Publicaties

Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Nieuwe Warmtewet in aantocht: warmtekavels en publieke warmtebedrijven
Op 3 juli 2025 is de Wet Collectieve Warmte aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wil de overheid gemeenten meer regie geven in de warmtetransitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2026 en is nog alleen afhankelijk van instemming van de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, onder meer voor de vereiste rechtsvorm van warmtebedrijven en de ruimtelijke inrichting van warmte-exploitatie via zogenoemde ‘warmtekavels’. In deze blog wordt kort geschetst wat partijen kunnen verwachten op dit gebied.    Nieuwe eisen aan warmtebedrijven  Onder de huidige Warmtewet gelden geen specifieke eisen voor de rechtsvorm van warmtebedrijven. De nieuwe wet introduceert echter een belangrijke wijziging: warmtebedrijven die binnen een warmtekavel worden aangewezen, moeten voor minimaal 50% in publieke handen zijn. Dit betekent dat deze bedrijven eigendom moeten zijn van publieke rechtspersonen, zoals gemeenten of provincies, of moeten kwalificeren als een zogeheten warmtegemeenschap — een collectief georganiseerd warmtebedrijf met betrokkenheid van eindgebruikers of andere maatschappelijke partijen.  Ook dienen bovengenoemde bedrijven integrale warmtebedrijven te zijn. Dat betekent dat een warmtebedrijf zich bezighoudt met zowel het transport en de levering van warmte, als de productie of inkoop daarvan.  Als gevolg hiervan zijn veel gemeenten al bezig met het opzetten van een (geheel of gedeeltelijk) publiek warmtebedrijf. Dit kan door een gemeente afzonderlijk worden gedaan, maar ook in samenwerking met andere gemeenten in de vorm van een gezamenlijk warmtebedrijf.    Bij het oprichten van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap komt veel kijken. Zo zijn er verschillende manieren om (het publieke meerderheidsaandeel in) deze rechtspersoon vorm te geven. Ook zijn er eisen die de wet stelt met betrekking tot onder meer het takenpakket van een publiek warmtebedrijf, waarop de Autoriteit Consument en Markt toeziet.  Uitzonderingen en overgangsrecht voor warmtebedrijven Het wetsvoorstel voorziet in enkele uitzonderingen op de eis van een publiek warmtebedrijf. Zo kan een gemeente in bepaalde gevallen – gedurende de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de wet – een warmtebedrijf aanwijzen dat géén publiek meerderheidsbelang heeft of géén warmtegemeenschap is. Ook voor verhuurders, VvE’s en kleine warmtesystemen met minder dan 1.500 verbruikers bestaan uitzonderingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een warmtekoudeopslag (Wko) bij een appartementencomplex of een warmtesysteem gekoppeld aan een buurtinitiatief.  Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering voor de transport en levering van warmte ten behoeve van de industrie en glastuinbouw. De regels van de Wcw zijn dus niet van toepassing op deze warmtenetten.  Ook een leverancier die grotendeels levert aan glastuinbouw of industrie en daarnaast aan een aangewezen warmtebedrijf kan onder omstandigheden beroep doen op een uitzondering. Tussen die onderneming en het warmtebedrijf moet dan een overeenkomst worden gesloten, waarin wordt vastgelegd dat de leverancier kan voldoen aan de wettelijke taken uit de Wcw. Het maximumpercentage van de totale warmtelevering dat in dit geval aan een aangewezen warmtebedrijf mag worden geleverd moet nog nader bepaald worden door de regering.  Warmtekavels  Een andere kernvernieuwing in het wetsvoorstel is de introductie van de warmtekavel. Een warmtekavel is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen één warmtebedrijf het exclusieve recht krijgt om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren.  De wijze waarop een gemeente een warmtekavel afbakent, kan verstrekkende gevolgen hebben. Binnen de kavel kan namelijk in beginsel één warmtebedrijf worden aangewezen. Ook verschillen de eisen voor kleine warmtesystemen afhankelijk van de vraag of een gebied binnen of buiten een kavel ligt. Gemeenten dienen bij de afbakening rekening te houden met de ruimtelijke samenhang en mogelijke ontwikkelingen in aangrenzende gemeenten. Voor zowel gemeenten als warmtebedrijven is het daarom van belang dat deze afbakeningskeuzes zorgvuldig en strategisch worden gemaakt.  Contact  Heeft u vragen over het afbakenen van warmtekavels, het oprichten van publieke warmtebedrijven of warmtegemeenschappen, of over de uitzonderingen op de nieuwe regels? Neem dan gerust contact op met een van onze specialisten op het gebied van Energierecht. 
Dominique Fransen
Dominique Fransen
Advocaat
Kinderrechten bij ontruiming: waar kinderen wonen, is zorg geboden
Op 27 juni 2025 heeft de Procureur-Generaal (hierna: “PG”) bij de Hoge Raad een belangrijke conclusie genomen over de rol van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: “IVRK”) bij ontruiming van huurwoningen waarin minderjarige kinderen wonen (ECLI:NL:PHR:2025:728). In dit artikel worden de belangrijkste onderdelen van de conclusie van de PG besproken die relevant zijn voor verhuurders. Aanleiding Aanleiding was een kortgedingprocedure tussen woningcorporatie Ymere en huurders die betrokken waren bij ernstige strafbare feiten (ECLI:NL:RBNHO:2024:10288). De huurders hadden twee jonge kinderen. De burgemeester zag aanvankelijk af van sluiting van de woning vanwege het belang van de kinderen, maar na herhaalde overtredingen werd alsnog tot sluiting overgegaan. Dit leidde tot een civiele ontruimingsvordering door de woningcorporatie. De rechtbank oordeelde dat Ymere onvoldoende had onderbouwd dat er opvang beschikbaar was voor de kinderen. Omdat ook onvoldoende was gebleken dat hun belangen zichtbaar waren meegewogen, stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Wat adviseert de PG? Juridische toets Centraal staat artikel 3 lid 1 IVRK, dat het volgende bepaalt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging”. Volgens het VN-Kinderrechtencomité heeft deze bepaling drie dimensies (General Comment nr. 14): het kind heeft een eigen recht op belangenafweging, interpretaties van wetgeving moeten kindvriendelijk zijn en de rechter moet actief onderzoeken en motiveren. Bij ontbinding van de huurovereenkomst van woonruimte via de rechter moet art. 6:265 lid 1 BW getoetst worden. In dit artikel is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De afweging die bij de tenzij-clausule moet plaatsvinden, beperkt zich niet tot de in art. 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten; daarbij kunnen alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn. De belangen van het kind moeten daarbij gelet op art. 3 IVRK volgens PG een “eerste overweging” zijn. Dit betekent dat de belangen van het kind actief en zichtbaar moeten worden meegewogen. Dit betekent niet dat de belangen altijd doorslaggevend moeten zijn.  Woningcorporaties De PG wijst erop dat het IVRK direct werkt richting de rechter (“courts of law”), maar óók dat woningcorporaties onder de reikwijdte vallen als “private social welfare institutions”. Verhuurders zoals Ymere worden door de PG dus óók verantwoordelijk gehouden voor het waarborgen van kinderrechten. Conclusie Deze conclusie benadrukt het belang van de belangen van het kind bij ontruimingen van huurwoningen. Het onderstreept dat deze belangen een zelfstandige beoordeling en motivering vereisen binnen het huurrechtelijke juridische ontbinding- en ontruimingskader. Let op: dit is nog slechts een conclusie van de PG. We zijn in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad, die naar verwachting helderheid zal verschaffen over de toepassing van het IVRK in dergelijke gevallen. Wat kunnen verhuurders nu al doen? Onderzoek actief of er minderjarige kinderen in de woning verblijven. Breng de gezinssituatie en eventuele opvangmogelijkheden in kaart. Leg vast wat bekend is over netwerk, hulpverlening en risico’s van dakloosheid. Weeg het belang van het kind zichtbaar mee. Zoek afstemming met de gemeente of hulpverleningsinstanties. Bereid je voor op kritische toetsing door de rechter. Houd rekening met de mogelijkheid dat de rechter de ontruiming verbindt aan voorwaarden over opvang of afziet van ontruiming. Wilt u juridisch advies bij het voorbereiden van een ontruimingsprocedure waarin kinderen betrokken (kunnen) zijn? Ons team Huurrecht denkt graag met u mee.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Consultatie herziening DAEB-staatssteunregels: Een middel tegen de huisvestingscrisis?
Tot en met 31 juli 2025 organiseert de Europese Commissie een consultatie over de herziening van de staatssteunregels voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (“DAEB”). In deze consultatie wenst de Europese Commissie informatie uit de markt te verzamelen over de toepassing van de DAEB-regels en eventuele verbeterpunten. Deze consultatie is met name relevant voor overheidslichamen, aanbieders van sociale huisvesting en ontwikkelaars die betrokken zijn bij woningbouwprojecten en het realiseren van betaalbare huisvesting, aangezien zij regelmatig worden beperkt ten aanzien van de mogelijkheid tot publieke financiering voor deze projecten. De Europese Commissie wenst de DAEB-regels hier op aan te passen, zodat meer woningbouwprojecten binnen de kaders van het staatssteunrecht gerealiseerd kunnen worden. Wat zijn de DAEB-staatssteunregels?  De DAEB-regels bieden een juridisch kader waarbinnen overheden staatssteun mogen verlenen aan organisaties die diensten van algemeen economisch uitvoeren. Dit zijn diensten die van algemeen belang worden geacht binnen de maatschappij maar welke doorgaans niet rendabel zijn, zoals de realisatie sociale woningbouw. Het doel is om te waarborgen dat deze steun niet leidt tot oneerlijke concurrentie binnen de Europese interne markt. De regels bepalen onder welke voorwaarden en tot welk bedrag steun mag worden verleend, zonder voorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie. Waarom deze DAEB-regels herzien?  De Europese Commissie ziet de noodzaak om de regels te moderniseren, mede vanwege de aanhoudende huisvestingscrisis binnen de gehele EU. Met de herziening wil de Commissie het voor lidstaten eenvoudiger en sneller maken om steun te verlenen voor betaalbare en energie-efficiënte woningen. Daarnaast worden enkele technische aanpassingen voorgesteld om de toepassing van de regels te verbeteren. Uw input gevraagd  De consultatie biedt overheidslichamen en andere belanghebbenden de kans om hun ervaringen en wensen te delen. Dit is hét moment om knelpunten uit de praktijk aan te kaarten en mee te denken over de toekomst van staatssteun voor woningbouw. Praktische informatie  Periode: 5 juni – 31 juli 2025 Locatie: online Heeft uw organisatie te maken met woningbouwprojecten en staatssteun? Neem deel aan de consultatie door middel van beantwoording van de vragenlijst en draag bij aan betere regels voor betaalbare huisvesting! Indien u daarbij assistentie wenst, of indien u andere staatssteunvragen heeft, aarzel dan niet contact op te nemen met Monika Beck of een van onze andere specialisten.
Gerard Zuidgeest
Gerard Zuidgeest
Advocaat
Update rechtspraak schijnzelfstandigheid: ZZP of loondienst?
De afgelopen maanden schreven wij regelmatig updates over schijnzelfstandigheid en de opheffing van het handhavingsmoratorium door de Belastingdienst. Welke ontwikkelingen zien we inmiddels terug in de rechtspraak? In ieder geval heeft de kantonrechter Leiden recent een uitspraak gedaan waarbij onze cliënt, als opdrachtgever, het gelijk aan haar zijde kreeg. De kantonrechter was van oordeel dat (steeds) sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht en heeft de verzoeken van de opdrachtnemer tot onder andere (door)betaling van loon en de transitievergoeding afgewezen. Stand van zaken rechtspraak schijnzelfstandigheid Sinds 2025 treedt de Belastingdienst weer (licht) handhavend op tegen schijnzelfstandigheid (klik hier voor ons artikel over schijnzelfstandigheid). Daardoor zien we in de rechtspraak ook veel zaken voorbij komen, waarbij zzp’ers het standpunt innemen dat hun opdrachtrelatie schijn is en dat zij in werkelijkheid werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Daardoor kunnen zij (na)betalingen van salaris, vakantiegeld, pensioenrechten en transitievergoedingen vorderen. Wat leren we uit deze uitspraken? Dat de uitkomst spannend blijft! Zoals zo vaak, hangt ook de beantwoording van de kwalificatievraag – zzp of loondienst – af van de weging van alle omstandigheden van het geval. Waar aanvankelijk vaker schijnzelfstandigheid leek te worden vastgesteld en een arbeidsovereenkomst werd aangenomen, lijkt het dat we de laatste tijd weer meer uitspraken zien, waarbij rechters de samenwerking tussen partijen helemaal niet (her)kwalificeren tot een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst van opdracht blijft dan overeind. Er is sprake van echte zelfstandigheid. Beoordeling arbeidsovereenkomst vs. opdracht? Loondienst vs. zzp? In de zaak van onze cliënt moest de kantonrechter eveneens oordelen over de vraag of de samenwerking tussen partijen kwalificeerde als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. De vraag luidde concreet of een sociaal werker daadwerkelijk als zelfstandige functioneerde of vergelijkbaar met een medewerker in loondienst. De sociaal werker vond dat de samenwerking tussen partijen – op enig moment – een arbeidsovereenkomst was geworden. Hij voerde onder andere aan dat hij zijn werktijden moest verantwoorden, met enige regelmaat bedrijfskleding droeg, op de website van de opdrachtgever werd vermeld en een maandelijks vaste vergoeding ontving. De kantonrechter is keurig alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest afgelopen. Na weging van alle omstandigheden heeft de rechter het standpunt van de sociaal werker niet gevolgd en geconcludeerd dat geen sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De rechter oordeelde dat partijen zich bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten), alsmede de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven meer als opdrachtgever en opdrachtnemer hebben gedragen en niet als werkgever en werknemer. De sociaal werker was dus zzp’er en niet te kwalificeren als werknemer, noch op enig moment werknemer geworden. Als belangrijkste argumenten voor de zzp-relatie – en daarmee voor de conclusie dat (steeds) sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht – hebben de volgende omstandigheden een rol gespeeld: De werkzaamheden hadden een tijdelijk karakter; Vrijheid in het bepalen van de dagelijkse werktijden en inhoud van werkzaamheden; Geen volledige inbedding in de organisatie; Voor ziekmelding, deelname aan overleggen en trainingen en kerstgeschenken werd voor de zzp’er een ander beleid gevoerd dan voor werknemers; De schriftelijke overeenkomst is tot stand gekomen op voorstel van de zzp’er via een modelovereenkomst; De zzp’er onderhandelde over zijn tarief en zijn beloning lag ruim boven cao-niveau. Er zijn geen loonstroken verstrekt en geen loonbelasting ingehouden; de zzp’er factureerde namens zijn handelsnaam. De zzp’er profileerde zich extern als zelfstandige door middel van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een eigen website en de vermelding van meerdere opdrachtgevers (tegelijkertijd) op LinkedIn. Eind goed, al goed (voor de opdrachtgever) Als een zzp’er ziek wordt of als een overeenkomst van opdracht eindigt, vormt dit vaak een aanleiding voor een zzp’er om zich plotseling op het standpunt te stellen dat hij of zij eigenlijk als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was. Ineens valt er immers inkomen weg en is er geen wettelijk financieel vangnet. Het (dreigend) einde van de opdrachtovereenkomst vormde ook het startsein voor de zzp’er in onze zaak om een procedure te beginnen. Hier liep het goed af voor onze opdrachtgever. Alle vorderingen van de zzp’er zijn afgewezen. De overeenkomst van opdracht is zonder enige verdere (financiële) verplichtingen van de opdrachtgever rechtsgeldig geëindigd op de einddatum, die de rechter in de zaak als overeengekomen einddatum heeft vastgesteld. De zaak leert ons dat de kwalificatievraag de gemoederen duidelijk blijft bezighouden. Het levert uitgebreide discussies op en vraagt alertheid van opdrachtgevers door op alle fronten – of het nu gaat om contractsluiting of de dagelijkse inrichting van de samenwerking – daadwerkelijke zelfstandigheid te bewaken. Contact Wij realiseren ons dat de praktijk weerbarstig is. Desalniettemin is deze uitspraak een mooie opsteker voor opdrachtgevers. Het laat zien dat door de zzp’er contractuele autonomie te geven en met de kleinste aspecten in de uitvoering van de opdracht rekening te houden, de kwalificatievraag in het voordeel van de opdrachtgever kan worden beslecht. Binnen ons team zijn Angela van der Does-Mekes en Gerard Zuidgeest veelvuldig met dit onderwerp bezig. Heeft u ook vragen en wilt u van gedachten wisselen of de zzp’ers die u inhuurt niet eigenlijk een dienstverband hebben? Neem dan contact met hen op, of met een van onze andere specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Duurzaam bouwen vraagt om heldere afspraken en een integrale visie
Onderstaande is op 27 juni 2025 gepubliceerd in de verdiepingsbijlage bij het FD.  Duurzaam bouwen is meer dan een optelsom van goede bedoelingen en innovatieve technieken. Zeker vanuit juridisch perspectief. In die context speelt ook het belang van heldere afspraken en een weloverwogen integrale visie. Dat klinkt logisch, maar de praktijk blijkt soms weerbarstig.  Van papieren ambitie naar harde afspraken Duurzaam en toekomstbestendig bouwen staat bij veel partijen hoog op de agenda, maar ambitie en uitvoering lopen vaak uiteen. ”We zien te vaak dat inschrijvende partijen aanbestedingen winnen door meer te bieden dan de gestelde duurzaamheidseisen, maar dat de aanbestedende diensten vervolgens nalaten die eisen ook daadwerkelijk in het contract vast te leggen”, stelt Niek Hoogwout, partner bouw- en aanbestedingsrecht bij advocatenkantoor La Gro. Door die omissie komt de vooraf geplande meerwaarde – zoals extra WKO-installaties of circulaire oplossingen – vaak niet tot uitvoering als het project loopt.  Volgens Hoogwout is het de rol van de jurist om die kloof te dichten. ”Of het nu gaat om energieprestatie, materiaalgebruik of CO₂-reductie, het juridische uitgangspunt is eenvoudig: leg afspraken vast en zorg vervolgens dat het contractmanagement op orde is”, merkt hij op. “De uitdaging is om de concrete invulling en meetbaarheid van duurzaamheid juridisch te borgen. Dat vraagt om maatwerk en precisie, zeker bij complexe projecten. Maar in de haast of door onwetendheid wordt het vaak vergeten.  Nieuwe wetgeving, nieuwe kansen – en onzekerheden  De komst van de Omgevingswet biedt gemeenten nieuwe mogelijkheden om duurzaamheid juridisch af te dwingen. “Onder de oude wetgeving stond de goede ruimtelijke ordening centraal. Nu gaat het om de fysieke leefomgeving. Dat begrip is veel breder en omvat ook duurzaamheid. Gemeenten kunnen nu door middel van gebodsbepalingen expliciet eisen stellen op het gebied van duurzaamheid in hun omgevingsplan. Dat opent geheel nieuwe mogelijkheden”, vertelt Coline Norde, Partner bestuurs- en omgevingsrecht, La Gro.  Veel overheden benutten deze nieuwe ruimte en instrumenten (nog) niet, zo signaleert Norde in haar werk voor meer dan twintig overheden. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat? Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde.  Stikstof en netcongestie  De stikstofproblematiek is een veelbesproken hindernis in de bouwwereld. Nieuwe rechtspraak maakt dit niet makkelijker. Bij veel bouwprojecten werd gebruikgemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de stikstofdepositie van de bestaande (vergunde) situatie afgetrokken van de stikstofdepositie van de nieuwe situatie. “Door een wijziging in de rechtspraak eind 2024 zijn de mogelijkheden om intern te salderen beperkt. Dat vereist een nadere motivering, de zogenoemde additionaliteitstoets. Dat maakt het verkrijgen van vergunningen voor nieuwe bouwprojecten een stuk moeilijker”, vertelt Norde.  Naast de stikstofproblematiek is ook netcongestie een grote uitdaging voor nieuwe ontwikkelingen. “Bouwers kunnen in de problemen komen met hun opleverdatum als een nieuw pand niet tijdig aangesloten kan worden op het elektriciteitsnetwerk”, aldus Hoogwout. Naar verwachting zullen andere gemeenten de systematiek van dit besluit volgen, wat zal leiden tot meer aangepaste omgevingsplannen. Het zal nog enige tijd duren voordat duurzaamheidseisen in omgevingsplannen worden opgenomen, verwacht Norde. Diverse procedures vallen nog onder het oude recht en het werken met een omgevingsplan is vaak nog onbekend. De transitie naar het nieuwe recht is nog in volle gang. In april 2025 toetste de Raad van State voor het eerst een wijzigingsbesluit van een omgevingsplan, afkomstig van de gemeente Amsterdam. Hierover moeten al vóór de start van het project duidelijke afspraken gemaakt worden. Wie draagt het risico als de aansluiting niet volgens planning gaat?  Positieve trends  Toch zijn er ook positieve trends zichtbaar, zoals de toenemende waardering van duurzaamheid in de markt. Hoogwout adviseert aan bedrijven die willen investeren in duurzame gebouwen: kijk verder dan de minimale wettelijke vereisten. “Een gebouw met een BREEAM Excellent-score is niet alleen duurzamer, maar ook waardevaster. Op termijn betaalt dat zich altijd terug, terwijl een duurzaam gebouw ook vandaag al meer rendement oplevert: huurders laten bij vestigingskeuze steeds vaker de kwaliteit en de duurzaamheid van het pand meewegen.”  Norde wijst op de opkomende trend van uitnodigingsplanologie, waarbij overheden zich uitnodigend opstellen tegenover ontwikkelaars. “In het verleden werd gebruik gemaakt van toelatingsplanologie met afgebakende kaders over wat op een locatie mag. Uitnodigingsplanologie biedt veel meer vrijheid voor nieuwe initiatieven en innovatie”, legt Norde uit. Met uitnodigingsplanologie is al geëxperimenteerd op de Binckhorst in de gemeente Den Haag en het Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad. Hoogwout en Norde benadrukken dat een integrale visie en oog voor de bestaande omgeving cruciaal zijn om tot het gewenste eindresultaat te komen. “Je ziet dat duurzame investeringen het meeste effect hebben als ze deel uitmaken van een integrale visie – juridisch, stedenbouwkundig en maatschappelijk”, aldus Hoogwout. 
Steven Helmens – La Gro
Steven Helmens
Advocaat
Redelijk aangesloten: wachttijden en de Elektriciteitswet
Netbeheerders zijn wettelijk verplicht om eenieder binnen een redelijke termijn aan te sluiten op het elektriciteitsnet. Een redelijke termijn werd in de Elektriciteitswet 1998 gedefinieerd als 18 weken na de aanvraag hiertoe. Op 29 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich gebogen over deze deadline in een kwestie tussen netbeheerder Enexis en assemblagebedrijf ZT Netherlands en geoordeeld dat deze strijdig is met Europees recht. Het arrest geeft richting, maar vormt ook een duidelijke waarschuwing: wie de aansluitingstermijn als hard recht beschouwde, moet dat standpunt herzien. Wat betekent dit voor netbeheerders, bedrijven én de juridische praktijk? Juridische en maatschappelijke context van aansluittermijnen Volgens de Europese Elektriciteitsrichtlijn (artikel 59 lid 7 sub a Richtlijn 2019/944) mogen alleen onafhankelijke toezichthouders – in Nederland de ACM – aansluitvoorwaarden vaststellen. Deze exclusieve bevoegdheid van regulerende instanties werd door het Europese Hof van Justitie in 2020 en 2021 verduidelijkt. Juridisch gezien betekent dit dat een redelijke termijn voor een aansluiting moet worden vastgelegd in een netcodebesluit van de ACM en niet in een wet in formele zin zoals de Elektriciteitswet 1998. De wettelijke verankering van de 18-wekentermijn voor zowel klein- als grootverbruikers is op 21 februari 2025 geschrapt. In de praktijk was een overschrijding van dit termijn al de norm, dus of de wetswijziging impact heeft op de daadwerkelijke doorlooptijden is nog maar de vraag. Door een structureel tekort aan technici, een groei van het werkpakket en de noodzaak voor steeds complexere netontwerpen was de landelijk gemiddelde levertijd voor een grootverbruik aansluiting in 2020 volgens Enexis ongeveer 45 weken. Enexis versus ZT Netherlands In mei van 2020 vroeg ZT Netherlands na een verhuizing een grootverbruiksaansluiting aan bij netbeheerder Enexis. Vanwege de langere doorlooptijden schakelde ZT zelf dieselaggregaten in om de werkzaamheden voor te zetten. Toen de aansluiting na 25 weken rond was – zeven weken later dan de wettelijke termijn – eiste ZT vergoeding van Enexis. In een tussenvonnis gaf de rechtbank Oost-Brabant ZT gelijk. De termijn was overschreden, dus Enexis handelde onrechtmatig. Het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Enexis werd door de rechtbank opzij geschoven, omdat Enexis voortvarender te werk had kunnen gaan met het voorkomen van schade bij ZT Netherlands. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch draaide het vonnis in hoger beroep volledig terug. De belangrijkste punten: De 18-wekentermijn is in strijd met het Europees recht. Doordat de termijn is vastgelegd in de Elektriciteitswet 1998 en niet in een besluit van de ACM, kan Enexis de termijn juridisch niet laten toetsen – en dat is in strijd met het recht op toegang tot een rechter (artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de EU). De termijn van 25 weken is ‘redelijk’ onder de omstandigheden. Het hof kijkt naar de gemiddelde aansluittermijnen in 2020 (35 weken), het type aansluiting, en de capaciteitsproblemen bij Enexis en oordeelt dat de aansluiting van ZT zelfs relatief snel is verlopen. First come, first served In het slot van het arrest wijdt het Gerechtshof nog een opmerkelijke overweging aan het first come, first served-beleid dat netbeheerders voeren bij het verwerken van openstaande verzoeken. Hierin is een duidelijke lijn te lezen: “First come, first served” is een redelijk en verdedigbaar uitgangspunt, tenzij de aanvrager concreet bewijst dat er sprake is van een uitzonderlijke urgentie. Met die overweging lijkt het Gerechtshof een fundamentele koers te kiezen: de lat voor afwijking van wachtrijbeleid bij aansluitingsverzoeken ligt hoog. Conclusie Het Gerechtshof creëert duidelijkheid omtrent de aansluittermijnen en de mogelijke aansprakelijkheid van netbeheerders. Hoewel het expliciete recht op aansluiting binnen 18 weken niet langer in de Elektriciteitswet 1998 is opgenomen, blijft er wél een wettelijke aansluitplicht bestaan. De beoordeling of een netbeheerder tijdig heeft aangesloten, vindt nu plaats aan de hand van een ‘redelijke termijn’. Wat als redelijk wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Dit arrest behoudt daarmee zijn relevantie, zowel voor aansprakelijkheidskwesties met betrekking tot de periode vóór 2025 als voor toekomstige discussies over netcapaciteit, bijvoorbeeld in het kader van congestie en netuitbreiding. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met het Energie team van La Gro. Wij denken graag met u mee!
Pieter Frölich 1
Pieter Frölich
Advocaat
De juiste rechtsvorm kiezen: waar moet je op letten?
Als ondernemer heb je bij de start van je bedrijf de keuze uit verschillende rechtsvormen, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma (vof) of besloten vennootschap (BV). Die keuze heeft grote gevolgen voor bijvoorbeeld je aansprakelijkheid, belastingplicht en groeimogelijkheden. In deze blog zet ik de belangrijkste overwegingen voor je op een rij. Wat is een rechtsvorm? Een onderneming is een organisatie waarin kapitaal, arbeid en leiding samenkomen met als doel het maken van winst. De rechtsvorm is de juridische jas waarin dat gebeurt. Zo kun je dezelfde onderneming drijven als een vof (met twee vennoten) of als BV (met twee DGA’s). In het ene geval is een overeenkomst tussen de vennoten voldoende om de samenwerking af te trappen. In het andere geval zijn een notariële oprichtingsakte en statuten vereist en een managementovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomst sterk aan te bevelen. Veel ondernemers starten eenvoudig Veel startende ondernemers kiezen – bewust of onbewust – voor een eenmanszaak of vof. Deze rechtsvormen zijn makkelijk en snel op te richten, bieden starters fiscale voordelen en zijn al met al minder complex dan bijvoorbeeld een BV. Een onderneming ontwikkelt zich continu. Daardoor kan ook de vorm waarin de onderneming het beste tot zijn recht komt veranderen. Zo kan een toename van activiteiten, omzet, wist, personeel, of financieringsbehoefte meebrengen dat het verstandiger wordt om over te stappen naar een BV. Vier belangrijke drivers die dit omslagpunt beïnvloeden worden hierna kort behandeld: risicobeheersing, financiën (fiscaliteit), administratieve lasten en groeipotentieel. Risico’s Qua (financiële) bedrijfsrisico’s is een belangrijke eigenschap dat een ZZP’er (eenmanszaak) of vennoot (vof) ook met zijn privévermogen aansprakelijk is voor zakelijke schulden. Door een toename van de activiteiten, oftewel groei, zal vanzelf ook de blootstelling aan risico’s toenemen. Als het punt is bereikt waarop de privémiddelen onvoldoende zijn om de zakelijke risico’s af te dekken dan komt een persoonlijk faillissement akelig dichtbij. De oplossing hiervoor is om tijdig over te stappen naar een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid, zoals de BV. Rechtspersoonlijkheid brengt mee dat niet de ondernemer zelf maar zijn BV instaat voor alle zakelijke schulden. Aansprakelijkheid van de ondernemer zelf komt bij wijze van uitzondering pas om de hoek kijken bij fraude of onverantwoordelijke risico’s. Fiscale voordelen Wat betreft de financiën is van belang dat een eenmanszaak of vof fiscaal transparant is. Dat wil zeggen dat de fiscus voor de winstbelasting dwars door de rechtsvorm heen kijkt naar de achterliggende ondernemer(s). Zij betalen belasting over de winst via box 1 (inkomen uit werk en woning) op basis van het bekende progressieve tarief (variërend tussen de 35,82% en 49,50%, cijfers 2025). Voor ondernemers zijn er extra aftrekposen in de vorm van de zelfstandigenaftrek, Startersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Die voordeeltjes zijn voor de beginnende ondernemer een mooi duwtje in de rug. Maar als de winst toeneemt komt er een punt waarop dit soort fiscale voordelen hun glans verliezen. Een BV is niet fiscaal transparant en betaalt vennootschapsbelasting (19% over de winst tot EUR 200k en 25,8% daarboven, cijfers 2025). De ondernemer/DGA ontvangt een gebruikelijk jaarsalaris uit de BV (in principe minimaal EUR 56k, cijfers 2025) en betaalt daarover inkomstenbelasting (via box 1). Als de BV daarnaast dividend uitkeert dan wordt dit apart belast. In algemene zin is het lastig te zeggen op welk punt een BV fiscaal voordeliger wordt dan een eenmanszaak of vof, maar als vuistregel wordt vaak een winst van zo’n EUR 150.000,- als omslagpunt genoemd. Maar let op dat het vanuit het oogpunt van bijvoorbeeld risicobeheersing al (veel) eerder verstandig kan zijn om over te stappen. Administratieve lasten De meeste ondernemers zijn het er wel over eens dat een BV niet in alle opzichten alleen maar voordelen biedt en bijvoorbeeld hogere administratieve kosten heeft dan een eenmanszaak. Dit heeft voornamelijk te maken met de publicatieplicht. Anders dan bij een eenmanszaak of vof is de BV-ondernemer verplicht om jaarstukken op te stellen en via de Kamer van Koophandel te publiceren. Dit vraagt meer van uw administratie, accountant en boekhouder. Daarnaast zijn er ook oprichtingshandelingen en -kosten verbonden aan een BV en is een notaris nodig. In de opstartfase kan dit de groei in de weg zitten. Professioneel imago en groeigerichtheid Een bijkomend pluspunt van een BV – dat niet onvermeld kan blijven – is dat deze rechtsvorm geschikter is om langere termijn groei mogelijk te maken. Dit komt met name omdat deze rechtsvorm een professioneler imago heeft en beter in staat is om (groei)financiering aan te trekken. Zo zijn er meer mogelijkheden om financiers te faciliteren en te verleiden om investeringen te doen. Wat ook meehelpt is dat de continuïteit van een BV-onderneming robuuster is en minder afhankelijk van de poppetjes (vennoten) die deze van tijd tot tijd besturen. Dat maakt het financieren ervan minder risicovol en dus voordeliger. Omzetting Omdat de belangrijkste drivers om de juiste rechtsvorm te kiezen – risico’s, financiën en groeipotentieel – niet statisch maar in ontwikkeling zijn en omdat de voorkeuren van de ondernemer zelf ook kunnen veranderen, kan het wenselijk zijn om de onderneming om te zetten in een andere rechtsvorm. Afhankelijk van de gewenste omzetting, komt daar een jurist en/of accountant en/of notaris aan te pas. Een goede planning en voorbereiding draagt bij aan het succes van zo’n operatie. Op ondernemersplein.overheid.nl/ is een keuzehulp beschikbaar waarmee je kunt spelen met de verschillende voors en tegens van veel voorkomende rechtsvormen. Dit is een bruikbaar hulpmiddel bij de gedachtevorming.    Raad en daad Bij La Gro vinden wij het leuk om met ondernemers in elke vorm en fase mee te denken en te doen (raad en daad). Geef Pieter Frölich of een van de andere specialisten van Corporate Advisory & Litigation gerust een belletje voor een vrijblijvende verkenning van de mogelijkheden als je daar (bijna) klaar voor bent. Daar krijg je geen spijt van.
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Picnic en andere e-commercebedrijven vallen onder de cao levensmiddelenbedrijf
Inleiding Steeds meer mensen doen hun boodschappen online en dat levert al langere tijd interessante juridische vragen op over de status, rechten en verplichtingen van degenen die voor dergelijke bedrijven werken. Soms kan ook onduidelijk zijn welke  (collectieve) arbeidsvoorwaarden gelden. Cao levensmiddelenbedrijf van toepassing op e-commercebedrijven In een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moest beoordeeld worden of de algemeen verbindend verklaarde cao levensmiddelenbedrijf in een bepaalde periode van toepassing was geweest op partijen zoals Picnic, Flink en Getir tot het moment waarop zij dispensatie kregen voor die cao. Genoemde partijen baten “virtuele winkels” uit, waar consumenten boodschappen kunnen bestellen, maar niet fysiek kunnen winkelen. De werkingssfeer voor de cao levensmiddelenbedrijf was al in 2019 verruimd en overigens hield de werkingssfeer van de cao al sinds 2001 rekening met “virtuele inrichtingen” van winkels. Het hof maakt uit de werkingssfeerbepaling op dat voldoende is dat een rechtspersoon zelf of in samenhang met een andere groepsvennootschap in hoofdzaak een ‘winkel’ exploiteren. Als de ene groepsvennootschap dus alleen bezorgt, maar de groepsvennootschap die de winkel exploiteert niet zonder die bezorging kan, valt ook die bezorgende groepsvennootschap onder de cao. Alle bezwaren van Picnic en de andere procespartijen over onaannemelijkheid van de gevolgen van toepasselijkheid van de cao en de praktische onmogelijkheid om 35.000 werknemers te compenseren, worden door het hof van tafel geveegd. Het hof twijfelt er namelijk niet over dat dit de juiste uitleg van de cao is. Als gevolg van deze conclusie van het hof moeten tienduizenden (oud-)werknemers gecompenseerd worden; een forse en ongetwijfeld dure taak voor de betrokken werkgevers. Praktische tips Eens te meer maakt deze zaak duidelijk dat werkgevers het risico lopen om onbedoeld verplicht te zijn een cao toe te passen. (Internationale) werkgevers die op de Nederlandse markt willen starten, doen er goed aan om zo goed mogelijk in kaart te brengen welke collectieve regelingen mogelijk van toepassing kunnen zijn en, om grote claims en ingewikkelde hersteloperaties te voorkomen, niet te lichtvaardig aan te nemen dat een bepaalde collectieve regeling niet hoeft te worden toegepast. Sterker nog: daartoe kunnen ook groepsvennootschappen verplicht zijn die slechts werkzaamheden uitvoeren die ‘samenhangen met’ werkzaamheden die onder de cao vallen. Contact Heeft u vragen over een cao die binnen uw branche geldt of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
la gro Portret-7336
Arnout Koeman
Advocaat
Hof Den Haag heeft geen internationale bevoegdheid in collectieve actie tegen Airbnb
Op 27 mei 2025 heeft het gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan over haar internationale bevoegdheid in een collectieve actie van Stichting Massaschade & Consument (“SMC”) tegen het in Ierland gevestigde Airbnb (ECLI:NL:GHDHA:2025:1051). SMC trad op namens Nederlandse consumenten die via Airbnb accommodaties hadden gehuurd. SMC stelde dat Airbnb onterecht servicekosten in rekening had gebracht en vorderde onder meer terugbetaling van deze kosten. De rechtbank Den Haag had zich eerder internationaal onbevoegd verklaard; SMC ging in hoger beroep. Centrale vraag in hoger beroep: kan SMC een collectieve actie aanhangig maken bij de Nederlandse rechter tegen het in Ierland gevestigde Airbnb? Nee, zo oordeelde het hof. Het hof heeft haar internationale bevoegdheid getoetst aan de toepasselijke Brussel I-bis verordening (nr. 1215/2012). Hieronder lichten wij de belangrijkste punten van het arrest toe. Consumentenovereenkomst (art. 18 lid 1 Brussel I-bis) Het hof toetste allereerst ambtshalve of zij bevoegd was op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I-bis. Dit artikel biedt consumenten de mogelijkheid om een vordering in te stellen bij de rechter van hun woonplaats.  Het hof oordeelde echter dat deze bevoegdheidsgrond alleen geldt als de consument zelf partij is in de procedure. Omdat SMC als stichting optreedt namens consumenten, maar zelf geen contractspartij is bij de overeenkomsten met Airbnb, kon zij geen beroep doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Plaats van dienstverlening (art. 7 lid 1 Brussel I-bis) Art. 7 lid 1 Brussel I-bis geeft voor verbintenissen uit overeenkomst een alternatieve bevoegdheid voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Voor overeenkomsten tot verstrekking van diensten is dit de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden. SMC stelde dat de dienstverlening van Airbnb, namelijk het faciliteren van boekingen via het platform, hoofdzakelijk in Nederland plaatsvond vanwege de Nederlandse gerichtheid van het platform.  Het hof ging niet mee in het standpunt van SMC. Volgens het hof vond de kern van de dienstverlening – het beheer van het platform – niet in Nederland plaats. Nederlandse consumenten kunnen via Airbnb overal ter wereld een huurovereenkomst sluiten. De locatie waar een Nederlandse consument via het platform akkoord gaat met het aanbod van een verhuurder, vormt volgens het hof dan ook geen plaats van uitvoering in Nederland. Daarbij overwoog het hof dat voor zover moet worden geoordeeld dat het internationale karakter van de dienstverlening meebrengt dat op deze grondslag geen plaats van uitvoering kan worden bepaald, de woonplaats van de dienstverrichter beslissend is. Die ligt in Ierland, zodat ook in dat geval geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter bestaat. Forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden (art. 25 Brussel I-bis) SMC beriep zich daarnaast op de tussen consumenten en Airbnb overeengekomen forumkeuze in de algemene voorwaarden, dat de consumenten de mogelijkheid bood tegen Airbnb te procederen in hun eigen woonplaats. Daarom stelde SMC dat het hof bevoegd is op grond van art. 25 Brussel I-bis. Het hof volgde SMC hierin niet. Het hof oordeelde dat SMC geen partij is bij de door de consumenten gesloten overeenkomsten met Airbnb. SMC treedt op basis van de wet op voor de belangen van consumenten; haar procesbevoegdheid is niet gebaseerd op cessie of contractsovername. Hierdoor kan SMC geen rechten ontlenen aan het forumkeuzebeding dat uitsluitend geldt tussen de oorspronkelijke contractspartijen, zo oordeelde het hof. Onrechtmatige daad (art. 7 lid 2 Brussel I-bis) Tenslotte voerde SMC aan dat er sprake was van een onrechtmatige daad bestaand uit een schending van een wettelijke plicht, omdat Airbnb onredelijk bezwarende bedingen in haar algemene voorwaarden zou hanteren. SMC stelde dat hierdoor de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn op grond van art. 7 lid 2 Brussel I-bis, omdat het schadebrengende feit zich in Nederland zou hebben voorgedaan. Ook hierin volgde het hof SMC niet. Volgens het hof waren de vorderingen van SMC zijn zo nauw verweven met de contractuele relatie, dat ze als “verbintenissen uit overeenkomst” moeten worden gekwalificeerd. Daarom is de onrechtmatige-daad-grondslag niet van toepassing. Conclusie Stichtingen die collectieve acties willen instellen tegen buitenlandse partijen, kunnen niet zonder meer varen op bevoegdheidsgronden die voor individuele consumenten gelden. Daarnaast is het van belang om van tevoren goed te bepalen om – in geval van dienstverlening – goed te bepalen waar deze dienstverlening heeft plaatsgevonden. Heeft u vragen over internationale bevoegdheid of collectieve acties? Neem contact met Arnout Koeman of een van onze andere specialisten.
Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Annotatie Tijdschrift voor Bouwrecht: eerste uitspraak na het Didam II-arrest
Voor het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR 2025/73), heeft oud-collega Marnix van Hemert een annotatie geschreven bij de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 17 december 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:256). De uitspraak betreft de eerste uitspraak na het Didam II-arrest in het Caribisch gebied, die ingaat op het spanningsveld tussen maatschappelijk gegroeide rechten en de Didam-regels op Curaçao. In de annotatie toetst Marnix de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten aan de juridische grondslag voor het bieden van mededingingsruimte conform de Didam-regels. Ook gaat Marnix tevens in op de wenselijkheid van Didam-beleid voor overheidslichamen. In de annotatie wordt door Marnix betoogd dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de onderhavige kwestie niet naar behoren zijn nageleefd en derhalve niet stroken met de Didam-regels, omdat er in de voorliggende kwestie sprake is van de privaatrechtelijke verhandelbaarheid van een schaars recht tussen private partijen, zonder tussenkomst van een overheidslichaam, noch van toepassing van de Didam-regels, bij gebreke van specifiek Didam-beleid. De privaatrechtelijke verhandelbaarheid van schaarse rechten lijkt niet te stroken met de verplichtingen voor overheidslichamen voortvloeiende uit de Didam-arresten. Om die reden, doet Marnix de aanbeveling dat de Caribische landen van het Koninkrijk duidelijke procedurele regels voor gronduitgifte dienen opstellen in lijn met het Didam-arrest. Afsluitend betoogt Marnix de wenselijkheid van zorgvuldig opgesteld Didam-beleid, ter voorkoming van het ad hoc moeten conformeren aan de Didam-regels, alsmede om het gronduitgiftebeleid van overheidslichamen toekomstbestendig te maken. Bij interesse in de annotatie of naar uw mogelijkheden op grond van het Didam-arrest, neem dan vooral vrijblijvend contact op met Niek Hoogwout. 
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
ZZP’er blijkt toch werknemer: met terugwerkende kracht pensioenpremie verschuldigd?
Inleiding De vraag of een zzp’er als werknemer kan worden gezien, blijft een hot topic. Kwalificatie als werknemer kan ingrijpende gevolgen met zich meebrengen, zoals de plicht om met terugwerkende kracht premies en loonheffingen te betalen, maar ook ontslagbescherming, loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen en vakantietoeslag. Moet ook met terugwerkende kracht pensioenpremie worden afgedragen? Pensioen als arbeidsvoorwaarde Uitgangspunt van de Pensioenwet is dat een werkgever niet verplicht is om pensioen aan zijn werknemers aan te bieden. Toch kan een werkgever buiten zijn wil om gebonden zijn aan een pensioenregeling, bijvoorbeeld omdat een cao dit voorschrijft of sprake is van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Premieplicht met terugwerkende kracht? Werkgevers die actief zijn in sectoren waarin werknemers in verband met een cao of een verplicht bedrijfstakpensioenfonds recht hebben op pensioen, moeten na kwalificatie van een zzp’er als werknemer rekening houden met een naslag voor pensioenpremie over het verleden. Voor pensioenfondsen geldt immers dat de premie ook verschuldigd is als de (gebleken) werknemer nog niet was aangemeld. Recent oordeelde de rechtbank Noord-Holland over een geval waarin een werknemer vanaf 1 januari 2022 als werknemer in dienst was, nadat hij eerst sinds 1 januari 2016 als zzp’er werkzaam was geweest. Hij had altijd hetzelfde werk gedaan als andere werknemers, die altijd pensioen hadden opgebouwd. Zelf bouwde de werknemer sinds 1 januari 2022 ook pensioen op. De werkgever had de pensioenregeling onverplicht aan haar werknemers aangeboden. Had de zzp’er nu met terugwerkende kracht recht op pensioenopbouw vanaf 1 januari 2016? De rechter beantwoordt die vraag ontkennend, want daar bestond in dit geval geen juridische grondslag voor.   Praktische tips Hoewel de gevolgen van de kwalificatie van de overeenkomst van een zzp’er als arbeidsovereenkomst niet altijd tot gevolg heeft dat met terugwerkende kracht pensioenpremies verschuldigd zijn, doen werkgevers er goed aan om bij hun inventarisatie van risico’s van het inhuren van zzp’ers goed aan om rekening te houden met het risico dat ook pensioenpremie verschuldigd is, en daar zo nodig organisatorische, financiële en/of contractuele voorzieningen voor te treffen. Contact Heeft u vragen over pensioen bij schijnzelfstandigheid of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Jaap Harrijvan of een van onze andere arbeidsrecht specialisten.
Reinout Oudijk 1
Reinout Oudijk
Advocaat
De eerste onteigeningsuitspraak onder de Omgevingswet
Met de op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet is de onteigeningsprocedure op de schop gegaan. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de primeur met de eerste onteigeningsuitspraak onder dit nieuwe wettelijke stelsel (uitspraak gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBZWB:2025:2931). Deze uitspraak van 20 mei 2025 biedt interessante inzichten in de wijze waarop de bestuursrechter toetst of aan de vereisten voor onteigening is voldaan.    Feitelijke achtergrond van de onteigeningsprocedure  De gemeente Gilze en Rijen wil twee percelen verwerven voor de herontwikkeling van de stationsomgeving, waaronder de aanleg van een tunnelbak en fietsenstalling. Daarvoor is het bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen vastgesteld op 20 november 2023, dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor de gemeente Gilze en Rijen. De gemeenteraad heeft op 20 juni 2024 een onteigeningsbeschikking genomen en de bestuursrechter verzocht deze te bekrachtigen. Voor één perceel (woning met kamerverhuur) was de eigenaar het niet eens met de voorgenomen onteigening. Deze eigenaar heeft bedenkingen tegen de onteigeningsbeschikking ingebracht. Voor het andere perceel was na indiening van het verzoek inmiddels minnelijke overeenstemming bereikt.   Belangrijkste highlights en lessen voor de praktijk  De rechtbank heeft zich ongetwijfeld gerealiseerd dat haar de primeur toevalt en daarom een stevig onderbouwde uitspraak gedaan met veel verwijzingen naar wetsartikelen en kamerstukken. Voor zowel overheden als marktpartijen biedt deze heldere uitspraak inzicht in de werkwijze van de bestuursrechter bij onteigeningszaken.   Opvallend is met name dat de rechtbank uitgebreid de wettelijke stappen doorloopt, waaronder de te verrichten ambtshalve basistoets op vier punten: wettelijke vormvoorschriften, onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie.   Belangrijke leerpunten uit de uitspraak zijn:  Indringende toetsing van wettelijke onteigeningscriteria  De rechtbank past een intensieve toets toe op alle wettelijke criteria waaraan moet worden voldaan om de onteigeningsbeschikking te kunnen bekrachtigen: onteigeningsbelang, onteigeningsnoodzaak, urgentie en procedurele eisen (de wettelijke vormvoorschriften uit de Omgevingswet en Awb). De rechtbank toetst deze criteria ex nunc (rov. 3.2).     Ruime uitleg bij het vereiste ‘uitsluiting bestaande vorm’  Hoewel bij een onteigening op basis van een omgevingsplan is vereist dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer enkel is toegestaan “onder uitsluiting van de bestaande vorm” (art. 11.6 sub a Ow), moet dit vereiste voor een onteigeningsbelang volgens de rechtbank niet te letterlijk worden uitgelegd. Het gaat erom dat uit het geldende omgevingsplan voldoende duidelijk blijkt welke vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer wordt beoogd en dat dit afwijkt van de bestaande vorm (rov. 6.2). De rechtbank had het zichzelf hier overigens makkelijker kunnen maken door te verwijzen naar art. 4.4a Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet, dat bepaalt dat als onteigend wordt op basis van een tijdelijk deel van het omgevingsplan, niet vereist is dat de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer is uitgesloten.    Procedureel verzuim is niet per definitie fataal  Een procedureel verzuim, zoals het niet ter inzage leggen van het logboek van minnelijke onderhandelingen met de eigenaar, is weliswaar een gebrek maar niet fataal als dit gebrek alsnog wordt hersteld en niemand is benadeeld (rov. 5.6-5.7). Ondanks dat dit gebrek dit keer niet fataal is, leidt een onvolledig onteigeningsdossier tot vertraging en is het noodzakelijk dat het goed wordt gecontroleerd door het bestuursorgaan of het onteigeningsdossier compleet is en dit alle vereiste stukken bevat (zie bijv. artikel 7.2 van procesreglement bestuursrecht rechtbanken).     Argumentenfuik  De rechtbank lijkt een argumentenfuik (grondenfuik) te hanteren door bij dit oordeel over het logboek mee te wegen dat de belanghebbende (de eigenaar) pas voor het eerst in deze procedure heeft gewezen op het ontbreken van een logboek en niet eerder tijdens de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (rov. 5.7). Of volgens de Afdeling in de bekrachtigingsprocedure plaats is voor zo’n argumentenfuik valt te betwijfelen. Voor partijen is het voor nu de les om niet het kruit tot het laatst droog te houden, maar alle bezwaren tegen de onteigening en daaraan klevende gebreken al in de zienswijzefase naar voren te brengen.    Aandacht voor het onderhandelingsproces over de schadeloosstelling  De rechtbank kijkt behoorlijk diepgaand naar het gevoerde onderhandelingsproces tussen de gemeenteraad en de grondeigenaar voor haar oordeel dat sprake is van een redelijke poging tot verwerving (rov. 7.4). Aan het slot van deze overweging neemt de rechtbank ten overvloede mee dat het laatste tegenbod van de eigenaar onvoldoende is onderbouwd. Dit laatste roept de vraag op of in de bestuursrechtelijke bekrachtigingsprocedure al serieuze discussies gevoerd kunnen (of moeten) gaan worden over de aangeboden schadeloosstelling. Ons lijkt dat niet de bedoeling omdat de schadeloosstellingsdiscussie pas inhoudelijk moet worden gevoerd tijdens de daaropvolgende civielrechtelijke procedure. Voorlopig lijkt het verstandig dat de onteigenaar een (met een taxatierapport) onderbouwd laatste tegenbod van de grondeigenaar gemotiveerd weerlegt om in de onteigeningsprocedure aan te kunnen tonen dat redelijke pogingen zijn gedaan om de grond minnelijk te verwerven (art. 11.7 lid 1 Ow).   Betekenis voor toekomstige onteigeningszaken  Deze uitspraak biedt een doorkijk naar de nieuwe onteigeningspraktijk onder de Omgevingswet. Duidelijk is dat bestuursorganen die de onteigeningsbeschikking geven (art. 11.4 Ow) en onteigenaars in wiens naam de onteigening plaatsvindt (art. 11.2 Ow), hun dossiers volledig en transparant moeten opbouwen, met bijzondere aandacht voor het minnelijk overleg en de verslaglegging daarvan. Procedurele gebreken zijn (vooralsnog) niet altijd fataal, maar herstel lijkt alleen mogelijk als geen van de betrokkenen wordt benadeeld.   Contact Hebt u vragen over onteigening onder de Omgevingswet of wilt u advies over uw positie in een onteigeningsprocedure? Neem gerust contact op met Reinout Oudijk of één van onze onteigeningsadvocaten. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet en adviseren u graag over de beste strategie in uw situatie.