aftrekposen in de vorm van de zelfstandigenaftrek, Startersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Die voordeeltjes zijn voor de beginnende ondernemer een mooi duwtje in de rug. Maar als de winst toeneemt komt er een punt waarop dit soort fiscale voordelen hun glans verliezen. Een BV is niet fiscaal transparant en betaalt vennootschapsbelasting (19% over de winst tot EUR 200k en 25,8% daarboven, cijfers 2025). De ondernemer/DGA ontvangt een gebruikelijk jaarsalaris uit de BV (in principe minimaal EUR 56k, cijfers 2025) en betaalt daarover inkomstenbelasting (via box 1). Als de BV daarnaast dividend uitkeert dan wordt dit apart belast. In algemene zin is het lastig te zeggen op welk punt een BV fiscaal voordeliger wordt dan een eenmanszaak of vof, maar als vuistregel wordt vaak een winst van zo’n EUR 150.000,- als omslagpunt genoemd. Maar let op dat het vanuit het oogpunt van bijvoorbeeld risicobeheersing al (veel) eerder verstandig kan zijn om over te stappen. Administratieve lasten De meeste ondernemers zijn het er wel over eens dat een BV niet in alle opzichten alleen maar voordelen biedt en bijvoorbeeld hogere administratieve kosten heeft dan een eenmanszaak. Dit heeft voornamelijk te maken met de publicatieplicht. Anders dan bij een eenmanszaak of vof is de BV-ondernemer verplicht om jaarstukken op te stellen en via de Kamer van Koophandel te publiceren. Dit vraagt meer van uw administratie, accountant en boekhouder. Daarnaast zijn er ook oprichtingshandelingen en -kosten verbonden aan een BV en is een notaris nodig. In de opstartfase kan dit de groei in de weg zitten. Professioneel imago en groeigerichtheid Een bijkomend pluspunt van een BV – dat niet onvermeld kan blijven – is dat deze rechtsvorm geschikter is om langere termijn groei mogelijk te maken. Dit komt met name omdat deze rechtsvorm een professioneler imago heeft en beter in staat is om (groei)financiering aan te trekken. Zo zijn er meer mogelijkheden om financiers te faciliteren en te verleiden om investeringen te doen. Wat ook meehelpt is dat de continuïteit van een BV-onderneming robuuster is en minder afhankelijk van de poppetjes (vennoten) die deze van tijd tot tijd besturen. Dat maakt het financieren ervan minder risicovol en dus voordeliger. Omzetting Omdat de belangrijkste drivers om de juiste rechtsvorm te kiezen – risico’s, financiën en groeipotentieel – niet statisch maar in ontwikkeling zijn en omdat de voorkeuren van de ondernemer zelf ook kunnen veranderen, kan het wenselijk zijn om de onderneming om te zetten in een andere rechtsvorm. Afhankelijk van de gewenste omzetting, komt daar een jurist en/of accountant en/of notaris aan te pas. Een goede planning en voorbereiding draagt bij aan het succes van zo’n operatie. Op ondernemersplein.overheid.nl/ is een keuzehulp beschikbaar waarmee je kunt spelen met de verschillende voors en tegens van veel voorkomende rechtsvormen. Dit is een bruikbaar hulpmiddel bij de gedachtevorming.    Raad en daad Bij La Gro vinden wij het leuk om met ondernemers in elke vorm en fase mee te denken en te doen (raad en daad). Geef Pieter Frölich of een van de andere specialisten van Corporate Advisory & Litigation gerust een belletje voor een vrijblijvende verkenning van de mogelijkheden als je daar (bijna) klaar voor bent. Daar krijg je geen spijt van.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Picnic en andere e-commercebedrijven vallen onder de cao levensmiddelenbedrijf
Inleiding Steeds meer mensen doen hun boodschappen online en dat levert al langere tijd interessante juridische vragen op over de status, rechten en verplichtingen van degenen die voor dergelijke bedrijven werken. Soms kan ook onduidelijk zijn welke  (collectieve) arbeidsvoorwaarden gelden. Cao levensmiddelenbedrijf van toepassing op e-commercebedrijven In een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moest beoordeeld worden of de algemeen verbindend verklaarde cao levensmiddelenbedrijf in een bepaalde periode van toepassing was geweest op partijen zoals Picnic, Flink en Getir tot het moment waarop zij dispensatie kregen voor die cao. Genoemde partijen baten “virtuele winkels” uit, waar consumenten boodschappen kunnen bestellen, maar niet fysiek kunnen winkelen. De werkingssfeer voor de cao levensmiddelenbedrijf was al in 2019 verruimd en overigens hield de werkingssfeer van de cao al sinds 2001 rekening met “virtuele inrichtingen” van winkels. Het hof maakt uit de werkingssfeerbepaling op dat voldoende is dat een rechtspersoon zelf of in samenhang met een andere groepsvennootschap in hoofdzaak een ‘winkel’ exploiteren. Als de ene groepsvennootschap dus alleen bezorgt, maar de groepsvennootschap die de winkel exploiteert niet zonder die bezorging kan, valt ook die bezorgende groepsvennootschap onder de cao. Alle bezwaren van Picnic en de andere procespartijen over onaannemelijkheid van de gevolgen van toepasselijkheid van de cao en de praktische onmogelijkheid om 35.000 werknemers te compenseren, worden door het hof van tafel geveegd. Het hof twijfelt er namelijk niet over dat dit de juiste uitleg van de cao is. Als gevolg van deze conclusie van het hof moeten tienduizenden (oud-)werknemers gecompenseerd worden; een forse en ongetwijfeld dure taak voor de betrokken werkgevers. Praktische tips Eens te meer maakt deze zaak duidelijk dat werkgevers het risico lopen om onbedoeld verplicht te zijn een cao toe te passen. (Internationale) werkgevers die op de Nederlandse markt willen starten, doen er goed aan om zo goed mogelijk in kaart te brengen welke collectieve regelingen mogelijk van toepassing kunnen zijn en, om grote claims en ingewikkelde hersteloperaties te voorkomen, niet te lichtvaardig aan te nemen dat een bepaalde collectieve regeling niet hoeft te worden toegepast. Sterker nog: daartoe kunnen ook groepsvennootschappen verplicht zijn die slechts werkzaamheden uitvoeren die ‘samenhangen met’ werkzaamheden die onder de cao vallen. Contact Heeft u vragen over een cao die binnen uw branche geldt of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Hof Den Haag heeft geen internationale bevoegdheid in collectieve actie tegen Airbnb
Op 27 mei 2025 heeft het gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan over haar internationale bevoegdheid in een collectieve actie van Stichting Massaschade & Consument (“SMC”) tegen het in Ierland gevestigde Airbnb (ECLI:NL:GHDHA:2025:1051). SMC trad op namens Nederlandse consumenten die via Airbnb accommodaties hadden gehuurd. SMC stelde dat Airbnb onterecht servicekosten in rekening had gebracht en vorderde onder meer terugbetaling van deze kosten. De rechtbank Den Haag had zich eerder internationaal onbevoegd verklaard; SMC ging in hoger beroep. Centrale vraag in hoger beroep: kan SMC een collectieve actie aanhangig maken bij de Nederlandse rechter tegen het in Ierland gevestigde Airbnb? Nee, zo oordeelde het hof. Het hof heeft haar internationale bevoegdheid getoetst aan de toepasselijke Brussel I-bis verordening (nr. 1215/2012). Hieronder lichten wij de belangrijkste punten van het arrest toe. Consumentenovereenkomst (art. 18 lid 1 Brussel I-bis) Het hof toetste allereerst ambtshalve of zij bevoegd was op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I-bis. Dit artikel biedt consumenten de mogelijkheid om een vordering in te stellen bij de rechter van hun woonplaats.  Het hof oordeelde echter dat deze bevoegdheidsgrond alleen geldt als de consument zelf partij is in de procedure. Omdat SMC als stichting optreedt namens consumenten, maar zelf geen contractspartij is bij de overeenkomsten met Airbnb, kon zij geen beroep doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Plaats van dienstverlening (art. 7 lid 1 Brussel I-bis) Art. 7 lid 1 Brussel I-bis geeft voor verbintenissen uit overeenkomst een alternatieve bevoegdheid voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Voor overeenkomsten tot verstrekking van diensten is dit de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden. SMC stelde dat de dienstverlening van Airbnb, namelijk het faciliteren van boekingen via het platform, hoofdzakelijk in Nederland plaatsvond vanwege de Nederlandse gerichtheid van het platform.  Het hof ging niet mee in het standpunt van SMC. Volgens het hof vond de kern van de dienstverlening – het beheer van het platform – niet in Nederland plaats. Nederlandse consumenten kunnen via Airbnb overal ter wereld een huurovereenkomst sluiten. De locatie waar een Nederlandse consument via het platform akkoord gaat met het aanbod van een verhuurder, vormt volgens het hof dan ook geen plaats van uitvoering in Nederland. Daarbij overwoog het hof dat voor zover moet worden geoordeeld dat het internationale karakter van de dienstverlening meebrengt dat op deze grondslag geen plaats van uitvoering kan worden bepaald, de woonplaats van de dienstverrichter beslissend is. Die ligt in Ierland, zodat ook in dat geval geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter bestaat. Forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden (art. 25 Brussel I-bis) SMC beriep zich daarnaast op de tussen consumenten en Airbnb overeengekomen forumkeuze in de algemene voorwaarden, dat de consumenten de mogelijkheid bood tegen Airbnb te procederen in hun eigen woonplaats. Daarom stelde SMC dat het hof bevoegd is op grond van art. 25 Brussel I-bis. Het hof volgde SMC hierin niet. Het hof oordeelde dat SMC geen partij is bij de door de consumenten gesloten overeenkomsten met Airbnb. SMC treedt op basis van de wet op voor de belangen van consumenten; haar procesbevoegdheid is niet gebaseerd op cessie of contractsovername. Hierdoor kan SMC geen rechten ontlenen aan het forumkeuzebeding dat uitsluitend geldt tussen de oorspronkelijke contractspartijen, zo oordeelde het hof. Onrechtmatige daad (art. 7 lid 2 Brussel I-bis) Tenslotte voerde SMC aan dat er sprake was van een onrechtmatige daad bestaand uit een schending van een wettelijke plicht, omdat Airbnb onredelijk bezwarende bedingen in haar algemene voorwaarden zou hanteren. SMC stelde dat hierdoor de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn op grond van art. 7 lid 2 Brussel I-bis, omdat het schadebrengende feit zich in Nederland zou hebben voorgedaan. Ook hierin volgde het hof SMC niet. Volgens het hof waren de vorderingen van SMC zijn zo nauw verweven met de contractuele relatie, dat ze als “verbintenissen uit overeenkomst” moeten worden gekwalificeerd. Daarom is de onrechtmatige-daad-grondslag niet van toepassing. Conclusie Stichtingen die collectieve acties willen instellen tegen buitenlandse partijen, kunnen niet zonder meer varen op bevoegdheidsgronden die voor individuele consumenten gelden. Daarnaast is het van belang om van tevoren goed te bepalen om – in geval van dienstverlening – goed te bepalen waar deze dienstverlening heeft plaatsgevonden. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of collectieve acties? Neem contact met Arnout Koeman of een van onze andere specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Annotatie Tijdschrift voor Bouwrecht: eerste uitspraak na het Didam II-arrest
Voor het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR 2025/73), heeft oud-collega Marnix van Hemert een annotatie geschreven bij de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 december 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:256). De uitspraak betreft de eerste uitspraak na het Didam II-arrest in het Caribisch gebied, die ingaat op het spanningsveld tussen maatschappelijk gegroeide rechten en de Didam-regels op Curaçao. In de annotatie toetst Marnix de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten aan de juridische grondslag voor het bieden van mededingingsruimte conform de Didam-regels. Ook gaat Marnix tevens in op de wenselijkheid van Didam-beleid voor overheidslichamen. In de annotatie wordt door Marnix betoogd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de onderhavige kwestie niet naar behoren zijn nageleefd en derhalve niet stroken met de Didam-regels, omdat er in de voorliggende kwestie sprake is van de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van een schaars recht tussen private partijen, zonder tussenkomst van een overheidslichaam, noch van toepassing van de Didam-regels, bij gebreke van specifiek Didam-beleid. De privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten lijkt niet te stroken met de verplichtingen voor overheidslichamen voortvloeiende uit de Didam-arresten. Om die reden, doet Marnix de aanbeveling dat de Caribische landen van het Koninkrijk duidelijke procedurele regels voor gronduitgifte dienen opstellen in lijn met het Didam-arrest. Afsluitend betoogt Marnix de wenselijkheid van zorgvuldig opgesteld Didam-beleid, ter voorkoming van het ad hoc moeten conformeren aan de Didam-regels, alsmede om het gronduitgiftebeleid van overheidslichamen toekomstbestendig te maken. Bij interesse in de annotatie of naar uw mogelijkheden op grond van het Didam-arrest, neem dan vooral vrijblijvend contact op met Niek Hoogwout. 
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
ZZP’er blijkt toch werknemer: met terugwerkende kracht pensioenpremie verschuldigd?
Inleiding De vraag of een zzp’er als werknemer kan worden gezien, blijft een hot topic. Kwalificatie als werknemer kan ingrijpende gevolgen met zich meebrengen, zoals de plicht om met terugwerkende kracht premies en loonheffingen te betalen, maar ook ontslagbescherming, loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen en vakantietoeslag. Moet ook met terugwerkende kracht pensioenpremie worden afgedragen? Pensioen als arbeidsvoorwaarde Uitgangspunt van de Pensioenwet is dat een werkgever niet verplicht is om pensioen aan zijn werknemers aan te bieden. Toch kan een werkgever buiten zijn wil om gebonden zijn aan een pensioenregeling, bijvoorbeeld omdat een cao dit voorschrijft of sprake is van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Premieplicht met terugwerkende kracht? Werkgevers die actief zijn in sectoren waarin werknemers in verband met een cao of een verplicht bedrijfstakpensioenfonds recht hebben op pensioen, moeten na kwalificatie van een zzp’er als werknemer rekening houden met een naslag voor pensioenpremie over het verleden. Voor pensioenfondsen geldt immers dat de premie ook verschuldigd is als de (gebleken) werknemer nog niet was aangemeld. Recent oordeelde de rechtbank Noord-Holland over een geval waarin een werknemer vanaf 1 januari 2022 als werknemer in dienst was, nadat hij eerst sinds 1 januari 2016 als zzp’er werkzaam was geweest. Hij had altijd hetzelfde werk gedaan als andere werknemers, die altijd pensioen hadden opgebouwd. Zelf bouwde de werknemer sinds 1 januari 2022 ook pensioen op. De werkgever had de pensioenregeling onverplicht aan haar werknemers aangeboden. Had de zzp’er nu met terugwerkende kracht recht op pensioenopbouw vanaf 1 januari 2016? De rechter beantwoordt die vraag ontkennend, want daar bestond in dit geval geen juridische grondslag voor.   Praktische tips Hoewel de gevolgen van de kwalificatie van de overeenkomst van een zzp’er als arbeidsovereenkomst niet altijd tot gevolg heeft dat met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn, doen werkgevers er goed aan om bij hun inventarisatie van risico’s van het inhuren van zzp’ers goed aan om rekening te houden met het risico dat ook pensioenpremie verschuldigd is, en daar zo nodig organisatorische, financiële en/of contractuele voorzieningen voor te treffen. Contact Heeft u vragen over pensioen bij schijnzelfstandigheid of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
Reinout Oudijk 1
Reinout Oudijk
Advocaat
De eerste onteigeningsuitspraak onder de Omgevingswet
Met de op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet is de onteigeningsprocedure op de schop gegaan. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de primeur met de eerste onteigeningsuitspraak onder dit nieuwe wettelijke stelsel (uitspraak gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBZWB:2025:2931). Deze uitspraak van 20 mei 2025 biedt interessante inzichten in de wijze waarop de bestuursrechter toetst of aan de vereisten voor onteigening is voldaan.    Feitelijke achtergrond van de onteigeningsprocedure  De gemeente Gilze en Rijen wil twee percelen verwerven voor de herontwikkeling van de stationsomgeving, waaronder de aanleg van een tunnelbak en fietsenstalling. Daarvoor is het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen vastgesteld op 20 november 2023, dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor de gemeente Gilze en Rijen. De gemeenteraad heeft op 20 juni 2024 een onteigeningsbeschikking genomen en de bestuursrechter verzocht deze te bekrachtigen. Voor één perceel (woning met kamerverhuur) was de eigenaar het niet eens met de voorgenomen onteigening. Deze eigenaar heeft bedenkingen tegen de onteigeningsbeschikking ingebracht. Voor het andere perceel was na indiening van het verzoek inmiddels minnelijke overeenstemming bereikt.   Belangrijkste highlights en lessen voor de praktijk  De rechtbank heeft zich ongetwijfeld gerealiseerd dat haar de primeur toevalt en daarom een stevig onderbouwde uitspraak gedaan met veel verwijzingen naar wetsartikelen en kamerstukken. Voor zowel overheden als marktpartijen biedt deze heldere uitspraak inzicht in de werkwijze van de bestuursrechter bij onteigeningszaken.   Opvallend is met name dat de rechtbank uitgebreid de wettelijke stappen doorloopt, waaronder de te verrichten ambtshalve basistoets op vier punten: wettelijke vormvoorschriften, onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie.   Belangrijke leerpunten uit de uitspraak zijn:  Indringende toetsing van wettelijke onteigeningscriteria  De rechtbank past een intensieve toets toe op alle wettelijke criteria waaraan moet worden voldaan om de onteigeningsbeschikking te kunnen bekrachtigen: onteigeningsbelang, onteigeningsnoodzaak, urgentie en procedurele eisen (de wettelijke vormvoorschriften uit de Omgevingswet en Awb). De rechtbank toetst deze criteria ex nunc (rov. 3.2).     Ruime uitleg bij het vereiste ‘uitsluiting bestaande vorm’  Hoewel bij een onteigening op basis van een omgevingsplan is vereist dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer enkel is toegestaan “onder uitsluiting van de bestaande vorm” (art. 11.6 sub a Ow), moet dit vereiste voor een onteigeningsbelang volgens de rechtbank niet te letterlijk worden uitgelegd. Het gaat erom dat uit het geldende omgevingsplan voldoende duidelijk blijkt welke vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd en dat dit afwijkt van de bestaande vorm (rov. 6.2). De rechtbank had het zichzelf hier overigens makkelijker kunnen maken door te verwijzen naar art. 4.4a Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet, dat bepaalt dat als onteigend wordt op basis van een tijdelijk deel van het omgevingsplan, niet vereist is dat de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is uitgesloten.    Procedureel verzuim is niet per definitie fataal  Een procedureel verzuim, zoals het niet ter inzage leggen van het logboek van minnelijke onderhandelingen met de eigenaar, is weliswaar een gebrek maar niet fataal als dit gebrek alsnog wordt hersteld en niemand is benadeeld (rov. 5.6-5.7). Ondanks dat dit gebrek dit keer niet fataal is, leidt een onvolledig onteigeningsdossier tot vertraging en is het noodzakelijk dat het goed wordt gecontroleerd door het bestuursorgaan of het onteigeningsdossier compleet is en dit alle vereiste stukken bevat (zie bijv. artikel 7.2 van procesreglement bestuursrecht rechtbanken).     Argumentenfuik  De rechtbank lijkt een argumentenfuik (grondenfuik) te hanteren door bij dit oordeel over het logboek mee te wegen dat de belanghebbende (de eigenaar) pas voor het eerst in deze procedure heeft gewezen op het ontbreken van een logboek en niet eerder tijdens de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (rov. 5.7). Of volgens de Afdeling in de bekrachtigingsprocedure plaats is voor zo’n argumentenfuik valt te betwijfelen. Voor partijen is het voor nu de les om niet het kruit tot het laatst droog te houden, maar alle bezwaren tegen de onteigening en daaraan klevende gebreken al in de zienswijzefase naar voren te brengen.    Aandacht voor het onderhandelingsproces over de schadeloosstelling  De rechtbank kijkt behoorlijk diepgaand naar het gevoerde onderhandelingsproces tussen de gemeenteraad en de grondeigenaar voor haar oordeel dat sprake is van een redelijke poging tot verwerving (rov. 7.4). Aan het slot van deze overweging neemt de rechtbank ten overvloede mee dat het laatste tegenbod van de eigenaar onvoldoende is onderbouwd. Dit laatste roept de vraag op of in de bestuursrechtelijke bekrachtigingsprocedure al serieuze discussies gevoerd kunnen (of moeten) gaan worden over de aangeboden schadeloosstelling. Ons lijkt dat niet de bedoeling omdat de schadeloosstellingsdiscussie pas inhoudelijk moet worden gevoerd tijdens de daaropvolgende civielrechtelijke procedure. Voorlopig lijkt het verstandig dat de onteigenaar een (met een taxatierapport) onderbouwd laatste tegenbod van de grondeigenaar gemotiveerd weerlegt om in de onteigeningsprocedure aan te kunnen tonen dat redelijke pogingen zijn gedaan om de grond minnelijk te verwerven (art. 11.7 lid 1 Ow).   Betekenis voor toekomstige onteigeningszaken  Deze uitspraak biedt een doorkijk naar de nieuwe onteigeningspraktijk onder de Omgevingswet. Duidelijk is dat bestuursorganen die de onteigeningsbeschikking geven (art. 11.4 Ow) en onteigenaars in wiens naam de onteigening plaatsvindt (art. 11.2 Ow), hun dossiers volledig en transparant moeten opbouwen, met bijzondere aandacht voor het minnelijk overleg en de verslaglegging daarvan. Procedurele gebreken zijn (vooralsnog) niet altijd fataal, maar herstel lijkt alleen mogelijk als geen van de betrokkenen wordt benadeeld.   Contact Hebt u vragen over onteigening onder de Omgevingswet of wilt u advies over uw positie in een onteigeningsprocedure? Neem gerust contact op met Reinout Oudijk of één van onze onteigeningsadvocaten. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en adviseren u graag over de beste strategie in uw situatie. 
LGGA – Jiahui Plomp
Jiahui Plomp
Advocaat
Green bonds en sustainability linked loans: duurzame financiering in de praktijk
De transitie naar een duurzame economie vraagt niet alleen om innovatie en daadkracht, maar ook om slimme financieringsoplossingen. Twee instrumenten die hierin een steeds grotere rol spelen, zijn green bonds (groene obligaties) en sustainability linked loans (SLL’s). In deze blog leggen wij uit wat deze financieringsvormen inhouden, wat de juridische aandachtspunten zijn en hoe wij onze cliënten hierbij ondersteunen. Wat zijn green bonds? Green bonds zijn obligaties waarvan de opbrengst uitsluitend wordt gebruikt voor duurzame projecten. Denk aan de bouw van een windpark, de verduurzaming van vastgoed of investeringen in schoon openbaar vervoer. De uitgevende partij – vaak een bedrijf, bank of overheid – verbindt zich er contractueel toe het opgehaalde geld alleen aan deze groene projecten te besteden. Voorbeeld uit de praktijk: Een Nederlandse ontwikkelaar geeft een green bond uit om de aanleg van een nieuw zonnepark te financieren. Investeerders, waaronder lokale ondernemers en zelfs particulieren weten zo zeker dat hun geld bijdraagt aan de (lokale) energietransitie. Jaarlijks rapporteert de ontwikkelaar over de voortgang en de milieuwinst, zoals de hoeveelheid opgewekte groene stroom. Wat zijn sustainability linked loans (SLL’s)? SLL’s zijn leningen waarbij de rente of andere voorwaarden gekoppeld zijn aan het behalen van duurzaamheidsdoelstellingen door de lener. Het bijzondere is dat het geleende geld vrij besteedbaar is, maar de lener zich committeert aan het realiseren van concrete ESG-doelen, zoals CO2-reductie of het verhogen van het aandeel vrouwen in het management. Voorbeeld uit de praktijk: Een internationaal productiebedrijf sluit een SLL af bij een bank. In de leningsovereenkomst wordt vastgelegd dat de rente met 0,2% daalt als het bedrijf zijn CO2-uitstoot binnen drie jaar met 15% weet te verminderen. Wordt het doel niet gehaald, dan stijgt de rente juist. Zo ontstaat een financiële prikkel om duurzaam te ondernemen. Juridische aandachtspunten Bij beide financieringsvormen is het essentieel om de afspraken helder en controleerbaar vast te leggen. Denk aan: Duidelijke definities van ‘groene’ projecten of KPI’s; Onafhankelijke toetsing en rapportage; Gevolgen bij het niet behalen van de doelen; Transparantie richting investeerders en toezichthouders. Ons ESG-team De advocaten van ons ESG-team adviseren graag bij het opstellen en beoordelen van deze contracten, het structureren van de financiering en het voldoen aan de steeds strenger wordende regelgeving op het gebied van duurzaamheid. Ons ESG-projectteam combineert diepgaande kennis van financieringsrecht met actuele inzichten in duurzaamheidswetgeving. Wij adviseren over het opzetten van green bonds en SLL’s, van de eerste verkenning tot de closing en de rapportage achteraf. Meer weten? Wilt u weten wat green bonds of SLL’s voor uw organisatie kunnen betekenen, of heeft u vragen over de juridische aspecten? Neem gerust contact op met ons ESG-projectteam. Wij denken graag met u mee over duurzame financieringsoplossingen die werken in de praktijk.
La Gro – Sophie ten Broecke
Sophie ten Broecke
Advocaat
Dealercontracten Stellantis: geen uniforme formule, geen franchise!
Kwalificeren de overeenkomsten die fabrikant Stellantis met dealers en reparateurs van verschillende automerken (waaronder Citroën, Opel, DS en Peugeot) sloot als franchiseovereenkomsten? Deze vraag stond centraal in een recent arrest van het gerechtshof Amsterdam. Deze kwalificatie kan grote gevolgen hebben voor de wettelijke bescherming die de autodealers en reparateurs in dit geval toekomt. Het hof beantwoordt de vraag, net zoals de rechtbank, afwijzend: er is geen sprake van een uniforme formule, dus geen franchiseovereenkomst. Wat is een franchiseovereenkomst? De franchiseovereenkomst is een bijzondere overeenkomst die sinds 2021 wordt geregeld in de Wet franchise. De Wet franchise beoogt de franchisenemers als zwakkere partij te beschermen. Dit uit zich in de uitgebreide informatieverplichting die nu op franchisegevers rust en aanzienlijke rechten, zoals instemmingsrechten, die franchisenemers toekomen. Om deze wettelijke bescherming te krijgen, moet de overeenkomst kwalificeren als franchiseovereenkomst. Daarbij moet volgens de wet (artikel 7:911 BW) aan de volgende elementen worden voldaan: Het moet gaan om een overeenkomst waarbij de franchisegever aan de franchisenemer: tegen vergoeding; het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor; de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten. Hoewel partijen in deze zaak de overeenkomsten als ‘distributieovereenkomst’ hadden bestempeld, gaat het bij de kwalificatie niet om de benaming of titel die partijen voor hun overeenkomst hanteren, maar om de concrete invulling van de overeenkomst door partijen.   Kernpunt: de franchiseformule De kern van franchise is dat de franchisegever een franchiseformule heeft en hij franchisenemer het recht geeft en de verplichting oplegt om hun onderneming te exploiteren volgens deze franchiseformule. Kenmerkend voor de franchiseformule is dat deze bepalend is voor de uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen. Een franchiseformule omvat in ieder geval: een handelsmerk, model of handelsnaam, huisstijl of tekening en knowhow. Hof Amsterdam: geen franchiseformule In deze zaak heeft Stellantis in de overeenkomsten aan de dealers het niet-exclusieve recht toegekend om tegen bepaalde voorwaarden nieuwe voertuigen van de merken Opel, Peugeot, DS en Citroën te verkopen, waarbij de dealers aan allerlei eisen moeten voldoen, waaronder eisen voor de inkoop en verkoop van de producten en werkprocessen. Voor de reparateurs geldt dat zij als ‘erkend’ reparateur garantie-, onderhouds- , en reparatiewerkzaamheden mochten uitvoeren. Het Hof sluit niet uit dat er dealers tussen zitten die het dealerschap uitoefenen conform voorschriften van Stellantis en hun bedrijf exploiteren conform een zekere uniforme uitstraling, maar dat met name bij een aantal grote dealers hier geen sprake van is. De grote dealers zijn (regionaal) bekend om hun eigen naam en reputatie en opereren voor hun klanten met een eigen identiteit die ze presenteren op hun websites. Deze identiteit is niet primair verbonden met – of afhankelijk van een uniforme identiteit en uitstraling van de dealers van een bepaald merk van Stellantis. Ook zijn er dealers die dealerschappen hebben buiten Stellantis, wat zich moeilijk laat verenigen met een uniforme identiteit en uitstraling van een formule van Stellantis. Het gaat deze bedrijven niet zozeer om een bepaalde formule die ze willen exploiteren, maar om de auto’s en accessoires die zij willen verkopen, aldus het hof. Het hof concludeert dat er geen sprake is van franchiseovereenkomsten, vanwege het gebrek aan een uniforme franchiseformule. Dit geldt voor zowel de overeenkomsten met de dealers, als reparateurs. Selectieve distributie Het Hof kwalificeert de overeenkomsten als selectieve distributieovereenkomsten. Stellantis stelt namelijk criteria vast voor de selectie van de distributeurs (dealers en reparateurs), waaronder de verplichting om specialisten in dienst te nemen, bepaalde voorraadvereisten en de service na verkoop te verrichten volgens bepaalde normen. Een groot verschil tussen distributie en franchise is dat distributieovereenkomsten niet wettelijk worden geregeld. Daardoor komen distributeurs dus niet dezelfde wettelijke bescherming toe als franchisenemers. De kwalificatie van overeenkomsten kan dus grote invloed hebben op de onderlinge rechten en verplichtingen en de mate van bescherming die de wet jou biedt. Heb je vragen over jouw franchise- of distributieovereenkomst? Neem dan contact op met Sophie ten Broecke.
Patrycja Chelmiak
Patrycja Chelmiak
Advocaat
De toekomst van M&A (deel II): Blockchain en M&A
Blockchain: meer dan een hype Blockchain wordt vaak geassocieerd met cryptocurrencies zoals Bitcoin en dat is slechts deels terecht. De blockchain-technologie heeft namelijk een veel bredere reikwijdte. In de M&A wereld biedt blockchain een disruptieve kracht die traditionele processen kan transformeren. Van het stroomlijnen van due diligence tot het tokeniseren van eigendom(sbewijzen). Blockchain biedt concrete voordelen die niet alleen tijd en kosten besparen, maar ook zekerheid en transparantie vergroten. Voor M&A-professionals, investeerders en ondernemers is blockchain niet langer een futuristisch concept, maar een strategisch instrument dat de manier waarop transacties worden uitgevoerd fundamenteel kan veranderen. Vanwege de potentie van blockchain maken wij ook binnen La Gro gebruik van deze innovatieve toepassing. In 2019 werd La Gro (Benjamin Niemeijer) genomineerd voor de Gouden Zandloper voor de uitgifte van aandeelcertificaten via blockchain-technologie. Wat is blockchain en hoe werkt het? Blockchain is een digitaal en decentraal grootboek, vergelijkbaar met een digitale database. Op de blockchain kunnen handelingen op een veilige en transparante manier worden geregistreerd. Elke handeling vormt een ‘blok’ van code. Zodra een blok vol is, wordt het toegevoegd aan een keten van vorige blokken. Vandaar de term ‘blockchain’. Deze keten van gegevensblokken wordt gedeeld en gevalideerd door een netwerk van gebruikers. Dit zorgt ervoor dat gegevens niet gemanipuleerd kunnen worden. Dit maakt blockchain betrouwbaar en transparant en biedt een enorme zekerheid over de juistheid van de gegevens. Toepassing van blockchain in M&A Blockchain kan potentieel een belangrijke rol spelen binnen het M&A-proces, waarin traditioneel veel tijd wordt besteed aan het analyseren en controleren van gegevens en waarin zekerheid over de juistheid van die gegevens cruciaal is. Tokenization: het nieuwe tijdperk van eigendomsoverdracht Een van de meest disruptieve toepassingen van blockchain in M&A is tokenization. Tokenization is het digitaliseren van eigendom(sbewijzen) (zoals aandelen, vastgoed of andere activa) in de vorm van tokens op een blockchain. Dit proces biedt een niveau van zekerheid en efficiëntie dat traditionele methoden (zoals notariële akten en aandeelhoudersregisters) niet kunnen evenaren. Slimme contracten: automatisering van kritieke processen Slimme contracten (smart contracts) zijn digitale overeenkomsten die automatisch worden uitgevoerd zodra vooraf vastgelegde voorwaarden zijn vervuld. In het M&A-proces kunnen slimme contracten onder andere worden ingezet voor escrow-regelingen (het automatisch vrijgeven van gelden zodra aan bepaalde voorwaarden is voldaan) en earn-out-afspraken (relevante informatie voor de berekening van earn-outs kan op de blockchain worden vastgelegd). Stel dat een earn-out afhankelijk is van de omzet van een overgenomen bedrijf. Door omzetgegevens op de blockchain te registreren, hebben alle betrokken partijen toegang tot dezelfde, onveranderlijke gegevens, waardoor manipulatie onmogelijk wordt. Dit biedt alle partijen zekerheid, voorkomt grotendeels discussies over de juistheid van de cijfers en versnelt de afwikkeling van de earn-out. Snellere en betrouwbare due diligence Het due diligence-proces is vaak een van de meest tijdrovende onderdelen van een M&A-transactie. Blockchain kan dit proces aanzienlijk versnellen door onder andere transparantie (gegevens worden gedeeld via een blockchain-gebaseerde data room, waar alle partijen toegang hebben tot dezelfde, onveranderlijke informatie) en betrouwbaarheid (omdat gegevens op de blockchain niet kunnen worden gemanipuleerd, kunnen kopers en verkopers vertrouwen op de juistheid van de informatie). Dit betekent dat due diligence niet alleen sneller verloopt, maar ook minder foutgevoelig is. Voor M&A-professionals betekent dit een aanzienlijke besparing in tijd en kosten, terwijl de kwaliteit van het proces verbeterd wordt. Disruptieve waarde van blockchain voor M&A Toepassing van blockchain in M&A is ook om de volgende aspecten relevant en waardevol: Efficiëntie en kostenbesparing: het ouderwetse proces van het bijhouden van aandeelhoudersregisters en het opstellen van leveringsaktes is tijdrovend, duur en gevoelig voor menselijke fouten. Een aandeelhoudersregister raakt kwijt, is onvolledig of de leveringsakte bevat verkeerde nummers. Blockchain kan de noodzaak van tussenpersonen zoals notarissen elimineren, waardoor transactiekosten drastisch worden verlaagd. Betrouwbaarheid, transparantie en zekerheid: een blockchain-gebaseerd register is up-to-date, onveranderlijk en middels een goed systeem altijd benaderbaar en te raadplegen. Dit voorkomt situaties waarin (aandeelhouders)registers onvolledig of verouderd zijn. Flexibiliteit: voor bedrijven die regelmatig kleine plukjes (gecertificeerde) aandelen willen overdragen (bijvoorbeeld bij werknemersparticipaties of belangen in een fonds) biedt blockchain een snelle en veilige oplossing. Decentralisatie: geen afhankelijkheid meer van centrale partijen zoals notarissen of banken. Onveranderlijkheid: gegevens op de blockchain zijn permanent en kunnen niet worden gemanipuleerd. Toegankelijkheid: blockchain maakt het mogelijk om eigendom en activa wereldwijd te verhandelen, zonder de beperkingen van traditionele systemen. Een concreet voorbeeld: via blockchaintechnologie kunnen certificaten van aandelen binnen enkele seconden worden overgedragen tegen minimale kosten. Dit maakt het voor startups en andere bedrijven eenvoudiger om investeerders aan te trekken, zelfs voor kleine bedragen, omdat de transactiekosten verwaarloosbaar zijn en eigendomsrechten direct worden vastgelegd. Conclusie: blockchain als strategisch instrument Blockchain is niet langer een hype, maar een technologie die klaar is om de wereld van fusies en overnames te transformeren. Van het tokeniseren van eigendom tot het automatiseren van contracten en het versnellen van due diligence, de voordelen zijn duidelijk en concreet. Voor M&A-professionals betekent dit niet alleen een efficiënter proces, maar ook een concurrentievoordeel in een steeds sneller veranderende markt. Studio M&A La Gro Heeft u vragen over de toepassingen van blockchain in M&A? Of wilt u meer weten over hoe deze technologie uw transacties kan verbeteren? Kom dan naar ons event Studio M&A La Gro op 19 juni 2025 en ontdek hoe blockchain uw M&A-processen kan transformeren. Houd ook onze website en verdere posts in de gaten.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Eerste uitspraak over wijzigingssystematiek omgevingsplan
Op 30 april 2025 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een uitspraak gedaan die inzicht biedt in hoe de omgevingsrechtelijke praktijk er de komende jaren uit zal zien (ECLI:NL:RVS:2025:1928). De uitspraak betreft een besluit tot wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam en biedt een voorbeeld van de uitdagingen waar alle gemeenten in Nederland mee te maken krijgen. Gemeenten hebben namelijk tot eind 2031 de tijd om de regels van de zogenoemde bruidsschat te laten vervallen en het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe definitieve omgevingsplan. Waar gaat de uitspraak over? Vanaf 1 januari 2024 bestaat het omgevingsplan van gemeenten uit een tijdelijk deel, ook wel het omgevingsplan van rechtswege genoemd. Dit tijdelijke deel bevat onder andere geldende bestemmingsplannen en de zogenoemde bruidsschat, een verzameling regels die automatisch onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Met de invoering van de Omgevingswet zijn bepaalde regels van het Rijk overgedragen aan gemeenten. Om gemeenten de tijd te geven deze regels goed te verwerken, zijn deze bepalingen voorlopig opgenomen in de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van elke gemeente. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten de bevoegdheid om deze regels binnen hun omgevingsplan aan te passen. In de uitspraak van de Afdeling gaat het om het “Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling”. Met dit besluit wordt voorzien in een eerste wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam. Enerzijds worden een aantal regels uit de bruidsschat, al dan niet gewijzigd, verplaatst naar andere hoofdstukken in het Omgevingsplan. Anderzijds wordt een groot aantal regels opgenomen in het nieuwe deel van het Omgevingsplan, waarmee de komende jaren bestaande bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten kunnen worden vervangen. Hoe ziet het wijzigingsbesluit eruit? Opmerkelijk is de structuur die de gemeente Amsterdam voor dit besluit heeft gekozen. Voor de regels in het nieuwe deel moet onderscheid worden gemaakt tussen ruimtelijke regels die met het besluit tot wijziging direct overal zijn gaan gelden en ruimtelijke regels die nog nergens van toepassing zijn. De ruimtelijke regels die nog nergens van toepassing zijn, hebben een geografisch werkingsgebied van slechts een vierkante millimeter in het IJmeer. Dit betekent in feite dat deze regels nog nergens gelden. Het voordeel hiervan is dat deze regels, die geschikt zijn voor herhaalde toepassing, kunnenworden gebruikt om de vele honderden ruimtelijke plannen in Amsterdam te vervangen. Om deze regels in de toekomst op een andere locatie te laten gelden, hoeft bij toekomstige besluiten tot wijziging van het Omgevingsplan alleen het geografisch werkingsgebied ervan te worden aangepast. Ook voor de ruimtelijke regels die direct overal zijn gaan gelden, is iets opmerkelijks te constateren. Het komt voor dat een bestemmingsplan regels bevat over hetzelfde onderwerp als de nieuwe ruimtelijke regels, wat kan leiden tot tegenstrijdigheden. In verschillende artikelen van het Omgevingsplan wordt daarom verwezen naar het begrip ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan’, waarmee met name een bestemmingsplan wordt bedoeld. Deze besluiten blijven deel uitmaken van het tijdelijke deel totdat ze door nieuwe regels worden vervangen via een besluit tot wijziging van het Omgevingsplan. In het Omgevingsplan wordt vervolgens aangegeven dat dit deel nog geldt met de aanduiding ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel nog niet vervallen’. Indien dat het geval is, wordt in het Omgevingsplan verduidelijkt wat de situatie is: zo kan het nieuwe deel niet van toepassing zijn, of wordt er een voorrangsregeling opgenomen. Er zijn ook regels en regelonderdelen waarvan is bepaald dat de daarin opgenomen regels uitsluitend gelden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijk plan tijdelijk deel vervallen’. Wat oordeelt de Afdeling? Het beroep van appellant in de zaak bij de Afdeling richtte zich op de vrees voor nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van zijn panden als gevolg van de wijziging van het Omgevingsplan. De Afdeling stelt vast dat aan de betreffende panden de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ is toegekend. Uit de planregels volgt dat de planregel waar de vrees van appellant uit voortkomt, ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’, niet van toepassing is. Nu de planregel niet van toepassing is, kan appellant hier ook geen beperkingen van ondervinden. Daarnaast wordt ingegaan op een andere bijzondere constructie. Appellant wijst op een planregel met betrekking tot parkeren, die in beginsel van toepassing is op zijn panden. Er is echter ook een voorrangsbepaling opgenomen in het Omgevingsplan. Deze bepaalt dat, indien de geldende bestemmingsplannen verwijzen naar gemeentelijke parkeernormen die afwijken van de normen in het Omgevingsplan, de normen uit de bestemmingsplannen blijven gelden. Pas wanneer de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’ wordt verwijderd voor de betreffende panden, zullen de normen uit het Omgevingsplan van toepassing worden. Dit kan alleen met een wijziging van het Omgevingsplan, waartegen door appellant beroep kan worden aangetekend. Het beroep van appellant wordt daarmee ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Conclusie Dit wijzigingsbesluit illustreert hoe gemeenten stapsgewijs kunnen toewerken naar een volledig geharmoniseerd omgevingsplan, een proces dat uiterlijk in 2031 voltooid moet zijn. Tegelijkertijd laat de uitspraak zien dat dit proces juridisch en inhoudelijk complex kan zijn. Heeft u vragen over deze uitspraak of advies nodig bij het omzetten van het omgevingsplan? Neem gerust contact op met Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht!
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
ACM waarschuwt levensmiddelensector: controleer uw duurzaamheidsclaims
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft recentelijk een duidelijke oproep gedaan aan bedrijven in de levensmiddelensector: controleer en verbeter uw duurzaamheidsclaims. Deze oproep is niet vrijblijvend. De ACM benadrukt dat zij actief toezicht zal gaan houden op de naleving van de regels en, indien nodig, handhavend zal optreden. Wat betekent dit voor bedrijven in de levensmiddelensector? Waarom deze oproep? Duurzaamheidsclaims spelen een steeds grotere rol in de marketing van levensmiddelen. Consumenten willen bewuste keuzes maken en duurzaamheid meewegen in hun aankoopbeslissingen. De ACM constateert echter dat veel claims in de levensmiddelensector onduidelijk zijn. Dit ondermijnt niet alleen het vertrouwen van consumenten, maar kan ook leiden tot oneerlijke concurrentie tussen bedrijven. Zo is volgens de ACM bijvoorbeeld niet altijd duidelijk waar labels, logo’s en keurmerken voor staan, of wat een duurzaamheidsclaim precies inhoudt. De ACM heeft eerder al duurzaamheidsclaims in andere sectoren, zoals kleding, energie en transport, onder de loep genomen. Nu is de levensmiddelensector aan de beurt. De Leidraad Duurzaamheidsclaims: de basis voor compliance De ACM verwijst bedrijven naar de vernieuwde Leidraad Duurzaamheidsclaims (2023). Deze leidraad bevat vijf vuistregels waaraan duurzaamheidsclaims moeten voldoen: Gebruik duidelijke, specifieke en volledige duurzaamheidsclaims; Onderbouw de duurzaamheidsclaims met feiten en houd ze actueel; Maak eerlijke vergelijkingen met andere producten of concurrenten; Beschrijf toekomstige duurzaamheidsambities concreet en meetbaar; Visuele claims en keurmerken moeten behulpzaam en niet verwarrend zijn. Wat staat er op het spel? De ACM heeft aangekondigd dat zij na deze oproep actief zal controleren of bedrijven hun duurzaamheidsclaims hebben aangepast. Indien claims niet voldoen, dan heeft te ACM aangekondigd te kunnen gaan handhaven. Bedrijven die duurzaamheidsclaims gebruiken die niet voldoen aan de Leidraad Duurzaamheidsclaims, kunnen mogelijk een geconfronteerd worden met een boete of een last onder dwangsom. Wat kunt u als bedrijf doen? Om risico’s te vermijden en niet de wet te overtreden, is het essentieel dat bedrijven nu actie ondernemen. Enkele praktische tips: Inventariseer uw duurzaamheidsclaims. Breng alle claims in kaart die u gebruikt op producten, in advertenties en in winkels; Toets uw claims aan de Leidraad Duurzaamheidsclaims. Controleer of uw claims voldoen aan de vijf vuistregels van de ACM zoals beschreven in de Leidraad Duurzaamheidsclaims; Werk samen met experts. Laat uw claims juridisch en inhoudelijk beoordelen door specialisten. Dit kan helpen om risico’s te identificeren en te verminderen; Communiceer transparant. Zorg dat uw claims begrijpelijk zijn voor consumenten en ondersteun ze met duidelijke informatie; Blijf up-to-date. Houd ontwikkelingen in wet- en regelgeving rondom duurzaamheidsclaims nauwlettend in de gaten. Conclusie De oproep van de ACM is een duidelijke waarschuwing aan de levensmiddelensector: zorg dat uw duurzaamheidsclaims eerlijk, duidelijk en onderbouwd zijn. Zo niet, dan kan de ACM gaan overgaan tot handhaving. Heeft u hulp nodig bij het beoordelen of aanpassen van uw duurzaamheidsclaims? Wij helpen u graag om risico’s te vermijden en uw claims in overeenstemming met de wet te brengen. Neem dan gerust contact op met Arnout Koeman, of een van onze andere specialisten.
Gelogen tegen woningcorporatie? Kans op ontbinding
In een recente uitspraak heeft het gerechtshof Den Haag de huurovereenkomst van twee huurders van een sociale huurwoning ontbonden en de ontruiming van de woning toegewezen. Het toenmalige echtpaar had bij hun aanmelding voor de huurwoning de indruk gewekt dat zij de woning daadwerkelijk met z’n vieren (namelijk ook inclusief de twee kinderen) zouden bewonen. Aangezien dit niet het geval bleek te zijn, zag het hof voldoende aanleiding om de huurovereenkomst te ontbinden. De uitspraak onderstreept de maatschappelijke taak van woningcorporaties om schaarse sociale woonruimte op een rechtvaardige wijze te verdelen. Feiten en eerste aanleg De zaak betrof twee huurders die een sociale huurwoning van een woningcorporatie huurden. Op het aanmeldformulier hadden zij de man als hoofdbewoner opgegeven onder het kopje “Huishoudsamenstelling”, zijn echtgenoot als partner van de hoofdbewoner en de twee kinderen als inwonende kinderen. In de praktijk bleek dat slechts één van de ouders tegelijk hoofdverblijf in de woning hield, en dat zij – mede vanwege gestelde relationele omstandigheden en gezondheidsredenen – in feite ‘om en om’ gebruik maakten van de woning. De andere ouder verbleef dan telkens in een andere (eveneens sociale) huurwoning. Naar de mening van de woningcorporatie schoten de huurders tekort in hun verplichtingen, doordat zij niet allebei hun hoofdverblijf in de woning hadden, terwijl partijen dit wel waren overeengekomen. De woningcorporatie vorderde daarop ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De kantonrechter ging mee met het verhaal van de woningcorporatie en veroordeelde de huurders om de woning te ontruimen. In dit kader merk ik op dat een beroep op dwaling wellicht ook succesvol had kunnen uitpakken. De woningcorporatie leek immers niet bereid om de huurovereenkomst te sluiten, als zij juist was voorgelicht door de huurders. Beoordeling van het hof In hoger beroep stelde het hof voorop dat er geen wettelijke verplichting bestaat om je hoofdverblijf in de gehuurde woning te houden. In dit geval volgde die bewoningsplicht niet zonder meer uit de taalkundige uitleg van de bepalingen uit de huurovereenkomst, maar het hof betrok ook de maatschappelijke taak van de woningcorporatie bij die uitleg. Nu de woning was toegewezen op basis van de veronderstelling dat het gezin met vier personen gebruik zou maken van de woning, mocht de woningcorporatie verwachten dat beide huurders, met hun kinderen, de woning daadwerkelijk zouden bewonen. Volgens het hof voerde de woningcorporatie terecht aan dat zij haar taak om schaarse sociale huurwoningen goed te verdelen alleen kan vervullen, als zij door de woningzoekende correct wordt geïnformeerd over wie in de beoogde woning zal gaan wonen. Het hof wees de vorderingen toe en gaf daarbij aan dat de tekortkoming van de huurders raakt aan de kerntaak van de woningcorporatie, namelijk het verdelen van schaarse sociale woonruimte op basis van juiste informatie. Contact Verhuurders, en in het bijzonder woningcorporaties, doen er goed aan hun huurovereenkomsten helder te formuleren en expliciet op te nemen dat alle huurders verplicht zijn de woning als hoofdverblijf te gebruiken. Bij signalen van afwijkend gebruik verdient het de aanbeveling om tijdig onderzoek in te stellen en handhavend op te treden. Het is immers niet de bedoeling om als gezin twee sociale huurwoningen, althans een huurwoning en een koopwoning, bezet te houden. Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Steven van Buuren of één van onze andere huurrechtspecialisten.