Publicaties

Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Een gewaarschuwd mens telt voor twee (jaar)
In veel beleidsregels over de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet (het Damoclesbeleid) is opgenomen dat de burgemeester bij een eerste overtreding in geval van een bewoonde woning niet overgaat tot sluiting maar volstaat met het geven van een waarschuwing. Deze op beleidsregels gebaseerde waarschuwing is volgens vaste rechtspraak geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 was de vraag aan de orde of de waarschuwing in die kwestie met een besluit gelijkgesteld moest worden gesteld. Daarbij blijkt van belang voor welke periode de waarschuwing geldt. Waarschuwing geen besluit In navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018 oordeelde de Afdeling eerder, in zijn uitspraak van 24 oktober 2018, dat een op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwing geen besluit is in de zin van de Awb en dat daartegen geen rechtsmiddel kan worden aangewend. Waarschuwing gelijkgesteld met besluit? In de hiervoor bedoelde conclusie heeft Widdershoven echter ook betoogd dat op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen in bepaalde situaties voor wat betreft de rechtsbescherming wel met een besluit gelijk moeten worden gesteld. Dat is het geval als de alternatieve route om een rechterlijk oordeel over de waarschuwing te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Dat is onder meer zo als de periode waarin de waarschuwing negatieve gevolgen kan hebben zodanig lang is dat een belanghebbende, gelet op de aan de orde zijnde overtreding, in de rechterlijke procedure tegen de op te leggen bestuurlijke sanctie (het besluit volgend op de waarschuwing) de rechtmatigheid van de waarschuwing bewijsrechtelijk niet meer effectief kan bestrijden. Volgens Widdershoven moet voor deze waarschuwingen een maximale termijn van (als regel) twee jaar gelden om bewijsnood te voorkomen en om redenen van rechtszekerheid. In de uitspraak van 26 maart 2025 neemt de Afdeling deze vuistregel over. De Afdeling overweegt dat er bij waarschuwingen met een maximale termijn van twee jaar in beginsel vanuit mag worden gegaan dat de mogelijkheid om effectief verweer te voeren niet wordt aangetast. Maximale termijn twee jaar Vervolgens onderzoekt de Afdeling wat in het onderhavige geval de negatieve gevolgen van de waarschuwing zijn. De Afdeling stelt vast dat de negatieve gevolgen van de waarschuwing in dit geval inhouden dat er bij een volgende overtreding van artikel 13b van de Opiumwet sprake is van recidive en de burgemeester in overeenstemming met de beleidsregel dan in beginsel over zal gaan tot het sluiten van de woning als er eerder een waarschuwing is gegeven. Uit de uitspraak blijkt dat de burgemeester ‘in de loop van de procedure heeft toegelicht’ dat de waarschuwing voor een periode van twee jaar geldt, zodat de negatieve gevolgen voor appellant zich gedurende twee jaar kunnen voordoen. De Afdeling acht het enkele feit dat gedurende twee jaar niet bij de bestuursrechter kan worden opgekomen tegen een waarschuwing, niet onevenredig bezwarend. Als de burgemeester binnen een periode van twee jaar overgaat tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en daaraan mede de eerdere waarschuwing ten grondslag legt, kunnen de bezwaren tegen de waarschuwing dan alsnog aan de orde komen. De Afdeling acht een periode van twee jaar in het algemeen niet zo lang dat de waarschuwing bestuursrechtelijk niet meer effectief bestreden kan worden. Appellant had aangevoerd dat zijn geheugen met het verstrijken van de tijd minder wordt en dat de burgemeester na verloop van tijd minder betrouwbare of geen aanvullende verklaringen bij de politie kan opvragen. De Afdeling acht dat onvoldoende omdat appellant zijn ervaringen, bevindingen en overige bewijsmiddelen waarover hij zou kunnen beschikken immers kan vastleggen en bewaren, zodat hij die in de toekomst naar voren kan brengen in een eventuele bestuursrechtelijke procedure. Ook was appellant het niet eens met de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Daarover overweegt de Afdeling dat de burgemeester dit in zijn besluitvorming moet betrekken als dit wordt aangevoerd in een eventuele procedure en de burgemeester vindt dat er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage. Conclusie De Afdeling ziet in hetgeen in deze zaak is aangevoerd, geen aanleiding om af te wijken van de vuistregel dat bij waarschuwingen met een maximale termijn van twee jaar in beginsel vanuit mag worden gegaan dat de mogelijkheid om effectief verweer te voeren niet wordt aangetast. Uit de uitspraak kan worden opgemaakt dat burgemeesters er verstandig aan doen om bij het opleggen van een waarschuwing op grond van hun Damoclesbeleid, op te nemen gedurende welke periode de waarschuwing geldt en deze periode niet langer te laten zijn dan twee jaar. Vragen? Heeft u als gemeente vragen over het onderwerp dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar ([email protected]) van La Gro of met een van de andere advocaten van het team Overheid.
Reinout Oudijk 1
Reinout Oudijk
Advocaat
Een procedeerverbod tegen een omgevingsvergunning?
Voor veel ontwikkelaars en overheden is het herkenbaar: een partij die (soms meermaals) bezwaar en/of beroep instelt tegen een omgevingsplan en/of omgevingsvergunning. Op 11 april 2025 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de (on)mogelijkheden om via de civiele rechter op te treden tegen zulke bestuursrechtelijke procedures. De belangrijkste lessen van dit arrest – en tips voor de praktijk bij gebiedsontwikkeling – zijn: Ontwikkelaars kunnen bij de civiele rechter een procedeerverbod tegen bestuursrechtelijke procedures vorderen. De kans dat zo’n procedeerverbod slaagt omdat een bepaalde partij misbruik van recht maakt door keer op keer op te komen tegen bestuursrechtelijke besluiten, is zeer klein. Zorg voor een goed vergunningstraject: hoe beter de onderbouwing, hoe kleiner de kans op een succesvol bezwaar. Wees voorbereid op procedures: neem vertragingen door bezwaar en/of beroep mee in de planning. Casus: woningbouwproject Weespersluis In de gemeente Weesp wordt door een ontwikkelaar in fases een nieuwe woonwijk aangelegd. Een stichting die onder andere natuurbehoud tot doel heeft voert al jaren procedures tegen besluiten over de aanleg van deze woonwijk (17 procedures in totaal). De stichting heeft bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een gedeelte van de woningen. Volgens de stichting vereiste het exploitatieplan een gelijktijdige en parallelle ontwikkeling van groen- en woonvoorzieningen en werd daaraan in dit geval niet voldaan. Voor de ontwikkelaar was de maat na deze nieuwste bestuursrechtelijke rechtsgang vol. Zij vorderde bij de civiele rechter in kort geding een gebod om het beroep tegen de beslissing op bezwaar in te trekken. Volgens de ontwikkelaar was sprake van misbruik van (proces)recht en werd daardoor onrechtmatig gehandeld door de stichting. Oordeel hof en Hoge Raad De Hoge Raad stelt voorop dat in dit geval de ontwikkelaar bij de civiele rechter een gebod tot intrekking van de bestuursrechtelijke procedure kan vorderen, omdat de bestuursrechter niet zo’n verbod kan opleggen en ook niet kan worden voorzien in een beëindiging van de bestuursrechtelijke procedure op korte termijn. Het hof oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de stichting tegen beter weten in een evident kansloos beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter. Dit wordt door de Hoge Raad bevestigd. Ook van misbruik van (proces)recht is geen sprake. Volgens de Hoge Raad had het hof voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie dat het belang van de ontwikkelaar zodanig onevenredig wordt geschaad dat de stichting in redelijkheid haar bevoegdheid niet kon uitoefenen. Bij dit oordeel benadrukt de Hoge Raad de uitoefening van een grondrecht door de stichting. Bovendien is het algemeen bekend dat tegen verleende omgevingsvergunningen bestuursrechtelijke procedures kunnen worden gevoerd waarmee onzekerheid gepaard gaat. Het door de stichting ingestelde beroep schaadt de ontwikkelaar dus niet onevenredig. Contact Wilt u meer weten over het voorkomen van bestuursrechtelijke procedures tegen verleende omgevingsvergunningen? Neem dan contact op met Reinout Oudijk of Rosalie Geurtsen. 
Anke van de Laar 2 – La Gro
Anke van de Laar
Advocaat
Niet deugdelijk (kunnen) zoeken? Kostbare zaak!
Volgens vaste jurisprudentie mag in Woo-zaken in beginsel worden uitgegaan van de stelling van een bestuursorgaan dat niet meer documenten zijn aangetroffen zolang die stelling niet ongeloofwaardig voorkomt. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt betrokken op welke wijze het onderzoek door het bestuursorgaan is verricht. In de uitspraak van 26 maart 2025 betrok de Afdeling daarbij de doorzoekbaarheid van de systemen. Zoekslag Het onderhavige verzoek om openbaarmaking van informatie was afkomstig van Achmea en ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Oldambt. Het college had het verzoek aanvankelijk afgewezen, maar had hangende bezwaar een zoekslag verricht door aan de vakafdelingen te vragen om te zoeken naar documenten aan de hand van verschillende relevante zoektermen. Daarop heeft het college alsnog documenten openbaar gemaakt. In beroep is nogmaals een zoekslag verricht. Daarbij zijn geen nieuwe documenten gevonden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de gemeentelijke documentsystemen moeilijk doorzoekbaar zijn. In het systeem voor binnenkomende post kan alleen op bestandsnaam worden gezocht. In het overkoepelende systeem kan wel op zoektermen worden gezocht. Daarin kunnen echter ingescande brieven die als pdf-bestand zijn opgeslagen moeilijk worden gevonden, omdat alleen de bestandsnaam en niet de inhoud van deze brieven op zoektermen kan worden doorzocht. Beoordeling zoekslag De Afdeling oordeelt dat het college de gemaakte zoekslagen weliswaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, maar niet het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om documenten te achterhalen. De door het college gebruikte zoektermen en -methoden voldoen volgens de Afdeling niet. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het systeem voor binnenkomende post onvoldoende doorzoekbaar is, doordat de binnenkomende post alleen op bestandsnaam kan worden doorzocht. De bestandsnaam geeft immers lang niet altijd een weerspiegeling van de inhoud. Ook het overkoepelende systeem is beperkt doorzoekbaar omdat de ingescande documenten niet inhoudelijk op zoektermen kunnen worden doorzocht. Volgens de Afdeling zijn de zoekslagen daarom ondeugdelijk. Niet ongeloofwaardig? Het college had weliswaar toegelicht waarom vermoedelijk niet meer documenten waren gevonden, maar de Afdeling acht dat niet geloofwaardig. Daarbij herhaalt de Afdeling allereerst dat de digitale zoekslagen onzorgvuldig zijn uitgevoerd omdat de documentsystemen onvoldoende doorzoekbaar zijn. Daarnaast acht de Afdeling het onwaarschijnlijk dat er tussen een bepaalde periode niet meer documenten zijn opgesteld en opgeslagen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college geen verklaring heeft voor het feit dat een brief uit die periode wel door de gemeente is ingebracht in een civiele procedure. Gevolgen Deze ongeloofwaardige stelling heeft voor de gemeente aanzienlijke gevolgen. Omdat het college volgens de Afdeling de beslissing op bezwaar tegen beter weten in heeft genomen, ziet de Afdeling aanleiding om af te wijken van een forfaitaire vergoeding van proceskosten. Daarbij overweegt de Afdeling dat Achmea steeds opnieuw en met succes heeft aangedrongen op het verrichten van nieuwe zoekslagen en dat de door Achmea gevraagde documenten uiteindelijk ook zijn gevonden, maar in het kader van een civiele procedure. Dit heeft Achmea volgens de Afdeling onnodig op proceskosten gejaagd. De proceshandelingen die Achmea heeft moeten verrichten zijn voor een belangrijk deel namelijk het gevolg van het ondeugdelijk documentbeheer aan de zijde van het college en de daardoor onzorgvuldige zoekslagen. Daardoor liggen de kosten die Achmea heeft moeten maken voor rechtsbijstand aanzienlijk hoger dan het bedrag dat op grond van het forfaitaire stelsel voor vergoeding in aanmerking kan komen.   Zo draait het college voor op de werkelijke proceskosten, ter hoogte van ruim € 23.000,-. Vragen? Heeft u vragen over het onderwerp Woo-zaken, dan kunt u contact opnemen met Anke van de Laar of met een van de andere advocaten van het team Overheid.
Coline Norde 1
Coline Norde
Advocaat
Grote stap voor monumentenbehoud
Op 2 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:1475) over het handhavend optreden door middel van een last onder bestuursdwang wanneer een rijksmonument niet wordt onderhouden, waardoor het voortbestaan van het monument in gevaar komt. Deze last kan niet worden gebaseerd op de Erfgoedwet, maar wel op de Wabo. Voorts kan de last verder strekken dan alleen het wind- en water dichtmaken van het monument. De kosten van bestuursdwang kunnen zowel verhaald worden op de huidige eigenaar als op de voormalig eigenaar. Ons kantoor stond de gemeente Wassenaar bij in deze procedure inzake rijksmonument Ivicke. In deze blog leest u meer over de wettelijke basis van de last, de reikwijdte van de last en het kostenverhaal. Tot slot wordt stilgestaan bij de wettelijke basis onder de Omgevingswet en het belang van deze uitspraak onder de Omgevingswet. Wettelijke basis Het college van burgemeester en wethouders had de last onder bestuursdwang gebaseerd op artikel 11, eerste lid, van de Monumentwet 1988, in samenhang bezien met artikel 10.18 van de Erfgoedwet, en op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet) staat dat het verboden is om een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Met artikel 10.18 van de Erfgoedwet is aan voornoemd artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 toegevoegd: “, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is,”. De Afdeling komt tot de conclusie dat de instandhoudingsplicht die met artikel 10.18 van de Erfgoedwet aan artikel 11, eerste lid, van de Monumentwet 1988 is toegevoegd niet in werking is getreden. In artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Erfgoedwet staat namelijk dat artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van kracht blijft. De instandhoudingplicht stond voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet echter niet in artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Dat het de bedoeling van de wetgever was om aan artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 een instandhoudingsplicht toe te voegen die zou gelden tot het moment dat de Omgevingswet in werking zou treden, maakt dit niet anders. Het college kon de instandhoudingsplicht dan ook niet aan de last ten grondslag leggen. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een beschermd monument te slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen, herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.   De Afdeling oordeelt dat het college de last onder bestuursdwang wel kon baseren op artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen dat (ook) in strijd met dit artikel wordt gehandeld, wanneer door het nalaten het voortbestaan van een monument in gevaar komt. Uit rapporten van de Monumentwacht blijkt dat door achterstallig onderhoud sprake was van lekkages, wat onder meer heeft geleid tot houtrot- en zwamaantastingen in het rijksmonument. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo. Reikwijdte last De Afdeling oordeelt dat de last verder kan strekken dan alleen het wind- en water dichtmaken van het monument. Voors oordeelt de Afdeling dat de 24 door het college gelaste herstelmaatregelen niet verder strekken dan nodig is om de overtreding te beëindigen en dat de last niet onevenredig is. Daarnaast kon gelet op de urgentie van de werkzaamheden niet worden gewacht op de door de (voormalig)eigenaar gewenste herontwikkeling, aangezien daarover op korte termijn geen duidelijkheid te verwachten was. Kostenverhaal In het besluit tot opleggen van de last was op grond van artikel 5.18 van de Wabo opgenomen dat deze mede geldt jegens de rechtsopvolger van degene aan wie het besluit is opgelegd alsmede jegens iedere verdere rechtsopvolger. Hangende de bezwaarprocedure was het rijksmonument verkocht. Het college heeft de kosten voor de uitvoering van de bestuursdwang zowel behaald op de voormalig als op de huidig eigenaar. De Afdeling is van oordeel dat het college dit kon doen. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen dat in artikel 5.18 van de Wabo niet is bepaald dat het niet meer mogelijk zou zijn de kosten te verhalen op de oorspronkelijk overtreder. Artikel 5.18 van de Wabo bepaalt dat het handhavingsbesluit mede geldt ten aanzien van de rechtsopvolger. Dat betekent dat het handhavingsbesluit ten aanzien van de oorspronkelijk overtreder zijn gelding behoudt en dat het bestuursorgaan de kosten van de tenuitvoerlegging kan verhalen op zowel de overtreder als zijn rechtsopvolger. Dat is ook het geval als de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang plaatsvindt na de rechtsopvolging, aangezien het voor het verhalen van de kosten niet relevant is of hij het in zijn macht heeft de overtreding te (doen) beëindigen. Omgevingswet Op de hiervoor besproken last was nog het wettelijk kader van toepassing dat gold voordat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden. Sindsdien staat de instandhoudingsplicht in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Anders dan artikel 10.18 van de Erfgoedwet, zien wij geen aanleiding voor het oordeel dat dit artikel van het Bal niet inwerking zou zijn getreden. Thans kan een last als de onderhavige derhalve ook worden gebaseerd op de instandhoudingsplicht. Het oude artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo staat in artikel 5.1 van de Omgevingswet. Op grond van 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten. In bijlage A bij de Omgevingswet wordt een rijksmonumentenactiviteit gedefinieerd als een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Ook dit artikel zou aan een last als de onderhavige ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarnaast blijft voornoemde uitspraak van de Afdeling ook onder de Omgevingswet van groot belang, omdat deze uitspraak inzicht biedt in de reikwijdte van een dergelijke last. Contact Heeft u vragen over wat wel/niet/wanneer gelast kan worden indien een rijksmonument niet goed wordt onderhouden? Of andere vragen op het gebied van handhaving of kostenverhaal?  Neem dan contact op met Coline Norde of één van onze andere specialisten van team Bestuursrecht.
Reinoud van Ginkel 1
Reinoud van Ginkel
Advocaat
De toekomst van M&A (deel I): AI revolutie in de M&A wereld
Kunstmatige intelligentie (AI) heeft de potentie om de wereld van fusies en overnames (M&A) te transformeren. Van deal sourcing tot due diligence en post-merger integratie – AI-technologieën bieden mogelijkheden om onder andere processen te versnellen en risico’s te analyseren. Ook bij de juridische aspecten van een deal is er met AI grote winst te behalen. Sinds begin 2025 maakt ook La Gro gebruik van het Large Language Model (LLM) van Saga Legal (www.sagalegal.io) en verkennen we de toegevoegde waarde van AI en LLM-modellen. In dit artikel gaan we in op hoe AI het M&A-landschap zou kunnen veranderen en wat dit voor de toekomst van dealmaking zou kunnen betekenen. Twee voorbeelden die we hierbij behandelen zijn due diligence en post-merger integratie. Due Diligence Het due diligence-proces is doorgaans een tijdrovend en arbeidsintensief onderdeel van een M&A-transactie. Dit kernonderdeel van de transactie zou versneld en verbeterd kunnen worden door AI. AI is namelijk in staat grote datasets in een fractie van de tijd analyseren. AI-systemen kunnen duizenden documenten in korte tijd doorzoeken, categoriseren en een concrete analyse van geven. Door gebruik te maken van LLM’s kan AI potentiële risico’s en red flags identificeren in juridische documenten en financiële verslaglegging. Onze verwachting is dat AI bovendien de kans op fouten vermindert door consistente en grondige analyses, wat professionals weer meer ruimte geeft voor controle en verbetering. Post-merger integratie De post-merger integratie is cruciaal voor het realiseren van de  volledige potentie van de fusie/overname en de synergie voordelen. Na een transactie zal AI een rol kunnen spelen bij het stroomlijnen van deze integratie. Na een overname kan AI helpen bij de integratie van systemen en processen. AI-tools kunnen potentiële synergiën tussen fuserende ondernemingen opsporen, zowel op operationeel als financieel vlak. De verschillende processen kunnen geautomatiseerd worden gestroomlijnd en op elkaar afgestemd en zelfs de alignment van eventuele culturele verschillen kan worden gefaciliteerd. Dit zorgt voor een soepele overgang en minimaliseert verstoringen. Voordelen van AI in M&A De integratie van AI in het M&A-proces kan tal van voordelen bieden. De voordelen worden niet alleen op het juridisch vlak behaald, maar ook andere vlakken in een M&A traject. Denk aan deal sourcing en waarderingsprocessen. Denkbaar is dat AI-tools op deze vlakken zouden kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld voor het analyseren van marktgegevens en bedrijfsprofielen. AI heeft de potentie om in een fractie van de tijd duizenden bedrijven te screenen. Door automatisering van tijdrovende taken zoals documentanalyse en dataverwerking, kunnen M&A-professionals zich concentreren op onder andere het strategische werk. Automatisering zou kunnen leiden tot snellere trajecten en lagere voorbereiding- en transactiekosten. AI-systemen zijn bovendien minder gevoelig voor menselijke fouten of emoties en kunnen consistenter grote hoeveelheden data analyseren. De data verkregen door geavanceerde analytics en voorspellende modellen kunnen voordelen bieden bij het nemen van beslissingen. AI stelt professionals in staat om grotere datasets te analyseren en meer complexe scenario’s door te rekenen. Uitdagingen en aandachtspunten Naast de potentiële voordelen, zijn er ook uitdagingen van AI in M&A die aandacht verdienen. De effectiviteit van AI-systemen is afhankelijk van de kwaliteit en kwantiteit van de beschikbare data. Onvolledige of onjuiste data leiden mogelijk tot verkeerde conclusies en het gebruik van gevoelige bedrijfsinformatie in AI-systemen vereist robuuste beveiligingsmaatregelen en compliance met privacywetgeving zoals de AVG. Het gebruik van AI brengt zorgen met zich mee over privacy en gegevensbeveiliging. Bedrijven moeten ervoor zorgen dat ze voldoen aan alle relevante regelgeving. Hoewel AI waardevolle inzichten kan bieden, blijft menselijke expertise – in elk geval voorlopig – cruciaal voor de juiste interpretatie en toepassing van deze inzichten in de context van een specifieke transactie. Het gebruik van AI in besluitvorming roept bijvoorbeeld vragen op over transparantie, verantwoordelijkheid en potentiële bias in algoritmes. Toekomst van AI in M&A De rol van AI in M&A zal naar verwachting alleen maar toenemen. Naarmate de technologie zich verder ontwikkelt, zullen naar verwachting de toepassingen en voordelen maar ook de betrouwbaarheid van AI toenemen. AI-modellen zullen naar alle verwachting steeds beter worden in het voorspellen van dealuitkomsten, synergiën en integratie-uitdagingen alsmede in drafting van overeenkomsten. LLM-technologieën zullen verder evolueren, waardoor de analyse van ongestructureerde data zoals contracten en bedrijfscommunicatie nog nauwkeuriger kan worden. Het is verder niet ondenkbaar dat we een toenemende integratie kunnen zien van AI met andere technologieën zoals blockchain voor verbeterde transparantie en beveiliging in dealprocessen. AI zou in de toekomst een rol kunnen spelen bij het ondersteunen of zelfs gedeeltelijk automatiseren van onderhandelingsprocessen. AI-gedreven tools voor het monitoren en optimaliseren van post-merger integratie zullen steeds geavanceerder worden. Naar alle verwachting zal AI voorlopig niet stoppen met evolueren en blijft het nieuwe mogelijkheden bieden voor innovatie in M&A. Conclusie AI heeft de potentie om de wereld van M&A op fundamentele wijze te transformeren. Door processen te versnellen, risico’s nauwkeuriger in kaart te brengen en nieuwe inzichten te bieden, kan het gebruik van AI ertoe leiden dat de taken, de focus en de aard van de werkzaamheden van M&A-professionals verandert. De integratie van AI in M&A brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee op het gebied van onder andere datakwaliteit, privacy en ethiek. Vanwege de potentie van AI maken wij ook binnen La Gro gebruik van AI. Met behulp van SAGA – een speciaal voor de advocatuur ontwikkeld LLM platform (www.sagalegal.io) – zijn wij in staat de voordelen van het gebruik van AI te benutten en lopen we hiermee voorop. Studio M&A La Gro Heeft u vragen over de impact van AI op fusies en overnames in het bijzonder en over de toekomst van M&A in het algemeen? Kom dan op 19 juni 2025 naar de tweede editie van Studio M&A. Houd onze website en verdere posts in de gaten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Dwaling aan de Rotterdam School of Management
Op dwaling wordt regelmatig in en buiten rechte een beroep gedaan. Daarbij is vaak de reikwijdte van de mededelingsplicht van de andere partij onderwerp van discussie. In haar bijdrage aan het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2025/11), die zij samen met Rachel de Jong heeft geschreven, bespreekt Mariëlle Broekman het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:165. In dit arrest gaat de Hoge Raad onder meer in op de vraag hoe ver volgens de verkeersopvattingen de mededelingsplicht van de Rotterdam School of Management strekte bij het aanbieden van de deeltijd master bedrijfskunde. Uit dit arrest volgt dat een algemene verwijzing naar de eigen website(s) niet voldoende is. Om de kans van een geslaagd beroep op dwaling te minimaliseren, zal relevante informatie op een directe wijze verstrekt moeten worden. Dat kan nog steeds met een hyperlink naar een website, maar dan moet in het begeleidende bericht zo uitgelegd worden welke informatie op die website te vinden is dat de ontvanger begrijpt waarom die informatie van belang is. Ook zal de hyperlink moeten leiden naar de webpagina waarop die informatie staat (en dus niet naar een homepage), zodat de ontvanger de relevante informatie niet zelf bij elkaar hoeft te zoeken. En uiteraard moet de informatie op die webpagina duidelijk zijn. Meer weten over dwaling en de mededelingsplicht bij het aangaan van contracten? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
LGGA – Lennart Hoeksema
Lennart Hoeksema
Advocaat
WAMCA: Verlenging van de driemaandentermijn heeft geen algemene werking
Op 14 maart 2025 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan in het kader van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (“WAMCA”) (ECLI:NL:HR:2025:388). De Hoge Raad buigt zich onder andere over de vraag of verlenging van de zogeheten driemaandentermijn voor het uitbrengen van een dagvaarding op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv algemene werking heeft, dan wel enkel geldt voor de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht. De Hoge Raad is duidelijk: een verlenging van de driemaandentermijn heeft geen algemene werking – deze geldt enkel voor de rechtspersoon die de verlenging heeft verzocht. Achtergrond van de zaak De zaak draait om de collectieve vorderingen die verschillende stichtingen hadden ingesteld tegen Apple. Apple is op 4 oktober 2021 gedagvaard door Stichting Right to Consumer Justice  (“Stichting RCJ”). Ingevolge artikel 1018d lid 1 Rv hebben andere stichtingen die een vergelijkbare collectieve vordering willen instellen drie maanden de tijd om tevens hun collectieve vordering in te stellen – in dit geval dus tot 4 januari 2022. In artikel 1018d lid 2 Rv is bepaald dat een rechter deze driemaandentermijn op verzoek van een andere rechtspersoon die ook een procedure wil starten, kan verlengen. In dit geval heeft de rechter op verzoek van een andere stichting, Stichting App Stores Claims (“Stichting ASC”), de driemaandentermijn met nog eens drie maanden verlengd – in dit geval tot 4 april 2022. Deze (rol)beslissing is op 29 november 2021 gepubliceerd in het centraal register voor collectieve vorderingen. Stichting ASC heeft Apple binnen deze verlengde termijn gedagvaard. Een andere stichting, Stichting Consumenten Competition Claims (“Stichting CCC”), heeft Apple eveneens gedagvaard in de verlengde termijn – namelijk op 31 maart 2022. Dit betekent dat de Stichting CCC haar dagvaarding heeft uitgebracht buiten de oorspronkelijke driemaandentermijn. In de procedure is het vervolgens de vraag of Stichting CCC ontvankelijk kan worden verklaard in haar collectieve vorderingen, nu de dagvaarding van Stichting CCC buiten de driemaandentermijn is uitgebracht. In eerste aanleg verklaart de rechtbank Stichting CCC niet-ontvankelijk, omdat zij Apple niet binnen de wettelijke driemaandentermijn heeft gedagvaard. Daarbij oordeelt de rechtbank dat een termijnverlenging zoals bedoeld in artikel 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft; de aan Stichting ASC verleende verlenging geldt alleen voor Stichting ASC. Stichting CCC is het hier niet mee eens en er wordt sprongcassatie ingesteld. Oordeel Hoge Raad De Hoge Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat een verlenging van de driemaandentermijn op grond van artikel 1018 lid 2 Rv geen algemene werking heeft. De Hoge Raad overweegt dat de rechter ingevolge de memorie van toelichting bij de WAMCA zijn beslissing op een verlengingsverzoek dient toe te spitsen op de concrete situatie van de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat een verlenging dus enkel voor deze rechtspersoon geldt en dus geen algemene werking heeft. Volgens de Hoge Raad strookt deze uitleg ook met het ontbreken van een vereiste dat een beslissing tot termijnverlenging in het centraal register collectieve vorderingen wordt aangetekend. Conclusie Voor stichtingen die een vergelijkbare collectieve vordering willen instellen, is het van belang om de collectieve vorderingen zoals gepubliceerd in het centraal register collectieve vorderingen goed in de gaten te houden. Hoewel het begrijpelijk is dat Stichting CCC (tevens) naar de gepubliceerde rolbeslissing van de rechtbank met de verlenging van de driemaandentermijn voor Stichting ASC heeft gekeken, blijft de publicatie van een uittreksel van de dagvaarding in het centraal register collectieve vorderingen in dergelijke gevallen leidend voor de start van de driemaandentermijn. Als deze organisatie meer dan drie maanden nodig heeft om de zaak voor te bereiden, dan dient zij zelf binnen één maand gemotiveerd om een verlenging van de driemaandentermijn bij de rechtbank te verzoeken. Er mag dus niet worden afgegaan op rolbeslissingen met betrekking tot termijnverlengingen voor andere stichtingen die wellicht in het centraal register voor collectieve vorderingen worden gepubliceerd. Heeft u vragen over de WAMCA? Neem dan contact met Lennart Hoeksema, Arnout Koeman of één van onze andere WAMCA-specialisten.
Mariëlle Broekman – La Gro 2-min
Mariëlle Broekman
Advocaat
Blijvende onmogelijkheid: vaak vergeten
Het verbintenissenrecht kent de hoofdregel pacta sunt servanda – afspraken moeten worden nagekomen. Worden afspraken niet nagekomen, dan bestaan er een aantal bekende juridische remedies. Daaronder vallen de plicht voor de schuldenaar tot het vergoeden van de schade of het recht van de schuldeiser om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Menig jurist verbindt deze remedies direct met het vereiste van verzuim, al dan niet na het zenden van een ingebrekestelling aan de schuldenaar. Vaak wordt echter over het hoofd gezien dat de verzuimregeling niet altijd van toepassing is. Wanneer sprake is van blijvende onmogelijkheid kan direct aanspraak worden gemaakt op schadevergoeding of tot ontbinding worden overgegaan. Verzuim van de schuldenaar is dan niet vereist. Tekortkoming en verzuim Een tekortkoming in de nakoming van een opeisbare verbintenis geeft de wederpartij in beginsel recht op schadevergoeding (artikel 6:74 BW) en/of de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:265 BW). In de regel is hiervoor vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert. Verzuim treedt in wanneer nakoming uitblijft nadat de schuldenaar in gebreke is gesteld (artikel 6:82 BW). De wet beschrijft daarnaast enkele gevallen waarin verzuim van rechtswege intreedt, bijvoorbeeld ingeval van een fatale termijn (artikel 6:83 BW). De gedachte achter het vereiste van verzuim is dat de schuldenaar de kans moet krijgen om de op hem rustende verplichting (alsnog) na te komen. In een ingebrekestelling dient derhalve een redelijke termijn aan de schuldenaar te worden gegund waarbinnen de schuldenaar nog kan nakomen. Pas wanneer duidelijk is dat de schuldenaar zijn verplichting niet meer zal nakomen of wanneer van de schuldeiser niet kan worden gevergd dat hij nog langer op nakoming wacht, is er ruimte voor schadevergoeding of ontbinding. Blijvende onmogelijkheid: geen verzuim nodig Er bestaan ook situaties waarin het bieden van een extra kans om na te komen geen nut heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval als nakoming blijvend onmogelijk is. Dan hoeft de schuldenaar niet in gebreke gesteld te worden of om een andere reden in verzuim te zijn en kan direct worden overgegaan tot het eisen van schadevergoeding of tot ontbinding. Artikel 6:74 lid 2 en artikel 6:265 lid 2 BW bepalen namelijk dat verzuim vereist is voor zover de nakoming niet blijvend onmogelijk is. Bij blijvende onmogelijkheid bestaat het recht op schadevergoeding of ontbinding zonder meer. Zo wordt de hoofdverbintenis tot nakoming bij blijvende onmogelijkheid van rechtswege omgezet in een verbintenis tot het betalen van schadevergoeding, zonder dat een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW benodigd is. Specifiek komt dus in het geval van blijvende onmogelijkheid géén werking toe aan de verzuimtitel en is dus schadevergoeding verschuldigd of kan de overeenkomst ontbonden worden zonder verzuim van de schuldenaar. Wat is blijvende onmogelijkheid? Of sprake is van blijvende onmogelijkheid is niet altijd eenvoudig te herkennen. In de kern gaat het om gevallen waarin de oorspronkelijk toegezegde prestatie niet meer kan worden verricht en herstel of een alternatieve wijze van nakoming geen reële optie biedt. Uit de jurisprudentie volgt dat één van de meest voorkomende gevallen van blijvende onmogelijkheid ziet op gevolgschade na gebrekkige nakoming van een verbintenis. Wanneer de schuldenaar die eerst ondeugdelijk heeft gepresteerd later alsnog deugdelijk nakomt, dan kan de schuldeiser als gevolg van het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade hebben geleden die hij niet zou hebben geleden als meteen deugdelijk was gepresteerd. Die schade wordt niet door de vervangende prestatie weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet voor herstel vatbaar en is nakoming blijvend onmogelijk Een klassiek voorbeeld is de levering van een besmette koe die de rest van de veestapel aansteekt. Deugdelijke nakoming in de zin van een koe leveren die niet is besmet, maakt niet alle schade ongedaan. Het leed is immers al geschied en de besmetting van de andere koeien wordt met het leveren van de gezonde koe niet weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet meer voor herstel vatbaar en is de nakoming blijvend onmogelijk. De schade als gevolg van de bestemming van de andere koeien, komt zonder meer – oftewel zonder verzuim van de schuldenaar – voor vergoeding in aanmerking. Andere voorbeelden van blijvende onmogelijk zijn: De schuldenaar beschikt niet meer over het voorwerp van de verbintenis. Als eens schuldenaar een uniek object moet leveren, maar hierover ten tijde van de levering niet meer beschikt, is nakoming blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als een uniek schilderij voor de levering is verbrand. Een verplichting ‘om niet te doen’ en/of een voortdurende verplichting wordt niet nageleefd. Als een schuldenaar een verbintenis niet nakomt waarvan een tekortkoming uit het verleden niet ongedaan gemaakt kan worden door later alsnog na te komen, is nakoming voor wat betreft die ‘tekortkoming uit het verleden’, blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als in strijd met de verplichting om geen geluidsoverlast te veroorzaken, toch geluidsoverlast is veroorzaakt. Een ondeugdelijke prestatie is niet meer te herstellen. Wanneer een prestatie niet beantwoord aan de overeenkomst en herstel ook niet mogelijk is, dan is nakoming blijvend onmogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval als een woning wordt geleverd zonder de toegezegde vergunning en later blijkt dat die vergunning niet verkregen kunnen worden. Blijvende onmogelijkheid in de praktijk In de praktijk wordt slechts sporadisch een beroep wordt gedaan op ‘blijvende onmogelijkheid’. En als dat al gebeurt, dan meer dan eens met een verkeerde weergave van het wettelijk systeem door gebruik van zinsneden als: “Ingevolge artikel 6:74 lid 2 BW treedt verzuim in zonder ingebrekestelling indien nakoming blijvend onmogelijk is”. Verzuim is ingeval van blijvende onmogelijkheid juist niet vereist. Toch biedt de blijvende onmogelijkheid belangrijke voordelen. Wanneer een schuldeiser zich succesvol op blijvende onmogelijkheid beroept, kan bijvoorbeeld een ingebrekestelling en het afwachten van een redelijke termijn voor nakoming worden overgeslagen. De schuldeiser kan dus sneller aanspraak maken op schadevergoeding of overgaan tot ontbinding. Juridische discussies over verzuim kunnen daarnaast vermeden worden. Conclusie De ‘blijvende onmogelijkheid’ verdient meer aandacht binnen de rechtspraktijk. Hoewel de wet en jurisprudentie duidelijke kaders bieden, wordt er in de praktijk zelden een beroep op gedaan. Dit is een gemiste kans, aangezien het beroep op blijvende onmogelijkheid in bepaalde gevallen kan leiden tot een snellere en efficiëntere afwikkeling van geschillen. Meer weten over blijvende onmogelijkheid, het ontbinden van overeenkomsten of het krijgen van een schadevergoeding? Neem dan contact op met Mariëlle Broekman, Rachel de Jong of een van onze andere specialisten uit het team Commercial Contracts & Litigation.
Monika Beck
Monika Beck
Advocaat
Staatssteun: meerdere ondernemingen, één steunbegunstigde
In een recente uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is het belang van het “ondernemingsbegrip” binnen het staatssteunrecht benadrukt. Dit met name wat betreft de situatie waarin meerdere entiteiten als één onderneming worden beschouwd. In zulke gevallen dient alle steun die deze entiteiten hebben ontvangen bij elkaar opgeteld te worden, aangezien zij kwalificeren als één onderneming en dus één begunstigde van steun. Dit kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld toepassing van steunplafonds. De uitspraak biedt dan ook belangrijke inzichten voor bedrijven die onderdeel uitmaken van een groep en mogelijk staatssteun ontvangen. De uitspraak van het CBb In de uitspraak van 20 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:76) behandelde het CBb een zaak waarin een onderneming (hierna: Onderneming X) beroep in heeft gesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken waarin een TVL-subsidie (Tegemoetkoming Vaste Lasten) van Onderneming X is herzien en lager is vastgesteld. Op basis van dit besluit werd een bedrag van € 333.831,48 van de als voorschot ontvangen TVL-subsidie van Onderneming X teruggevorderd wegens overschrijden van het steunplafond. De minister kwam tot dit besluit aangezien Onderneming X onderdeel uitmaakte van een groep welke tot 1 december 2021 bestond uit Onderneming X, Onderneming Y en Onderneming Z. Onderneming Z is per 1 december 2021 ontbonden. Alle drie de ondernemingen hebben over verschillende perioden subsidie ontvangen op grond van de TVL-regeling. Deze TVL-regeling gaf vanaf juni 2020 financiële ondersteuning aan ondernemers met omzetverlies door coronamaatregelen. Volgens de minister was in voorliggend geval het tot en met Q1 van 2022 geldende steunplafond van € 2,3 miljoen overschreden met de TVL-subsidie aan Onderneming X. Onderneming X meende dat de terugvordering van een deel van haar subsidie onrechtmatig is, aangezien de subsidies ontvangen door Onderneming Z niet bij de totale door de groep ontvangen subsidies mogen worden opgeteld. Onderneming Z was immers per 1 december 2021 ontbonden waardoor zij op moment van zowel subsidieverlening als subsidievaststelling van de aan Onderneming X verstrekte subsidie niet tot de groep behoorde. Het CBb volgt het standpunt van Onderneming X niet en bevestigt het oordeel van de minister. De rechter oordeelde dat de drie ondernemingen als één onderneming kwalificeren in het staatssteunrecht, en dat de totale aan hen verleende steun het steunplafond niet mag overschrijden. Overschrijding van het steunplafond zou resulteren in ongeoorloofde staatssteun. Dat Onderneming Z op moment van subsidieverlening en subsidievaststelling geen onderdeel meer uitmaakte van de groep wegens ontbinding maakt dit niet anders. Doordat Onderneming Z is opgehouden te bestaan zijn de aan haar (eerder) verstrekte TVL-subsidies niet onttrokken aan de groep. Deze komen als het ware (in)direct ten goede aan de groep. Dit is ook het geval als het saldo van ontbinding is gebruikt om een belastingschuld van Onderneming Z te betalen. Ook dan kan de subsidie die door Onderneming Z is ontvangen voorafgaand aan ontbinding, (in)direct voordeel verschaffen aan de rest van de groep. Het CBb heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat de herziening en lagere vaststelling van de subsidie aan Onderneming X terecht is. Vaststelling van een hoger bedrag zou volgens het CBb dus ongeoorloofde staatssteun opleveren. Definitie van een onderneming binnen het staatssteunrecht In het staatssteunrecht wordt een onderneming gedefinieerd als elke eenheid die een economische activiteit uitvoert, ongeacht haar rechtsvorm en wijze van financiering. Op basis van Unierechtelijke rechtspraak wordt het uitvoeren van economische activiteiten gedefinieerd als het aanbieden van goederen en/of diensten op een markt. Het ondernemingsbegrip binnen het staatssteunrecht is dus erg ruim, en kan vrijwel alle rechtsvormen omvatten, ongeacht of de betreffende entiteit een winstoogmerk heeft of niet. Iedere aanbieder van een goed of dienst op een markt, is in theorie een onderneming binnen het staatssteunrecht. Meerdere entiteiten als één onderneming Binnen het staatssteunrecht geldt dat meerdere afzonderlijke rechtspersonen voor de toepassing van de staatssteunregels geacht kunnen worden één economische entiteit te vormen. Zij kwalificeren dan als het ware als één onderneming. Dit was ook het geval voor de ondernemingen die deel uitmaakten van de groep in de CBb uitspraak. Bij de beoordeling of meerdere entiteiten als één onderneming kwalificeren, worden een aantal factoren in overweging genomen welke zijn ontwikkeld in Unierechtelijke rechtspraak. Er wordt met name gekeken naar de volgende factoren: Economische, organisatorische en functionele banden tussen de entiteiten; Mate van zeggenschap en controle; Gezamenlijk optreden op de markt. Gevolgen voor staatssteun De kwalificatie van meerdere rechtspersonen als één onderneming binnen het staatssteunrecht, kan negatieve gevolgen hebben voor de hoogte van de steunverlening. De steun die deze afzonderlijke rechtspersonen hebben ontvangen dient in dergelijke gevallen bij elkaar opgeteld te worden om te bepalen of de steun onder toepasselijke steunplafonds blijft. In de CBb uitspraak heeft dat negatief uitgepakt voor Onderneming X, die wegens een groepssamenstelling uit het verleden een lagere subsidievaststelling heeft ontvangen. Ook indirecte steunverlening dient in dergelijke gevallen in acht genomen te worden. Conclusie Voor bedrijven die mogelijk staatssteun ontvangen, is het cruciaal om de onderlinge verbanden tussen verschillende entiteiten zorgvuldig te analyseren. Indien hier onvoldoende aandacht aan wordt besteed, kan dit leiden tot onrechtmatige staatssteun en terugvorderingsrisico’s. Dit is bijvoorbeeld het geval als steunplafonds worden overschreden doordat steunverleningen aan verschillende entiteiten bij elkaar opgeteld moeten worden binnen de kaders van het staatssteunrecht. Heeft u vragen over dit onderwerp? Wenst u meer te weten over de kwalificatie van meerdere entiteiten als één onderneming ten behoeve van staatssteun? Neem gerust contact op met Monika Beck of één van onze andere staatssteunspecialisten.
Donald Volleberg 2 – La Gro
Donald Volleberg
Advocaat
Verpandingsverboden worden verboden
Op 11 juni 2024 werd het wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden al aangenomen door de Tweede Kamer. Op 4 maart jl. heeft ook de Eerste Kamer deze wet aangenomen. Hieronder lichten wij kort toe wat de achtergrond is van deze nieuwe wet en welke gevolgen dit heeft. Waarom deze nieuwe wet Voor veel ondernemingen geldt dat hun vorderingen substantiële waarde vertegenwoordigen. Een financier zal in de regel dan ook een pandrecht wensen op deze vorderingen. Dat kan, als die vorderingen ook overdraagbaar zijn. Dat laatste bleek in de praktijk niet altijd het geval te zijn.    Volgens artikel 3:83 lid 2 BW kunnen schuldeiser en schuldenaar de overdraagbaarheid van vorderingsrechten namelijk door een beding uitsluiten. In de praktijk nemen veel contractspartijen in overeenkomsten (bijvoorbeeld in hun algemene voorwaarden) een beding op dat de overdracht of verpanding van vorderingen (gedeeltelijk) verbiedt. Een argument voor het opnemen van een (gedeeltelijk) overdraagbaarheids- of verpandingsverbod is de wens van schuldenaren om te voorkomen dat zij ongewild worden geconfronteerd met andere schuldeisers, met alle administratieve rompslomp die daarbij komt.  Gevolg van een geldig onoverdraagbaarheidsbeding is dat deze vorderingen door krediet behoevende ondernemingen niet meer geldig overgedragen of verpand kunnen worden aan een kredietinstelling of factormaatschappij ter verkrijging van een financiering. Verpandingsverboden zetten daarmee een rem op kredietverlening. Dit is economisch onwenselijk, te meer omdat in ons omringende landen dergelijke bedingen al langer aan banden zijn gelegd.  Kortom, genoeg reden voor o.a. de Nederlandse Vereniging van Banken om zich in te zetten voor een aanpassing van de wet, waardoor de werking van verpandingsverboden wordt beperkt. Met het nieuwe wetsvoorstel wordt de kredietverlening aan het MKB gestimuleerd. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor investeringen, innovatie en groei.  Inrichting nieuwe wet Na inwerkingtreding van deze nieuwe wet, zal aan artikel 3:83 BW een derde lid worden toegevoegd, waarin voor geldvorderingen die ontstaan uit beroeps- of bedrijfsactiviteiten (handelsvorderingen) overdraagbaarheids- en verpandingsverboden nietig worden verklaard. In het eveneens nieuwe lid 4 worden hierop enkele uitzonderingen gemaakt, namelijk voor vorderingen uit hoofde van een betaal- of spaarrekening, gesyndiceerde geldleningen, en vorderingen op bepaalde instellingen die bij clearing en afwikkeling van transacties zijn betrokken.  Daarnaast wordt voor cessie en verpanding een nieuw vormvereiste geïntroduceerd. Indien een vordering waarvoor een nietig onoverdraagbaarheidsbeding geldt, wordt overgedragen dient de mededeling aan de schuldenaar van de gecedeerde of verpande vordering schriftelijk te geschieden. Zo niet, dan blijft deze zonder gevolg. In dit kader zal aan de artikelen 3:83 BW en 3:239 BW een vijfde lid worden toegevoegd waarin dit is bepaald.  Tot slot Het is momenteel nog onbekend wanneer deze nieuwe wet daadwerkelijk in werking zal treden. De wet voorziet wel in overgangsrecht. Dat komt erop neer dat de hierboven beschreven nietigheid, voor bestaande bedingen zal gelden vanaf drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet. Voor nieuwe bedingen, die worden gesloten na inwerkingtreding, heeft de wet onmiddellijke werking.    Heeft u vragen over deze wet of wilt u weten welke impact deze heeft op uw onderneming? Neem dan contact op met Donald Volleberg of een van zijn collega’s.       
La Gro Walther Schravendeel-min
Walther Schravendeel
Advocaat
Eén of twee bestuurslagen? Het monistisch en dualistisch bestuursmodel in het vizier
Inleiding Sinds 2013 is het voor NV’s en BV’s wettelijk mogelijk om te kiezen tussen een monistisch (one-tier) of dualistisch (two-tier) bestuursmodel. Voor stichtingen en verenigingen is dit nog niet wettelijk geregeld, hoewel het in de praktijk al veelvuldig voorkomt. In dit artikel leggen wij uit wat beide bestuursmodellen inhouden en hoe deze te implementeren zijn voor stichtingen en verenigingen. Wat is een one-tier board eigenlijk? Bij een one-tier (monistisch) bestuursmodel zitten de bestuurders en toezichthouders samen in één orgaan. Dit is sinds 2013 wettelijk geregeld voor de besloten vennootschap (art. 2:239a BW) en de naamloze vennootschap (art. 2:129a BW). De uitvoerende bestuurders zijn dan verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding, terwijl de niet-uitvoerende bestuurders toezicht houden. Dit verschilt van het traditionele Nederlandse two-tier (dualistisch) model waarbij de bestuurders en commissarissen in aparte organen zitten. In het Handelsregister herkent u een one-tier board niet aan die term zelf, maar aan de aanduiding “uitvoerend” of “niet-uitvoerend” bij de geregistreerde bestuurders. Waarom kiezen voor een monistisch bestuursmodel? Betere informatie-uitwisseling De toezichthouders zitten direct aan tafel bij belangrijke beslissingen en hebben toegang tot dezelfde informatie als de bestuurders. Hierdoor kunnen ze beter toezicht houden en sneller meedenken over belangrijke keuzes. Snellere besluitvorming Omdat alle bestuurders in één orgaan zitten, verloopt de besluitvorming vaak sneller. Er zijn minder formele stappen nodig om goedkeuring te krijgen voor belangrijke beslissingen. Aantrekkelijker voor internationale partners Als u internationaal actief bent of buitenlandse bestuurders of investeerders zoekt, kan een one-tier board voordelen bieden. Dit model wordt wereldwijd vaker gebruikt en is voor veel buitenlandse partijen herkenbaar. Waarom kiezen voor een dualistische bestuursmodel? Duidelijke scheiding tussen bestuur en toezicht Het traditionele model met een apart bestuur en een raad van commissarissen biedt een heldere scheiding van verantwoordelijkheden, wat kan bijdragen aan beter toezicht. Onafhankelijk toezicht Doordat commissarissen op afstand staan van de dagelijkse bedrijfsvoering, kunnen ze objectiever toezicht houden op het bestuur. Vertrouwdheid in de Nederlandse context Het dualistische model is diep verankerd in de Nederlandse bestuurscultuur, waardoor veel organisaties vertrouwd zijn met de rollen en verantwoordelijkheden. Huidige stand van zaken voor een one-tier board bij een vereniging of stichting Op 1 juli 2021 trad de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) gedeeltelijk in werking. Deze wet voorziet in een wettelijke grondslag van het monistisch bestuursmodel voor de verenigingen (art. 2:44a BW) en stichtingen (art. 2:291a BW). Belangrijk om te weten: de bepalingen over het monistisch bestuursmodel voor verenigingen en stichtingen zijn nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding is uitgesteld tot een nader bij koninklijk besluit te bepalen datum, namelijk wanneer de technische mogelijkheid is gerealiseerd voor verenigingen en stichtingen om in het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend of niet-uitvoerend is. Een monistisch bestuursmodel bij stichtingen en verenigingen Hoewel de wetsvoorstellen van artikelen 2:44a BW en 2:291a BW voor het monistische bestuursmodel bij stichtingen en verenigingen nog niet van kracht zijn, worden dergelijke structuren in de praktijk al veelvuldig toegepast (Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 3). Veel stichtingen en verenigingen hanteren bestuurlijke modellen met een dagelijks en een algemeen bestuur. Bovendien is het raadzaam om, ondanks het feit dat de artikelen nog niet in werking zijn getreden, om de daarin opgenomen verplichtingen nu al na te leven. Deze verplichtingen omvatten (Kamerstukken II 2018/19, 34491, nr. 9): Er moet een statutaire grondslag zijn voor de verdeling van taken over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders; De toezichthoudende taak kan niet worden ontnomen aan niet-uitvoerende bestuurders; Het voorzitterschap van het bestuur kan uitsluitend worden toebedeeld aan een niet-uitvoerende bestuurder; De vaststelling van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders kan niet worden toebedeeld aan uitvoerende bestuurders; Uitvoerende bestuurders nemen niet deel aan de besluitvorming over de vaststelling van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders; De niet-uitvoerende bestuurders moeten natuurlijke personen zijn. Kortom, hoewel de wettelijke bepalingen voor het monistische bestuursmodel bij stichtingen en verenigingen nog niet formeel van kracht zijn, is de invoering ervan in de praktijk al mogelijk. Het is essentieel om de hierboven genoemde verplichtingen na te leven en duidelijke afspraken in de statuten vast te leggen. Dit draagt niet alleen bij aan rechtszekerheid, maar ook aan een transparante en evenwichtige taakverdeling binnen het bestuur. Tot slot: een bewuste keuze maken Of u nu kiest voor het monistische of dualistische model, het belangrijkste is dat u een bewuste keuze maakt die past bij uw organisatie. Bij het kiezen tussen een monistisch of dualistisch bestuursmodel, overweeg de volgende factoren: De grootte van uw organisatie (bij kleinere organisaties kan een one-tier board efficiënter zijn) Uw internationale activiteiten Hoe snel uw markt verandert (in dynamische markten kan snellere besluitvorming een voordeel zijn) De huidige bestuurscultuur en bereidheid tot verandering Eventuele sectorspecifieke wetten (sommige sectoren staan geen one-tier board toe) Beide bestuursmodellen hebben hun eigen voordelen en aandachtspunten. Wilt u meer weten over de voor- en nadelen van een one-tier board voor uw specifieke situatie? Of overweegt u een overgang naar dit bestuursmodel? Neem dan contact op met Pien Kets, Walther Schravendeel of één van onze andere specialisten voor een adviesgesprek.
Annemiek Varkevisser 2 – La Gro
Annemiek Varkevisser
Advocaat
Update: Bezoek van Belastingdienst voor schijnzelfstandigheid?
In januari schreven wij een (update)blog over schijnzelfstandigheid en de opheffing van het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst per 1 januari 2025. We schreven over de verzachtende maatregelen, die de scherpe randen van de handhaving in 2025 afhalen. Inmiddels kunnen we een nieuwe update geven. Op 17 februari heeft de Belastingdienst namelijk een nieuwe versie (5.0) gepubliceerd van de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken. De Handleiding geeft meer richting over de werkwijze van de Belastingdienst, met name rondom bedrijfsbezoeken en het boekenonderzoek. Tevens zijn een aantal documenten geüpdatet rond om de handhaving van de Wet BDA. Belangrijkste updates bij handhaving schijnzelfstandigheid De recent gepubliceerde versie 5.0 van de “Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken” introduceert enkele aanvullingen op het in december gepubliceerde “Handhavingsplan arbeidsrelaties 2025“. De belangrijkste aanvullingen zijn: Introductie van richtlijnen voor bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken; Focus op risicoselectie en detectie; en Standaardisatie van documentatie. Op de eerste twee aanvullingen gaan we hieronder nader in. De derde spreekt redelijk voor zich. De Belastingdienst heeft nieuwe sjablonen en formats geïntroduceerd voor rapportages en correspondentie, zoals aankondigingsbrieven en verslagen van bedrijfsbezoeken. Dit bevordert een uniforme aanpak en consistentie in de communicatie met bedrijven. Richtlijnen voor bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken De belangrijkste aanvulling is dat de Handleiding nu instructies biedt voor het uitvoeren van bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken bij opdrachtgevers. Dit omvat specifieke stappen en procedures die inspecteurs moeten volgen tijdens hun controles ten aanzien van het kwalificeren van arbeidsrelaties. Bij een bedrijfsbezoek gaat de Belastingdienst met de opdrachtgever in gesprek over de manier waarop zij omgaan met inhuur van zelfstandigen en extern personeel. Als daaruit een vermoeden ontstaat dat er mogelijk sprake is van een onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie, kan een boekenonderzoek worden gestart. Op basis van de Handleiding zijn bedrijfsbezoeken in principe de eerste stap, maar geen verplichte eerste stap. Als er sterke aanwijzingen zijn van schijnzelfstandigheid, kan er toch een boekenonderzoek volgen. Het lijkt erop dat er geen boekenonderzoek volgt als er beperkte aanwijzingen zijn, maar als uit boekenonderzoek volgt dat er sprake was van schijnzelfstandigheid zal de fiscus vermoedelijk snel aannemelijk kunnen maken dat er vanaf het begin al sterke aanwijzingen waren. Het boekenonderzoek kan ook direct ingezet worden als er al concrete risicosignalen zijn, bijvoorbeeld als door de inspecteur bij controle op een ander belastingmiddel, bijvoorbeeld BTW, schijnzelfstandigheid wordt geconstateerd. Interessant is dat de inspecteur zijn conclusies toetst aan de hand van de Webmodule beoordeling arbeidsrelatie. Als er een afwijking is tussen het oordeel van de inspecteur en de uitkomst van de Webmodule, moet contact worden opgenomen met een interne heffingsspecialist. De Webmodule heeft derhalve ook voor de Belastingdienst zelf een functie. Maar wanneer komt de Belastingdienst precies op bezoek? Risicoselectie bij bezoek Belastingdienst De markt was vooral benieuwd naar het beleid van de Belastingdienst over wanneer een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek te verwachten is. Het blijft echter nog altijd afwachten hoe de praktijk vormgegeven gaat worden. De Handleiding bevat in ieder geval bepaalde richtlijnen voor het identificeren en selecteren van bedrijven met een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid. Dit helpt de Belastingdienst om gerichter en efficiënter te werk te gaan. De Belastingdienst maakt gebruik van zowel steekproeven als een detectiemodule. Er wordt gezocht naar (een toename van) inhuur van derden en ingeschat of er een groter risico op een onjuiste kwalificatie van arbeidsrelaties is. Ook een signaal uit de (individuele) klantbehandeling kan aanleiding zijn voor een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek. Conclusie De aanvullingen in versie 5.0 van de Handleiding zijn ontworpen om de handhaving op arbeidsrelaties te versterken en te verduidelijken. De handleiding is in lijn met de doelstellingen van het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2025. De handleiding geeft zeker iets meer handvatten, maar is niet vernieuwend. Het lichtere bedrijfsbezoek is en blijft immers geen verplicht voorportaal voor de Belastingdienst. Voor ondernemers die veel met zelfstandigen werken loont het echter de moeite om de Handleiding eens door te lezen. Contact Wij merken dat de handhaving door de Belastingdienst veel van onze cliënten bezighoudt. Binnen ons team zijn Annemiek Varkevisser en Gerard Zuidgeest dagelijks met dit onderwerp bezig. Heeft u ook vragen en wilt u van gedachten wisselen of de zzp’ers die u inhuurt niet eigenlijk een dienstverband hebben? Neem dan contact met hen op, of met een van onze andere specialisten. Dit artikel is geschreven door Angela van der Does-Mekes.