Publicaties

Reinoud van Ginkel 1
Reinoud van Ginkel
Advocaat
Is de LOI bindend?
In de wereld van fusies en overnames fungeert de Letter of Intent (LOI) als een uitstekende wegwijzer voor complexe transacties. Hoewel vaak beschouwd als een niet-bindend document, kan een LOI ingrijpende juridische gevolgen hebben als het niet zorgvuldig wordt opgesteld. Het vroegtijdig inschakelen van een advocaat bij dit proces zal daarom buitengewoon waardevol zijn. Functie De LOI kent vele verschijningsvormen: intentieovereenkomst, memorandum of understanding, heads of agreement, term sheet of zelfs de eenzijdige non-binding offer. Al deze verschijningsvormen dienen als blauwdruk voor onderhandelingen en legt de belangrijkste punten van – de vaak voorlopige – overeenstemming vast tussen partijen. Typische onderwerpen die in een LOI aan bod komen zijn de identificatie van betrokken partijen, een beschrijving van de beoogde transactie, een tijdsplanning voor onderhandelingen, exclusiviteitsafspraken, geheimhoudingsbepalingen en voorwaarden voor due diligence. LOI bindend? Ondanks het ogenschijnlijk niet-bindende karakter van een intentie van partijen, schuilen er verschillende juridische valkuilen die vaak over het hoofd worden gezien. Een van de grootste risico’s is onbedoelde binding. Indien er uit de formulering niet duidelijk blijkt dat het document niet-bindend is, kan geconcludeerd worden dat er wel degelijk sprake is van een bindende overeenkomst. Dit kan resulteren in onverwachte verplichtingen tot nakoming of zelfs schadeclaims. Daarnaast is ook gedeeltelijke binding mogelijk. Sommige bepalingen in een LOI, zoals geheimhoudingsclausules of formkeuzebedingen, zijn juist wel bedoeld om bindend te zijn. Het is van belang om duidelijk aan te geven welke delen bindend zijn en welke niet. Het risico van precontractuele aansprakelijkheid moet daarbij niet worden onderschat. Zelfs als een LOI niet-bindend is, kunnen partijen aansprakelijk zijn voor de schade die ontstaat door het onredelijk afbreken van de onderhandelingen. Exclusiviteitsclausule Een exclusiviteitsclausule in een LOI verplicht partijen om gedurende een bepaalde periode uitsluitend met elkaar te onderhandelen de transactie. Exclusiviteitsbepalingen zijn vaak juridisch bindend en beperken de onderhandelingsvrijheid van partijen. Het is dan ook van groot belang om de reikwijdte en duur van zulke bepalingen zorgvuldig te overwegen en juridisch goed te formuleren. Wanneer er geen duidelijke afspraken zijn over de exclusiviteit kan dit leiden tot frustratie en uiteindelijk zelfs een voortijdig einde van de deal. Dit terwijl dergelijke clausules juist de toewijding van partijen behoort vast te stellen. Het vroegtijdig inwinnen van advies hieromtrent over de juiste redactie en strekking van dergelijke bepalingen, helpt discussies te voorkomen doordat bij het opstellen de gevolgen worden besproken in plaats van achteraf. Het belang van een juridisch adviseur Het inschakelen van een gespecialiseerde advocaat bij het opstellen van een LOI biedt daarnaast tal van voordelen. Een advocaat kan je aan het begin van de onderhandelingsfase een sterkere onderhandelingspositie geven door bepaalde punten scherp te formuleren. Dit voorkomt toekomstige misstanden of later terug onderhandelen op eerder gemaakte afspraken omdat sommige afspraken andere gevolgen hebben dan aanvankelijk verwacht of clausules toch niet zo doordacht blijken te zijn. Bovendien kan een ervaren advocaat al in een vroeg stadium mogelijke risico’s inschatten waardoor deze zoveel mogelijk worden afgehecht in een LOI. Goed juridisch advies zal op de lange termijn in een deal van grote waarde zijn wanneer de koopovereenkomst wordt uit onderhandeld. Zowel qua uitkomst van de transactie in commerciële zin als in het soepel verlopen van een proces. Bovendien is de juridisch adviseur dan eerder bij het traject betrokken en vereenvoudigd dat de vertaalslag naar onderhandelingen en verdere afspraken in de definitieve transactiedocumentatie. Een juridisch adviseur is dus geen overbodige luxe. Conclusie Het vroegtijdig betrekken van een advocaat in een deal zal resulteren in helder geformuleerde LOI en uiteindelijk een soepelere deal. Door het stroomlijnen van het onderhandelingsproces wordt de kans op een succesvolle transactie vergroot en worden de risico’s van de cliënt beperkt. Een slecht opgestelde LOI bevat immers potentieel verborgen aansprakelijkheden en verplichtingen die achteraf problematisch kunnen zijn. Een advocaat betrekken bij het opstellen van een LOI is dus geen overbodige luxe, maar een belangrijk onderdeel bij het overeenkomen van de voor u meest gunstige deal. Contact Mocht u nog vragen hebben naar aanleiding van het artikel kunt u contact op nemen met Reinoud van Ginkel of een van onze andere fusies en overname specialisten van La Gro. Dit artikel is geschreven in samenwerking met Martha Thibeault. Dit artikel is ook gepubliceerd op Brookz. 
Rachida Raddahi 1
Rachida Raddahi
Advocaat
Aanvullende voorwaarden bij ontbinding wegens huurachterstand
In maart 2024 schreven wij over de Meldplicht voor verhuurders van woonruimte bij huurachterstanden. Verhuurders van woonruimte worden namelijk sinds 1 januari 2021 verplicht om een melding te maken van een huurachterstand bij de gemeente. De bedoeling van de wetgever is dat de huurder in een vroeg stadium geholpen kan worden met zijn schuldenproblematiek, voordat de problemen zijn opgestapeld en niet meer te verhelpen zijn. In de jurisprudentie blijkt deze meldplicht een aanvullende horde te zijn om een ontruiming van het gehuurde wegens een substantiële huurachterstand te bewerkstelligen. Per 1 mei 2024 gelden bij de rechtbank Rotterdam nieuwe beleidsafspraken over vroegsignalering. In ons vorige artikel beschreven wij dit nieuwe beleid. In navolging van rechtbank Rotterdam heeft nu ook rechtbank Midden-Nederland aangekondigd dat zij een aangepast beleid zal toepassen bij vroegsignalering van schulden. Wat houdt vroegsignalering precies in? Uit het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening volgt dat elke verhuurder van woonruimte een sociaal incassobeleid moet voeren. Concreet betekent dit dat verhuurders bij het ontstaan van een huurachterstand het stappenplan van artikel 2 van het Besluit moeten volgen. Dit vereist een actieve houding van verhuurders. De volgende stappen volgen uit artikel 2 van het Besluit: Persoonlijk contact met de huurder over de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen; Huurder wijzen op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening; Ten minste eenmaal schriftelijk een aanmaning sturen van de betalingsachterstand. Bij het versturen van die aanmaning moet ook aangeboden worden om met (stilzwijgende) toestemming van huurder een melding te maken over de betalingsachterstand bij de gemeente; Melding maken bij de gemeente. Zoals vermeld in de inleiding kan het niet volgen van bovenstaand stappenplan worden tegengeworpen aan verhuurders bij een vordering tot ontruiming van het gehuurde. Nieuw beleid rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland heeft aangekondigd dat zij per 1 november 2024 een extra voorwaarde hanteert met betrekking tot een vroegsignalering. De verhuurder zal in de regel, nadat de melding is gedaan, twee maanden moeten wachten met het opstarten van een ontbindings- en ontruimingsprocedure. De achterliggende reden is dat een huurder, nadat de melding is gedaan, daadwerkelijk in de gelegenheid moet worden gesteld om geholpen te worden met zijn schuldenproblematiek. Wacht een verhuurder geen twee maanden? Dan zal de rechtbank Midden-Nederland de vordering tot ontbinding en ontruiming in beginsel afwijzen. Contact Voor vragen kunt u contact opnemen met mr. Rachida Raddahi, of een van onze andere specialisten van de sectie Huurrecht. Zij staan u graag te woord. Dit artikel is geschreven door Linda Dijkstra-Devillers.
Jan Baas 2
Jan Baas
Advocaat
De Dataverordening: een nieuwe norm voor dataovereenkomsten
Vanaf 12 september 2025 is de Europese Dataverordening van toepassing. Deze verordening creëert nieuwe rechten en verplichtingen die niet alleen zien op persoonsgegevens, maar op data in het algemeen. De praktische implicaties zijn groot. De Dataverordening raakt in het bijzonder partijen die verbonden (‘connected’ of Internet of Things (‘IoT’)) producten en clouddiensten aanbieden. Onderbelicht is gebleven dat de verordening ook regels bevat over contracteren over de uitwisseling van data. Deze regels zijn van toepassing op alle bedrijven. Aanbieders van connected devices en gerelateerde diensten Het eerste hoofdonderwerp in de Dataverordening betreft de regels over het delen en gebruiken van gebruiksgegevens van verbonden producten en daaraan gerelateerde diensten. Dit zijn producten en diensten zoals smartwatches en slimme speakers met een virtuele assistent als Alexa, maar ook met het internet verbonden landbouwmachines. Bedrijven moeten naar aanleiding van de Dataverordening aan nieuwe verplichtingen voldoen met betrekking tot verbonden producten en gerelateerde diensten. Ten eerste moeten bedrijven die verbonden producten produceren en gerelateerde diensten verlenen, de producten en diensten zodanig ontwerpen dat gebruikers hun gegevens gemakkelijk kunnen inzien (“data access by design”). Bovendien geeft de Dataverordening gebruikers een expliciet toegangsrecht tot gebruiksgegevens. Dit toegangsrecht houdt in dat gebruikers van verbonden producten en gerelateerde diensten eenvoudig inzage krijgen in hun gebruiksgegevens wanneer de data access by design niet geregeld is. Daarnaast moeten ondernemingen het ook mogelijk maken dat gebruikers hun gebruiksgegevens eenvoudig met een andere partij kunnen delen. Tot slot moeten kopers van verbonden producten en ontvangers van een gerelateerde dienst van de verkoper en respectievelijk de leverancier ook bepaalde informatie krijgen over hoe het verbonden product data verzamelt. De gegevenshouder (veelal de aanbieder van het verbonden product of een gerelateerde dienst) mag niet-persoonsgegevens voortaan alleen gebruiken als de overeenkomst met de gebruiker van het verbonden product of de gerelateerde dienst dit toestaat. De gegevenshouder mag de gegevens niet gebruiken om inzicht te krijgen in de economische situatie, de activa of de productiemethoden van de gebruiker of het gebruik van het product of de dienst door de gebruiker, op een manier die de commerciële positie van de gebruiker op de markten waarop deze actief is, kan ondermijnen. Gegevens mogen alleen met derden worden gedeeld als dat nodig is om de overeenkomst met de gebruiker uit te voeren. Vanaf 12 september 2026 moeten de verbonden producten die worden verkocht en gerelateerde diensten die worden verleend voldoen aan de ontwerpplicht (data access by design). De andere regels over verbonden producten en gerelateerde diensten, inclusief het expliciete toegangsrecht, zijn al vanaf 12 september 2025 van toepassing. Cloudaanbieders Het tweede hoofdonderwerp betreft de regels die worden opgelegd aan “dataverwerkingsdiensten”. Met “dataverwerkingsdiensten” wordt gedoeld op een breed scala aan clouddiensten. De considerans verwijst naar “infrastructure-as-a-service” (IaaS), “platform-as-a-service” (PaaS), “software-as-a-service” (SaaS), “storage-as-a-service” en “database-as-a-service”. Daarnaast vallen ook zogenaamde edgediensten onder het begrip. De verplichtingen die aan aanbieders van dataverwerkingsdiensten worden opgelegd zien op 1) het faciliteren van de overstap naar een andere aanbieder, 2) het faciliteren van interoperabiliteit tussen verschillende dataverwerkingsdiensten en 3) het voorkomen van internationale overheidstoegang. Vanaf 12 september 2025 moeten aanbieders van dataverwerkingsdiensten aan deze regels voldoen. Delen van gegevens met overheden Het derde hoofdonderwerp betreft regels over het verplicht delen van gegevens met overheidsinstanties, de Europese Centrale Bank, de Europese Commissie of een ander orgaan van de Europese Unie. Deze instanties kunnen op grond van een uitzonderlijke noodzaak gegevens opvragen. Dit kan alleen als de instanties in een noodsituatie niet goed en tijdig op een andere manier aan de gegevens kunnen komen. Ook kunnen de instanties niet-persoonsgegevens opvragen wanneer deze gegevens nodig zijn voor het uitoefenen van een specifieke taak in het algemeen belang, zoals voor het opstellen van officiële statistieken. Ook deze regels zijn vanaf 12 september 2025 van toepassing. Oneerlijke contractvoorwaarden voor ondernemingen onderling Het meest verrassende onderdeel van de Dataverordening is wellicht de bepaling over oneerlijke contractvoorwaarden. Deze is van toepassing op afspraken die ondernemingen onderling (‘B2B’) maken over het delen van data. Kortgezegd regelt het artikel dat contractvoorwaarden over data niet bindend zijn voor de andere partij wanneer de bedingen eenzijdig door de aanbieder zijn opgelegd én als “oneerlijk” worden bestempeld. Het artikel bevat een lijst met bepalingen die altijd oneerlijk zijn (een ‘zwarte lijst’) en een lijst met bepalingen die worden vermoed oneerlijk te zijn (een ‘grijze lijst’). Als een onderneming een beding uit de grijze lijst gebruikt, moet deze onderneming bewijzen dat het beding niet oneerlijk is. Opvallend aan het artikel is dat het is opgesteld als een zwarte en grijze lijst tussen ondernemingen onderling. Er bestaan al veel langer zwarte en grijze lijsten voor algemene voorwaarden die ondernemingen aan consumenten opleggen (zie bijvoorbeeld artikel 6:236 en 6:237 Burgerlijk Wetboek), waarbij de consument wordt beschermd tegen oneerlijke algemene voorwaarden. Nu is er dus een vergelijkbare lijst voor overeenkomsten tussen ondernemingen onderling. Deze bepaling geldt ongeacht de grootte van de betreffende ondernemingen. De verplichtingen uit dit artikel zien op alle contracten en bedingen over de toegang tot en het gebruik van data die worden gesloten tussen ondernemingen. Bij elke overeenkomst of bepaling over het delen van gegevens en het gebruik van gegevens zal rekening moeten worden gehouden met dit artikel. Het artikel zal veelal ook van toepassing zijn wanneer ondernemingen onderling contracten over persoonsgegevens sluiten, zoals een overeenkomst voor gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken onder artikel 26 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (‘AVG’). De toepassing van het artikel is van dwingend recht. Dit betekent dat ondernemingen niet kunnen afspreken dat het artikel niet op hun relatie van toepassing is en er niet van kunnen afwijken. Het is van belang dat ondernemingen zich van dit artikel bewust zijn wanneer zij overeenkomsten sluiten over (persoons)gegevens. Voor afnemers is het overigens belangrijk om altijd te proberen te onderhandelen over de aan hen opgelegde oneerlijke contractvoorwaarden. Als er niet is geprobeerd om over de oneerlijke voorwaarden te onderhandelen, kan een onderneming geen beroep doen op de bescherming van het artikel. De bepaling is van toepassing op alle overeenkomsten die worden gesloten na 12 september 2025. Op een aantal overeenkomsten die voor 13 september 2025 zijn gesloten is de bepaling van toepassing vanaf 12 september 2027. Dit geldt voor overeenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn gesloten en voor overeenkomsten die aflopen na 11 januari 2034. Toezicht en handhaving van de Dataverordening De Dataverordening heeft directe werking in de Nederlandse rechtsorde, waardoor er geen of beperkte ruimte is voor afwijkende of aanvullende nationale regels. Voor de onderwerpen die nationaal moeten worden geregeld is een nationale Uitvoeringswet in behandeling. De verordening geeft lidstaten de vrijheid om zelf te bepalen welke toezichthouder bevoegd is om de bepalingen uit de verordening te handhaven. In Nederland moet de Tweede Kamer nog stemmen over het ontwerp van een Nederlandse Uitvoeringswet. In het huidige wetsontwerp van de Uitvoeringswet dataverordening worden de Autoriteit Persoonsgegevens (‘AP’) en de Autoriteit Consument en Markt (‘ACM’) als toezichthouders aangewezen. Conclusie De Dataverordening is vanaf 12 september 2025 van toepassing in Nederland. De Dataverordening schept nieuwe rechten en verplichtingen voor met name ondernemingen. In het bijzonder zullen alle ondernemingen bij het sluiten van overeenkomsten over (persoons)gegevens waakzaam moeten zijn voor de regels over oneerlijke contractuele bedingen. De AP en de ACM zullen waarschijnlijk worden aangewezen als toezichthouder voor de naleving van de verordening. De Dataverordening is nu nog niet van toepassing. Toch is het aan ondernemingen aan te raden om alvast maatregelen te nemen. Zo kan de bedrijfsvoering tijdig worden aangepast aan de verplichtingen die de verordening met zich meebrengt. Tot slot Er zullen meer blogs over dit onderwerp volgen. Houd onze website in de gaten voor meer informatie. Dit blog is oorspronkelijk verschenen op Privacy Web. Heeft u vragen over de Dataverordening? Neem dan contact op met Jan Baas of Jiahui Plomp of een van onze andere specialisten Data & Privacy.  Dit artikel is mede geschreven door Jolijn Gijsen.
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Overzicht laatste ontwikkelingen inzageverzoeken artikel 15 AVG
Gemeenten ontvangen met grote regelmaat van burgers verzoeken om inzage zoals bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (‘AVG’). Om gemeenten hierbij handvatten te bieden, beschrijft dit blog de laatste ontwikkelingen in de jurisprudentie over inzageverzoeken. In het blog worden de volgende onderwerpen achtereenvolgens besproken: Recht op een kopie van de verwerkte persoonsgegevens; Inzage in mails en notities voor intern overleg en beraad; Inzage in (categorieën) van ontvangers en namen van werknemers en ambtenaren. Recht op kopie van verwerkte persoonsgegevens Ingevolge artikel 15 lid 3 van de AVG heeft een betrokkene het recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Het Hof van Justitie heeft in een recente zaak (ECLI:EU:C:2023:369 C-487/21, F.F. / Österreichische Datenschutszbehörde CRIF-arrest) verduidelijkt wat een “kopie” inhoudt. Het Hof lichtte toe dat een kopie de verwerkte persoonsgegevens “volledig en getrouw moet reproduceren” zodat de betrokkene “daadwerkelijk” zijn rechten onder de AVG kan uitoefenen. Om de begrijpelijkheid te waarborgen, kan bij het voldoen aan een inzageverzoek “onontbeerlijk” zijn om uittreksels of zelfs volledige documenten te reproduceren. Op basis van de context kan het dus verplicht zijn om uittreksels of volledige documenten te verstrekken aan een betrokkene. Deze uitspraak komt overeen met de eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) hierover (ECLI:NL:RVS:2020:2559). In deze zaak werd geoordeeld dat gelet op de algehele systematiek van artikel 15, het verstreken van een kopie van het document waarin de persoonsgegevens zijn vervat niet altijd noodzakelijk is, en dat het doel van artikel 15 AVG is dat de betrokkene zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Ook in een recente uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:3067), onder verwijzing naar het CRIF-arrest, blijft het uitgangspunt dat er in beginsel geen verplichting is om uittreksels of afschriften van stukken te overleggen. De verwerkingsverantwoordelijke zal zelf de afweging moeten maken of het verstrekken van afschriften of uittreksels “onontbeerlijk is” in de gegeven context, of dat kan worden volstaan met andere manieren om de begrijpelijkheid van de kopieën te waarborgen. Verder heeft het Hof van Justitie in een andere zaak (ECLI:EU:C:2023:811 C-307/22, FT / DW) geoordeeld dat een eerste kopie onder artikel 15 AVG gratis moet zijn. Daarnaast oordeelde het Hof in deze zaak dat een verwerkingsverantwoordelijke niet kan eisen dat een betrokkene een reden aanvoert voor zijn inzageverzoek. Een inzageverzoek kan niet worden afgewezen wanneer de betrokkene er een ander doel mee wil bereiken dan zich op de hoogte stellen van de verwerkingen van de gegevens en/of het controleren van de rechtmatigheid van de verwerkingen. Inzage in mails en notities voor intern overleg en beraad In een zaak die voorlag bij de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2023:4184) stelde de minister voor Rechtsbescherming zich op het standpunt dat er geen inzage hoefde te worden gegeven in “mails en notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad”. Documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad met daarin persoonlijke beleidsopvattingen vormen wel een uitzonderingsgrond onder de Wet open overheid (zie artikel 5.2 van de Wet open overheid), maar hetzelfde kan niet worden gezegd voor artikel 15 AVG. De rechtbank volgt hierin een eerdere uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2020:352 onder rechtsoverweging 7.1.) en oordeelde dat de minister niet inzage kon weigeren met het argument dat interne notities niet onder het inzageverzoek van artikel 15 AVG kon vallen. Inzage in (categorieën van) ontvangers Op grond van artikel 15 lid 1 sub c AVG heeft een betrokkene ook het recht om inzage te krijgen in de “ontvangers of categorieën van ontvangers” aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt. Uit de AVG blijkt niet duidelijk of de betrokkene het recht heeft om inzage te krijgen in concrete ontvangers van de persoonsgegevens, of dat de verwerkingsverantwoordelijke de vrijheid heeft bij een inzageverzoek zelf te kiezen of het informatie over concrete ontvangers dan wel categorieën van ontvangers deelt. Het Europese Hof van Justitie in een recente uitspraak (ECLI:EU:C:2023:3:, C-154/21, RW / Österreichische Post AG) verduidelijkt dat het uitgangspunt is dat de verwerkingsverantwoordelijke de daadwerkelijke ontvangers met de betrokkene moet delen. Dit is alleen anders indien het onmogelijk is om de ontvangers van de persoonsgegevens te identificeren, bijvoorbeeld omdat de concrete ontvangers nog niet bekend zijn. Dan kan worden volstaan met categorieën van ontvangers. Dit laat onverlet dat een verwerkingsverantwoordelijke onder omstandigheden een beroep kan doen op uitzonderingen zoals in artikel 12 lid 5 van de AVG of artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (“UAVG”) om inzage in concrete ontvangers te weigeren. Voor een gemeente zou dit bijvoorbeeld kunnen spelen als tegemoetkoming aan het inzageverzoek de openbare veiligheid in gevaar brengt. Inzage in namen van werknemers En hoe zit het als een verzoeker onder verwijzing naar dit arrest inzage wil in de naam van de ambtenaar die zijn persoonsgegevens heeft verwerkt? Hierover oordeelde Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2023:5486) dat de ambtenaar die de gegevens in een systeem heeft ingevoerd geen ontvanger is in de zin van de AVG, en daarom niet verstrekt hoeft te worden. Dit wordt ook bevestigd door een uitspraak van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2023:501 C-579/21, J.M. / Apulaistietosuojavaltuutettu) waarin een verzoeker inzage wilde hebben in de namen van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke die zijn gegevens hadden geraadpleegd en de data waarop en de doeleinden waarvoor de raadplegingen waren gedaan. Het Hof oordeelde dat de betrokkene via artikel 15 AVG inzage kon krijgen in de data en de doeleinden van de raadplegingen. Daarentegen gold dat in beginsel niet voor de namen van de werknemers. De werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke kunnen namelijk niet worden beschouwd als ontvangers in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), AVG wanneer de werknemers persoonsgegevens verwerken onder het gezag van die verwerkingsverantwoordelijke en overeenkomstig zijn instructies. Het Hof oordeelde wel dat de namen van de werknemers van de verwerkingsverantwoordelijke die de persoonsgegevens van de betrokkene hebben geraadpleegd ook persoonsgegevens van de betrokkene kunnen zijn. Desondanks hoeft hier volgens het Hof in dit geval geen inzage in te worden verleend, omdat dit de privacy van de werknemers kan schaden. Artikel 15 AVG mag geen afbreuk doen aan rechten of vrijheden van anderen. In andere gevallen is het niet uitgesloten dat er toch inzage in de namen van de werknemers moet worden gegeven wanneer deze informatie “onontbeerlijk is” voor de betrokkene om hem in staat te stellen zijn rechten onder de AVG uit te oefenen en er rekening wordt gehouden met de rechten en vrijheden van die werknemers. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Anke van de Laar of een van onze andere Data & Privacy Specialisten. Dit blog is mede geschreven door Jolijn Gijsen.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Uitbreiding zorgplichten gemeenten bij kwetsbare (grond)waterhuishouding
In een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 28 november 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:3978) wordt geoordeeld dat de Gemeente Weert en een ontwikkelaar aansprakelijk zijn voor waterschade die omwonenden ten gevolge van de ontwikkeling van een plangebied hebben geleden. Opvallend daarbij is dat de Gemeente Weert enkel  de ontwikkeling planologisch mogelijk heeft gemaakt en voor het overige geen uitvoerder of opdrachtgever is van de ontwikkeling en realisatie van het plangebied. Vordering van omwonenden Omwonenden van het plangebied hebben de Gemeente Weert en twee ontwikkelende partijen aansprakelijk gesteld voor door hen gesteld geleden waterschade als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Het hof heeft bij tussenarrest van 4 februari 2020 geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad een deskundigenonderzoek nodig is. Uit het deskundigenonderzoek komt onder meer naar voren dat de grondwaterstand door de ontwikkeling enkele centimeters is verhoogd, dat het (grond)watersysteem ter plaatse van de percelen voor de ontwikkeling van het plangebied beter in staat was piekafvoeren te verwerken en dat tijdens zware neerslag tijdelijk 0,8 tot 1,3 meter hogere grondwaterstanden worden verwacht.  Onzorgvuldig handelen gemeente en ontwikkelaars Het hof stelt vast dat uit de tussen de gemeente en ontwikkelaar X Project B.V. gesloten realisatieovereenkomst volgt dat een van de ontwikkelende partijen, X Project B.V., voorafgaand aan de realisatie van het bouwplan onderzoek naar de grondwatersituatie heeft laten verrichten, maar dat daarbij de grondwaterstanden ter plaatse van de percelen van de omwonenden – die direct aan het plangebied grenzen – niet zijn gemeten en dat evenmin onderzoek is verricht naar de concrete gevolgen van de realisatie van het bouwplan voor de percelen van de omwonenden. Het hof acht het handelen van de gemeente en ontwikkelaars onzorgvuldig en in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer jegens de omwonenden wordt betaamt. De gemeente is te verwijten dat zij na de vaststelling van het bestemmingsplan, in de wetenschap dat het plangebied en de directe omgeving op het punt van de (grond)waterhuishouding kwetsbaar is, niet voorafgaand aan de door haar toegestane en met ontwikkelaars overeengekomen ontwikkeling van het plangebied de directe omgeving van dat plangebied zorgvuldig in kaart heeft laten brengen en de negatieve gevolgen van de realisatie voor de waterhuishouding in die directe omgeving, zoals vastgesteld door de deskundigen, heeft laten onderzoeken. Het handelen van ontwikkelaars acht het hof eveneens onzorgvuldig en in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer jegens de omwonenden betaamt. Aan ontwikkelaars is, als de realisator van het bouwplan en als buur van omwonenden, hetzelfde verwijt te maken als aan de gemeente. Daarnaast is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de schade van de omwonenden het gevolg is van de verhoging van de gemiddelde grondwaterstand en dus sprake is van een causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade van de omwonenden. Slotsom Het hof veroordeelt de gemeente en X Project B.V. hoofdelijk tot het betalen van de door omwonenden geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen nader op te maken bij staat. Mede gelet op de ontwikkeling van verschillende woningbouwlocaties met een kwetsbare (grond)waterhuishouding is dit arrest van groot belang. In ieder geval dienen gemeenten en ontwikkelaars in die situaties de nodige zorgvuldigheid te betrachten bij de ontwikkeling en realisatie van een plangebied en ervoor te zorgen dat de benodigde onderzoeken worden uitgevoerd. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Rosalie Geurtsen of Myrte Scholten of een van onze andere vastgoedspecialisten.
Gerben Barendregt
Gerben Barendregt
Advocaat
Leverancier, gebruik het recht van reclame!
In de afgelopen maanden zijn de nodige retailondernemingen failliet gegaan. De wet en een overeenkomst geven u als leverancier mogelijkheden om onbetaalde afgeleverde goederen terug te krijgen. In deze bijdrage zal ik ingaan op een relatief onbekende wettelijke mogelijkheid om geleverde zaken terug te krijgen of alsnog betaling te ontvangen. Dit betreft het recht van reclame. Recht van reclame Een leverancier kan geleverde goederen terugvorderen als de factuur onbetaald is gebleven. Om de goederen terug te vorderen moet de afnemer in verzuim zijn. In de praktijk is een afnemer in verzuim, nadat de betalingstermijn is verstreken. Bij onduidelijkheid kan voor de zekerheid een ingebrekestelling worden verstuurd. De leverancier roept het recht van reclame in door middel van een schriftelijke verklaring. Gevolg Het inroepen van het recht van reclame heeft tot gevolg dat de koopovereenkomst wordt ontbonden. Belangrijker is dat het inroepen van het recht van reclame goederenrechtelijke werking heeft. Dit betekent dat u als leverancier weer juridisch eigenaar wordt van de zaak. U kunt als eigenaar de goederen opeisen bij de afnemer of diens curator. Een curator heeft overigens de wettelijke mogelijkheid om de goederen voor de faillissementsboedel te behouden. Daarvoor dient hij binnen een redelijke termijn tot betaling over te gaan of daarvoor zekerheid te stellen. Recht van reclame tijdig inroepen Het recht van reclame moet worden ingeroepen binnen één van de twee wettelijke vervaltermijnen. Het recht vervalt pas als beide termijnen zijn verstreken. De eerste vervaltermijn is zes weken na opeisbaarheid van de koopprijs. In de praktijk is de koopprijs, ondanks een overeengekomen betalingstermijn, direct opeisbaar. De tweede termijn is 60 dagen vanaf de dag, nadat de zaken zijn afgeleverd bij de afnemer. Na afloop van deze termijnen kan geen beroep meer worden gedaan op het recht voor reclame. Het is dus van belang om dit tijdig te doen. Rechten van derden Onder omstandigheden zal het recht van reclame niet tot het gewenste effect leiden. Dit is met name het geval als de afnemer de zaak binnen de normale bedrijfsvoering aan een derde heeft verkocht en afgeleverd. Deze derde wordt beschermd, voor zover hij niet hoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend. Overige mogelijkheden Naast het recht van reclame zijn er diverse wettelijke en contractuele mogelijkheden om te bewerkstelligen dat in geval betaling uitblijft de schade voor de leverancier wordt beperkt. Daarbij kunt u denken aan (o.a.) eigendomsvoorbehoud, bankgarantie, retentierecht of andere zekerheidsrechten. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen neem dan contact op met Gerben Barendregt van website of één van onze andere specialisten.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Misbruik van recht door Gemeente?
Op een aantal percelen rusten al langere tijd kettingbedingen ten gunste van de gemeente Ouder-Amstel (“de Gemeente”). Eigenaar van de percelen, Borchland Vastgoed B.V. (“Borchland”), wenst de percelen te verkopen zonder de kettingbedingen en verzoekt de Gemeente daarom om daarvan afstand te doen. Borchland betaalt de Gemeente daarvoor een bedrag van ruim € 200.000,-. Levert dat misbruik van recht op? Over deze vraag boog de rechtbank Amsterdam zich in een vonnis van 3 april 2024. Wat was er aan de hand? Bij eigendomsoverdracht van de percelen aan de rechtsvoorganger van Borchland zijn een aantal kettingbedingen opgenomen. In de kettingbedingen zijn verschillende verplichtingen voor de koper opgenomen, bijvoorbeeld dat de koper verplicht is op een gedeelte van de percelen een tennishal annex bowlingbaan te bouwen. Borchland wil de percelen verkopen aan een ontwikkelaar en heeft zich in de koopovereenkomst verplicht om voor de levering van de percelen de daarop aanwezige opstallen te slopen en de kettingbedingen te laten verwijderen. De beoogde leveringsdatum van de percelen is 30 juni 2022. De Gemeente en Borchland komen uiteindelijk overeen dat de Gemeente bereid is af te zien van het doorleggen van de kettingbedingen aan de koper onder de voorwaarde dat Borchland een (boete)bedrag van € 204.201,- aan de Gemeente betaalt (“de afspraak”). Borchland voldoet het bedrag van € 204.201,- aan de Gemeente en op 8 juli 2022 heeft Borchland het terrein geleverd zonder de kettingbedingen. De volgende dag, op 9 juli 2022, heeft Borchland per e-mail aan de Gemeente geschreven dat zij de gang van zaken rondom de bedingen ronduit schandalig vindt, dat het verzoek om het laten vervallen van de bedingen volstrekt redelijk was en dat de Gemeente door te eisen dat Borchland de boete van € 204.201 betaalde misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Wat vordert Borchland? Borchland vordert onder meer een verklaring voor recht dat de afspraak onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen en dat Borchland de afspraak buitengerechtelijk heeft vernietigd als gevolg waarvan de Gemeente gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van € 204.201,-. Volgens Borchland is de afspraak onder misbruik van omstandigheden tot stand gekomen, omdat de Gemeente wist, althans moest begrijpen, dat Borchland alleen akkoord ging met het betalen van de boete vanwege de noodtoestand waarin zij op dat moment verkeerde. Borchland had met de koper van het terrein afgesproken het terrein te leveren zonder de bedingen. De Gemeente was bekend met de beoogde leveringsdatum van 30 juni 2022 en de Gemeente wist dat het uitstellen van de leveringsdatum grote financiële gevolgen voor Borchland zou hebben. Daarom had de Gemeente volgens Borchland zonder het stellen van nadere voorwaarden moeten meewerken aan het wegstrepen van de bedingen. Hoe oordeelt de rechtbank? De rechtbank overweegt dat niet bij voorbaat vast staat dat het college van burgemeesters en wethouders zou hebben ingestemd met doorhaling om niet van de bedingen. De Gemeente heeft toegelicht dat de bedingen voor haar een functie vervulden. Met een beding kan de Gemeente immers grip houden op de inrichting van een gebied. Volgens de rechtbank is daarom evengoed denkbaar dat de uitkomst zou zijn geweest dat Borchland inderdaad de boete van € 204.201,- verschuldigd was óf dat nadere afspraken moesten worden gemaakt zolang niet was gestart met de ontwikkeling van het project waarvan de percelen deel uitmaken. Daar komt bij dat de Gemeente aan Borchland heeft gemeld dat vermoedelijk een officiële besluitprocedure moest worden gevoerd over de vraag onder welke voorwaarden de bedingen konden worden doorgehaald. Omdat Borchland snel wilde leveren, koos Borchland voor de snelle procedure. De Gemeente heeft daarop laten weten onder welke voorwaarde zij kon afzien van officiële besluitvorming, namelijk het in rekening brengen van een boete van € 204.201,-. De rechtbank weegt ook mee dat dat geen willekeurig bedrag is, maar de optelsom van de boetes die in de bedingen staan vermeld. Bovendien heeft Borchland zelf met de voorwaarde ingestemd. Het aldus door de Gemeente op verlangen van Borchland nemen van een versneld besluit, waarbij werd afgezien van het doorleggen van de bedingen aan de koper van de percelen tegen betaling van een boete die overeenkomt met de boetebedragen die daarvoor staan in de bedingen, levert geen misbruik van omstandigheden op. Contact Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem dan contact op met Arjen Doelman of Myrte Scholten of één van onze andere vastgoedspecialisten.
Gerard Zuidgeest
Gerard Zuidgeest
Advocaat
Toeslag voor overuren bij deeltijd
Het verbod op discriminatie staat in Europa hoog in het vaandel. De werkgever mag geen onderscheid maken tussen parttimers en fulltimers tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat (zie ook artikel 7:648 BW). Datzelfde geldt voor indirecte discriminatie op basis van geslacht. In een belangrijke recente uitspraak van het Hof van Justitie ging het om de vraag of sprake is zo’n verboden onderscheid als fulltimers een toeslag krijgen bij overwerk en parttimers die toeslag (pas) krijgen zodra zij meer dan fulltime werken  (de uitspraak is vindbaar via zaaknummers C-184/22 en C-185/22 of ECLI:EU:C:2024:637). De kern van de zaak Het Duitse Manteltarifvertrag, een algemene collectieve arbeidsovereenkomst, bepaalt dat werknemers (pas) recht hebben op een toeslag over overwerk als zij buiten de arbeidstijd van een voltijds werknemer hebben gewerkt. Enkele Duitse vrouwen meenden dat zij door die bepaling werden gediscrimineerd, omdat zij als deeltijders minder snel recht hadden op toeslag dan voltijders. Hierbij stelden de vrouwen dat ook sprake was van (indirecte) discriminatie op grond van geslacht, omdat mensen die niet voltijd werken vaker vrouw zijn dan man. Het Hof van Justitie is het met de vrouwen eens dat de bepaling de genoemde bepaling in het Manteltarifvertrag discriminatoir is. Het Hof van Justitie overweegt niet dat betalen van verschillende toeslagen voor full- en parttimers geheel is uitgesloten, maar dat daarvoor wel de hoge drempel van “objectieve rechtvaardiging” moet worden gehaald. Daarnaast moet de maatregel proportioneel en subsidiair (geschikt) zijn. Dat zou dan aan de hand van zeer precieze en concrete gegevens en kenmerken van de arbeidsvoorwaarde moeten worden bepaald. In het Manteltarifvertrag was wel geprobeerd om die hoge lat te halen. Vastgelegd was dat met de overwerktoeslagbepaling  was bedoeld om te voorkomen dat (i) deeltijders financieel zwaarder op werkgevers zouden drukken en (ii) juist voltijders zouden worden gediscrimineerd (omdat hun uurloon per uur overwerk minder hard zou stijgen dan dat van deeltijders). Het Hof van Justitie oordeelt in dit geval dat de bepaling in het Manteltarifvertrag niet geschikt was om haar doel te bereiken. Volgens het Hof leiden deze regels er namelijk enerzijds toe dat overwerk vaker aan deeltijders zal worden gevraagd (want goedkoper) en anderzijds hoeft toeslag voor deeltijders helemaal geen discriminatie van voltijders op te leveren (mits de voltijd toeslag wordt omgerekend naar het deeltijdpercentage). Daarmee sneuvelt de overwerkbepaling uit het Manteltarifvertrag. Forse gevolgen voor de Nederlandse arbeidsrechtpraktijk De gevolgen in Nederland kunnen aanzienlijk zijn. In veel Nederlandse cao’s zijn immers op een vergelijkbare wijze de overwerktoeslag geregeld. De uitspraak van het Hof van Justitie maakt helder dat cao-partijen aan de slag moeten. Overwerkbepalingen zullen anders moeten worden geformuleerd of ten minste beter worden gemotiveerd. Ook werkgevers met een eigen arbeidsvoorwaardenregeling zullen is tot aanpassingen te komen. Vanuit het perspectief van werknemers geldt dat mogelijk aantrekkelijk is om eerst te opteren voor een parttime contract (voor werkgevers nauwelijks tegen te houden) en vervolgens bij ieder overwerkverzoek de vinger op te steken om de overwerktoeslag te incasseren. Als in uw bedrijf toeslagen worden gehanteerd voor overwerk, dan kan dat tot complexe situaties leiden. Heeft u naar aanleiding van dit bericht specifieke vragen? Neem dan vooral contact op met mij of één van mijn collega-arbeidsrechtspecialisten.
Opschorting van huurgenot? Onder omstandigheden wel
Verhuurders kunnen geconfronteerd worden met huurders die geen huur meer betalen, het gehuurde verlaten en niet reageren op verzoeken van de verhuurder. De vraag rijst of de verhuurder in zulke gevallen de sloten mag vervangen en dus het huurgenot mag opschorten. De verhuurder loopt hierbij het risico dat geoordeeld wordt dat hij eigenrichting aan het plegen is. Eventuele schade kan dan voor rekening van de verhuurder komen. Recentelijk heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2024:389), waarin geoordeeld werd dat verhuurders onder bepaalde omstandigheden het huurgenot mogen opschorten. Arrest van de Hoge Raad De huurder in kwestie huurde een bedrijfsruimte en had enkele maanden geen huur betaald. Ook was de huurder inmiddels vertrokken uit het gehuurde en had hij de sleutels van het gehuurde ingeleverd. Tot een rechtsgeldige beëindiging van de huurovereenkomst was het echter nog niet gekomen. De verhuurder besloot de sloten van het gehuurde te vervangen en daarmee het huurgenot op te schorten. De Hoge Raad oordeelde dat de verhuurder bij deze omstandigheden het huurgenot mocht opschorten. Het onderscheid tussen opschorting en eigenrichting blijft afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een betalingsachterstand rechtvaardigt niet automatisch het vervangen van sloten als het gehuurde nog in gebruik is. Hoe verder? Verhuurders dienen voorzichtig te zijn met een beroep op opschorting en het vervangen van sloten. Het is raadzaam om de situatie zorgvuldig te beoordelen en niet overhaast te handelen om eigenrichting te voorkomen en mogelijke schadeclaims te vermijden. Hoewel het arrest van de Hoge Raad enige ruimte lijkt te bieden voor opschorting, blijft een gedegen juridisch advies essentieel om geschillen te voorkomen en de belangen van alle partijen te waarborgen. Contact Heeft u vragen over de mogelijkheid om het huurgenot van een niet betalende huurder op te schorten of wilt u weten wat u dan kunt doen? Dan kunt u contact opnemen met Steven van Buuren of één van onze andere huurrechtspecialisten.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Digital Markets Act - Wat betekent dit voor u?
Op 2 mei 2023 is de Digital Markets Act (DMA)[1] in werking getreden. Deze Europese verordening heeft tot doel de mededinging op de digitale markt eerlijk en goed functionerend te houden door regels te stellen voor zogenaamde ‘’Poortwachters’’. Poortwachters zijn grote digitale platforms die zogenaamde kernplatformdiensten aanbieden, zoals online zoekmachines of app stores, welke aanzienlijke macht op de markt bezitten. Om te voorkomen dat de poortwachters concurrenten dwarszitten met hun marktmacht, worden zij in de DMA aan verplichtingen en verboden gebonden. De DMA is onderdeel van het wetgevingspakket van de EU inzake digitale diensten en raakt aan verschillende mededingings- en privacyaspecten. Samen met de Digital Services Act (DSA) is het eerste ontwerp aangekondigd in 2021. De DMA moet samen met de DSA, AVG en de AI Act bijdragen aan eerlijke(re) mededinging op de digitale markten. In deze blog zetten wij voor u uiteen welke regels gelden voor de poortwachters, en hoe (kleinere) marktpartijen de DMA kunnen inzetten om oneerlijke concurrentie door poortwachters op digitale markten tegen te gaan. Wie zijn poortwachters? Poortwachters in de zin van de DMA zijn ondernemingen die kernplatformdiensten aanbieden en aan drie criteria voldoen: De onderneming heeft een omvang die van invloed is op de interne markt. De onderneming heeft controle over een belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers naar eindgebruikers. De onderneming heeft een bestendige en duurzame positie. De DMA schrijft tevens een lijst met kernplatformdiensten voor, waaronder onlinetussenhandelsdiensten, onlinezoekmachines, onlinesocialenetwerkdiensten en webbrowsers. Wordt aan bovenstaande criteria voldaan, dan kan de Europese Commissie de onderneming formeel aanwijzen als poortwachter, en dient de onderneming de verplichtingen uit de DMA na te leven. Momenteel zijn er door de Europese Commissie zeven ondernemingen met in totaal 24 diensten aangewezen als poortwachters in de zin van de DMA. Het betreft Alphabet (onder andere Google Search, YouTube), Amazon, Apple (onder andere Appstore), Booking (Booking.com), ByteDance (TikTok), Meta (onder andere Facebook, Whatsapp) en Microsoft (onder andere Windows, LinkedIn)[2]. Verplichtingen en verboden voor poortwachters De DMA bevat een uitgebreide lijst met praktijken van poortwachters die als oneerlijk worden gezien, en schrijft diverse verplichtingen aan de poortwachters voor. Poortwachters zijn verplicht om binnen zes maanden na het aanwijzingsbesluit aan deze verplichtingen te voldoen. Voor de initiële zes poortwachters is de zes maanden termijn op 6 maart 2024 verstreken. Booking is later als poortwachter aangewezen, en heeft nog tot 13 november 2024 om DMA-compliant te worden. Een aantal voorbeelden van verplichtingen voor poortwachters zijn: Het in staat stellen van derde partijen om in bepaalde specifieke situaties met de eigen diensten van de poortwachter samen te werken; Zakelijke gebruikers toegang verschaffen tot gegevens op het kennisplatform die deze gebruikers zelf genereren; Adverteerders en uitgevers die hun platform gebruiken, de nodige tools en informatie geven om advertenties zelf op het platform van de poortwachter te analyseren; Zakelijke gebruikers in staat stellen hun aanbod op het platform te promoten en buiten het platform contracten met klanten te sluiten. Voorbeelden van gedragingen waar poortwachters zich van dienen te onthouden zijn: Eigen diensten en producten op het platform hoger plaatsen of gunstiger behandelen dan vergelijkbare producten of diensten van derde partijen; Consumenten verbieden om buiten het platform om contact te leggen met bedrijven; Gebruikers verhinderen om automatische geïnstalleerde software of apps te verwijderen; Eindgebruikers buiten de kernplatformdienst van de poortwachters volgen met het oog op gerichte reclame, zonder dat effectieve toestemming is verleend. Verwerking van persoonsgegevens De DMA heeft tevens invloed op de wijze van verwerking van persoonsgegevens door poortwachters. De DMA omvat een aantal verplichtingen voor poortwachters die gericht zijn op het beschermen van de privacy van gebruikers. Deze verplichtingen zien erop toe dat poortwachters hun (dominante) positie niet misbruiken door gegevens van gebruikers verzameld in verschillende diensten te combineren voor commerciële doeleinden. Het betreft de volgende verplichtingen De poortwachter mag geen persoonsgegevens van eindgebruikers verwerken die gebruikmaken van diensten van derden via kernplatformdiensten met als doel online advertentiediensten aan te bieden; Persoonsgegevens van de kernplatformdienst mogen niet worden gecombineerd met persoonsgegevens van andere kernplatformdiensten, andere diensten van de poortwachter, of diensten van derden; Persoonsgegevens van de kernplatformdienst mogen niet worden gebruikt in andere afzonderlijke diensten van de poortwachter, inclusief andere kernplatformdiensten, en vice versa; Eindgebruikers mogen niet automatisch worden aangemeld bij andere diensten van de poortwachter met het doel persoonsgegevens te combineren. Onderzoeken van de Europese Commissie De Europese Commissie is bevoegd een onderzoek in te stellen naar de naleving van de DMA door poortwachters. Zij heeft inmiddels meerdere van dergelijke onderzoeken ingesteld. Bijvoorbeeld Apple is onderwerp van drie verschillende niet-nalevingsonderzoeken. In het kader van één van deze onderzoeken heeft de Europese Commissie op 24 juni 2024 voorlopige bevindingen gepubliceerd, waarin zij stelt dat de stuurregels van Apple gebruikt in de Apple App Store strijdig zijn met de DMA. Apple hanteert in de App Store momenteel drie typen zakelijke voorwaarden op grond waarvan het app-ontwikkelaars niet vrij staat om hun klanten vrij door te sturen naar alternatieve en/of goedkopere distributiekanalen. Ontwikkelaars kunnen bijvoorbeeld geen prijsinformatie verstrekken binnen de app of op een andere manier communiceren met hun klanten om aanbiedingen te promoten die beschikbaar zijn op alternatieve distributiekanalen. Dit vormt naar het voorlopige standpunt van de Europese Commissie een overtreding van de DMA. Apple heeft nu de mogelijkheid om zich te verweren, alvorens de Commissie definitief zal besluiten met betrekking tot eventuele niet-naleving en potentiële sancties.[3] Niet-naleving van de DMA Indien uit het onderzoek van de Europese Commissie volgt dat een poortwachter zich niet aan de regels uit de DMA houdt, kan de Europese Commissie daar straffen aan verbinden. De Europese Commissie kan geldboetes opleggen aan het platform, welke maximaal 10% van de totale wereldwijde jaaromzet van de onderneming bedragen of tot 20% in geval van herhaalde inbreuken. Ook kan de Europese Commissie besluiten een dwangsom op te leggen in de vorm van een periodieke financiële sanctie tot 5% van de gemiddelde dagelijkse omzet. Tot slot, kunnen bij systematische overtredingen van de DMA ook extra maatregelen worden opgelegd, welke zo ver kunnen gaan als een bevel tot verandering van gedraging of structuur van het betreffende platform. Handhaving In principe wordt naleving van de DMA gehandhaafd door de Europese Commissie. Wel bestaan er voor marktpartijen die last ondervinden van gedragingen van poortwachters verschillende tools aan de hand waarvan zij handhaving en/of naleving kunnen initiëren of stimuleren. Dit kan allereerst door te klagen bij nationale mededingingsautoriteiten, zoals de Autoriteit Consument en Markt (ACM) in Nederland. Deze mededingingsautoriteiten zijn aangewezen als nationale toezichthouders en beschikken over bevoegdheden om onderzoek te starten naar aanwijzing van ondernemingen als poortwachter, of naar gedragingen van reeds aangewezen poortwachters. Daarnaast kunnen concurrenten of andere benadeelden ook rechtstreeks naar de rechter stappen om naleving van de DMA af te dwingen, dan wel schadevergoeding te vorderen nadat schending van de DMA is vastgesteld. Dit kan onder andere in massaschadeclaims. Problemen ten aanzien van poortwachters? Ondervindt u belemmeringen door de dominante positie van poortwachters? Worden uw belangen als concurrent en/of consument geschaad door hun acties?  Wij denken graag met u mee over mogelijkheden om oneerlijke praktijken van poortwachters tegen te gaan, en eventuele schade vergoed te krijgen. Meer weten over dit onderwerp? Neem contact op met Monika Beck, Jiahui Plomp of één van onze andere specialisten. [1] Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector, en tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2019/1937 en (EU) 2020/1828 (digitalemarktenverordening) (PbEU 2022, L 265/1). [2] Voor een actueel overzicht van aangewezen gatekeepers wordt verwezen naar de website van de Europese Commissie ‘’Gatekeepers’’ [https://digital-markets-act.ec.europa.eu/gatekeepers_en]. [3] Lees meer op Europese Commissie, Persbericht: Commissie stuurt Apple haar voorlopige bevindingen en opent aanvullend onderzoek wegens niet-naleving van de digitalemarktenverordening door Apple, 24 juni 2024 [https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_24_3433].
Jaap Harrijvan
Jaap Harrijvan
Advocaat
Temper
Het kan onder omstandigheden van belang zijn om vast te stellen of bepaald werk wordt uitgevoerd op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Die vaststelling (de ‘kwalificatie’) kan bijvoorbeeld relevant zijn voor (ontslag)bescherming van de werkende. Over de kwalificatie van dit soort overeenkomsten is de afgelopen tijd veel te doen in de politiek; er wordt een wetsvoorstel voorbereid dat deze kwalificatie beter zou regelen. Dat is voor werkgevers/opdrachtgevers van groot belang, omdat het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 vervalt. De inspectie zal daarna handhavend gaan optreden en boetes gaan opleggen als een opdrachtovereenkomst eigenlijk een arbeidsovereenkomst blijkt te zijn. De kwalificatievraag wordt ook steeds vaker aan de rechter voorgelegd.  In veel van die (twijfel)gevallen – aangespannen door de opdrachtnemer/werknemer of vakbonden – wordt nu geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Maar in de Temper-uitspraak van 10 juli 2024 oordeelde de rechtbank Amsterdam anders. Waarin verschilt deze zaak en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?    De Temper-uitspraak Op het platform van Temper schrijven werkers met een btw-nummer en soms een KvK-inschrijving zich in om beschikbaar te zijn voor werk. Zij kunnen desgewenst verzekeringen (bijvoorbeeld tegen arbeidsongeschiktheid) afsluiten. Opdrachtgevers kunnen hun werk aanbieden en uurtarieven invoeren (vanaf een bepaald minimum). Werkers kunnen zich voor de klussen zelf aanmelden. Opdrachtgevers zien dan statistieken van de werkers (bijvoorbeeld beoordelingen en opkomstpercentages) en kiezen op basis daarvan de werker voor hun opdracht. Temper heeft vervolgens een model-opdrachtovereenkomst beschikbaar. Nadat het werk is uitgevoerd, vult de werker zijn gewerkte uren in en kan de opdrachtgever de uren accepteren of een tegenvoorstel doen. Het platform genereert dan een factuur, met uitsplitsing van enerzijds kosten van de werker en anderzijds het platform zelf. Betalingen verlopen via een factoringmaatschappij; Temper betaalt geen van de partijen. De opdrachtgever kan de werker vervolgens desgewenst beoordelen. Werkers kunnen zich laten vervangen, maar moeten daar zelf voor zorgen. Bij Temper geldt een maximum aantal werkuren per werker. De rechter oordeelt dat al deze feiten bij elkaar er niet op duiden dat de werkers in dienst zijn van Temper en dat Temper dus geen uitzendbureau is. De rechter meent in de eerste plaats namelijk dat geen sprake is van formeel werkgeverschap. Temper heeft met andere woorden geen gezag over het werk. Temper bepaalt immers niet hoe en wanneer het werk wordt uitgevoerd en de manier waarop de contracten tussen werkers en opdrachtgevers tot stand komen. Dat bepalen die partijen zelf. Temper gebruikt geen algoritmes en adviseert niet. Het kan zelf ook geen disciplinaire maatregelen opleggen. Ten tweede acht de rechter het relevant dat Temper de beloningen niet zelf bepaalt, terwijl betaling van loon een kenmerk is van een arbeidsovereenkomst. Bij werk via Temper kan de beloning verschillen De facturering loopt bovendien via een factoringbedrijf. Een uniforme wijze van facturering is wat betreft de rechter onvoldoende onderscheidend en dus wijst dat niet per se op een arbeidsovereenkomst. Overigens komt het risico van het wegvallen van een opdracht voor rekening van de werker, hetgeen volgens de rechter ook niet duidt op een arbeidsovereenkomst. De rechter overweegt dat de klussen weliswaar niet ingewikkeld zijn en vaak op basis van een arbeidsovereenkomst worden uitgevoerd, maar dat dit feit  niet opweegt tegen de andere indicaties die duiden op een opdrachtovereenkomst. Temper verplicht ook niemand om te werken en laat de werkers ook toe zich te laten vervangen, hetgeen ook een contra-indicatie is voor een arbeidsovereenkomst. Tenslotte kan de optie tot verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en de (beperkte) mate van ondernemerschap in dit geval niet opwegen tegen de afwezigheid van werkgeversgezag en de manier waarop betaling plaatsvindt. Uitspraak Temper anders dan verwacht? Op 24 maart 2023 gaf de Hoge Raad in de welbekende Deliveroo-uitspraak meer duidelijkheid over de relevante omstandigheden bij de beoordeling van een (arbeids)overeenkomst. De door de Hoge Raad genoemde omstandigheden moeten allemaal tegen elkaar worden afgewogen. In de nadien verschenen rechtspraak en literatuur lijkt het er op dat bij twijfel vaak moet worden vastgesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Na Deliveroo volgden uitspraken in zaken tegen Uber, Getir en Gorillas. Ook zogeheten platforms, websites waarop vraag naar en aanbod van arbeid bij elkaar wordt gebracht, worden vaker als (uitzend)werkgever gekwalificeerd. Een voorbeeld daarvan was het bedrijf Helpling, dat intussen niet meer in Nederland opereert. In het geval van Temper vond de rechter dat het platform een digitaal prikbord en geen althans te weinig werkgever is. Dat krijgt nog een staart, want hoger beroep is al aangekondigd. Onze inschatting is dat het oordeel van de rechter prima in hoger beroep zou kunnen standhouden, maar dat neemt niet weg dat de rechtsontwikkeling blijft neigen naar een dienstverband. Kunnen wij u helpen? Als u werkenden uitzendt of geregeld met een (mogelijk) uitzendbureau of zzp-achtige personen werkt, kan dat complexe vragen oproepen. Wilt u meer lezen over uitzendwerk? Lees dan bijvoorbeeld ook onze blog over de geldigheid van relatiebedingen bij uitzending. Heeft u specifiekere vragen? Neem dan vooral contact op met Jaap Harrijvan of één van onze andere arbeidsrechtspecialisten. Met een brede blik op achttien verschillende rechtsgebieden staan wij u graag tot dienst.
Rachida Raddahi 1
Rachida Raddahi
Advocaat
Voorzichtig positief geluid voor verhuurders
Huurprijswijzigingsbeding is mogelijk niet oneerlijk. Op 19 juli 2024 heeft plaatsvervangend procureur-generaal Wissink (hierna: ‘Wissink’) een advies uitgebracht in zijn conclusie aan de Hoge Raad over de vraag of het veelbesproken huurprijswijzigingsbeding bij bedrijfsmatige verhuur oneerlijk is of niet. De conclusie volgt naar aanleiding van prejudiciële vragen die zijn gesteld door de kantonrechter in Amsterdam. De centrale vraag betreft: is het huurverhogingsbeding – dat voorziet in een jaarlijkse opslag op de huurprijs van maximaal 3% boven de consumentenprijsindex (CPI)- oneerlijk of niet? Wissink adviseert van niet, maar de Hoge Raad zal een eigen oordeel vormen. De uiteindelijke beantwoording van deze prejudiciële vragen door de Hoge Raad kan grote gevolgen hebben voor de bedrijfsmatige verhuur van de vrije huursector in Nederland.   Achtergrond Voor de verhuur van woonruimte wordt in de praktijk vaak aangesloten bij de modellen die de Raad van Onroerende Zaken (ROZ) op haar website heeft gepubliceerd.  In de huurovereenkomsten voor woonruimte wordt voor de huurprijswijziging in de vrije sector vaak door partijen overeengekomen dat de huurprijs jaarlijks wordt aangepast (1) op basis van de consumentenprijsindex (‘CPI’) en mogelijk (2) een vaste of maximale opslag van bijvoorbeeld 1%, 3%, of 5%. Of en zo ja hoeveel opslag wordt toegepast boven de CPI is een keuze die enkel de verhuurder kan maken. Sinds medio 2023 toetsen diverse rechtbanken deze afspraken over de huurprijswijziging in procedures tussen particuliere huurders (consumenten) en beroep- of bedrijfsmatige verhuurders ambtshalve aan de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de ‘Richtlijn’). In diverse procedures is inmiddels door kantonrechters geoordeeld dat het gehele huurprijswijzigingsbeding in strijd is met de Richtlijn en dus oneerlijk is. Dit komt door de opname van het “maximale” opslagbeding in de huurovereenkomst. De kantonrechters menen dat hierdoor vooraf voor de huurder niet dan wel onvoldoende bekend is onder welke omstandigheden en zo ja voor welk exact percentage gebruik mag worden gemaakt van deze opslag. Huurders zijn op dit punt overgeleverd aan de ‘willekeur’ van een verhuurder. Deze opvatting van de kantonrechters kan zeer verstrekkende gevolgen hebben. Immers als het opslagbeding oneerlijk is dan leidt dit tot volledige vernietiging van de afspraak over de huurprijsverhoging in de huurovereenkomst. De verhuurder kan dan enkel aanspraak maken op de aanvangshuurprijs. Alle huurverhogingen die in de looptijd van de huurovereenkomst hebben plaatsgevonden, worden ongedaan gemaakt en de huurder krijgt dan een vordering op de verhuurder wegens onverschuldigde betaling. CBRE deed in opdracht van branchevereniging IVBN onderzoek naar de gevolgen van de (mogelijke) gevolgen en maakte een impactanalyse (te raadplegen via: https://ivbn.nl/wp-content/uploads/2024/05/CBRE-Impactanalyse-huurverhoging.pdf).  Samengevat zou het gevolg van een vernietiging van het beding tot een miljardenschade bij verhuurders leiden. Gelet op o.a. deze impact heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam hierover een vijftal prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad in januari 2024, een en ander gerelateerd aan de procedure die aldaar voorligt. Advies van Wissink Alvorens de Hoge Raad antwoord geeft op de prejudiciële vragen, is aan Wissink gevraagd om in een conclusie een advies te geven over de gestelde vragen. De belangrijkste vraag die beantwoord moest worden is of de formulering van het huurprijswijzigingsbeding als oneerlijk moet worden gekwalificeerd, alsmede welk beoordelingskader voor dergelijke huurprijswijzigingsbedingen geldt. Wissink adviseert hierover om het huurprijswijzigingsbeding te splitsen, althans als gesplitst te benaderen, in: (1) een indexatiebeding (CPI) en (2) een opslagbeding. Het indexatiebeding conform CPI staat niet ter discussie en is als eerlijk te beschouwen, zodat deze in de ogen van Wissink zal kunnen standhouden. Het indexatiebeding is immers bedoeld om de huurprijs aan te passen aan de inflatie. Het opslagbeding kan vervolgens (ook) zelfstandig worden beoordeeld, aldus Wissink. Dit heeft als positief effect dat – indien het opslagbeding wel oneerlijk is – niet meteen het gehele huurprijswijzigingsbeding nietig is als gevolg waarvan alle huurverhogingen dienen te worden teruggedraaid (met miljardenschade tot gevolg, zie de conclusie van CBRE), maar enkel dat deel dat doorgevoerd is onder de noemer opslagbeding Daar komt bij dat Wissink een maximale opslag van 3% in het algemeen aanvaardbaar acht. Dit opslagbeding is naar zijn mening bedoeld voor kosten die boven de inflatie uitstijgen en om marktontwikkelingen bij te houden.  Daarbij werd o.a. verwezen naar de door de Minister vastgestelde huurstijgingen in de sociale sector, alsmede dat binnen de vrije sector geen andere mogelijkheden bestaan om de huurprijs aan te passen aan de marktwaarde, terwijl er in de regel huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd worden aangegeven. Het in zoverre ontbreken van gronden die de toepassing van een willekeurige opslag is daarom niet doorslaggevend. Over de vraag welke gevolgen er zijn op het moment dat een (deel van) het beding oneerlijk moet worden beschouwd, heeft Wissink het volgende geconcludeerd. Een beding dat oneerlijk is, wordt geacht nooit te hebben bestaan. Als huurverhogingen daardoor onterecht zijn betaald, zijn deze op grond van onverschuldigde betaling door de huurder terug te vorderen. Voor de vraag of er een beperking in tijd is aan deze terugvorderingsactie, kan de Hoge Raad niet oordelen, maar zal het Hof van Justitie van de EU moeten beslissen. Wissink merkt vervolgens op dat het kantonrechter niet is toegestaan om ambtshalve over te gaan tot een verrekening van de vordering die een huurder als gevolg van de nietigverklaring toekomt. Hoe verder? Wissink geeft in zijn conclusie een licht positief geluid voor verhuurders en de daarachterliggende belangen. Zekerheid biedt dit echter nog niet. De Hoge Raad is vrij om de conclusie al dan niet te volgen.  Echte duidelijkheid valt niet eerder dan in het najaar te verwachten. We houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen. Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u van gedachten wisselen? Neem contact op met mr. Rachida Raddahi of een van onze andere specialisten van de sectie Huurrecht. Zij staan u graag te woord. Dit artikel is geschreven door Linda Dijkstra-Devillers.