Ontwerp zonder titel (25)

Healthcare & Life Sciences

De sector Health & Life Sciences is een veelomvattende en dynamische sector. Nieuwe wet- en regelgeving zorgen voor nieuwe uitdagingen, maar ook technische innovaties en ICT-projecten roepen veelal complexe vraagstukken op, bijvoorbeeld rondom privacy. Naast wet- en regelgeving over de organisatie van zorginstellingen, zorginkoop, privacy en toezicht, gelden er ook strenge regels voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg.

Het Healthcare & Life Sciences team adviseert, treedt op als sparringpartner en procedeert op alle vlakken waar een organisatie of bedrijf gericht op de zorg of life sciences mee te maken heeft. Denk hierbij aan zaken omtrent grensoverschrijdende farmaceutische octrooien/ABC-zaken, regelgeving en andere onderwerpen, waaronder handelsvergunningen, klinische studies, mededingingskwesties, gezondheidszorg, aanbestedingen, databescherming, onroerend goed , productaansprakelijkheid en begeleiding bij trajecten bij toezichthouders (IGJ, NZA).   

Het team is een multidisciplinaire sector groep en bestaat uit verschillende zeer gespecialiseerde partners en medewerkers met uitgebreide ervaring in de Healthcare & Life Sciences sector. De geïntegreerde expertise van ons Healthcare & Life Sciences team zorgt ervoor dat veel farmaceutische bedrijven voor La Gro kiezen.

Uw specialist
Marleen van den Horst

Advocaat

Hiervoor kunt u bij ons terecht

  • de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO)
  • European Clinical Trial Regulation (ECTR)
  • de toetsing en procedures van medisch wetenschappelijk onderzoek bij METC’s en de CCMO
  • het opstellen van clinical trial agreements, consortium agreements en overige contracten
  • patiëntenrechten
  • de geneeskundige behandelrelatie (Wgbo, goed hulpverlenerschap, informed consent, inzage medisch dossier, geheimhouding etc.)
  • de Wet publieke gezondheidszorg
  • de Wet BIG
  • de Wet zorg en dwang
  • de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
  • (her)registratie en titelbescherming van beroepsbeoefenaren
  • bevoegdheden/voorbehouden handelingen
  • de IGJ
  • de NZA, ACM
  • het College sanering zorginstellingen
  • het OM
  • de Wtza / AWtza
  • de Wet marktordening gezondheidszorg
  • de Zorgverzekeringswet
  • de Wet langdurige zorg
  • de Wet maatschappelijke ondersteuning
  • de Jeugdwet
  • indicatiestellingen, pgb’s, natura-/restitutiepolissen
  • tariefregulering en prestaties
  • de Wet kwaliteit klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz)
  • het tuchtrecht (wet BIG)
  • het klachtrecht
  • incidenten, complicaties en calamiteiten
  • Europese en Nederlandse wet- en regelgeving rondom geneesmiddelen en medische hulpmiddelen
  • vergunningsstelsels (bereiding/fabricage, distributie, markttoelating)
  • voorschrijven en ter hand stellen van geneesmiddelen
  • reclame en gunstbetoon
  • prijsstelling, vergoeding en financiering
  • Medical Devices Regulation
  • de Wet op de medische hulpmiddelen
  • de Geneesmiddelenwet
  • procedures bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) of het Europees Medicijn Agentschap (EMA)
  • healthcare governance
  • de positie van de RvB, RvT/RvC
  • medezeggenschap van cliëntenraden (Wmcz)
  • medische staf
  • de Governancecode zorg
  • disfunctionerende medische specialisten
  • arbeidsvoorwaarden medisch specialisten (AMS)
  • opstellen van samenwerkingsovereenkomsten o.a. tussen MSB’s en ziekenhuizen
  • ontslagtrajecten
  • arbeidsrechtelijke aspecten rondom (complexe) reorganisaties, fusies en overnames
  • medezeggenschap van ondernemingsraden
  • arbeidsvoorwaarden en cao’s
  • zorgcontractering
  • medische aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren en/of zorgaanbieders
  • privacy (AVG, uAVG)
  • handhaving en toezicht van de Autoriteit Persoonsgegevens
  • intellectueel eigendomsrecht
  • ICT-recht
  • (zorg)fusies en overnames
  • jaarrekening en verslaglegging
  • corporate governance
  • (bestuurders)aansprakelijkheid
  • het aangaan of beëindigen van samenwerkingsverbanden
  • het oprichten van ondernemingen
  • (selectief) inkoopbeleid
  • aanbestedingen
  • het opstellen van contracten
  • het kartelverbod
  • economische machtsposities
  • aanmerkelijke marktmacht
  • toezicht van de ACM

La Gro’s, having been bolstered by the arrival of Marleen van den Horst, advises on a range of clinical trial, competition, and healthcare procurement program related mandates
Legal 500, Healthcare and Life Sciences (2024 Edition)
Bel: 0172-503 250

Publicaties

Benjamin Niemeijer 1
Benjamin Niemeijer
Advocaat
LGGA Pharma Update – 31 January 2024
On 23 January 2024, the Provisions Judge of the District Court of The Hague handed down a decision in the PI proceedings initiated by Janssen Biotech Inc. (“Janssen”) against Samsung Bioepis NL B.V. (“Samsung NL”). Janssen claimed that Samsung NL infringed its Stelara SPCs granted in Italy and Denmark. The Provisions Judge denied the PI as according to his preliminary assessment Samsung NL can benefit from the SPC Manufacturing Waiver. Janssen’s SPC- Stelara Janssen holds European patent EP 1 309 692 B1 (“EP 692”) for “ANTI-IL-12 Antibodies, compositions, methods and uses“. The medicinal product of Janssen is marketed under the brand name ‘Stelara’ and contains the active ingredient ustekinumab. EP 692 was granted on 13 May 2009 in, among others, Italy and Denmark. The patent expired on 7 August 2021. After expiration, Janssen was granted a SPC in Italy, Denmark and the United Kingdom (UK – ending on 19 January 2024). Similar Stelara patents in Canada and South Korea have also expired. However, Jansen has filed patent(s) (applications) in these countries that protect the treatment regimen approved for Stelara for ulcerative colitis disease. SPC Manufacturing Waiver Samsung has developed a biosimilar of ustekinumab with Stelara as reference called SB17. Samsung NL issued a notice to the Danish and Italian authorities respectively that it intended to manufacture and stock its biosimilar in Denmark and Italy for the purpose of exporting it to the UK, Canada and South Korea based on Regulation 2019/933 regarding the SPC Manufacturing Waiver “MW Regulation”) and to market the product in the European Union after expiration of the SPC (stockpile exemption). Samsung NL mentioned that it would submit the reference numbers of its market authorisations in said countries as soon as publicly available. Samsung NL additionally undertook towards Janssen that it would not manufacture its biosimilar products for the EU-market until 24 January 2024 in order to avoid discussion on the stockpile exemption in the PI proceedings. The PI Judge’s assessment of infringement According to Janssen Samsung NL infringes its SPCs in Denmark and Italy and cannot benefit from the SPC Manufacturing Waiver because Samsung NL (i) did not specify the reference numbers of the marketing authorisations in the exporting countries, (ii) Janssen’s patent rights are in force in the countries to which Samsung NL intends to export its biosimilar, and (iii) Samsung NL is not allowed under the SPC Manufacturing Waiver to store the biosimilar products. The PI Judge finds that according to the text of MW Regulation the manufacturer is obliged to provide the reference number of market authorisation, or the equivalent of such authorisation in each exporting third country, only as soon as it is publicly available. This entails, according to the preliminary view of the Provisions Judge, that if this number is not yet publicly available, the manufacturer has the possibility to supplement the notification with the reference number of the marketing authorisation as soon as it is publicly available, as reflected in Article 5(5)(e) MW Regulation. The Provisions Judge considers that the MW Regulation is sufficiently clear on this item. It is taken into account that the nature and the content of the provisions in question were extensively debated during the revision of the earlier SPC Regulation. The Provisions Judge is therefore of the opinion that it is not necessary to raise preliminary questions to the Court of Justice of the EU on the application of the SPC Manufacturing Waiver, as suggested by Janssen. The fact that the District Court of Munich in the matter Janssen vs Formycon ruled differently on this matter does alter his view, especially because the Provisions Judge finds the reasoning of the District Court of Munich in said decision not convincing. Janssen further argued that Samsung NL may not manufacture a biosimilar under the waiver because in the countries to which Samsung NL intendeds to export its product, patent rights are existing. The Provisions Judge considers that there is no requirement under the MW Regulation that the intended exporting countries are free of patent rights and/or that the manufacturer must prove this in advance. Such requirement would be contrary to the objective of the MW Regulation of ensuring a level playing field with global competition. If EU based manufacturers were only allowed to manufacture for export to countries that are ‘free of patents’ they would be put in a serious disadvantage compared to non-EU based competitors not subject to such restrictions. In relation to the storage of the products the Provisions Judge states that it follows from the wording of Article 5(a)(a)(ii) of the MW Regulation that under the export exemption, ‘temporary storage’ is allowed. The MW Regulation does not specify a maximum period for such ‘temporary storage’ other than that it must be strictly necessary for the actual export. Conclusion The Provisions Judge is of the preliminary opinion that – contrary to the Janssen vs Formycon decision – a manufacturer of a biosimilar can rely on the SPC Manufacturing Waiver a) even if the market authorisation reference number is not yet publicly available, b) there are possible patents rights in the countries to which the product is exported and c) temporary storage of the products is possible when strictly necessary for the actual export.
Marleen van den Horst
Marleen van den Horst
Advocaat
LGGA Pharma Update - 28 November 2023
On 1 November 2023, the District Court of The Hague handed down a decision in the invalidity proceedings instituted by Sandoz B.V. (“Sandoz’’) against Bayer Intellectual Property GmbH. (“Bayer’’). The Court held the once-daily dosing regimen of rivaroxaban, claimed in EP 1 845 961 B1 (“EP 961”), inventive. The use of rivaroxaban and the anticipated launch of Sandoz’s generic product Rivaroxaban is used as an anticoagulant for the treatment of thromboembolic disorders (TEDs). Bayer markets its rivaroxaban product under the name Xeralto. Bayer was the owner of EP 1 261 606 B1 that protects the active ingredient rivaroxaban. Based on said patent, Bayer was granted SPC no. 300370 that will expire on 1 April 2024. Sandoz is planning to launch a generic product containing rivaroxaban in the Netherlands after expiration of the SPC. Sandoz started invalidity proceedings claiming that EP 961 is invalid due to lack of inventive step. Bayer instituted a counterclaim requesting: 1) an injunction against Sandoz for (likely) future infringement of the NL part of EP 961 and 2) a declaration that any offering or placing on the market of Sandoz’ product (e.g. listing the product in the ‘G-Standaard’), or importing or storing the product for those purposes, is an infringing act. What preceded EP 961 was granted on 22 April 2015. Opposition was filed by fifteen parties. In 2018 the Opposition Division revoked EP 961 for lack of inventive step. In appeal, the Technical Board of Appeal (“TBA’’) maintained the patent as granted. Since then, multiple national suits have been filed to invalidate EP 961 e.g. in Germany, Norway and in the United Kingdom. In its decision of 9 June 2023 the Court of Oslo concluded that the patent was inventive. Difference between the TBA and NL proceedings The main difference is that the TBA found EP 961 inventive based on Kubitza I & II and the Harder Abstract, whereas in the Dutch (and Norwegian) proceedings Sandoz introduced the ‘’Harder Poster’’ as new prior art, which was not introduced in the opposition. The Harder Poster reveals parameters in the pharmaco-dynamics that suggest suitability for a once-daily dosing. After summarising the reasoning of the TBA, the District Court of The Hague discusses the Norwegian decision in the parallel proceedings, where the Harder Poster has been taken into account in assessing inventive step. The District Court’s assessment of inventive step Following the parties, the District Court applies the PSA and takes the Harder Poster as the closest prior art. The difference between the Harder Poster and the claimed invention is that the latter concerns the medical use of rivaroxaban in the claimed dosage regimen. Harder is a phase I study on the pharmacodynamic effects of rivaroxaban on eight healthy subjects, but not a study on what the effects and therapeutic efficacy are in patients. The technical effect of the distinguishing feature is that rivaroxaban in the dosage regimen (once daily for at least five days with a rapid release dosage form) is effective and safe in TED patients. According to the Court the objective technical problem is: “finding an oral dosage regimen of rivaroxaban that is safe and effective against TEDs”. This is almost the same as defined by the TBA, albeit that the Court does not concur with the TBA’s (additional) objective of finding a ‘convenient’ dosage regimen as part of the problem to be solved. To assess inventive step, it must be assessed whether, based on the technical problem, the invention was obvious for the average skilled person on the priority date. According to the Court an inventive step is lacking if the person skilled in the art, based on the relevant state of the art, would have solved the problem as claimed in the patent. As the invention is the result of further research, the invention is not only obvious if the skilled person had carried out that research and the results are clearly predictable, but also if there is an incentive in the state of the art that there is a reasonable expectation of success. This means that the skilled person is able to predict a reasonable successful outcome of the research project within an acceptable time period. The hope to succeed is insufficient. The Court points out that the Harder Poster does not provide a reasonable prediction that rivaroxaban would be safe and effective in patients in a once-daily dose. It does not provide convincing results to support this, as the study was conducted in only eight healthy subjects, lacks data on half-life time, whereas the type of tests used were of an experimental nature. Moreover, the skilled person would not have a reasonable expectation of success, because of numerous negative pointers, like 1) the high (and life-threatening) risk of over- and under-dosing patients in anticoagulant research would make him cautious to extrapolate results in phase I studies to a phase II study, 2) Harder does not provide half-time data, which is an important indicator for determining dosing frequency, 3) the negative research experience with a comparable Xa inhibitor, razaxaban, leading to severe bleeding in patients and 4) some medical-ethics committees rejected Bayer’s proposal to test once daily dosing of rivaroxaban in clinical trials. The District Court also assesses Sandoz’ argument that the skilled person, starting to test two- or three-day doses in a phase II study would, through routine steps, ultimately end up with a once-daily dosing regimen. But the Court rejects this view as Sandoz failed to describe how the skilled person would have overcome the negative pointers and would endeavor to also try a once-daily doses with a reasonable expectation of success. Conclusion Based on its own assessment and with reference to the Norwegian judgment and the TBA decision, the District Court rejects Sandoz’ claim for invalidity and holds EP 961 inventive. Both counterclaims of Bayer are granted.
Marleen van den Horst
Marleen van den Horst
Advocaat
Pharma Update - 23 October 2023
On 3 October 2023, the Provisions Judge of the District Court of The Hague rendered its decision in the PI proceedings between Grünenthal GmbH. et al. (“Grünenthal’’) and Teva B.V. et al. (“Teva’’). The Provisions Judge (“PI Judge”) is of the preliminary opinion that EP 1 457 208 B9 (“EP 208”) makes the technical effect plausible and is inventive. The likelihood of EP 208 being held valid in final relief proceedings is high and therefore a PI against Teva is granted. Making this case particularly interesting is that in parallel final relief proceedings, courts in Germany and the United Kingdom have found EP 208 invalid. The PI Judge (who is also a Judge in the Dutch local division of the UPC) is of the preliminary opinion that the plausibility standard in the Netherlands is different from that in the UK, referring to the recent PI decision of the Court of Appeal in the Apixaban case. Grünenthal is since July 2022 the owner of the Dutch part of EP 208 that is in force in the Netherlands until 14 March 2024. It markets the patented drug, which is a long-acting testosterone drug, under the name ‘Nebido’. What preceded  After Teva received a Dutch marketing authorisation for its generic product called ‘Testosterone Teva’ in December 2022, Grünenthal sent warning letters to Teva in February and April 2023, Teva did not respond until 24 August 2023 when it notified Grünenthal that it planned to enter its generic product in the G-Standaard of October 2023. Grünenthal initiated PI proceedings against Teva before the District Court of The Hague, accusing Teva of infringing EP 208. The interim claim in the PI proceedings  A first, interim hearing was held on 12 September 2023 dealing with the incidental (provisional) claim of Grünenthal, requesting the PI Judge to order Teva to withdraw the listing of its generic product from the October G-standard in order to avoid it being published.  The PI Judge handed down its interim decision on 13 September 2023, ordering Teva to withdraw its product from the October 2023 G-Standaard. According to the PI Judge, Grünenthal has a profound interest in maintaining the status quo as Teva is not yet on the market (nor any other generic) nor listed in the G-Standard, so no price erosion has taken place yet. The fact that Teva chose to ignore the warning letters is explicitly taken into account in the ultimate balance of interest in favour of Grünenthal. The main claims in the PI proceedings  On 26 September, the second oral hearing on the main claims was held. Grünenthal claimed that EP 208 is (about to be) infringed and is seeking a PI prohibiting manufacturing and distributing the generic product and an injunction against unlawful conduct.  The PI Judge rendered its decision on the main claims on 3 October 2023, finding the Dutch part of EP 208 provisionally valid and infringed. According to the PI Judge the Dutch part of EP 208 and the Dutch PI proceedings differ from the German and English final relief proceedings because: i) the claims of Dutch part of EP 208 have been substantially limited by Grünenthal during the Dutch PI proceedings, ii) the statements presented, the expert evidence and substantive debate were not identical and iii) the Dutch plausibility standard in the light of inventive step, after G2/21, differs from the plausibility standard in the UK. In formulating the Dutch plausibility standard, the PI judge refers to the G2/21 decision and to the recent decision of the Court of Appeal in the Apixaban case (section 4.35-4.43). which we have discussed in our Pharma Update of 25 August. The PI judge mentions that the plausibility criterion formulated by the Enlarged Board of Appeal in G2/21 is an abstract criterion. It must be filled in based on the specific circumstances of the case. This leads the PI Judge in section 4.41 to consider: “In applying the G2/21 test when assessing the inventive step of a claim in which the technical effect is not included as a feature, unlike the referral from Teva to the TBA case Agrevo, it is not necessary for the patentee to provide proof, or make it plausible in PI proceedings, that the technical effect works with at least the majority of the claimed compositions.”  The PI Judge observes that the outcome could have been different if Teva had made it plausible that the person skilled in the art, based on the application, could not derive, or has reasons to question that the technical effect would occur over the full breadth of claim 1 as limited in the Dutch part of EP 208.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
Aanpassing beleidsregel voor transacties zorginstellingen voor behoud van zorgvastgoed voor de sociale sector
Op 19 januari 2023 heeft het College sanering zorginstellingen (hierna: “College sanering”) de beleidsregel vervreemding onroerende zaken aangepast na de motie Hijink/Werner van 30 juni 2021. Deze beleidsregel moet ervoor zorgen dat zorgvastgoed beter behouden blijft voor de sociale sector. Als gevolg van de aanpassing van de beleidsregel doen zich verschillende veranderingen voor omtrent de regels voor de verkoop en verhuur van zorgvastgoed, alsmede de vestiging van beperkte rechten hierop. Klik hier voor de beleidsregel vervreemding onroerende zaken.  Ruimte om niet aan de markt te verkopen Met de beleidsregel verandert het doel van de vervreemding van onroerend goed van zorginstellingen van een marktconforme opbrengst naar het verhogen van de maatschappelijke opbrengst. Voorheen gold namelijk dat zorgaanbieders het zorgvastgoed door middel van een open en transparant proces aan de markt moesten aanbieden. In dat geval konden naast maatschappelijke organisaties bijvoorbeeld ook commerciële partijen meebieden. Door de aanpassing van de beleidsregel ontstaat nu meer ruimte voor zorgaanbieders om direct te onderhandelen over de transactieprijs met maatschappelijke organisaties, zoals zorginstellingen. De zorgaanbieder die voornemens is zorgvastgoed te vervreemden in afwijking van het open en transparante proces, dient dit gemotiveerd aan het College sanering voor te leggen. Wanneer het hierbij gaat om een maatschappelijke partij, zal het College sanering in beginsel hiermee instemmen. Lagere prijs dan taxatiewaarde Voor de prijsbepaling geldt dat als uitgangspunt de hoogste taxatiewaarde wordt gevolgd. Maar met de aanpassing van de beleidsregel wordt de mogelijkheid geïntroduceerd een lagere prijs af te spreken dan deze hoogste taxatiewaarde. Deze mogelijkheid is geïntroduceerd met het oog op de doel van de regeling, namelijk het verhogen van de maatschappelijke opbrengt. De redenatie is dat niet alle maatschappelijke opbrengsten of voordelen in geld uit zijn te drukken. Om een lagere taxatiewaarde te kunnen hanteren, dient de zorgaanbieder de reden hiervoor te motiveren bij het College sanering. Het College sanering bekijkt vervolgens per geval of de lagere taxatiewaarde kan worden afgesproken. Contact Heeft u nog vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact op met Michelle Collins, ze helpt u graag verder.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
European Clinical Trial Regulation
Per 31 januari 2022 is de EU-verordening voor geneesmiddelenonderzoek – European Clinical Trial Regulation (hierna: ECTR) – van toepassing. Deze wetgeving regelt het klinisch onderzoek met geneesmiddelen in de Europese Unie (en dus ook Nederland). Het doel hiervan is het harmoniseren en vereenvoudigen van onderzoek met geneesmiddelen binnen de EU. Per 31 januari 2022 is de EU-verordening voor geneesmiddelenonderzoek – European Clinical Trial Regulation (hierna: ECTR) – van toepassing. Deze wetgeving regelt het klinisch onderzoek met geneesmiddelen in de Europese Unie (en dus ook Nederland). Het doel hiervan is het harmoniseren en vereenvoudigen van onderzoek met geneesmiddelen binnen de EU. Doel ECTR De ECTR beoogt een gestroomlijnde beoordelingsprocedure voor klinisch geneesmiddelenonderzoek te bewerkstelligen voor alle klinische onderzoeken binnen de EU. Zo zullen onderzoeksprotocollen en overige studiegerelateerde documenten in de hele EU centraal en digitaal plaatsvinden via een webportaal en database ontwikkeld door de European Medicines Agency (hierna: EMA). Het Clinical Trials Information System (CTIS) wordt het centrale toegangspunt voor de indiening van aanvragen voor geneesmiddelenonderzoek in de EU. Tevens zullen de maximale doorlooptermijnen van het toetsingsproces in alle EU-landen gelijk zijn, zodat alle centra in deelnemende landen tegelijk onderzoek kunnen starten. Toetsingsprocedure De toetsingsprocedure is onder de ECTR gesplitst in twee delen. De beoordeling van deel 1 betreft de productbeoordeling en de medisch wetenschappelijke beoordeling. De beoordeling van deel 2 betreft aangelegenheden zoals de (proefpersonen)verzekering, de geschiktheid van de faciliteiten en onderzoekers, de vergoedingen aan proefpersonen etc. Onder de ECTR wordt bij multinationaal onderzoek deel 1 beoordeeld door alle lidstaten gezamenlijk. Per studie wordt dan één lidstaat aangesteld als rapporteur (de zogenaamde reporting Member State) en stelt dat land in afstemming met de toetsingscommissies van de overige deelnemende landen het beoordelingsrapport over deel 1 op. Deel 2 wordt door iedere lidstaat afzonderlijk beoordeeld. Instellingen die deelnemen aan een klinisch geneesmiddelenonderzoek dienen te worden getoetst op geschiktheid. In Nederland dient een deelnemende onderzoekinstelling een Verklaring Geschiktheid Onderzoeksinstelling (VGO) af te geven aan de uitvoerder van de studie. Deze verplichting is al in november 2021 in Nederland verplicht gesteld. Overgangstermijn Er geldt een overgangstermijn van in totaal drie jaar. Tot 31 januari 2023 kan een sponsor ervoor kiezen aanvragen voor geneesmiddelenonderzoek via het huidige systeem of via CTIS in te dienen. Vanaf 31 januari 2023 moeten alle nieuwe klinische onderzoeken via CTIS te worden ingediend en vanaf 31 januari 2025 moeten álle klinische geneesmiddelenonderzoeken conform de ECTR zijn en geregistreerd staan in CTIS. Het verdient dus aanbeveling om hier rekening mee te houden, met name als het onderzoek meerdere jaren in beslag zal nemen.
Michelle Collins 2
Michelle Collins
Advocaat
De wet toetreding zorgaanbieders
Op 1 januari 2022 is de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) in werking getreden. Deze wet brengt verschillende verplichtingen voor zorgaanbieders met zich mee. Het introduceert tevens een nieuwe vergunningsprocedure dat het huidige toelatingssysteem onder de Wet toelating zorginstellingen (hierna: WTZi) vervangt. Het hoofddoel van de Wtza is een verbetering van de zorgkwaliteit. In deze bijdrage staat Michelle Collins stil bij de belangrijkste verplichtingen uit de Wtza: de meldplicht, de vergunningsplicht, het interne toezicht en de jaarverantwoording. Meldplicht De Wtza introduceert een (eenmalige) meldplicht voor zorgaanbieders die zorg verlenen als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (hierna: Wkkgz). Nieuwe zorgaanbieders moeten zich (eenmalig) voor aanvang van de zorgverlening melden bij een digitaal portaal van het CIBG waar diverse vragen ingevuld moeten worden. Bij de melding wordt gewezen op de kwaliteitseisen waaraan moet worden voldaan. Het doel van de Wtza is om alle zorgaanbieders beter in beeld te krijgen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Reeds bestaande zorgaanbieders die zorg verlenen bij of krachtens de Wkkgz moeten binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de wet voldoen aan de meldplicht. Dit betekent dat bestaande zorgaanbieders uiterlijk 30 juni 2022 aan de meldplicht moeten voldoen. Van de meldplicht zijn enkele categorieën zorgaanbieders uitgesloten, zoals apotheken en Regionale Ambulancevoorzieningen. Vergunningsplicht Voor sommige zorgaanbieders geldt dat een Wtza-vergunning nodig is. Dit geldt voor: Instellingen die medisch specialistische zorg (doen) verlenen; Instellingen met meer dan tien zorgverleners die zorg (doen) verlenen bij of krachtens de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Als een zorginstelling al over een WTZi-toelating beschikt, dan wordt die van rechtswege omgezet in een Wtza-vergunning. Zorginstellingen die op grond van de WTZi van rechtswege zijn toegelaten (bijvoorbeeld huisartsenpraktijken) of zorginstellingen die onder de WTZi geen toelating nodig hadden, maar op grond van de Wtza wel over een Wtza-vergunning dienen te beschikken, hebben twee jaar de tijd om een vergunning aan te vragen, dus uiterlijk vóór 1 januari 2024. Mocht een zorgaanbieder op enig moment ná 1 januari 2022 het aantal van tien zorgverleners overschrijden (bijv. van 8 naar 11 zorgverleners) met als gevolg dat de zorgaanbieder op grond van bovenstaande vereisten over een vergunning behoort te beschikken, dan dient de zorgaanbieder binnen zes maanden nadat de overschrijding van het aantal van tien zorgverleners ontstaat een vergunning aan te vragen. Intern toezicht Een vergunningplichtige zorginstelling dient in beginsel op grond van de Wtza te beschikken over een onafhankelijke interne toezichthouder (bijvoorbeeld een Raad van Toezicht). De interne toezichthouder staat onder andere de dagelijkse of algemene leiding van een zorginstelling met raad bij. Jaarverantwoording, transparantie van financiële bedrijfsvoering en gebruik van derivaten Per 1 januari 2022 is ook de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders (Awtza) in werking getreden. Deze wet regelt de wijzigingen van andere wetten, zoals de Wet toelating zorginstellingen, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wkkgz, die door de invoering van de Wtza zijn aangepast. Zo zijn de transparantieverplichtingen ten aanzien van de financiële bedrijfsvoering en de jaarverantwoording op grond van de Awtza opgenomen in de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Door het onderbrengen van die verplichtingen in de Wmg hebben de transparantieverplichtingen een breed toepassingsbereik omdat die verplichtingen in beginsel van toepassing zijn op alle zorgaanbieders in de zin van de Wmg. Een zorgaanbieder onder de Wmg is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent. Tevens is er in de Wmg een nieuwe regeling ingevoerd met betrekking tot het aantrekken van financiële derivaten. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke financiële derivaten een zorgaanbieder voor welke doeleinden en onder welke voorwaarden mag aantrekken. Meer weten? Neem dan contact op met Michelle Collins – specialist gezondheidsrecht, zij staat u graag te woord.