bestuursrecht

Vastgoedrecht

Het vastgoedrecht is een dynamisch rechtsgebied dat juridische en commerciële belangen raakt. Of het nu gaat om projectontwikkeling, vastgoedtransacties of huurkwesties, de juridische aspecten vereisen een zorgvuldige en strategische aanpak. Ons team van vastgoedadvocaten biedt ondersteuning bij operationele en strategische vraagstukken. Met diepgaande kennis en een oplossingsgerichte werkwijze realiseren wij toekomstbestendige resultaten die aansluiten bij uw doelen. 

Ons team

Onze ervaring

Ons team van vastgoedadvocaten heeft uitgebreide ervaring in het adviseren van projectontwikkelaars, bouwbedrijven, beleggers, woningcorporaties, andere marktpartijen en overheden. Wij begeleiden bij vastgoedtransacties, project- en gebiedsontwikkeling, herontwikkeling, transformatie, aan- en verkoop van onroerend goed, grondexploitatie en verduurzaming van vastgoed. Ook ondersteunen wij bij contracten, erfpachtconstructies en zakelijke rechten. Onze expertise omvat zowel residentieel als commercieel vastgoed, waardoor wij uiteenlopende juridische vraagstukken snel oplossen.

Dankzij onze ervaring met zowel publieke als private sectoren slaan wij een brug tussen publiekrechtelijke en commerciële aspecten, wat ons een unieke positie in de markt geeft. 

Onze werkwijze

Wij werken persoonlijk en oplossingsgericht. Door ons te verdiepen in uw organisatie en doelen, bieden wij maatwerkadvies. Of het nu gaat om strategisch advies, geschillenbeslechting of vertegenwoordiging bij de rechter of Raad van Arbitrage, wij schakelen snel en adviseren helder. Ons doel is juridische processen soepel en efficiënt te laten verlopen.

Fullservice kantoor

La Gro is een full-service kantoor. Waar nodig kan het team Vastgoedrecht specialisten inschakelen van andere juridische expertises. Lees meer hierover op de sectorpagina Vastgoed. 

Residentieel vastgoed

Wij ondersteunen bij nieuwbouw, renovatie en herontwikkeling van woningen. Onze expertise omvat onder meer grondexploitatie, vergunningen, erfpacht en appartementsrechten. Daarnaast begeleiden wij woningcorporaties en beleggers bij verduurzamingsprojecten en huurrechtelijke kwesties. Met kennis van de woningmarkt en wetgeving, zoals de Omgevingswet, bieden wij duurzame oplossingen.

Commercieel vastgoed

Commercieel vastgoed vraagt om een strategische aanpak. Wij adviseren bij aan- en verkoop van kantoren, winkels en logistiek vastgoed, (her)ontwikkeling en huurkwesties. Onze expertise omvat ook vastgoedcontracten, huurprijsherzieningen, gebreken en geschillen. Daarnaast ondersteunen wij bij transformatieprojecten, zoals herbestemming van leegstaand vastgoed. Met onze kennis van de commerciële vastgoedmarkt denken wij graag vooruit om uw zakelijke ambities te realiseren.

 

Bel: 0172-503 250

Als ondernemend familiebedrijf waarderen we snel schakelen en dat snapt La Gro. Ze houden ons scherp en combineren unieke expertise in vastgoed én overheid.
Edwin de Kruijf - Ontwikkelmanager | Bolton Ontwikkeling

Hiervoor kunt u bij ons terecht

Ons vastgoedrechtteam begeleidt projectontwikkelaars, overheden, beleggers en woningbouwcorporaties bij de (her)ontwikkeling van vastgoed. In dat kader zijn wij veelvuldig betrokken bij het opstellen en beoordelen van intentieovereenkomsten, samenwerkingsovereenkomsten en ontwikkelings- en exploitatieovereenkomsten. Ons team beschikt over de noodzakelijke kennis en ervaring op het gebied van contractenrecht, ruimtelijke ordening, kostenverhaal en regelgeving omtrent planschade, zodat wij onze klanten effectief kunnen ondersteunen. 

Daarnaast staat ons bouwrechtteam in elke fase van een bouwproject voor u klaar. Wij adviseren over bouwcontracten, onderhandelingen en bieden ondersteuning in conflictsituaties. Met onze expertise in bouwrecht en de juridische complexiteit van de bouwsector helpen wij onze cliënten hun projecten succesvol te realiseren. 

 

Het vastgoedteam begeleidt vastgoedondernemers bij de aan- en verkoop van onroerend goed. Van het uitvoeren van due diligence onderzoeken, opstellen of beoordelen van koopovereenkomsten en het formuleren van de nodige (ontbindende en opschortende) voorwaarden en bedingen (waaronder ook voorkeursrechten en koopopties)  tot aan het oplossen van geschillen inzake onder andere precontractuele aansprakelijkheid, (non)conformiteit, (bodem)verontreiniging, ontbinding en schadevergoeding. 

Het vastgoedteam heeft veel ervaring op het gebied van beperkte zakelijke rechten, waaronder (de vestiging van) erfpachtrechten, opstalrechten en erfdienstbaarheden. Wij adviseren onze klanten over de mogelijkheden die beperkte zakelijke rechten bieden, over de toelaatbaarheid van voorwaarden ter zake de beperkte zakelijke rechten en wij adviseren bij de totstandkoming c.q.  vestiging van de betreffende rechten.  

Huurrecht is een dynamisch rechtsgebied dat zich enerzijds kenmerkt door toepassing van dwingendrechtelijke regels en anderzijds contractvrijheid. Ons gespecialiseerde huurrechtteam kent de spelregels als geen ander en voorzien u van gedegen en specialistisch advies over onder andere verhuurmogelijkheden, opstellen en beoordelen van huurcontracten, rechten en plichten bij huurprijswijzigingen, gebiedsontwikkeling en onteigening. 

Wanneer u een gebouw splitst om hier appartementen van te maken, krijgt u te maken met appartementsrechten. Hoe het gebouw is gesplitst in appartementsrechten, moet worden beschreven in een splitsingsakte. Daarnaast moeten de rechten en plichten van individuele appartementseigenaren worden geformuleerd. Bovendien krijgt u te maken met een Vereniging van Eigenaren.  

Publicaties

Niek Hoogwout 1
Niek Hoogwout
Advocaat
Aanneming van werk/bouwrecht: algemene voorwaarden, lekker makkelijk (of toch niet?)
Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam een eerste uitspraak gedaan in een geschil over een door een opdrachtgever niet betaalde aanneemsom (hierna: de opdrachtgever). Aan de orde was de vraag of de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het geschil tussen partijen en zo ja, of de rechtbank Amsterdam dan de juiste rechtbank is. Die vraag hangt samen met verschillende voorwaarden die volgens partijen van toepassing zijn op de overeenkomst. Afhankelijk van welke voorwaarde van toepassing is, is de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag of de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in Utrecht bevoegd om het geschil te beoordelen.  Waarom algemene voorwaarden? In de bouw worden vaak algemene voorwaarden gebruikt. Algemene voorwaarden worden gebruikt om, onder andere, tijd te besparen. De gedachte is dat de aannemer dan niet iedere keer allerlei standaard bepalingen opnieuw in de overeenkomst hoeft op te nemen. Bijvoorbeeld waar een geschil aangebracht moet worden als partijen een discussie hebben over uitvoering van de overeenkomst. Voor de opdrachtgever heeft het gebruik van algemene voorwaarden in principe ook voordelen, omdat de afspraken tussen partijen dan – als het meezit – duidelijk worden vastgelegd. Alleen: er zijn in de bouw héél veel algemene voorwaarden gangbaar. En daar ging het in deze zaak mis. Waar ging de zaak over? Een particuliere opdrachtgever wilde haar woning laten verbouwen. Met het oog daarop heeft de opdrachtgeefster een architect ingeschakeld (Now A Design). De architect heeft ten behoeve van de verbouwing een Technische Omschrijving opgesteld met wat er gedaan moest worden. In de Technische Omschrijving heeft de architect verwezen naar de STABU-Standaard 2012. Dat zijn standaard voorwaarden waarin gebruik wordt gemaakt van een vaste standaard indeling voor bepaalde bouwwerkzaamheden. Daarnaast wordt in de STABU verwezen naar de UAV-2012, een andere set algemene voorwaarden met algemene bepalingen over, bijvoorbeeld, wanneer de bouw moet beginnen, de oplevering, eventueel meerwerk en de instantie die geschillen moet beslechten: de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. De opdrachtgeefster heeft daarna een aannemer benaderd. Met de aannemer heeft de opdrachtgeefster een (eerste) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ gesloten. In die overeenkomst werd verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Aangegeven werd verder dat, bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken, de overeenkomst prevaleerde. Op verzoek van de opdrachtgeefster heeft de aannemer daarna een calculatie opgesteld met de prijs voor de verschillende onderdelen van het werk zoals beschreven in de Technische Omschrijving van de architect. In de calculatie werd opnieuw verwezen naar de algemene voorwaarden van de aannemer. Ook werd verwezen naar de Technische Omschrijving van de architect. Daarnaast werd aangegeven dat de ‘UAV 2012 van toepassing’ is. Partijen zijn vervolgens een (volgende) ‘Overeenkomst aanneming van werk in regie’ aangegaan, waarin werd verwezen naar de calculatie van de aannemer en naar de Technische Omschrijving van de architect. In de overeenkomst werd verder bepaald dat de algemene voorwaarden van de aannemer van toepassing waren en dat bij strijdigheid tussen de overeenkomst en andere contractstukken de overeenkomst prevaleerde. De aannemer gaat daarna voortvarend aan de slag. Omdat (volgens de aannemer) op enig moment 3 termijnen ad per saldo € 760.985,24 onbetaald waren is de aannemer een procedure begonnen bij de rechtbank Amsterdam. De opdrachtgeefster voerde daar (‘voor alle weren’) verweer tegen en stelde dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, omdat partijen de UAV 2012 zouden zijn overeengekomen en dat het geschil daarom moest worden voorgelegd aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Volgens de aannemer is het arbitraal beding/de geschillenclausule in de UAV 2012 onredelijk bezwarend, omdat de opdrachtgever een particulier is. Bovendien zijn volgende de aannemer haar algemene voorwaarden van toepassing, zodat de rechtbank Amsterdam bevoegd zou zijn (en dus niet de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen). Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep op UAV 2012 onterecht De rechtbank oordeelt met betrekking tot de bevoegdheid dat de opdrachtgeefster niet heeft aangetoond dat de UAV 2012 van toepassing zijn verklaard op de aannemingsovereenkomsten. In beide aannemingsovereenkomsten worden de UAV 2012 niet van toepassing verklaard. De algemene voorwaarden van de aannemer worden daar wel in genoemd. Dat de UAV 20012 ook zijn overeengekomen is niet gebleken. Dat in andere stukken wel naar de UAV 2012 wordt verwezen, maakt dat niet anders. Als het de bedoeling van partijen was geweest om (ook) de UAV 2012 van toepassing te verklaren op de aannemingsovereenkomsten, dan had het voor de hand gelegen om dat op te nemen in het artikel in de aannemingsovereenkomst(en) dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden regelt. Daar worden nu alleen de algemene voorwaarden van de aannemer genoemd. De opdrachtgeefster wordt daarom in het ongelijk gesteld in het bevoegdheidsincident. Rechtbank Amsterdam (ook) onbevoegd? Daarmee is niet gezegd dat de aannemer het geschil bij de juiste rechtbank heeft aangebracht. De aannemer heeft de zaak voorgelegd aan de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank constateert dat in de door partijen van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de aannemer wordt bepaald dat geschillen tussen partijen, naar keuze van de aannemer, moeten worden voorgelegd aan hetzij de rechtbank Den Haag, dan wel de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen. Naar verwachting is de rechtbank Amsterdam daardoor (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Partijen moeten zich daarover in het vervolg van de procedure nog uitlaten. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Belang voor de praktijk Uit deze uitspraak blijkt maar weer het belang van heldere en duidelijke afspraken tussen partijen. Met duidelijke afspraken kan een zogenaamde ‘battle of forms’ worden voorkomen en was het bevoegdheidsincident bij de rechtbank niet nodig geweest. De architect van de opdrachtgeefster en de aannemer hadden dat kunnen voorzien/voorkomen. De tijd en kosten van het bevoegdheidsincident waren dan niet nodig geweest. Heeft u vragen over deze uitspraak of andere vragen op het gebied van Aanneming van werk of Bouwrecht? Neem dan contact op met Niek Hoogwout of één van onze andere specialisten van het team Bouwrecht.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken (deel 2)
In een eerdere blog schreef ik over het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat een beroep op een vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. In datzelfde straatje speelt ook de vraag of dergelijke bedingen jegens consument-opdrachtgevers oneerlijk en/of onredelijk bezwarend zijn. Artikel 16.3 van de AVA 2013 (Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk) regelt de termijn voor aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. In dat artikel wordt bepaald dat rechtsvorderingen vanwege gebreken aan het opgeleverde werk in beginsel binnen 5 jaar (en in geval van ernstige gebreken binnen 10 jaar) na afloop van de onderhoudstermijn (van 30 dagen na de oplevering, zie artikel 9 lid 8 AVA) moeten worden ingesteld, anders vervalt het recht om een procedure te beginnen om herstel of schadevergoeding te vorderen. In de literatuur en rechtspraak speelt al langer de vraag of dergelijke vervalbedingen onredelijk bezwarend of oneerlijk zijn jegens consument-opdrachtgevers. Hierover is recent de conclusie van A-G Valk gepubliceerd (ECLI:NL:PHR:2026:308). Aanleiding voor die conclusie is een cassatie tegen het hiervoor genoemde arrest van het hof Amsterdam, waarin het hof oordeelde dat het vervalbeding uit artikel 16.3 van de AVA 2013 oneerlijk en onredelijk bezwarend is. Of in algemene zin gezegd kan worden dat dergelijke vervalbedingen jegens consumenten oneerlijk en onredelijk bezwarend zijn, is geen uitgemaakte zaak. Er bestaat in de literatuur discussie over en ook in de rechtspraak zijn de oordelen hierover niet eenduidig. Voor de bouwpraktijk (in het bijzonder in de relatie aannemer-consument) is dus relevant wat de Hoge Raad hierover zal oordelen. A-G Valk van mening dat diverse klachten uit het cassatiemiddel van de aannemer slagen, dat het vervalbeding in deze toelaatbaar is en dat het arrest van het hof Amsterdam daarom vernietigt moet worden. Opvallend is dat A-G Valk in het advies expliciet benadrukt dat hij daarmee niet wil zeggen dat het onmogelijk is dat vervalbedingen (zoals bijv. ook opgenomen in par. 12 UAV) jegens consumenten als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG – en dus als onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:233 onder a BW – moeten worden beschouwd. A-G Valk benadrukt verder dat een rechter die een dergelijk vervalbeding meent terzijde te moeten schuiven zich in elk geval moet realiseren dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak groot zijn zodat de motivering van dergelijke oordelen luistert nauw luistert. Als je het mij vraagt een terecht standpunt nu het terzijde schuiven van vervalbedingen door de rechter in de praktijk zal leiden tot claims tegen aannemers die zij wellicht al niet meer hoefden te verwachten. Veelvuldig gehanteerde algemene voorwaarden in de bouw zouden moeten leiden tot eenduidigheid en niet tot wisselende oordelen en daarmee onzekerheid. Noemenswaardig is nog dat de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen in een andere zaak (nr. 38.068) voorbijging aan een beroep dat werd gedaan op het oordeel van het hof Amsterdam. Reden daarvoor was voor arbiters onder meer dat consumentenorganisaties het vervalbeding bij de totstandkoming daarvan dit niet als onredelijk bezwarend hebben bestempeld. Of de Hoge Raad daar ook zo over denkt is vooralsnog een kwestie van afwachten. In de tussentijd vragen over dit onderwerp? Neem gerust contact op met een van onze vastgoedspecialisten.
Rosalie Geurtsen 2 – La Gro
Rosalie Geurtsen
Advocaat
Leveringsbeslag geen effectief middel in Didam-procedure
Kan een partij die niet is aangemerkt als “enige serieuze gegadigde” in een Didam-procedure levering van de gronden aan een andere partij tegenhouden door beslag te leggen? Nee. De rechtbank Gelderland oordeelt in haar vonnis van 23 maart 2026 dat het beslag moet worden opgeheven. Achtergrond In het tweede Didam-arrest (ECLI:NL:HR:2024:1661) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een koopovereenkomst die is gesloten in strijd met de Didam-regels niet nietig of vernietigbaar is. Dit betekent dat de koopovereenkomst geldig is en tot levering van de grond kan worden overgegaan. Als na levering blijkt dat de koopovereenkomst toch in strijd was met de Didam-regels, kan de benadeelde partij schadevergoeding vorderen. De benadeelde partij kan dan geen aanspraak meer maken op de grond, omdat die al aan de “enige serieuze gegadigde” is geleverd. Is het voor de benadeelde partij zinvol om levering van de grond aan de “enige serieuze gegadigde” tegen te houden door conservatoir (leverings)beslag te leggen?   Vonnis rechtbank Gelderland De rechtbank Gelderland beantwoordde deze vraag in het vonnis van 23 maart 2026. Een derde partij kwam op tegen het standpunt van de gemeente dat een partij als enige serieuze gegadigde kwalificeerde. De derde partij werd door de voorzieningenrechter in het ongelijk gesteld. De derde partij stelde hoger beroep in. Het staat de gemeente op basis van de huidige jurisprudentie vrij om hangende het hoger beroep de koopovereenkomst te sluiten met de naar haar mening enige serieuze gegadigde en zelfs over te gaan tot levering van de grond. Dat resulteert er dus in dat de derde partij na levering enkel aanspraak kan maken op schadevergoeding.  De derde partij probeerde te voorkomen dat de grond aan de “enige serieuze gegadigde” zou worden geleverd door (conservatoir) (leverings)beslag te leggen op de grond. Met succes? Nee, zo oordeelde de rechtbank Gelderland. Voor conservatoir leveringsbeslag is een recht op levering vereist. De rechtbank oordeelde dat de derde partij dit recht op levering niet heeft. Het is ook niet aannemelijk dat zij een toekomstig recht op levering zal krijgen. Zelfs als in hoger beroep wordt geoordeeld dat de aangewezen partij inderdaad niet de enige serieuze gegadigde is, dan volgt daaruit nog geen recht op levering. De gemeente zal alsdan een nieuwe selectieprocedure moeten organiseren onder door haar te bepalen selectiecriteria. Het staat niet vast dat uit de selectieprocedure zal volgen dat de gronden aan deze derde partij moeten worden gegund. De rechtbank oordeelt dat het beslag moet worden opgeheven. Als later blijkt dat de koopovereenkomst tóch in strijd met de regels volgend uit het Didam-arrest is gesloten, dan kan de derde partij aanspraak maken op schadevergoeding. Heeft u te maken met een Didam-situatie, of heeft u anderszins vragen over het Didam I en/of II arrest? Voel je vrij om contact op te nemen met Rosalie Geurtsen of één van onze andere specialisten Vastgoedrecht.
Myrte Scholten
Myrte Scholten
Advocaat
Te laat is te laat? Niet altijd bij vervalbedingen en verborgen gebreken.
Ben je na verloop van een vervaltermijn écht te laat met een claim wegens verborgen gebreken? In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:540) blijkt dat niet het geval. Dura Vermeer sloot met 58 eigenaren van woningen uit Oegstgeest een aannemingsovereenkomst waarop de SWK Garantie- en waarborgregeling 2014 en de daarbij behorende Algemene Voorwaarden van SWK van toepassing waren. Artikel 15 lid 6 van deze voorwaarden bevat een vervalbeding: stel je niet tijdig een rechtsvordering in vanwege een verborgen gebrek? Dan leidt dat tot niet-ontvankelijkheid en heb je in principe dus pech, maar dat gold voor de 58 woningeigenaren uit Oegstgeest niet. Een rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is op grond van artikel 15 lid 6 niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf jaren na de garantieperiode van zes maanden die geldt na oplevering. De eisers in deze procedure hebben Dura Vermeer gedagvaard en vorderen schadevergoeding vanwege verborgen gebreken. Dura Vermeer stelde zich op het standpunt dat de laatste opleveringen plaatsvonden in november 2018, zodat de garantietermijn in mei 2019 afliep. Omdat niet vóór mei 2024 is gedagvaard, zou de vervaltermijn van vijf jaar zijn verstreken en zouden de vorderingen van eisers niet-ontvankelijk zijn. Daar denkt de rechtbank anders over. Waarom? Onder meer omdat Dura Vermeer al in 2020/2021 op de hoogte was gebracht van de gebreken en ook bij een groot aantal woningen opnames heeft gedaan. De ratio van contractuele vervaltermijnen is dat klachten over vermeende gebreken binnen een redelijke termijn na ontdekking worden gemeld. In dit geval had Dura Vermeer dus geen belang meer bij een beroep op overschrijding van de vervaltermijn. Een ander belang is ook niet naar voren gebracht. Dus oordeelde de rechtbank: als sprake zou zijn van een schending van de vervaltermijnen, dan zou het beroep hierop door Dura Vermeer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Deze uitspraak bevestigt dat vervalbedingen geen onbeperkte bescherming bieden aan aannemers en dat “te laat” niet altijd daadwerkelijk te laat is. Wat betekent dit in de praktijk? Hoewel vervaltermijnen een belangrijk uitgangspunt blijven, laat deze uitspraak zien dat een claim na verloop van de vervaltermijn niet kan worden uitgesloten. Met name de vraag of een aannemer al eerder op de hoogte was van gebreken kan daarbij een rol spelen. Meer weten over dit onderwerp of benieuwd wat dit voor uw situatie kan betekenen? Neem gerust contact op met één van onze vastgoedspecialisten.
Kirsten Hoogendam – La Gro
Kirsten Hoogendam
Advocaat
Oneerlijke bedingen: is schrappen de oplossing?
De jurisprudentie over oneerlijke bedingen ontwikkelt zich in hoog tempo. Zo ook voor huurovereenkomsten. De gevolgen hiervan zijn voor verhuurders nog niet volledig te overzien. Het uitgangspunt is duidelijk: wanneer een beding als oneerlijk in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna “de Richtlijn”, wordt aangemerkt, wordt het buiten toepassing gelaten. Dat heeft in veel gevallen als gevolg dat de verhuurder ook niet meer kan terugvallen op een vergelijkbare wettelijke regeling. Dit kan vergaande consequenties hebben, bijvoorbeeld bij bepalingen over huurprijsaanpassingen, maar ook bij het verhalen van kosten door de verhuurder. De rechtspraak heeft recentelijk twee ontwikkelingen laten zien: een prejudiciële beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Hoewel het definitieve antwoord op de prejudiciële vraag nog even op zich laat wachten, biedt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam voorzichtig hoop aan verhuurders. In dit artikel bespreken wij de ontwikkelingen en de mogelijkheden voor verhuurders om een oneerlijk beding preventief te schrappen, zodat een verhuurder alsnog een beroep kan doen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Wanneer is een beding oneerlijk? Een beding, waarover niet is onderhandeld en dat geen kernbeding is, is oneerlijk als het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Voor deze beoordeling wordt de positie van de consument vergeleken met een situatie waarin het beding niet zou zijn opgenomen en dus de wet zou gelden. Bij aanzienlijke verslechtering van de positie van de consument wordt het beding als oneerlijk aangemerkt, met vernietiging van het beding als sanctie. Oneerlijk proceskostenbeding Recentelijk heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook een proceskostenbeding, die valt onder de Richtlijn en waarbij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van de huurder komen, oneerlijk is (zie HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820). Zonder een dergelijk proceskostenbeding zou een (overwegend) in het ongelijk gestelde huurder, op basis van de vergelijkbare wettelijke regeling alsnog worden veroordeeld in de proceskosten. Het verschil is dat de hoogte van een ‘normale’ proceskostenveroordeling in de regel aanzienlijk lager zal zijn dan de werkelijke proceskosten van de verhuurder. Dit maakt het proceskostenbeding oneerlijk. De Richtlijn bepaalt dat een oneerlijk beding de consument niet kan binden. Doordat geen beroep kan worden gedaan op het beding, kan er een leemte ontstaan in de overeenkomst. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan een verhuurder, na vernietiging van een oneerlijk beding, in beginsel niet terugvallen op vergelijkbare wettelijke bepalingen. In dat kader heeft de Hoge Raad door middel van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gevraagd of dit ook het geval is bij een oneerlijk proceskostenbeding. De vraag is dus of na vernietiging van een proceskostenbeding mag worden teruggevallen op de ‘normale’ wettelijke regeling van een proceskostenveroordeling. Het antwoord op de vraag is nog niet bekend, maar de gevolgen kunnen groot zijn. In een groot deel van de huurovereenkomsten in Nederland is een oneerlijk beding opgenomen over de vergoeding van proceskosten. In de standaard ROZ-bepalingen staat namelijk een vergelijkbare (oneerlijke) bepaling als de bepaling die de Hoge Raad als onredelijk heeft bestempeld. Een relevante vraag is dus wat verhuurders nu kunnen doen om deze negatieve gevolgen te voorkomen. Het schrappen van oneerlijke bedingen In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan mogelijk een oplossing voor de verhuurders worden gelezen. Op 15 juli 2025 heeft zij geoordeeld dat de verhuurder alsnog een beroep op de vergelijkbare wettelijke regeling toekwam, nadat zij preventief oneerlijke bedingen had geschrapt (zie Rb. Amsterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5033). In deze zaak had de woningcorporatie aan de huurder per e-mail aangeboden om preventief oneerlijke bedingen te schrappen uit de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Een reactie van de huurder bleef uit. De rechtbank oordeelde desondanks dat het in deze kwestie redelijk was om terug te vallen op de vergelijkbare wettelijke regeling. Daardoor kon de verhuurder in dit geval alsnog een beroep doen op de wet. Preventieve schrapping was dus zelfs mogelijk zonder expliciete instemming van de huurder. Onduidelijk is hoe andere rechters zullen oordelen over de handelswijze van het preventief schrappen van oneerlijke bedingen. Vanuit de literatuur klinken kritische geluiden. Terugvallen op de nationale wet zou namelijk niet in lijn zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Van een definitieve doorbraak is vooralsnog dus geen sprake. Heeft u vragen over dit onderwerp, wilt u van gedachten wisselen of heeft u hulp nodig bij het opstellen van algemene voorwaarden? Neem dan contact op met Kirsten Hoogendam of een van de andere Huurrechtspecialisten.
Matti Smit – La Gro
Matti Smit
Advocaat
Nieuwe Warmtewet in aantocht: warmtekavels en publieke warmtebedrijven
Op 3 juli 2025 is de Wet Collectieve Warmte aangenomen door de Tweede Kamer. Met deze wet wil de overheid gemeenten meer regie geven in de warmtetransitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2026 en is nog alleen afhankelijk van instemming van de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel brengt ingrijpende veranderingen met zich mee, onder meer voor de vereiste rechtsvorm van warmtebedrijven en de ruimtelijke inrichting van warmte-exploitatie via zogenoemde ‘warmtekavels’. In deze blog wordt kort geschetst wat partijen kunnen verwachten op dit gebied.    Nieuwe eisen aan warmtebedrijven  Onder de huidige Warmtewet gelden geen specifieke eisen voor de rechtsvorm van warmtebedrijven. De nieuwe wet introduceert echter een belangrijke wijziging: warmtebedrijven die binnen een warmtekavel worden aangewezen, moeten voor minimaal 50% in publieke handen zijn. Dit betekent dat deze bedrijven eigendom moeten zijn van publieke rechtspersonen, zoals gemeenten of provincies, of moeten kwalificeren als een zogeheten warmtegemeenschap — een collectief georganiseerd warmtebedrijf met betrokkenheid van eindgebruikers of andere maatschappelijke partijen.  Ook dienen bovengenoemde bedrijven integrale warmtebedrijven te zijn. Dat betekent dat een warmtebedrijf zich bezighoudt met zowel het transport en de levering van warmte, als de productie of inkoop daarvan.  Als gevolg hiervan zijn veel gemeenten al bezig met het opzetten van een (geheel of gedeeltelijk) publiek warmtebedrijf. Dit kan door een gemeente afzonderlijk worden gedaan, maar ook in samenwerking met andere gemeenten in de vorm van een gezamenlijk warmtebedrijf.    Bij het oprichten van een publiek warmtebedrijf of warmtegemeenschap komt veel kijken. Zo zijn er verschillende manieren om (het publieke meerderheidsaandeel in) deze rechtspersoon vorm te geven. Ook zijn er eisen die de wet stelt met betrekking tot onder meer het takenpakket van een publiek warmtebedrijf, waarop de Autoriteit Consument en Markt toeziet.  Uitzonderingen en overgangsrecht voor warmtebedrijven Het wetsvoorstel voorziet in enkele uitzonderingen op de eis van een publiek warmtebedrijf. Zo kan een gemeente in bepaalde gevallen – gedurende de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de wet – een warmtebedrijf aanwijzen dat géén publiek meerderheidsbelang heeft of géén warmtegemeenschap is. Ook voor verhuurders, VvE’s en kleine warmtesystemen met minder dan 1.500 verbruikers bestaan uitzonderingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een warmtekoudeopslag (Wko) bij een appartementencomplex of een warmtesysteem gekoppeld aan een buurtinitiatief.  Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een uitzondering voor de transport en levering van warmte ten behoeve van de industrie en glastuinbouw. De regels van de Wcw zijn dus niet van toepassing op deze warmtenetten.  Ook een leverancier die grotendeels levert aan glastuinbouw of industrie en daarnaast aan een aangewezen warmtebedrijf kan onder omstandigheden beroep doen op een uitzondering. Tussen die onderneming en het warmtebedrijf moet dan een overeenkomst worden gesloten, waarin wordt vastgelegd dat de leverancier kan voldoen aan de wettelijke taken uit de Wcw. Het maximumpercentage van de totale warmtelevering dat in dit geval aan een aangewezen warmtebedrijf mag worden geleverd moet nog nader bepaald worden door de regering.  Warmtekavels  Een andere kernvernieuwing in het wetsvoorstel is de introductie van de warmtekavel. Een warmtekavel is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen één warmtebedrijf het exclusieve recht krijgt om een collectieve warmtevoorziening aan te leggen en te exploiteren.  De wijze waarop een gemeente een warmtekavel afbakent, kan verstrekkende gevolgen hebben. Binnen de kavel kan namelijk in beginsel één warmtebedrijf worden aangewezen. Ook verschillen de eisen voor kleine warmtesystemen afhankelijk van de vraag of een gebied binnen of buiten een kavel ligt. Gemeenten dienen bij de afbakening rekening te houden met de ruimtelijke samenhang en mogelijke ontwikkelingen in aangrenzende gemeenten. Voor zowel gemeenten als warmtebedrijven is het daarom van belang dat deze afbakeningskeuzes zorgvuldig en strategisch worden gemaakt.  Contact  Heeft u vragen over het afbakenen van warmtekavels, het oprichten van publieke warmtebedrijven of warmtegemeenschappen, of over de uitzonderingen op de nieuwe regels? Neem dan gerust contact op met een van onze specialisten op het gebied van Energierecht.